Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2765

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-08-2014
Datum publicatie
12-08-2014
Zaaknummer
HD 200.083.979/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Reddingspoging. Reële mogelijkheid van herfinanciering. Bestuurder mocht tijdens reddingspoging B.V. reguliere koopovereenkomst sluiten. Reddingspoging mislukt. Bestuurder handelt niet onrechtmatig jegens koper die koopprijs kort voor de afgesproken leveringsdatum betaalt. Geen waarschuwingsplicht.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2015/2 met annotatie van mr. W.A. Westenbroek
JONDR 2015/10
JOR 2015/2 met annotatie van mr. W.A. Westenbroek

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.083.979/01

arrest van 12 augustus 2014

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] (België),

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. W.M.J. Saes te Roermond,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

beiden wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerden],

advocaat: mr. B.C.A. Fastré te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 10 maart 2011 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Maastricht (thans rechtbank Limburg) van 15 december 2010, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerden] als eisers.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 144050/HA ZA 09-1147)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met twee producties;

- de memorie van antwoord;

- de akte van [appellant];

- de antwoordakte van [geïntimeerden] met één productie.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [appellant] is bestuurder van Caravan Centrum [appellant] B.V. (hierna: [appellant] B.V.). Daarnaast is hij enig aandeelhouder en bestuurder van [Beheer B.V.] Beheer [plaats] B.V. die op haar beurt alle aandelen houdt in [appellant] B.V. [appellant] B.V. hield zich bezig met de in- en verkoop van caravans.

  2. Op 2 juni 2005 heeft Rabobank, de financier van [appellant] B.V., het aan [appellant] B.V. verleende krediet opgezegd per 1 juli 2005. Om het vinden van een andere financier te vergemakkelijken heeft Rabobank zich bereid verklaard om haar vordering op [appellant] B.V. gedeeltelijk, namelijk voor € 450.000,00, kwijt te schelden.

  3. [appellant] heeft met verschillende banken, waaronder SNS bank (hierna: SNS), vergaande gesprekken gevoerd over een mogelijke herfinanciering van [appellant] B.V.

  4. Bij brief van 1 juni 2005 heeft SNS Bank aan [appellant] B.V. geschreven (mvg, prod. 1):

‘Enkele weken geleden heeft u ons verzocht de kredieten van uw huidige bankier te herfinancieren. Naar aanleiding van de diverse gevoerde gesprekken mochten wij inmiddels voldoende informatie ontvangen om een eerste analyse te kunnen maken van de financiële positie van uw onderneming.

In eerste aanleg zien wij voldoende potentie voor een doorstart. Echter ten einde onze analyse af te ronden en vervolgens ons definitief standpunt te bepalen verzoeken wij u ons te voorzien van een onderbouwing van de prognose voor 2005 en ons tevens een prognose 2006 aan te leveren. Uw accountant gaf inmiddels aan eventuele informatie binnen enkele werkdagen te kunnen aanleveren.

Zodra wij de gevraagde gegevens hebben ontvangen zullen wij onze werkzaamheden weer voortzetten. Uitgaande van een spoedige ontvangst van deze gegevens verwachten wij ons definitief standpunt te kunnen bepalen voor 21 juni. (…)’

Op 18 juni 2005 hebben [geïntimeerden] een nieuwe caravan van het merk Kip van [appellant] B.V. gekocht. In de koopovereenkomst (prod. 1 inl. dagv. en p-v comparitie) staat vermeld dat [geïntimeerden] hun oude caravan zullen inruilen voor een inruilprijs van

€ 3.970,00, waarna een door [geïntimeerden] te betalen koopprijs voor de nieuwe caravan resteert van € 16.000,00. Als leveringsdatum voor de nieuwe caravan is 13 juli 2005 overeengekomen. In de koopovereenkomst staat contante betaling of betaling via overboeking vermeld als betalingswijze voor de restant koopprijs ad € 16.000,00. De koopovereenkomst is door [appellant] namens [appellant] B.V. met [geïntimeerden] gesloten.

