Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2774

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-08-2014
Datum publicatie
14-08-2014
Zaaknummer
HD 200.132.374_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:557
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding tegen executie dwangsomveroordeling; onvoldoende aannemelijk dat dwangsom verbeurd is; vordering geëxecuteerde tot staking executie terecht toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.132.374/01

arrest van 12 augustus 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats 1],

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. L.R.G.M. Spronken te 's-Hertogenbosch,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 9 juli 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 juni 2013, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/262958/KG ZA 13-224)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord met producties;

- het pleidooi, waarbij [appellant] pleitnotities heeft overgelegd;

- de bij H12 formulier van 7 januari 2014 door [appellant] toegezonden producties, die [appellant] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

- de bij H12 formulier van 15 januari 2014 door [geïntimeerde] toegezonden producties die [geïntimeerde], zonder bezwaar van [appellant], bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

Vervolgens is arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.


3. De gronden van het hoger beroep

Voor de grieven wordt verwezen naar de desbetreffende memorie.

4. De beoordeling

4.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [appellant] en [geïntimeerde] hebben sinds 1994 een samenwerkingsverband gehad op het gebied van makelaarsactiviteiten. Eind 2008 heeft [appellant] de wens tot ontvlechting van de samenwerking uitgesproken. Begin 2009 is [appellant] een nieuwe onderneming op het gebied van makelaarsactiviteiten begonnen.

  2. In april en mei 2009 zijn twee vennootschappen waarin partijen hun makelaarsactiviteiten gezamenlijk verrichtten gefailleerd. Curator in de faillissementen is mr. Van Dijk te [woonplaats 2].

De afwikkeling van de faillissementen loopt nog. Na de faillissementen zijn de verhoudingen tussen partijen ernstig verstoord geraakt.

[appellant] is vervolgens voorzitter geworden van de vakgroep Business Onroerend Goed (hierna: BOG) binnen de Nederlandse Vereniging van Makelaars (hierna: NVM). Daarnaast is [appellant] lid van het algemeen bestuur van de NVM geweest.

Bij e-mailbericht van 1 augustus 2012 heeft [geïntimeerde] de leden van het algemeen bestuur van de NVM onder meer het volgende bericht:

“Zoals u (…) bekend heb ik met de heer [appellant], thans voorzitter vakgroep BOG, vele jaren samen een onderneming gehad. Aan het eind van de onderneming heeft de heer [appellant] zich, in mijn visie, onder andere schuldig gemaakt aan oplichting en paulianeus handelen. Mede door toedoen van de heer [appellant] zijn onze gezamenlijke ondernemingen in april en mei 2009 gefailleerd.
Vervolgens is de heer [appellant] voorzitter geworden van de vakgroep BOG van de NVM. (…) Naar ik heb vernomen bestond de benoemingscommissie voor de functie van voorzitter, in eerste aanleg uit twee personen, waaronder de heer [appellant].
Na zijn benoeming is er door de NVM een persbericht uitgegeven waarin werd vermeld dat de heer [appellant] al in 2008 voor zich zelf was begonnen. Alle NVM-leden en derden zijn en worden onjuist geïnformeerd. (…)
Mij rest niets anders dan over te gaan tot het entameren van diverse procedures, (….) Daaronder begrepen tuchtprocedures, onder andere bij de NVM.(…)”

Bij e-mailbericht van 2 augustus 2012 heeft [appellant] [geïntimeerde] gesommeerd zich in alle correspondentie met derden te onthouden van onrechtmatige formuleringen, die [appellant] (reputatie)schade berokkenen.

Bij vonnis in kort geding uitgesproken op 6 december 2012 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda op vordering van [appellant] [geïntimeerde] verboden om “in privé en handelend namens de aan hem gelieerde ondernemingen en/of de door hem gecontroleerde vennootschappen, (…) jegens derden uitlatingen te doen met de strekking of inhoud dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting en/of paulianeus handelen, al dan niet met een toevoeging “in mijn visie”.
Op overtreding van dit verbod werd een dwangsom gesteld van € 5.000,-- per overtreding, met een maximum van € 25.000,--.

