Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2768

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-08-2014
Datum publicatie
14-08-2014
Zaaknummer
HD 200.133.392_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongeval op bedrijfsterrein. Geen schending zorgplicht ex artikel 7:658 BW noch strijd met handelen als goed werkgever ex 7:611 BW (verzekeringsplicht)

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658, geldigheid: 2014-08-14
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611, geldigheid: 2014-08-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2014/229
AR 2014/583
RAR 2014/150
JAR 2014/229
VR 2014/191

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.133.392/01

arrest van 12 augustus 2014

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats], België,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. R.M.A. Lensen te Terneuzen,

tegen

ISS Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mrs. P. Oskam te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 9 april 2013 en herstelexploot van 12 april 2013 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter in rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Terneuzen, gewezen vonnis van 9 januari 2013 tussen principaal appellante – [appellante] – als eiseres en principaal geïntimeerde – ISS – als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 234372/12-638)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep en het herstelexploot;

- de memorie van grieven met één productie;

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep met één productie;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd, aan de zijde van [appellante] tevens houdende akte van wijziging van eis;

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven in principaal hoger beroep en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep wordt verwezen naar de beide memories.

4 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

[appellante] is op 9 juni 2008 voor de duur van zes maanden in dienst getreden van ISS Cleaning Services als werknemer algemeen schoonmaakonderhoud.

[appellante] is door ISS uitgeleend aan Dow Chemical [vestigingsplaats 2] (hierna Dow) om aldaar schoonmaakwerkzaamheden te verrichten.

Dow is gevestigd op een vele hectares groot eigen industrieterrein, waar zich een groot aantal locaties bevinden, die onderling te bereiken zijn via een uitgebreid wegennet. Op een aantal van deze locaties verrichtte [appellante] de haar opgedragen schoonmaakwerkzaamheden.

Volgens [appellante] is zij op 19 augustus 2008 (bij gecorrigeerd in 16 september 2008) in de vroege ochtend bij het zich verplaatsen per fiets van de hoofdlocatie van Dow naar haar eerste werklocatie ten val gekomen, nadat zij tegen een haas of een konijn was aangereden. [appellante] heeft zich op die middag gemeld bij de medische dienst van Dow naar zij stelt met de nodige blauwe plekken en rugpijn, terwijl zij bovendien bloed plaste. Zij is twee dagen arbeidsongeschikt geweest en heeft daarna het werk hervat totdat zij op 26 november 2008 opnieuw is uitgevallen wegens hevige pijnen.

4.2.

[appellante] heeft ISS – als haar (toenmalige) werkgever – aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het door haar gesteld, op 16 september 2008 tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden bij inlener Dow overkomen, ongeval op basis van artikel 7:658 BW dan wel subsidiair op basis van artikel 7:611 BW.

Zij stelt daartoe (samengevat) dat Dow onvoldoende zorg heeft betracht bij het creëren van veilige fietsroutes en dat deze omstandigheid voor rekening komt van ISS dan wel dat ISS niet heeft gezorgd voor een adequate verzekering, terwijl ISS wist van allerlei gevaren op het terrein van Dow.

4.3.

ISS heeft primair betwist de stelling van [appellante] dat een ongeval als door haar geschetst (op 16 september 2008) heeft plaatsgevonden, en voorts dat zich enig ongeval in de werksituatie heeft voorgedaan. Subsidiair heeft ISS gesteld dat het betreffende ongeval niet is te wijten aan de schending van enige zorgplicht van Dow (en in haar spoor ISS), en meer subsidiair dat zij niet gehouden was een verzekering te sluiten voor dit soort ongevallen op het eigen terrein van Dow.

4.4.