Op 24 juni 2005 heeft de heer [geïntimeerde 1] (geïntimeerde sub 1) telefonisch contact opgenomen met [appellant] met het verzoek de leveringsdatum van de nieuwe caravan te verzetten naar 14 juli 2005. [appellant] heeft daar namens [appellant] B.V. in toegestemd.

Op 30 juni 2005 heeft de hoofdleverancier van [appellant] B.V., Kip Caravans B.V. (hierna: Kip), met een beroep op een door haar bedongen eigendomsvoorbehoud alle Kip-caravans opgehaald die zich op het terrein van [appellant] bevonden. Daaronder bevond zich ook de caravan die [appellant] na het sluiten van de onderhavige koopovereenkomst bij Kip had ingekocht ten behoeve van [geïntimeerden]

Kort na het terughalen van de caravans door Kip heeft Rabobank (onder meer) alle nog aanwezige roerende zaken van [appellant] B.V. in beslag genomen.

Vlak voordat de door Rabobank verstrekte financiering op 1 juli 2005 afliep, is SNS afgehaakt als mogelijke financier van [appellant] B.V.

[geïntimeerden] hebben de restant koopprijs van € 16.000,00 op 11 juli 2005 overgemaakt naar de op de koopovereenkomst vermelde bankrekening van [appellant] B.V.

Vervolgens zijn [geïntimeerden] op 14 juli 2005 naar het bedrijf van [appellant] B.V. gegaan om de nieuwe caravan op te halen, maar dit bedrijf bleek inmiddels gesloten te zijn.

Op 23 juli 2005 heeft Rabobank, ter uitwinning van haar zekerheden, de door haar in beslag genomen roerende zaken van [appellant] c.s. laten veilen.

Op 27 juli 2005 is [appellant] B.V. in staat van faillissement verklaard naar aanleiding van een door [appellant] op 22 juli 2005 gedane eigen aangifte tot faillietverklaring. [Beheer B.V.] Beheer [plaats] B.V. is op 21 december 2005 failliet verklaard.

3.2.1.

[geïntimeerden] hebben [appellant] in rechte betrokken en gevorderd, samengevat, een verklaring voor recht dat hij onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en daarnaast hebben zij gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 16.000,00. [geïntimeerden] hebben hieraan ten grondslag gelegd dat [appellant] als bestuurder van [appellant] B.V. onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld, kort gezegd door (i) namens [appellant] B.V. een koopovereenkomst met [geïntimeerden] te sluiten terwijl hij wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat [appellant] B.V. niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden en door (ii) op verschillende momenten ná het sluiten van de koopovereenkomst te bewerkstelligen of toe te laten dat de B.V. haar verplichtingen uit deze overeenkomst niet nakwam, terwijl hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt treft.

3.2.2.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.3.

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerden] toegewezen op de hierboven in r.o. 3.2.1 onder (i) vermelde grondslag. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld, kort samengevat, dat [appellant] de koopovereenkomst niet namens [appellant] B.V. met [geïntimeerden] had mogen sluiten, althans niet zonder met hen af te spreken dat zij de koopprijs pas bij aflevering hoefden te voldoen, contant of per telefonische overboeking.

3.3.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis. [appellant] heeft geconcludeerd, samengevat, tot vernietiging van dit vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerden], met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties.

Rechtsmacht

3.4.

Het hof constateert dat de rechtbank terecht (impliciet) heeft aangenomen dat zij rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de vorderingen tegen [appellant], die woonachtig is in België. Deze vorderingen zijn gebaseerd op onrechtmatig handelen door [appellant] jegens [geïntimeerden] en vallen binnen het toepassingsgebied van artikel 1 van de EEX-Verordening (Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke handelszaken). Nu het aan [appellant] verweten onrechtmatig handelen zich in Nederland heeft voorgedaan en de schade in Nederland is ingetreden, komt de Nederlandse rechter op grond van het bepaalde in artikel 5 lid 3 van de EEX-Verordening rechtsmacht toe om kennis te nemen van de onderhavige vorderingen.

