Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:270

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
HD 200.074.972-01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:2065
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadeberekening niet geleverde graafmachine.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.074.972/01

arrest van 11 februari 2014

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

als rechtsopvolger onder bijzondere titel van [appellant] Limited,

voorheen gevestigd te [voormalige vestigingsplaats] , thans te [vestigingsplaats 1] ,

appellant,

advocaat: mr. A. Hurenkamp te Enschede,

tegen

MZ Equipment B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.J.T. Austen te Valkenburg LB,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 13 december 2011, 24 april 2012 en 18 september 2012 in het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht onder zaaknummer 305307 CV EXPL 08/3221 gewezen vonnissen van 4 maart 2009, 24 juni 2009 en 7 april 2010.

15 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 18 september 2012;

- het proces-verbaal van de enquête van 6 juni 2013;

- het proces-verbaal van de contra-enquête van 9 september 2013;

  • -

    de memorie na enquête van MZ Equipment met één productie;

  • -

    de memorie na enquête van [appellant] met vijf producties;

  • -

    de antwoordmemorie na enquête van MZ Equipment met twee producties;

  • -

    de antwoordmemorie na enquête van [appellant] .

Partijen hebben arrest gevraagd.

16 De verdere beoordeling

16.1.

In het tussenarrest van 18 september 2012 is MZ Equipment toegelaten tot tegenbewijs tegen het voorshands bewezen geachte standpunt dat tussen partijen een (huur-) (koop)overeenkomst tot stand is gekomen door het aanbod van MZ Equipment van 6 juli 2007 en de aanvaarding daarvan door [appellant] op 12 juli 2007, 9 augustus 2007 en 27 augustus 2007.

16.2.

MZ Equipment heeft op 6 juni 2013 als getuigen doen horen [directeur MZ Equipment] , directeur van MZ Equipment (boven zijn verklaring staat in het proces-verbaal per abuis: directeur van appellant) en [voormalig aandeelhouder MZ Equipment] , voormalig aandeelhouder van MZ Equipment. [appellant] heeft in contra-enquête zichzelf als getuige doen horen.

De getuigen hebben als volgt verklaard, zakelijk weergegeven.

[directeur MZ Equipment]:

[appellant] is naar aanleiding van een door [directeur MZ Equipment] op internet geplaatste advertentie naar de graafmachine komen kijken. [appellant] zei dat hij de machine graag wilde hebben, maar dat hij financiële problemen had. [directeur MZ Equipment] zou er eens naar kijken of hij [appellant] tegemoet kon komen. Daaruit kwam de offerte voor een huurkoop d.d. 6 juli 2007. Op maandag 9 juli 2009 heeft [appellant] naar [directeur MZ Equipment] gebeld en gevraagd of hij voor de jaarlijkse huurkooptermijn bij [directeur MZ Equipment] werk kon doen. [directeur MZ Equipment] heeft toen gezegd dat hij [appellant] al een heel eind tegemoet gekomen was met de huurkoopconstructie en dat het nu stopte. Volgens hem accepteerde [appellant] dat, hij legde zich erbij neer. [appellant] wilde bovendien de machine direct ter beschikking hebben, zoals hij in het telefoongesprek van 9 juli 2007 voor het eerst zei, en dat ging niet. Op de faxen van [appellant] die [directeur MZ Equipment] daarna nog kreeg heeft [directeur MZ Equipment] niet meer gereageerd. Hij was geërgerd over die faxen. Voor hem was er geen misverstand. Het telefoongesprek van 9 juli 2007 heeft hij niet genoemd toen hij bij de kantonrechter als getuige werd gehoord, omdat daar toen niet naar is gevraagd. [voormalig aandeelhouder MZ Equipment] heeft destijds de machine voor [directeur MZ Equipment] getaxeerd. Hij kent [voormalig aandeelhouder MZ Equipment] al lang, hij heeft ook geholpen de huurkoopconstructie op te zetten. Hij heeft met [voormalig aandeelhouder MZ Equipment] al op 9 juli 2007 ’s avonds besproken dat hij van het verhaal met [appellant] afzag.