Na re- en dupliek heeft de kantonrechter alle vorderingen van [appellante] afgewezen. Zij overwoog, kort gezegd, dat als al moest worden aangenomen dat het door [appellante] gestelde ongeval had plaatsgevonden, van een schending van enige zorgplicht geen sprake is geweest. Van Dow kan niet worden verwacht dat zij het gehele terrein konijnvrij zou maken en evenmin dat er gewaarschuwd werd voor de aanwezigheid van konijnen. Verder mist artikel 7:611 in dit geval toepassing, omdat het ongeval zich op de arbeidsplaats heeft afgespeeld en de vordering tot vergoeding van aldaar geleden uitsluitend kan worden beoordeeld in het licht van artikel 7:658 BW, aldus de kantonrechter.

[appellante] is in de kosten van de procedure veroordeeld.

Tegen deze beslissingen komt [appellante] op.

In het principaal hoger beroep

4.5.1.

De grieven 1, 2 en 4 zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door [appellante] gestelde toedracht niet het oordeel rechtvaardigt dat Dow (en in haar spoor ISS) haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 BW jegens [appellante] heeft geschonden. Naar de mening van [appellante] heeft Dow als inlener (en met haar ISS als haar toenmalig werkgever) onvoldoende maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat een ongeval als aan [appellante] is overkomen zou hebben kunnen plaatsvinden. Dow had in de visie van [appellante] veel meer moeten doen om – zakelijk weergegeven – om te zorgen voor het zich veilig te kunnen begeven op en over de verbindingswegen door veiligheidsmaatregelen toe te passen, zoals het afrasteren van de fietspaden, en te zorgen voor een afdoende aanwezige en deugdelijk werkende verlichting.”

4.5.2.

Het hof stelt voorop dat een werkgever op grond van het bepaalde in artikel 7:658 BW gehouden is die maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Artikel 7:658 BW houdt in beginsel een ruime zorgplicht voor de werkgever in. Niet snel kan worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Anderzijds beoogt artikel 7:658 BW geen absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke (veiligheids-)maatregelen van de werkgever mogen worden verwacht en verlangd, en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren en waarschuwen voor gevaar, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De zorgplicht als bedoeld in art. 7:658 heeft in de eerste plaats betrekking op de werkplek (c.q. arbeidsplaats) waar de werknemer zijn werkzaamheden verricht(te). De enkele omstandigheid dat een algemeen bekend risico van schade zich verwezenlijkt, of de enkele mogelijkheid van ernstige schade (op de werkplek/arbeidsplaats) schept voor de werkgever – of zoals hier: de inlener – nog niet de verplichting maatregelen te nemen om die schade te voorkomen; welke verplichtingen in een concreet geval op de werkgever rust(t)en, moet worden beoordeeld met inachtneming van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval.

De werknemer dient in een geval als het onderhavige – overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv – te stellen en bij (gemotiveerde) betwisting door de werkgever te bewijzen dat hij schade heeft geleden tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden. Op grond van art. 7:658 lid 2 BW kan, indien vaststaat dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden, de werkgever zich van aansprakelijkheid daarvoor bevrijden door te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij de in lid 1 van dat artikel bedoelde verplichtingen is nagekomen. Indien de werkgever ter onderbouwing van dit verweer voldoende concrete feitelijke gegevens aanvoert, zal van de werknemer mogen worden verlangd dat hij zijn betwisting van dat verweer voldoende concreet motiveert. Naar de hoofdregel van art. 150 Rv behoeft de werknemer, als wederpartij van de werkgever die de bewijslast voor zijn verweer draagt, in beginsel niet de door hem ter betwisting van het verweer van de werkgever gestelde feiten te bewijzen; in het licht van de stellingen van de werkgever en de vaststaande feiten mag evenwel van de werknemer een nadere motivering worden verlangd van zijn betwisting van het verweer van de werkgever.

4.5.3.