Toepasselijk recht

3.5.

De rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst door Nederlands recht. Dit volgt uit artikel 3 lid 1 van de (inmiddels vervallen) Wet conflictenrecht onrechtmatige daad

(Stb. 2001, 190), welke wet gold ten tijde van het aan [appellant] verweten onrechtmatig handelen. Kennelijk gaan partijen ook uit van de toepasselijkheid van Nederlands recht, gezien hun verwijzingen naar Nederlandse wetsartikelen en Nederlandse jurisprudentie.

Bestuurdersaansprakelijkheid?

3.6.

Zoals hierna zal blijken, slagen de grieven I en II die zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de vorderingen van [geïntimeerden] toewijsbaar zijn op de hierboven in r.o. 3.2.1 onder (i) vermelde grondslag. Het slagen van de grieven brengt mee dat het hof de in eerste aanleg niet behandelde grondslag (ii) voor de vorderingen van [geïntimeerden], welke grondslag in hoger beroep niet is prijsgegeven, opnieuw dient te beoordelen. Het hof zal beide grondslagen hierna achtereenvolgens behandelen.

3.7.

Het gaat in dit geval om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Voor de onder (i) bedoelde gevallen geldt als maatstaf dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen geldt als maatstaf voor persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap dat zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen (vgl. HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758).

Sluiten koopovereenkomst op 18 juni 2005

3.8.1.

[geïntimeerden] verwijten [appellant] onder meer dat hij op 18 juni 2005 namens [appellant] B.V. de onderhavige koopovereenkomst met [geïntimeerden] heeft gesloten, terwijl hij toen wist of behoorde te begrijpen dat het faillissement van [appellant] B.V. onafwendbaar was, de B.V. niet aan haar leveringsverplichting zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. Op

2 juni 2005 had Rabobank, de huisfinancier van [appellant] B.V., het krediet immers opgezegd en [appellant] had op 18 juni 2005 nog geen andere financier bereid gevonden om de B.V. te financieren. Hij wist op 18 juni 2005 in ieder geval zeker dat de financiering door Rabobank op 1 juli 2005 zou eindigen, waarna Kip haar eigendomsvoorbehoud zou inroepen en [appellant] B.V. niet meer zou kunnen voldoen aan haar leveringsverplichting jegens

[geïntimeerden] Ondanks deze wetenschap heeft hij de koopovereenkomst namens [appellant] B.V. met [geïntimeerden] gesloten, zonder een passende regeling te treffen voor de betaling van de koopprijs. Hierdoor heeft [appellant] het risico genomen dat de B.V. haar verplichtingen uit de koopovereenkomst niet zou kunnen nakomen. Als [appellant] tijdens de reddingspoging van zijn bedrijf caravans had willen verkopen, dan had hij surseance van betaling moeten aanvragen, dit alles aldus [geïntimeerden]

3.8.2.

