Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2812

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
HD 200.131.704_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort Geding. Omvang van het gehuurde. Deelgebruik door verhuurder overeengekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Zaaknummer: HD 200.131.704/01

arrest van 19 augustus 2014

in de zaak van

[Beheer] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

verder aan te duiden als “Beheer”,

advocaat: mr. D.M. Gijzen te [vestigingsplaats],

tegen

[Wikkelbedrijf] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

verder aan te duiden als “Wikkelbedrijf”,

advocaat: mr. J.P.C.M. van Riet te Hoensbroek,

op het bij exploot van dagvaarding van 5 augustus 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg, afdeling kanton, zittingplaats Heerlen, op 11 juli 2013 gewezen tussen Beheer als eiseres en Wikkelbedrijf als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 529155 CV EXPL 13-4709)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 5 augustus 2013 met producties;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord met productie.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

De feiten.

3.1

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

Op 15 juni 2007 heeft de heer [directeur Beheer], directeur van Beheer en op dat moment enig aandeelhouder van Wikkelbedrijf, alle aandelen in Wikkelbedrijf overgedragen aan zijn zoon, [Directeur Wikkelbedrijf], directeur van Wikkelbedrijf.

Tussen Beheer als verhuurster en Wikkelbedrijf als huurster is op 31 oktober 2007 een huurovereenkomst tot stand gekomen. Artikel 1.1 van deze overeenkomst luidt als volgt:

“Verhuurder verklaart te hebben verhuurd aan huurder, die verklaart te hebben gehuurd van verhuurder, de bedrijfsruimte gelegen aan de [straatnaam][huisnummer]; [postcode] te [plaats], hierna te noemen “het huurobject”.

Op het terrein aan de [straatnaam][huisnummer] staan een aantal opstallen, waaronder de ruimte waarin Wikkelbedrijf haar wikkelbedrijf uitoefent en twee loodsen (één open loods en één gesloten loods). Na het aangaan van de huurovereenkomst is Beheer met instemming van Wikkelbedrijf (een deel van) een loods blijven gebruiken voor de stalling van (dure) voertuigen en als opslag.

Tussen partijen is een geschil gerezen over het gebruik van de loods door Beheer. Beheer heeft bij dagvaarding in kort geding gesteld dat Wikkelbedrijf zich in strijd met de huurovereenkomst en in strijd met de wet de loods heeft toegeëigend door de sloten daarvan te vervangen en heeft gevorderd dat Wikkelbedrijf haar de onbelemmerde toegang zal verschaffen en zal blijven verschaffen tot de loods onder overhandiging van de sleutels van de loods en de toegangspoorten tot het terrein.

Wikkelbedrijf heeft het vervangen van de sloten op de loods in eerste aanleg niet weersproken en zelfs erkend dat zij Beheer de toegang tot de loods heeft ontzegd (conclusie van antwoord, punt 5). In hoger beroep voert Wikkelbedrijf bij memorie van antwoord (pagina 2, laatste drie alinea’s van onderen) tot verweer dat zij de sloten van de loods niet heeft vervangen en dat zich sedert aanvang van het gebruik van het terrein geen wijzigingen hebben voorgedaan in de mogelijkheden voor Beheer om toegang tot de loods te verkrijgen. Door afgifte te verlangen van een sleutel van de toegangspoort zou Beheer zich nu een ruimere toegang tot de loods willen verschaffen dan was afgesproken, namelijk ook na sluiting van de onderneming van Wikkelbedrijf, in de avonduren en in het week-end.

In het geschil tussen partijen neemt Beheer het standpunt in dat zij alleen de opstal op het bedrijfsterrein verhuurt waarin Wikkelbedrijf haar bedrijf uitoefent. Ter onderbouwing van dat standpunt wijst zij onder meer op de omstandigheid dat de huurovereenkomst het gehuurde omschrijft als “de bedrijfsruimte”, waarmee volgens Beheer enkel is bedoeld de opstal waar de onderneming in is gevestigd. Wikkelbedrijf neemt dienaangaande het standpunt in dat met “de bedrijfsruimte” is gedoeld op het gehele bedrijfsterrein met alle zich daarop bevindende opstallen.

Wikkelbedrijf erkent wel dat bij het aangaan van de huurovereenkomst is afgesproken dat Beheer, althans de heer [directeur Beheer], gebruik mocht blijven maken van de loods, maar merkt daarbij op dat dat slechts zou zijn tot aan het moment waarop een garage bij de woning van de heer [directeur Beheer] gereed zou zijn gekomen. Die garage zou volgens Wikkelbedrijf gereed zijn gekomen en om die reden kan Beheer, althans de heer [directeur Beheer], nu geen aanspraak meer maken op het gebruik van de loods. Beheer heeft betwist dat de garage in kwestie inmiddels gereed zou zijn.