Op grond van artikel 7:658 lid 4 BW kan een uitzendkracht of een ingeleende arbeidskracht zowel de formele werkgever als de inlener aansprakelijk stellen omdat de vrijheid van degene die een bedrijf uitoefent om te kiezen voor het laten verrichten van werk door eigen werknemers of door anderen niet van invloed behoort te zijn op de rechtspositie va n degene die het werk verrichten. In dit geval heeft [appellante] ervoor gekozen om ISS als voormalige werkgever aansprakelijk te stellen en niet (ook) Dow als toenmalige inlener. Tussen partijen staat vast – zoals het hof mede vaststelt op grond van het verhandelde bij pleidooi in hoger beroep – dat op het vele hectares grote bedrijfsterrein van Dow zich een groot aantal verschillende locaties bevonden die door ingeleend personeel van ISS dienden te worden schoongemaakt. Het betrof daarbij niet de fabrieksgebouwen zelf maar wel de daarbij horende controlekamers, badruimtes en kantines. Gezien de grootte van het terrein en de zich daarop bevindende locaties liepen op het terrein een aantal verbindingswegen, waaronder afzonderlijke fietspaden gelegen naast verharde wegen voor overig verkeer. In die zin vormde het afgescheiden bedrijfsterrein van Dow een werkplek c.q. arbeidsplaats, waar met betrekking tot de aan [appellante] opgedragen schoonmaakwerkzaamheden voor (Dow als inlener en met haar) ISS als werkgever een zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 BW.

ISS heeft allereerst gemotiveerd betwist dat [appellante] (op 16 september 2008) een ongeval is overkomen op dit bedrijfsterrein van Dow en aldus ook bestreden dat [appellante] de door haar gestelde schade heeft geleden, zodat het overeenkomstig de hiervoor genoemde uitgangspunten aan [appellante] als werknemer is om te laten bewijzen dat het door haar gestelde ongeval wél heeft plaatsgevonden én dat zij daarbij schade heeft opgelopen. Het hof zal echter [appellante] – in navolging van de kantonrechter – niet tot dat bewijs toelaten, omdat ook indien [appellante] dat bewijs zou kunnen bijbrengen, dat nog niet zal (kunnen) leiden tot de conclusie dat ISS onder de gegeven feiten en omstandigheden dan aansprakelijk moet worden geacht voor de gevolgen van dit ongeval.

Daartoe overweegt het hof het volgende.

De enkele mogelijkheid dat zich op een bedrijfsterrein van deze omvang en op deze plaats (gelegen naast een natuurterrein) kleinere wilde dieren zoals hazen en konijnen bevinden noopt immers niet, als zodanig en zonder meer, tot de conclusie dat reeds daarom Dow (en in haar spoor ISS) verplicht was en van haar mocht worden verwacht en verlangd maatregelen te treffen om te voorkomen dat zich een ongeval zou kunnen voordoen als door [appellante] geschetst. Dat zou mogelijk anders zijn in gevallen waarin sprake is van een ware plaag van deze wilde dieren die een reëel risico oplevert voor de veiligheid en gezondheid van fietsende werknemers op de werkplek (arbeidsplaats). Dat sprake hier is geweest van een konijnenplaag, is gesteld noch gebleken. De stelling van [appellante] dat haar ongeval niet op zich staat, maar iets is dat vaker voorkwam op het Dow-terrein in [vestigingsplaats 2] heeft zij, tegenover de gemotiveerde betwisting door ISS, niet voldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt. Het hof gaat dan ook ervan uit dat de omvang van de konijnenpopulatie op het terrein van Dow (op en rondom 16 september 2008) niet zodanig was dat Dow (en met haar ISS) daartegen iets had moeten ondernemen.