Het hof overweegt als volgt. Weliswaar had Rabobank op 2 juni 2005 het aan [appellant] B.V. verleende krediet opgezegd per 1 juli 2005 en dreigde het faillissement als er op 1 juli 2005 geen herfinanciering was voor [appellant] B.V. Dat betekent echter nog niet dat [appellant] B.V., en [appellant] als haar bestuurder, na de opzegging door Rabobank geen poging meer mocht ondernemen om de onderneming te redden en tijdens die reddingspoging geen normale handelstransacties meer mocht verrichten, zoals het sluiten van de onderhavige koopovereenkomst op 18 juni 2005. Evenmin was [appellant] als bestuurder na de opzegging door Rabobank verplicht om surseance van betaling voor [appellant] B.V. aan te vragen als hij nog normale handelstransacties wilde verrichten. Bij al het voorgaande neemt het hof in aanmerking dat Rabobank [appellant] B.V. tot 1 juli 2005 de tijd had gegund om een nieuwe financier te vinden en dat als onbetwist vaststaat dat [appellant] in verband daarmee vergaande gesprekken over een herfinanciering heeft gevoerd met verschillende banken, waaronder SNS. In dit kader is van belang de brief van SNS van 1 juni 2005 die [appellant] in hoger beroep alsnog in het geding heeft gebracht en die hierboven is geciteerd in r.o. 3.1 onder d. In deze brief refereert SNS aan diverse gesprekken die met [appellant] zijn gevoerd en schrijft zij dat voldoende informatie is ontvangen om een eerste analyse te kunnen maken van de financiële positie van [appellant] B.V. Daarbij schrijft SNS met zoveel woorden dat zij voldoende potentie ziet voor een doorstart. Hoewel SNS tevens verzoekt om een onderbouwing van de prognose over 2005 aan te leveren alsmede de prognose over 2006 teneinde haar analyse te kunnen afronden en haar definitieve standpunt te kunnen bepalen, heeft [appellant] naar het oordeel van het hof aan de brief van SNS het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen ontlenen dat er een reële mogelijkheid bestond dat SNS [appellant] B.V. zou gaan herfinancieren. Overigens blijkt uit pagina 2 van het eerste faillissementsverslag van de curator van [appellant] B.V. (prod. 11 inl. dagv.) dat Rabobank kennelijk ook uitging van een herfinanciering door SNS, aangezien het latere afhaken van SNS als financier ook tegen de verwachting van Rabobank in was. Voorts is van belang dat als onbetwist vaststaat dat SNS pas op ‘het allerlaatste moment’ voor 1 juli 2005 is afgehaakt als mogelijke financier en dat dit op 18 juni 2005 nog niet het geval was. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het faillissement van [appellant] B.V. niet reeds op 18 juni 2005 met een redelijke mate van waarschijnlijkheid voorzienbaar was. Voorts kan in de gegeven omstandigheden niet geoordeeld worden dat [appellant] op 18 juni 2005 wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat [appellant] B.V. niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden.

3.8.3.

Bij het voorgaande betrekt het hof nog dat tussen partijen vaststaat dat zij bij het sluiten van de koopovereenkomst hebben afgesproken dat [geïntimeerden] de restant koopprijs van € 16.000,00 diende te betalen voor of bij de levering van de nieuwe caravan (zie r.o. 2.2 van het bestreden vonnis, waartegen geen grief is gericht). [geïntimeerden] hebben gesteld dat uit de koopovereenkomst blijkt dat genoemd bedrag ofwel contant moest worden betaald bij de levering ofwel giraal voor de levering (inl. dagv., nr. 7). [appellant] heeft hier echter tegenover gesteld dat uit de koopovereenkomst blijkt dat betaling per bank moest geschieden voor of uiterlijk bij de levering (cva, nr. 32 onder a). Nu [appellant] heeft betwist dat bij het sluiten van de koopovereenkomst was afgesproken dat als [geïntimeerden] genoemd bedrag van € 16.000,00 giraal wilden betalen zij dit vóór de levering moesten doen, deze afspraak niet blijkt uit de schriftelijke koopovereenkomst en [geïntimeerden] op dit punt geen gespecificeerd bewijs hebben aangeboden, is er geen plaats voor bewijslevering en komt de door [geïntimeerden] gestelde afspraak in dit geding niet vast te staan. Het hof houdt het er daarom voor dat partijen alleen hebben afgesproken dat [geïntimeerden] de restant koopprijs van € 16.000,00 voor of bij de levering van de nieuwe caravan moesten voldoen, contant of per (telefonische) overboeking. [geïntimeerden] hoefden dit bedrag dus niet voor de levering van de nieuwe caravan te betalen, maar mochten en konden dat doen ter gelegenheid van de levering, net zoals zij ook hun oude caravan kennelijk pas op dat moment aan [appellant] B.V. hoefden te leveren. Daar komt bij dat gesteld noch gebleken is dat [appellant] [geïntimeerden] uitdrukkelijk heeft verzocht om de koopprijs voor de levering te betalen. [geïntimeerden] hebben alleen gesteld dat [appellant] hen bij het sluiten van de koopovereenkomst heeft aangemoedigd de koopprijs over te maken. De enkele aanmoediging om de koopprijs over te maken is echter zonder betekenis, nu, zoals hiervoor is overwogen, [geïntimeerden] de koopprijs bij de levering van de nieuwe caravan konden overmaken. In het licht van dit een en ander en van het als onbetwist vaststaande feit dat [appellant] bij het sluiten van de koopovereenkomst ook geen aanbetaling op de koopprijs heeft verlangd, kan evenmin worden geoordeeld dat [appellant] op 18 juni 2005 wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat [appellant] B.V. niet aan haar verplichtingen uit de koopovereenkomst zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden.