De kantonrechter heeft, als voorzieningenrechter, bij vonnis van 11 juli 2013 de door Beheer verlangde voorzieningen afgewezen en Beheer veroordeeld in de kosten van het geding. Dit oordeel berust op de overweging dat Beheer haar standpunt met betrekking tot het object van de huurovereenkomst onvoldoende heeft onderbouwd, waardoor in het kader van dit kort geding niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld of Beheer in een te voeren bodemprocedure in het gelijk zal worden gesteld. Voorts merkt de voorzieningenrechter op dat van een recht op voortgezet gebruik van Beheer niet zou zijn gebleken.

Het geschil in hoger beroep.

3.2

Beheer heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing en vordert bij in de appeldagvaarding vervatte memorie van grieven dat het hof het vonnis zal vernietigen en Wikkelbedrijf alsnog zal veroordelen – zakelijk weergegeven – tot het verlenen van toegang tot de bij haar in gebruik zijnde loods, onder afgifte van de sleutels van die loods en afgifte van een sleutel van de toegangspoorten van het bedrijfsterrein, en het verplaatsen van in de loods door Wikkelbedrijf opgeslagen zaken, in beide gevallen op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,= per dag of gedeelte van een dag dat Wikkelbedrijf zulks nalaat, met veroordeling van Wikkelbedrijf in de kosten van de beide instanties.

3.3

Wikkelbedrijf heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd. Het hof zal daar, voor zover nodig, hieronder op terugkomen.

De beoordeling van het geschil

3.4

Het hof is van oordeel dat hetgeen in eerste aanleg op dit punt door Beheer is aangevoerd het oordeel rechtvaardigt dat Beheer een voldoende spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorzieningen. Onweersproken is dat Beheer op dit moment in elk geval geen volledige, onbelemmerde toegang heeft tot haar eigendommen, als die toegang haar al niet volledig wordt ontzegd. De noodzaak om over die eigendommen te kunnen beschikken levert een voldoende spoedeisend belang op bij de gevorderde voorlopige voorzieningen.

3.5

In grief 5 en in de toelichting op grief 4 voert Beheer aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat van een recht van Beheer op voortgezet gebruik dat toewijzing van haar vorderingen zou rechtvaardigen niet zou zijn gebleken. Deze grief slaagt. Het hof overweegt daartoe het volgende.

3.6

Bij conclusie van antwoord heeft Wikkelbedrijf aangevoerd onder punt 5 (pagina 2):

“Tijdens de onderhandelingen omtrent de overdracht van de aandelen en voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst is tussen partijen overeengekomen dat [directeur Beheer] nog tijdelijk gebruik mocht maken van een deel van de loods. [directeur Beheer] was doende een garage aan te bouwen aan zijn woning om zijn hobby, reparatie en onderhoud van auto’s, bij zijn woning voort te zetten. Tot aan het moment van gereedkomen van die garage zou [directeur Beheer] de loods, althans een deel daarvan, blijven gebruiken nu hij immers zijn auto’s en onderdelen diende te stallen.

(…)

De garage / aanbouw van [directeur Beheer] is medio 2012 gereed gekomen (…). Daarop heeft [Wikkelbedrijf] verzocht het deel van de door haar gebruikte loods weer aan haar af te staan c.q. wilde [het hof voegt toe: zij] het gebruik beëindigen waarmee [directeur Beheer], gezien de onderhavige vordering, niet instemde.”

3.7

Blijkens de bij de mondelinge behandeling door Beheer gehanteerde pleitnotitie heeft Beheer (onder meer) betwist dat de garage in kwestie zou zijn voltooid (pagina 1, 6e alinea).

3.8

Feitelijk staat vast en wordt door Wikkelbedrijf erkend dat Beheer van aanvang van de huurovereenkomst af aan toegang heeft gehad tot (een deel van) een loods op het terrein en deze, althans dat deel ervan, heeft benut voor het opslaan van zaken en uitvoeren van werkzaamheden. In dat geval is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet duidelijk op welke grond de voorzieningenrechter tot het oordeel is gekomen dat een recht van Beheer op het voortgezet gebruik van de loods niet zou (hebben) bestaan.