De enkele kans dat een (letterlijk) loslopend konijn haas betrokken raakt bij (en de oorzaak is van) een ongeval als door [appellante] gesteld, acht het hof zodanig gering dat onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet van Dow, als inlener en met haar ISS als werkgever, behoefde te worden verwacht en verlangd om (nadere) voorzorgsmaatregelen te nemen – laat staan zodanig vergaande maatregelen als door [appellante] gesteld – om dit geringe gevaar en risico te beperken, dan wel te voorkomen en volledig uit te sluiten. Naar het oordeel van het hof was ISS daartoe op de voet van het bepaalde in art. 7:658 BW dan ook niet gehouden, nu de enkele mogelijkheid van (ernstige) schade en enkele omstandigheid dat het risico op schade zich zou kunnen verwezenlijken, niet de verplichting voor Dow (en met haar ISS) schiep om voorzorgsmaatregelen te nemen. Een ongeval als het onderhavige, hoe zeldzaam ook, kan zich (bijna) overal voordoen en degene die het treft heeft domweg pech, maar dat leidt niet tot de conclusie dat van een werkgever in het algemeen in het kader van de zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 BW gevorderd kan worden dat hij er naar streeft om ook dit soort in de natuur gelegen zeer kleine risico’s volledig uit te sluiten. De aansprakelijkheid van een werkgever kent ook zijn grenzen en met de eis dat voorkomen dient te worden dat ook konijnen op het terrein leven en dus dat terrein dient te worden bejaagd dan wel wegen geheel omheind dienen te worden uitsluitend met het doel om dit soort incidentele ongevallen te voorkomen, wordt die grens naar het oordeel van het hof overschreden. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de fietspaden op het terrein van Dow op en rondom 16 september 2008, na zonsondergang en vóór zonsopgang, in voldoende mate werden verlicht. De stelling dat het fietspad ten tijde van het door [appellante] gesteld ongeval niet of onvoldoende zou zijn verlicht, acht het hof niet voldoende onderbouwd of anderszins aannemelijk geworden.

Het hof laat daarbij dan nog maar buiten beschouwing dat, zoals ISS aanvoert en op vragen van het hof bij pleidooi nader heeft toegelicht, de bij Dow geldende veiligheidsvoorschriften ten behoeve van de evacuatie van werknemers in geval van calamiteiten of rampen ter plaatse in de weg staan aan de door [appellante] gestelde vergaande voorzorgsmaatregelen, zoals het omheinen van het terrein of het plaatsen van hekwerken langs de fietspaden en verbindingswegen.

Het hof overweegt daarnaast nog het volgende. Door [appellante] is niet weersproken dat, zoals het hof ook bij pleidooi is gebleken, Dow met enige regelmaat op de momenten dat het nodig is fretten inzet om konijnen te bestrijden. Deze bestrijding is er allereerst op gericht om te voorkomen dat konijnen gaten en gangen graven die bepaalde voorzieningen bij of in gebouwen aantasten, maar heeft wel als gevolg dat de populatie als zodanig wordt beheerst. Daarnaast is voldoende aannemelijk geworden dat de hoofdwegen op het terrein gedurende de nachtelijke uren worden verlicht om de veiligheid van het verkeer zoveel mogelijk te waarborgen. Naar het oordeel van het hof heeft Dow (en met haar ISS) door het plaatsen en gebruik van deze verlichting voldoende maatregelen getroffen als bedoeld in art. 7:658 BW en was zij, zoals hiervoor is overwogen, niet gehouden om meer of andere maatregelen te nemen om het door [appellante] gestelde specifieke risico te beperken of geheel te voorkomen.

De stelling van [appellante] dat deze verlichting ter plaatse stuk was (op 16 september 2008), acht het hof niet aannemelijk in het licht van de – door haar niet bestreden – vermelding op het mede door haar zelf opgesteld en ondertekend ongevalsformulier als opgemaakt op 16 september 2008:

“Medewerker is om 0600 uur vanaf de hoofdpoort naar het 17 Bldg gefietst. Omstreeks 0615 was het nog donker buiten. Hoewel de hoofdwegen op het terrein voorzien zijn van straatverlichting, was het op de plaats van het ongeval ten tijde van de val redelijk donker. Omstreeks deze tijd schakelt de hoofdverlichting uit. (…)”

Het hof leidt hieruit af dat de gebruikelijke straatverlichting aanwezig was en niet stuk was, dat deze verlichting een door [appellante] bedoelde weg/fietspad –ten tijde van het door haar gesteld ongeval verlichtte dan wel op het gevorderde uur was uitgeschakeld.