3.8.4.

Op grond van het bovenstaande slagen de grieven I en II.

3.9.1.

Zoals hiervoor is overwogen, zal het hof thans beoordelen of de vorderingen van [geïntimeerden] toewijsbaar zijn op de grondslag die in r.o. 3.2.1 onder (ii) verkort is weergegeven.

3.9.2.

[geïntimeerden] stellen dat [appellant] als bestuurder van [appellant] B.V. onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door op verschillende momenten ná het sluiten van de koopovereenkomst te bewerkstelligen of toe te laten dat [appellant] B.V. haar verplichtingen uit deze overeenkomst niet nakomt. [geïntimeerden] stellen tevens dat [appellant] hiervan persoonlijk een ernstig verwijt treft, maar zij voegen daaraan toe dat uit het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012, ECLI:NL:HR:BX5881 volgt dat voor het kunnen aannemen van persoonlijke aansprakelijkheid op deze grondslag niet langer is vereist dat de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt treft.

3.9.3.

Het hof overweegt dat dit laatste niet volgt uit genoemd arrest van de Hoge Raad. In dit arrest heeft de Hoge Raad een onderscheid gemaakt tussen de persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder op de grond dat hij in strijd heeft gehandeld met een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsverplichting en de persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder op de grond dat hem als bestuurder het verwijt wordt gemaakt dat door zijn onbehoorlijke taakuitoefening de vennootschap in strijd heeft gehandeld met een op haar rustende zorgvuldigheidsverplichting. Op laatstbedoelde aansprakelijkheid ziet grondslag (ii) van de vorderingen van [geïntimeerden] De Hoge Raad heeft echter alleen ten aanzien van eerstbedoelde aansprakelijkheid – die niet een tekortschietende of onbehoorlijke taakuitoefening als bestuurder betreft, maar berust op een daarvan losstaande zorgvuldigheidsnorm – geoordeeld dat de gewone regels van onrechtmatige daad gelden, zodat dan in het bijzonder niet is vereist dat de bestuurder een ernstig verwijt van zijn handelen kan worden gemaakt.

3.10.

Het hof zal de verschillende momenten waarop [appellant] volgens [geïntimeerden] onrechtmatig zou hebben gehandeld, hierna bespreken.

Telefoongesprek op 24 juni 2005

3.10.1.1. Tussen partijen is niet in geschil dat tijdens het hierboven in r.o. 3.1 onder f gerelateerde telefoongesprek van 24 juni 2005 de heer [appellant] namens [appellant] B.V. heeft toegestemd in het verzoek van de heer [geïntimeerde 1] om de leveringsdatum van de nieuwe caravan te verzetten naar 14 juli 2005. Partijen twisten erover of tijdens dat telefoongesprek door [appellant] is gezegd dat als [geïntimeerden] de restant koopprijs ad € 16.000,00 wilden overmaken, dit bedrag voor de leveringsdatum op de bankrekening van [appellant] B.V. moest staan, en dat [geïntimeerden] dit bedrag anders contant moesten meenemen op 14 juli 2005. Verder twisten partijen erover of [appellant] de heer [geïntimeerde 1] tijdens dit telefoongesprek heeft aangemoedigd om genoemd bedrag voor de leveringsdatum over te maken. [appellant] heeft deze stellingen van [geïntimeerden] gemotiveerd betwist, onder meer stellende dat tijdens het telefoongesprek van 24 juni 2005 helemaal niet is gesproken over de (al dan niet girale) betaling van de restant koopprijs.