[voormalig aandeelhouder MZ Equipment]:

Eind juli 2007 heeft hij aandelen gekocht in MZ Equipment, die hij in 2010/2011 heeft terug verkocht. [directeur MZ Equipment] heeft hem om advies gevraagd toen [directeur MZ Equipment] een graafmachine wilde verkopen. [voormalig aandeelhouder MZ Equipment] heeft de machine getaxeerd en een adviesprijs gegeven: 165.000 euro. Hij heeft [directeur MZ Equipment] ook geholpen een huurkoopconstructie op te stellen toen [directeur MZ Equipment] een klant voor de machine had die de machine niet kon betalen maar wel in huurkoop geïnteresseerd was. [directeur MZ Equipment] heeft die huurkoop aan die klant, [appellant] , aangeboden. Op maandag 9 juli 2007 belde [directeur MZ Equipment] naar [voormalig aandeelhouder MZ Equipment] en vertelde hij dat het niet doorging omdat [appellant] ook een stukje werk voor de huurkoopprijs wilde verrichten en hij dat had afgewezen. [voormalig aandeelhouder MZ Equipment] heeft er nog een beetje om gelachen omdat hij het een vreemde reactie vond van [appellant] . Hij herinnert zich de offertedatum van 6 juli 2007 nog precies omdat hij later, toen hij bij MZ Equipment betrokken was, wel briefwisseling over deze kwestie heeft gezien. Hij weet ook nog dat het telefoongesprek met [directeur MZ Equipment] direct na het weekend was. Daarna heeft hij van [directeur MZ Equipment] niets meer over de kwestie gehoord.

[appellant]:

Hij heeft naar aanleiding van een verkoopadvertentie voor een graafmachine naar [directeur MZ Equipment] – die hij niet kende – gebeld en de machine in Duitsland bezichtigd. Bij terugkeer op kantoor heeft hij tegen [directeur MZ Equipment] gezegd: ik kom er bij je op terug, ik heb best interesse. Diezelfde dag of een paar dagen later heeft hij een gesprek gehad met [directeur MZ Equipment] . Toen [appellant] zei dat hij de financiering bij de bank rond moest krijgen heeft [directeur MZ Equipment] aangeboden zelf een financiering te bieden. [directeur MZ Equipment] vroeg ook of [appellant] bereid was met de machine voor [directeur MZ Equipment] te werken. Daar was [appellant] in geïnteresseerd. Ze hebben het er toen nog niet over gehad of [appellant] zo de leasetermijnen zou kunnen betalen. [directeur MZ Equipment] heeft de offerte gestuurd van 6 juli 2007 en [appellant] heeft gereageerd met een fax op 12 juli 2007. [appellant] heeft [directeur MZ Equipment] niet gebeld op 9 juli 2007, het telefoongesprek dat [directeur MZ Equipment] noemt heeft nooit plaatsgevonden. [appellant] heeft [directeur MZ Equipment] nog verscheidene keren gebeld en gefaxt en uiteindelijk is er pas een afspraak gemaakt voor 21 september 2007. Die afspraak heeft [directeur MZ Equipment] afgezegd en hij heeft op een bandje bij [appellant] ingesproken dat hij de machine die middag aan een ander had verkocht. [directeur MZ Equipment] heeft daarbij niet verwezen naar een telefoongesprek op 9 juli 2007. [appellant] heeft geen andere financiering aangevraagd.

16.3.1.

MZ Equipment heeft bij memorie na enquête gesteld dat zij geslaagd is in het tegenbewijs. Uit de getuigenverklaringen is gebleken dat op 9 juli 2007 het aanbod van [directeur MZ Equipment] door [appellant] is verworpen doordat [appellant] een nieuwe voorwaarde stelde, dat als een tegenvoorstel is te kwalificeren. Die voorwaarde is door MZ Equipment verworpen, waarmee het tegenvoorstel is afgewezen. [appellant] heeft, vergeleken met zijn verklaring in eerste aanleg, tegenstrijdig verklaard met betrekking tot zijn financieringsmogelijkheden. Kennelijk kon [appellant] geen financiering krijgen en in elk geval had hij geen volle orderportefeuille, aldus MZ Equipment.

16.3.2.

[appellant] heeft in zijn memorie na enquête gesteld dat MZ Equipment niet in het tegenbewijs is geslaagd nu [directeur MZ Equipment] partijgetuige is en [voormalig aandeelhouder MZ Equipment] niet rechtstreeks betrokken is geweest bij de gesprekken tussen partijen.

16.3.3.

Het hof overweegt het volgende.

De bewijslast van het door hem gestelde feit dat een overeenkomst tot stand is gekomen, rust op [appellant] . Anders dan [appellant] stelt, is [directeur MZ Equipment] in het kader van zijn (tegen-)bewijslevering dus niet als partijgetuige te beschouwen.