Zoal deze verlichting feitelijk tevens dienstbaar was ter voorkoming van ongelukken met loslopende konijnen (ook al was deze daarvoor niet beoogd), dan valt niet in te zien wat Dow – en met haar ISS – hierin valt te verwijten. De straatverlichting op een dergelijk terrein behoeft immers niet steeds van een zodanig aard, omvang en intensiteit te zijn dat ook kleinere dieren niet onopgemerkt een weg kunnen oversteken. Daarmee is ook alleszins voldaan aan de veiligheidsnorm als bedoeld in het door [appellante] aangehaald artikel 3.14 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (veilige gebruik van verbindingswegen op de arbeidsplaats). Dat de ligging en verdere inrichting van de verbindingswegen en fietspaden op het terrein van Dow voldeden (in de zin van art. 3:14 van bedoeld besluit), is tussen partijen niet in geschil en staat dan ook vast. Dat Dow in de gegeven omstandigheden een (nog) verdergaande zorgplicht heeft verband houdende met en voortvloeiende uit de overige door [appellante] in haar memorie van grieven onder randnummer 13 genoemde Arbonormen, heeft [appellante] verder niet voldoende onderbouwd. Naar het oordeel van het hof kan de door [appellante] bedoelde zorgplicht ook niet worden afgeleid uit de door [appellante] genoemde overige Arbonormen, ieder op zich en in onderlinge samenhang, waar deze Arbonormen naar doel en strekking de verwezenlijking van andere gevaren beogen te voorkomen.

Ook overigens heeft [appellante] – in het licht van de stellingen van ISS en de vaststaande feiten – haar betwisting van het subsidiaire verweer dat Dow (en met haar ISS) de verplichtingen als bedoeld in art. 7:658 lid 1 BW is nagekomen door ter plaatse voldoende maatregelen te nemen ter voorkoming van het door [appellante] bedoelde gevaar en risico, onvoldoende concreet gemotiveerd terwijl dit op haar weg lag, zodat het hof aan die betwisting verder voorbij gaat.

De grieven falen.

4.6.1.

De derde grief keert zich tegen de afwijzen de beslissing van de kantonrechter voor zover deze betrekking heeft op de aansprakelijkheid van een werkgever op grond van artikel 7:611. Kennelijk wenst [appellante] in hoger beroep niet alleen aan te voeren dat er geen deugdelijke verzekering is gesloten, maar ook (zij het subsidiair) dat ISS onvoldoende inspanningen heeft verricht om te bewerkstelligen dat aan [appellante] een uitkering uit (deze) ongevallenverzekering zou worden gedaan. Zij heeft daartoe ook bij pleidooi de grondslag van haar eis aangevuld.

4.6.2.

Het hof stelt onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129, NJ 2009/332 voorop dat van een werkgever gevergd kan worden dat hij een adequate verzekering afsluit voor zijn werknemers, die deelnemen aan het verkeer op de openbare weg of op het terrein waarover de werkgever zeggenschap heeft (de werkplek c.q. arbeidsplaats). Dat geldt ook voor die gevallen die kunnen worden aangemerkt als een eenzijdig ongeval. Daarbij bestaat er geen rechtvaardiging om ten aanzien van de positie van werknemers die zich in het verkeer begeven en als gevolg van een meerzijdig of eenzijdig verkeersongeval schade lijden, onderscheid te maken tussen hen die een motorvoertuig en hen die een ander (niet gemotoriseerd) voertuig, zoals een fiets, besturen. Daarbij heeft verder te gelden dat vanuit het oogpunt van gelijke behandeling van werknemers geen goede grond bestaat anders te oordelen ten aanzien van de schade die werknemers lijden als gevolg van dergelijke verkeersongevallen, indien deze plaatsvinden niet op de openbare weg maar op het terrein waarover de werkgever zeggenschap heeft (de arbeidsplaats), voor zover de werkgever voor die schade niet reeds aansprakelijk is op grond van zijn uit artikel 7:658 voortvloeiende zorgplicht. Het bijzondere risico dat is verbonden aan de deelneming aan het verkeer verandert immers in principe niet doordat het wegverkeer plaatsvindt op de arbeidsplaats.

4.6.3.