Bij deurwaardersexploit van 10 december 2012 heeft [appellant] het onder f) genoemde vonnis aan [geïntimeerde] doen betekenen met bevel aan de inhoud van het vonnis te voldoen.

Op 11 december 2012 is aan het vonnis van 6 december 2012 in het Brabants Dagblad in niet-geanonimiseerde vorm aandacht besteed.

Bij brief van 5 april 2013 heeft [appellant] aanspraak jegens [geïntimeerde] gemaakt op een verbeurde dwangsom ad € 5.000,--. [geïntimeerde] zou volgens de inhoud van die brief in strijd met het hem opgelegde verbod aan [Journalist NRC], journalist van NRC Handelsblad, hebben aangegeven dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting en/of paulianeus handelen, of woorden van die strekking.

Op 10 en 12 april 2013 heeft NRC Handelsblad artikelen van [Journalist NRC] gepubliceerd over, onder meer, het geschil tussen partijen. Boven de artikelen staan de volgende koppen:

“Verdacht faillissement achtervolgt NVM-bestuurder”;
“Bestuurder van NVM in opspraak na faillissement”, en
“Discussie in NVM over positie van bestuurslid”.

Op 13 april 2013 verscheen in het Brabants Dagblad een artikel van [Journalist Brabants Dagblad] onder de kop “Vete Tilburgse makelaars woekert voort”, alsmede een column van [columnist Brabants Dagblad] met de kop “Onder makelaars”. Op 20 april 2013 werd wederom een artikel van [Journalist Brabants Dagblad] gepubliceerd, ditmaal met de kop “[geïntimeerde] in beroep tegen tuchtraad”.

Bij deurwaardersexploit van 2 mei 2013 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] aangezegd dat laatstgenoemde twee maal het verbod in het vonnis van 6 december 2012 had overtreden door tegenover journalisten van het Brabants Dagblad uitlatingen te doen die hebben geleid tot de publicatie van de onder k) genoemde artikelen en column. Aan [geïntimeerde] is bij dat exploit bevel gedaan € 10.000,-- vermeerderd met kosten te betalen ter zake van verbeurde dwangsommen.

4.2.

In de onderhavige kort geding procedure vordert [geïntimeerde] in conventie een verbod aan [appellant] om tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 6 december 2012 over te gaan. Aan de vordering legt [geïntimeerde] ten grondslag dat hij het verbod niet heeft overtreden en dus geen dwangsommen heeft verbeurd. [appellant] vordert in reconventie verhoging van de dwangsom die bij dat vonnis is opgelegd tot € 25.000,-- per overtreding, met een maximum van € 250.000,-.

4.3.

De voorzieningenrechter heeft bij het vonnis waarvan beroep de vordering in conventie toegewezen in die zin dat [appellant] is verboden over te gaan tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 6 december 2012 voor zover die executie betrekking heeft op de vermeende verboden uitlatingen van [geïntimeerde] aan [Journalist NRC], als vermeld in de brief van 5 april 2013 (zie 4.1.i.) en aan [columnist Brabants Dagblad] en [Journalist Brabants Dagblad] zoals vermeld in het deurwaardersexploit van 2 mei 2013 (zie 4.1.l.). De vordering in reconventie wees de voorzieningenrechter af.

4.4.

[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vordering van [geïntimeerde] in conventie en het alsnog toewijzen van de vordering in reconventie.

4.5.

Ook naar het oordeel van het hof volgt het vereiste spoedeisende belang uit de aard van de gevraagde voorziening. Dit belang wordt ook niet door [appellant] betwist.

4.6.