In het midden kan blijven of [appellant] tijdens het telefoongesprek van 24 juni 2005 de door [geïntimeerden] gestelde mededelingen over de betaling van de koopprijs heeft gedaan. Gelet op hetgeen hieronder in r.o. 3.10.1.3. wordt overwogen, kunnen de gewraakte mededelingen, indien bewezen, niet leiden tot persoonlijke aansprakelijkheid van [appellant].

3.10.1.2. [geïntimeerden] betogen dat [appellant] hen tijdens het telefoongesprek van 24 juni 2005 ten onrechte in de waan heeft gelaten dat de caravan op 14 juli 2014 kon worden geleverd. Hij wist of behoorde redelijkerwijs te begrijpen dat betaling van de koopprijs door [geïntimeerden] voor de afgesproken leveringsdatum – die was gelegen na de door Rabobank aangezegde datum waarop het krediet zou aflopen – er niet toe zou kunnen leiden dat de caravan, die onder eigendomsvoorbehoud aan [appellant] B.V. was geleverd, aan [geïntimeerden] kon worden doorgeleverd. Volgens [geïntimeerden] had [appellant] tijdens het telefoongesprek van 24 juni 2005 tegen de heer [geïntimeerde 1] moeten zeggen dat het bedrag van € 16.000,00 het beste (contant) bij de levering kon worden betaald, zodat [geïntimeerden] geen schade zouden lijden. Met het faillissement van [appellant] B.V. in het vooruitzicht was [appellant] hiertoe verplicht, aldus [geïntimeerden]

3.10.1.3. Zo al kan worden aangenomen dat op [appellant] B.V. op enig moment een waarschuwingsplicht jegens [geïntimeerden] rustte om de koopprijs niet voor de afgesproken leveringsdatum te voldoen, dan gold die waarschuwingsplicht in ieder geval nog niet op

24 juni 2005. Tijdens het telefoongesprek van 24 juni 2005 hoefde [appellant] de heer [geïntimeerde 1] daarom niet te waarschuwen namens [appellant] B.V. Hierbij is van belang dat [appellant] aan de brief van SNS van 1 juni 2005 het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat er een reële mogelijkheid bestond dat SNS [appellant] B.V. zou gaan herfinancieren (zie r.o. 3.8.2). Verder is van belang dat de financiering van Rabobank tot 1 juli 2005 doorliep en dat SNS pas op ‘het allerlaatste moment’ voor 1 juli 2005 is afgehaakt als mogelijke financier van [appellant] B.V. Gesteld noch gebleken is dat SNS op 24 juni 2005 al was afgehaakt, zodat het hof ervan uitgaat dat dat toen nog niet het geval was. Nu Kip voorts pas op 30 juni 2005, dus na het telefoongesprek van 24 juni 2005, met een beroep op haar eigendomsvoorbehoud alle caravans heeft opgehaald die bij [appellant] B.V. stonden, kan niet worden geoordeeld dat [appellant] op 24 juni 2005 als bestuurder van [appellant] B.V. heeft bewerkstelligd of toegelaten dat [appellant] B.V. haar wettelijke of contractuele verplichtingen jegens [geïntimeerden] niet zou nakomen.

Inroepen eigendomsvoorbehoud door Kip op 30 juni 2005

3.10.2.1. [geïntimeerden] stellen voorts dat – nadat Kip op 30 juni 2005 alle caravans bij [appellant] B.V. had opgehaald met een beroep op haar eigendomsvoorbehoud – [appellant] hen had moeten informeren dat [appellant] B.V. de voor [geïntimeerden] ingekochte caravan niet meer in haar bezit had en niet meer kon leveren althans dat hij de koopovereenkomst had moeten ontbinden. Volgens [geïntimeerden] had [appellant] hen moeten waarschuwen dat ze de koopprijs niet moesten overmaken naar [appellant] B.V., omdat hij wist dat de B.V. feitelijk insolvent was.