Wikkelbedrijf is overigens voor wat betreft de omvang van die toegang niet helder in haar stellingname. In eerste aanleg heeft zij zonder enig voorbehoud erkend dat zij Beheer de toegang heeft ontzegd. Bij memorie van antwoord lijkt zij daar op terug te komen, echter zonder haar stellingname meer concreet te onderbouwen en aan te vullen met een meer precieze formulering van de afspraak omtrent het gebruik van de loods en zonder nadere redengeving voor de wijziging van haar stellingname. Maar in elk geval volgt ook daaruit dat zij erkent dat Beheer in elk geval gedurende de normale werktijden waarop het bedrijfsterrein open is toegang had tot de loods.

3.9

De vraag op welke grondslag het toegangsrecht van Beheer berust kan in het kader van dit geding verder onbesproken blijven. Het geschil over de vraag of de huurovereenkomst het gehele bedrijfsterrein omvat, inclusief alle opstallen (standpunt van Wikkelbedrijf), dan wel slechts de bedrijfsruimte waarin wikkelbedrijf haar onderneming uitoefent (standpunt van Beheer), vergt nader feitenonderzoek naar de bedoeling die partijen hebben gehad bij het hanteren van de term “bedrijfsruimte” in artikel 1.1 van de huurovereenkomst. Een procedure als de onderhavige leent zich niet voor een dergelijk onderzoek. Voorshands kan ook niet met een voldoende mate van zekerheid worden geoordeeld wie van partijen in een bodemprocedure op dit punt in het gelijk zal worden gesteld.

3.10

Zou in een bodemprocedure al moeten worden geoordeeld dat Wikkelbedrijf inderdaad het gehele terrein met alle zich daarop bevindende opstallen huurt, dan blijft onverminderd overeind staan dat Beheer met instemming van Wikkelbedrijf en op grond van een in elk geval door Wikkelbedrijf zelf gestelde afspraak gebruik heeft mogen blijven maken van de loods. Het hof begrijpt dat Beheer tevens nakoming van die afspraak verlangt.

Dat Beheer aan Wikkelbedrijf voor het gebruik ooit enige vergoeding verschuldigd is geworden of heeft betaald is niet gesteld of gebleken. Dat gebruik kan derhalve voorshands niet worden gekwalificeerd als (onder)huur, maar dient te worden beschouwd als gegrond op een daartoe door partijen specifiek gesloten (gebruiks)overeenkomst. In debat is dan nog slechts de vraag wat partijen overeengekomen zijn ten aanzien van de toegangstijden en de mogelijkheden om die overeenkomst te beëindigen, meer in het bijzonder de rol van de te bouwen garage. Op dat punt nemen partijen ten aanzien van de feiten verschillende standpunten in en kunnen voorshands nog geen harde conclusies worden getrokken. Ook dienaangaande geldt dat een onderzoek naar die feiten in het kader van de onderhavige procedure niet mogelijk is.

Wikkelbedrijf doet overigens geen beroep op een opzegging harentwege van die overeenkomst.

3.11

Het hof komt dan tot het oordeel dat voorshands vaststaat dat Beheer op grond van een geldige titel in elk geval gedurende de normale werktijden gebruik maakte van (een deel van) de loods, hetzij uit hoofde van een eigen titel (eigenaar van een onverhuurd deel), hetzij als gebruiker op grond van een daartoe gesloten overeenkomst. Grief 5 slaagt derhalve. Hetgeen in de overige grieven nog is aangevoerd kan verder onbesproken blijven.

3.12

Nu grief 5 slaagt dient het hof nader te onderzoeken of desondanks gronden bestaan om de door Beheer verlangde voorziening af te wijzen. Wikkelbedrijf heeft dienaangaande in haar memorie van antwoord nog aangevoerd dat Beheer in de periode van 2007 tot eind 2012 / begin 2013 slechts toegang heeft gehad tijdens werktijden, dus niet na sluiting van de onderneming (in avonduren en de weekeinden), een standpunt waarvan Beheer de juistheid betwist en dat in strijd is met de onvoorwaardelijke erkenning bij conclusie van antwoord van het feit dat Wikkelbedrijf Beheer de toegang ontzegt. Een kort geding leent zich niet voor nader feitenonderzoek, zodat het hof niet kan vaststellen of die door Beheer betwiste stelling juist is. Nu Wikkelbedrijf haar standpunt niet concreter onderbouwt, bijvoorbeeld door nader en concreter te stellen hoe de afspraak omtrent het gebruik van de loods luidde, en Wikkelbedrijf ook geen verklaring geeft voor de wijziging van haar stellingname op dit punt, ziet het hof, zoals hiervoor al werd overwogen, vooralsnog geen grond om voorbij te gaan aan haar expliciete erkenning van het ontzeggen van de toegang tot de loods, zoals gedaan bij conclusie van antwoord. Het hof zal de gevraagde voorziening toewijzen met dien verstande dat Beheer tijdens werktijden toegang dient te krijgen tot de loods. Voor zover Beheer een uitgebreidere toegang verlangt, wordt het recht daartoe door Wikkelbedrijf in hoger beroep betwist en heeft het hof onvoldoende aanwijzingen gevonden om voorshands aan te kunnen nemen dat het standpunt dienaangaande van Beheer juist is. Daarbij zij opgemerkt dat het Hof voorshands geen redenen zijn gebleken waarom Beheer in dit verband niet in het bezit zou kunnen worden gesteld van een sleutel van de toegangspoort van het bedrijfsterrein.