Met grief I bestrijdt [appellant] het oordeel van de voorzieningenrechter dat niet is komen vast te staan dat, kort gezegd, [geïntimeerde] in strijd met het hem bij het vonnis van 6 december 2012 opgelegde verbod heeft gehandeld.

4.7.

Het hof overweegt als volgt.
De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat, bij de beantwoording van de vraag of [geïntimeerde] de veroordeling wel of niet is nagekomen en, derhalve, of [geïntimeerde] dwangsommen heeft verbeurd, de handelingen van [geïntimeerde] getoetst moeten worden aan de inhoud van de veroordeling in het vonnis van 6 december 2012, zoals deze door uitleg van dat vonnis moet worden vastgesteld. Doel en strekking van die veroordeling dienen bij de uitleg daarvan tot richtsnoer te worden genomen, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Daarbij neemt het hof als uitgangspunt dat de draagwijdte van het in de veroordeling uitgesproken verbod is beperkt tot handelingen waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat deze, mede gelet op het belang tegen de aantasting waarvan het verbod is gegeven, inbreuken op dat verbod opleveren.

4.7.1.

Uit het vonnis van 6 december 2012 blijkt dat het verbod is opgelegd om te voorkomen dat de eer en goede naam van [appellant] op onrechtmatige wijze (verder) werden aangetast door het gebruik door [geïntimeerde] van woorden als “oplichting” en “ paulianeus handelen”. Voor deze beperking van de vrijheid van meningsuiting van [geïntimeerde] vond de voorzieningenrechter blijkens dat vonnis aanleiding omdat die aantijgingen niet functioneel waren, niet gedragen werden door meer dan een particulier belang van [geïntimeerde] en daarnaast door [geïntimeerde], kort gezegd, niet feitelijk onderbouwd waren.

4.7.2.

In het licht van het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet gezegd worden dat [geïntimeerde] door na het opleggen van het verbod met journalisten te spreken in strijd met dat verbod heeft gehandeld, zoals [appellant] blijkens het gestelde in de memorie van grieven sub 41 lijkt te betogen. Een dergelijke uitleg van het verbod zou naar het oordeel van het hof de vrijheid van meningsuiting van [geïntimeerde], in relatie tot het doel van het verbod, te zeer beperken.
Evenmin valt als overtreding van het verbod te beschouwen het feit dat [geïntimeerde] (zoals deze in hoger beroep erkent) delen van het dossier van de tuchtrechtelijke procedure tussen partijen aan derden ter beschikking heeft gesteld. [appellant] heeft immers niet weersproken dat [geïntimeerde] de stukken in dat dossier waarin de standpunten van [geïntimeerde] zelf zijn neergelegd niet heeft verspreid. Aldus kan niet gezegd worden dat [geïntimeerde] in dit verband uitlatingen heeft gedaan met een door het verbod bestreken strekking of inhoud. Terzijde merkt het hof op dat volgens [appellant] zelf (memorie van grieven sub 35) ook personen binnen de NVM op de hoogte waren van het conflict tussen partijen nu binnen die organisatie voornoemde tuchtrechtelijke procedure aanhangig was.

4.7.3.