3.10.2.2. Bij de beoordeling van deze verwijten laat het hof in het midden of Kip op

30 juni 2005 terecht een beroep heeft gedaan op haar eigendomsvoorbehoud. Feit is dat Kip hoofdleverancier was van [appellant] B.V. en op 30 juni 2005 alle caravans die zich bij [appellant] B.V. bevonden, waaronder de voor [geïntimeerden] bestemde caravan, heeft opgehaald. Verder staat vast dat Rabobank [appellant] B.V. vanaf 1 juli 2005 niet langer zou financieren. Het hof gaat ervan uit dat in ieder geval op 30 juni 2005 bij [appellant] bekend was dat SNS niet wilde herfinancieren en dat er daardoor op dat moment geen reële kans meer bestond op herfinanciering. Op 30 juni 2005 verkeerde [appellant] B.V. dus in de situatie dat zij door het (al dan niet terecht) inroepen van een eigendomsvoorbehoud door haar hoofdleverancier over geen enkele caravan meer beschikte en de financiering door Rabobank een dag later zou eindigen waardoor, zo neemt het hof aan, Rabobank het verleende krediet zou opeisen, terwijl er geen reële kans meer bestond op herfinanciering. Verder is van belang dat Rabobank op 1 juli 2005 de nog bij [appellant] B.V. aanwezige zaken in beslag had genomen ter executie van haar pandrecht.

3.10.2.3. Gelet hierop houdt het hof het ervoor dat [appellant] B.V. op 30 juni 2005 althans op 1 juli 2005 in een zeer zorgwekkende financiële situatie was komen te verkeren.

Het hof is echter van oordeel dat – ook als kan worden aangenomen dat op [appellant] B.V. een zorgplicht rustte om direct na het ontstaan van deze zorgwekkende situatie op 30 juni 2005/

1 juli 2005, althans in de korte periode daarna tot aan de betaling van de koopprijs op 11 juli 2005 (althans tot aan de afgesproken leveringsdatum op 14 juli 2005) [geïntimeerden] in te lichten dat de nieuwe caravan niet kon worden geleverd en hen te waarschuwen dat zij geen geld moesten overmaken op de bankrekening van de B.V. – het nalaten van [appellant] als bestuurder om aan deze zorgplicht te voldoen in de gegeven omstandigheden niet zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt treft. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [appellant] eind juni 2005 werd geconfronteerd met ingrijpende gebeurtenissen die kennelijk definitief het einde van zijn bedrijf inluidden dat hij 24 jaar had gevoerd. Op 30 mei 2005 haalde Kip immers alle caravans op en op het allerlaatste moment voor 1 juli 2005 haakte SNS af als mogelijke financier, daar waar [appellant] er tot op dat moment nog gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat er een reële mogelijkheid bestond dat SNS zou herfinancieren. Vervolgens nam Rabobank op 1 juli 2005 alle bij [appellant] B.V. nog aanwezige zaken in beslag ter executie van haar pandrecht (overigens kennelijk door toepassing van een bodemverhuurconstructie waarbij Rabobank per 1 juli 2005 in plaats van [appellant] B.V. huurder werd van het bedrijfspand, zo blijkt uit het eerste faillissementsverslag van de curator (prod. 11, inl. dagv.)). De periode gelegen tussen deze ingrijpende gebeurtenissen en de dag waarop [geïntimeerden] de koopprijs hebben overgemaakt (althans de dag waarop de caravan zou worden geleverd), is zodanig kort dat, ongeacht of [appellant] in die periode toegang had of kon afdwingen tot de in het bedrijfspand aanwezige administratie van [appellant] B.V., [appellant] naar het oordeel van het hof persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van het feit dat hij [geïntimeerden] in deze periode niet heeft ingelicht dat de caravan niet kon worden geleverd en hen niet heeft gewaarschuwd dat zij de koopprijs niet moesten overmaken. Dit geldt temeer nu [geïntimeerden] de koopprijs ook op de afgesproken leveringsdatum hadden kunnen voldoen en gesteld noch gebleken is dat [appellant] wist dat [geïntimeerde 1] de koopprijs eerder zouden overmaken.