3.13.1

Nu het hof van oordeel is dat grief 5 slaagt, dient het nader te onderzoeken of de stellingen van partijen in eerste aanleg aanleiding geven om desondanks de beslissing van de voorzieningenrechter in stand te laten. De standpunten van partijen ten aanzien van de omvang van de huurrechten geven daartoe geen aanleiding. Verwezen zij naar hetgeen dienaangaande hiervoor onder 3.11 is overwogen.

Wel speelt in dit verband nog een rol dat Wikkelbedrijf bij conclusie van antwoord primair heeft aangevoerd dat de toestemming om (een deel van) de loods te gebruiken voor bepaalde tijd was gegeven, in afwachting van het gereedkomen van een garage bij de woning van [directeur Beheer]. Subsidiair voert zij aan dat door het gereed komen van die garage het doel waartoe Beheer de loods in gebruik had – opslag van zaken en werkruimte om onderhoud aan auto’s uit te voeren - was komen te vervallen en dat zij om die reden bevoegd was het gebruik van de loods op te zeggen. Meer subsidiair doet Wikkelbedrijf een beroep op het bepaalde in artikel 7A:1788 BW, daarbij aanvoerend dat zij de loods zelf nodig heeft voor haar bedrijfsvoering.

3.13.2

Het hof stelt voorop dat het door Wikkelbedrijf gevoerde verweer pas relevant wordt wanneer in rechte zal blijken dat zij als huurder bevoegd was om de loods aan Beheer in gebruik te geven. Of dat zo is, is afhankelijk van hetgeen partijen zijn overeengekomen in het kader van de huurovereenkomst en dat kan in het kader van dit kort geding verder niet worden onderzocht.

3.13.3

Mocht in een bodemprocedure blijken dat Wikkelbedrijf ook huurster is van de loodsen en Beheer de loods op grond van een aparte overeenkomst in gebruik heeft, dan vormt het primair en subsidiair bij antwoord door Wikkelbedrijf aangevoerde voorshands nog geen reden om nu al in kort geding te oordelen dat zij bevoegd is om het gebruik van de loods te beëindigen. Beheer heeft bij pleidooi (pagina 1 pleitnota) betwist dat de garage bij de woning van [directeur Beheer] inmiddels gereed zou zijn. Dat standpunt heeft zij herhaald in de memorie van grieven (punt 35). Wikkelbedrijf stipt dit punt vervolgens bij memorie van antwoord zijdelings aan bij haar verweer tegen grief IV (pagina 6), maar betwist daar verder het door Beheer in de pleitnota en memorie van grieven aangevoerde standpunt niet. Evenmin heeft Wikkelbedrijf (bijv. door een foto) aangetoond dat de garage inmiddels gereed is. Dat de garage gereed zou zijn blijft dan ook omstreden en daardoor kan niet worden vastgesteld dat de voorwaarde waaronder de gebruiksovereenkomst zou eindigen (van rechtswege of door opzegging) in vervulling is gegaan. In dat geval moet worden aangenomen dat Beheer nog altijd gerechtigd is tot het gebruik van de loods en dat Wikkelbedrijf daar inbreuk op maakt door Beheer eenzijdig de toegang tot het bij haar, Beheer, in gebruik zijnde deel van de loods te ontzeggen, dan wel die toegang te belemmeren.

3.13.4

Ten aanzien van het meer subsidiair aangevoerde beroep op het bepaalde in artikel 7A:1788 BW merkt het hof op dat deze bepaling ziet op een situatie waarin de bruikleengever een in gebruik gegeven zaak om dringende en onverwachts opkomende redenen zelf nodig heeft. Wikkelbedrijf voert weliswaar aan dat zij de bij Beheer in gebruik zijnde loods nodig heeft voor haar bedrijfsvoering, maar dat die noodzaak dringend is en onverwachts is ontstaan, heeft zij niet gesteld en volgt evenmin uit de wel door haar aangevoerde feiten. Voorshands is dan ook in dit geding niet gebleken dat aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van artikel 7A:1788 BW is voldaan en kan ook in die bepaling geen grond worden gevonden om nu reeds met voldoende mate van zekerheid te kunnen oordelen dat in een bodemgeding zal worden vastgesteld dat Beheer het gebruik van de loods moet staken.