Wat de gestelde overtredingen door uitlatingen van [geïntimeerde] aan journalisten van het Brabants Dagblad betreft, heeft te gelden dat vast staat dat op de zitting van de voorzieningenrechter die voorafging aan het vonnis van 6 december 2012 in elk geval één journalist van die krant aanwezig was en dat deze journalist kennis had van de inhoud van de dagvaarding van [appellant]. Ook staat vast dat het Brabants Dagblad reeds op 11 december 2012 in niet-geanonimiseerde vorm over het geschil tussen partijen heeft bericht en dat het vonnis van 6 december 2012 (geanonimiseerd) op internet is gepubliceerd. Aldus heeft [appellant] naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [geïntimeerde] het verbod heeft overtreden. Het Brabants Dagblad had immers reeds op andere wijze de beschikking over (een groot deel van) de informatie waarop de artikelen in die krant gebaseerd waren. Dit geldt in elk geval voor de column van journalist [columnist Brabants Dagblad], waarin uitlatingen van [geïntimeerde] met een onder het verbod vallende strekking voorkomen. In de artikelen in het Brabants Dagblad van 11, 13 en 20 april 2013 (door [appellant] geciteerd in de memorie van grieven onder 31 tot en met 33) vallen geen duidelijke overtredingen van het verbod door [geïntimeerde] te lezen. Bij dit oordeel betrekt het hof het feit dat in die artikelen de woorden “oplichting” en “paulianeus handelen” niet als verklaring van [geïntimeerde] voorkomen en dat van de kennelijk wel door [geïntimeerde] (blijkens die artikelen en de als productie 18 door [appellant] in hoger beroep overgelegde verklaring van journalist [Journalist Brabants Dagblad]) gebezigde woorden in ernst kan worden betwijfeld of deze onder het verbod vallen.

4.7.4.

Wat de gestelde overtreding van het verbod door uitlatingen van [geïntimeerde] aan journalist [Journalist NRC] betreft, die zouden blijken uit de artikelen van 10 en 12 april 2013 in NRC Handelsblad, geldt het volgende.
[geïntimeerde] heeft als productie 4 bij inleidende dagvaarding een e-mail van [Journalist NRC] van 18 april 2013 overgelegd met onder meer de volgende inhoud:

“Ik ben bekend met de uitspraak in het kort geding van 6 december 2012. In ons contact heeft u nooit gezegd dat dhr. [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting of paulianeus handelen of woorden van gelijke strekking. In mijn contact met dhr. [appellant] heb ik hem ook nooit aangegeven dat u deze uitlatingen zou hebben gedaan.(…)”
Weliswaar heeft [appellant] in hoger beroep een verklaring van ene [vastgoedjournalist], vastgoedjournalist, overgelegd waarin valt te lezen dat [geïntimeerde] tijdens een gesprek op 15 januari 2013 tussen [vastgoedjournalist], [Journalist NRC] en [geïntimeerde] wel woorden met een verboden strekking dan wel inhoud zou hebben gebruikt, maar dit baat [appellant] niet. Hiertegenover staat immers voornoemde schriftelijke verklaring van [Journalist NRC]. Daarom is voorshands onvoldoende aannemelijk dat [geïntimeerde] tegenover [Journalist NRC] het verbod heeft overtreden. Uit de eveneens door [appellant] in hoger beroep (als productie 30) overgelegde transcriptie van een geluidsopname van een gesprek tussen [vastgoedjournalist] en [geïntimeerde] op 8 januari 2013 valt voorshands onvoldoende af te leiden dat zulks anders zou zijn. Voor een nader feitenonderzoek is in deze kort geding procedure geen plaats.

4.8.

De conclusie luidt dat grief I faalt. De voorzieningenrechter heeft terecht de vordering van [geïntimeerde] toegewezen omdat onvoldoende aannemelijk is dat [geïntimeerde] het verbod in het vonnis van 6 december 2012 heeft overtreden en tot drie maal toe een dwangsom heeft verbeurd.

4.9.

Gelet op het falen van grief I faalt ook grief II die gericht is tegen de afwijzing van de vordering van [appellant] in reconventie tot verhoging van de dwangsom. [appellant] legt aan die vordering stellingen ten grondslag die hiervoor, bij de behandeling van grief I, voorshands onjuist zijn bevonden.


4.10. Grief III heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft geen behandeling.

4.11.

De slotsom is dat het vonnis van de voorzieningenrechter zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van de procedure in hoger beroep, als door [geïntimeerde] verzocht. Op verzoek van [geïntimeerde] zal de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 299,-- aan verschotten en op € 2.682,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de nakosten ad € 131,-- en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders in hoger beroep gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, C.W.T. Vriezen en Th.C.M. Hendriks-Jansen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 augustus 2014.