Periode 11 juli 2005 - 22 juli 2005 (datum storting koopprijs en faillissementsaanvraag)

3.10.3.1. [geïntimeerden] verwijten [appellant] verder dat hij ten onrechte de door hen op

11 juli 2005 op de bankrekening van [appellant] B.V. gestorte koopprijs niet heeft teruggestort en de koopovereenkomst niet heeft ontbonden voordat hij op 22 juli 2005 de eigen aangifte tot faillietverklaring van [appellant] B.V. bij de rechtbank indiende. Volgens [geïntimeerden] was [appellant] hiertoe verplicht, kort gezegd omdat het hem bij de voorbereiding van de faillissementsaanvraag moet zijn opgevallen dat [geïntimeerden] de koopprijs hadden betaald en hij wist dat [appellant] B.V. de koopovereenkomst niet kon nakomen en dat de curator de koopprijs ingeval van faillissement niet zou terugstorten.

3.10.3.2. Naar het oordeel van het hof kan in het algemeen geen rechtsplicht worden aangenomen voor een vennootschap, die op het punt staat haar eigen faillissement aan te vragen, om een wederkerige overeenkomst te ontbinden waaraan de wederpartij pas kort daarvoor (gedeeltelijk) uitvoering heeft gegeven en om aan de wederpartij terug te betalen al hetgeen deze ter nakoming van deze overeenkomst heeft voldaan. Nu [geïntimeerden] verder niet althans onvoldoende hebben toegelicht op grond van welke wettelijke of contractuele bepaling een dergelijke verplichting in dit geval wel op [appellant] B.V. zou rusten, moet reeds daarom de stelling van [geïntimeerden] worden verworpen dat [appellant] in de periode van 11 juli 2005 tot 22 juli 2005 als bestuurder van [appellant] B.V. heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de B.V. haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.

3.10.4.

Op grond van al het bovenstaande kan niet worden geconcludeerd tot persoonlijke aansprakelijkheid van [appellant] op de grond dat hij na het sluiten van de koopovereenkomst als bestuurder van [appellant] B.V. heeft bewerkstelligd of toegelaten dat deze B.V. haar wettelijke of contractuele verplichtingen jegens [geïntimeerden] niet nakomt. De vorderingen van [geïntimeerden] zijn daarom ook niet toewijsbaar op de hierboven onder (ii) weergegeven grondslag.

Rechtstreekse aansprakelijkheid?

3.11.

Voor zover [geïntimeerden] in hoger beroep met hun verwijzing naar bovengenoemd arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012 nog hebben bedoeld te stellen dat [appellant] een persoonlijk op hem rustende zorgvuldigheidsverplichting jegens [geïntimeerden] heeft geschonden, gaat het hof daaraan voorbij. Daargelaten dat [geïntimeerden] zich ter onderbouwing van deze stelling hebben beroepen op dezelfde verwijten als hierboven zijn verworpen, hebben zij geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat sprake is van schending van een zorgvuldigheidsnorm die tot [appellant] persoonlijk is gericht, dus los van het verwijt dat door de onbehoorlijke taakuitoefening door [appellant] als bestuurder, [appellant] B.V. heeft gehandeld in strijd met een op haar rustende zorgvuldigheidsverplichting.

3.12.

Nu de grieven I en II slagen en geen van de door [geïntimeerden] aangevoerde grondslagen hun vorderingen kunnen dragen, zal het hof het bestreden vonnis vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerden] alsnog afwijzen. [geïntimeerden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Grief III heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft geen bespreking meer.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

wijst af de vorderingen van [geïntimeerden];

veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten van de eerste aanleg, welke kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] worden begroot op € 350,00 aan verschotten en op € 904,00 aan salaris advocaat, op de voet van het bepaalde in artikel 243 Rv (oud) te voldoen aan de griffier van rechtbank Limburg;

veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] worden begroot op € 388,81 aan verschotten en op € 1.341,00 aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, J.R. Sijmonsma en D.A.E.M. Hulskes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 augustus 2014.