3.13.5

De slotsom luidt dan dat hetgeen zijdens Wikkelbedrijf in het kader van de behandeling van het kort geding is aangevoerd niet kan leiden tot het oordeel dat zij op goede gronden het gebruik van de loods door Beheer is gaan verhinderen of belemmeren en dat om die reden van de toewijzing van de in kort geding gevorderde voorzieningen had moeten worden afgezien.

3.14

Ten aanzien van de verplaatsing van zaken, waar Beheer ook een voorziening voor vraagt, is door Wikkelbedrijf geen specifiek verweer gevoerd. De gevraagde voorziening acht het hof slechts toewijsbaar voor zover het zaken betreft die door Wikkelbedrijf mogelijk zijn opgeslagen in het deel van de loods in kwestie die bij Beheer in de periode van 2007 tot en met 20012/2013 in gebruik is geweest. Om die reden zal de voorziening tot dat deel van de loods worden beperkt.

3.15

Tegen de gevorderde dwangsommen is door Wikkelbedrijf geen afzonderlijk verweer gevoerd. Het hof is van oordeel dat voldoende redenen zijn gebleken om deze toe te wijzen, met dien verstande dat het aanleiding vindt om de dwangsommen te matigen tot een bedrag van € 500,= per dag en het totaal aan te verbeuren dwangsommen (voor beide te treffen voorzieningen tezamen) vast te stellen op € 25.000,=.

3.16

Gelet op de door het hof op het geschil te nemen beslissing heeft Wikkelbedrijf in deze zaak als de in het ongelijk gestelde partij te gelden. Om die reden zal zij worden verwezen in de kosten van beide instanties, met inbegrip van de gevorderde nakosten, waartegen geen verweer is gevoerd. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Beheer zullen worden vastgesteld op € 588,71, waarvan € 76,71 aan explootkosten, € 112,= wegens berekend griffierecht en € 400,= wegens salaris gemachtigde. In hoger beroep begroot het hof de proceskosten op € 1.653,71, waarvan € 76,71 wegens dagvaardingskosten, € 683,= wegens berekend griffierecht en € 894,= wegens salaris advocaat.

Het hof zal de nakosten begroten op € 131,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,= vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.

3.18

Hoewel Beheer daar bij dagvaarding en memorie van grieven niet om heeft verzocht, maar wel in eerste aanleg naar welke vorderingen Beheer uitdrukkelijk heeft verwezen, vloeit uit de aard van dit geding voort dat dit arrest uitvoerbaar zal zijn bij voorraad.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Heerlen, van 11 juli 2013,

en, opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [Wikkelbedrijf] B.V. om op werkdagen tijdens de openingstijden van Wikkelbedrijf, maar in elk geval tussen 09.00 en 17.00 uur, [Beheer] B.V. toegang te verschaffen en blijven verschaffen tot de loods gelegen op het bedrijventerrein aan de [straatnaam][huisnummer] te [plaats] onder voorafgaande overhandiging van de sleutels van die loods en van de sleutels van de toegangspoorten van het bedrijfsterrein aan [Beheer] B.V., op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,= (zegge: vijfhonderd euro) per dag of dagdeel dat [Wikkelbedrijf] B.V. daarmee vanaf twee dagen na betekening van dit arrest in gebreke mocht blijven;

veroordeelt [Wikkelbedrijf] B.V. tot het verwijderen van zaken van [Wikkelbedrijf] B.V., opgeslagen in de loods gelegen op het bedrijventerrein gelegen aan de [straatnaam][huisnummer] te [plaats], voor zover die loods in gebruik is geweest en is bij [Beheer] B.V., op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,= (zegge: vijfhonderd euro) per dag of dagdeel dat [Wikkelbedrijf] B.V. daarmee vanaf twee dagen na betekening van dit arrest in gebreke mocht blijven;

bepaalt dat boven de som van € 25.000,= (zegge: vijfentwintigduizend euro) voor beide voorzieningen tezamen geen dwangsommen meer worden verbeurd;

veroordeelt [Wikkelbedrijf] B.V. in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [Beheer] B.V. in de eerste aanleg worden begroot op € 188,71 wegens verschotten en € 400,= aan salaris gemachtigde en in hoger beroep op € 759,71 aan verschotten en € 894,= aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,= vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, M. van Ham en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 augustus 2014.