Het hof stelt vast dat de grond voor afwijzing van deze vordering door de kantonrechter in het licht van de door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten de toets der kritiek niet kan doorstaan. Immers ook voor eenzijdige ongevallen met de fiets op het eigen terrein van de werkgever geldt naast de zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 BW (als reeds hiervoor door het hof behandeld onder rov. 4.5.3) aanvullend de noodzaak om ten behoeve van een werknemer die in de hier bedoelde zin aan het verkeer deelneemt een adequate verzekering af te sluiten. In die zin is deze grief terecht voorgedragen. Niettemin kan deze grief niet leiden tot vernietiging van het beroepen vonnis, op grond van het volgende.

Was de stelling van [appellante] in eerste aanleg er nog op gericht te betogen dat een dergelijke verzekering ontbrak, thans vordert zij – na haar wijziging van eis bij pleidooi – tevens een (volledige) schadevergoeding omdat ISS heeft nagelaten zich in te spannen bij de verzekeraar te bewerkstelligen dat zij in aanmerking komt voor een uitkering. In die zin heeft zij de grondslag van haar vordering uitgebreid. ISS heeft tegen deze wijziging van grondslag geen bezwaar aangevoerd maar daartegen bij die gelegenheid inhoudelijk verweer gevoerd, zodat het hof deze subsidiaire vordering van [appellante] op de beide grondslagen zal beoordelen.

4.6.4.

Door ISS is in eerste aanleg bij dupliek in geding gebracht een zogenaamde ongevallenpolis van Achmea/Centraal Beheer. [appellante] heeft in hoger beroep het bestaan van deze verzekering niet betwist, en heeft evenmin toegelicht waarom een dergelijke verzekering voor dit soort ongevallen als niet adequaat is te beschouwen. Dat klemt te meer nu zij bij monde van haar advocaat ter zitting van het hof heeft erkend dat [appellante] geen enkele poging heeft ondernomen om enige uitkering van de verzekeringsmaatschappij te verkrijgen. In die zin is haar stelling dat het hier om een niet adequate verzekering zou gaan in het licht van het verweer van ISS onvoldoende onderbouwd.

[appellante] heeft verder gesteld dat ISS als werkgever tevens op grond van nalatigheid aansprakelijk is voor alle door haar geleden schade, nu ISS zich niet of onvoldoende heeft beijverd om te bewerkstelligen dat Achmea/Centraal Beheer aan [appellante] een uitkering uit ongevallenverzekering zou verstrekken. [appellante] heeft nagelaten te onderbouwen waarom een dergelijk handelen van ISS haar aansprakelijk doet zijn voor de door [appellante] beweerdelijke geleden schade voortvloeiend uit de omstandigheid dat er geen uitkering uit verzekering is verkregen. Immers zelfs al zou moeten worden aangenomen dat ISS zich bij de verzekeraar niet of onvoldoende beijverd heeft om de door [appellante] beweerdelijk geleden schade onder de aandacht van die verzekeraar te brengen dan wettigt dat nog niet de conclusie dat ISS alsdan aansprakelijk is voor de uit het ongeval voortvloeiende schade. [appellante] heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat zij door dit handelen of nalaten van ISS een uitkering is misgelopen. Daarom faalt ook deze grief.

In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

4.7.

Nu de door [appellante] aangevoerde grieven geen doel kunnen treffen komt het hof niet toe aan de in het incidenteel hoger beroep voorwaardelijk aangevoerde grief. De voorwaarde van het slagen van een der grieven (in die zin dat dat slagen ook tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep zou leiden) in het principaal appel is immers niet vervuld.

In principaal hoger beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd en [appellante] zal (in het principaal appel) als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep aan de kant van ISS.

5 De uitspraak

Het hof:

op het principaal hoger beroep

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het beroep aan de kant van ISS en tot op heden vastgesteld op € 683,- aan griffierecht en € 2.682,- aan salaris advocaat;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Chr. M. Aarts, A.P. Zweers-van Vollenhoven en M.E. Bruning en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 augustus 2014.