In het tussenarrest van 18 september 2012, r.o. 13.5.1 t/m 13.5.5, heeft het hof geoordeeld dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen – waarmee [appellant] dus in zijn bewijslast was geslaagd - en dat dat alleen anders is als zou komen vast te staan dat in een telefoongesprek van 9 juli 2007 tussen [appellant] en [directeur MZ Equipment] door [appellant] als voorwaarde is gesteld dat hij de volledige jaarsom met de machine voor [directeur MZ Equipment] zou kunnen draaien, welke voorwaarde door [directeur MZ Equipment] is verworpen, waarmee de overeenkomst volgens beide partijen van de baan was. Naar het oordeel van het hof is een dergelijk telefoongesprek niet komen vast te staan, nu de enkele verklaring van [directeur MZ Equipment] onvoldoende overtuigend is en daarmee veel vragen onbeantwoord zijn gebleven. Het reeds aanwezig geoordeelde bewijs is daarmee niet ontzenuwd. De verklaring van [voormalig aandeelhouder MZ Equipment] houdt in feite niet meer in dan wat hij van [directeur MZ Equipment] heeft gehoord. [directeur MZ Equipment] heeft niet verklaard dat [appellant] in het gestelde telefoongesprek het draaien van de jaarproductie als voorwaarde stelde, maar alleen dat hij dat heeft gevraagd. Waarom [directeur MZ Equipment] daarop kennelijk geërgerd zou hebben gereageerd, is niet duidelijk geworden. Het door [directeur MZ Equipment] genoemde telefoongesprek is voorts niet te rijmen met de inhoud van de faxen van [appellant] aan [directeur MZ Equipment] van 12 juli 2007, 9 augustus 2007 en 27 augustus 2007, waarin [appellant] in het geheel niet refereert aan een telefoongesprek van 9 juli 2007 met een inhoud als door [directeur MZ Equipment] gesteld. In de fax van 12 juli 2007 vraagt [appellant] : “Hebt U momenteel voor de 460 werk met mij als machinist? Kan ik de aan U te betalen jaarsom bij U draaien? “. Dat verdraagt zich, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet met een telefoongesprek van enkele dagen daarvoor waarin [appellant] het draaien van de jaarsom bij [directeur MZ Equipment] als voorwaarde zou hebben gesteld, waarna [directeur MZ Equipment] dat heeft afgewezen en de overeenkomst met instemming van beide partijen van de baan was. [directeur MZ Equipment] heeft ook geen aanvaardbare verklaring gegeven voor het feit dat hij alle faxen van [appellant] geheel onbeantwoord heeft gelaten, in plaats van een bericht of telefoontje naar [appellant] met de vraag waarom hij nog faxt, omdat de overeenkomst immers van de baan is. Hetzelfde geldt voor de vaststaande omstandigheid dat [directeur MZ Equipment] uiteindelijk in september 2007 een afspraak met [appellant] heeft gemaakt, die op 15 september niet is doorgegaan waarna partijen voor 22 september een nieuwe afspraak hebben gemaakt, welke laatste afspraak door [directeur MZ Equipment] de dag tevoren is afgezegd met de mededeling dat de graafmachine aan een derde was verkocht.

16.3.4.

Tussen partijen is mitsdien een overeenkomst met betrekking tot de graafmachine tot stand gekomen. [directeur MZ Equipment] is toerekenbaar tekort geschoten door de machine niet aan [appellant] te leveren. [appellant] heeft [directeur MZ Equipment] daarvoor bij fax van 24 september 2007 in gebreke gesteld met sommatie de machine te leveren zodra de vervangende Hitachi machine half oktober bij [directeur MZ Equipment] zou zijn. [directeur MZ Equipment] is door de rechtsbijstandsverzekeraar van [appellant] nogmaals gesommeerd om de machine binnen drie dagen te leveren, met aanzegging van wettelijke rente, bij brief van 10 oktober 2007. [directeur MZ Equipment] heeft niet aan de sommatie voldaan. [appellant] vordert mitsdien terecht vergoeding van de door hem als gevolg van de wanprestatie geleden schade.

De grieven I, II en III van [appellant] slagen. Grief IV, die voorwaardelijk is ingesteld, behoeft geen behandeling meer.

16.4.1.

[appellant] heeft bij memorie na enquête stukken met betrekking tot de door hem geleden schade in het geding gebracht, en wel:

* een huurkoopovereenkomst met [X.] Holding [vestigingsplaats 3] B.V. en Maatschap [Y.] (verder: [X.] / [Y.] ) van een 36 tons Volvo rupsgraafmachine d.d. 17 januari 2008 met een huurperiode van 36 maanden en een huurtermijn van € 3.417,-- (excl. btw) per maand en een koopprijs daarna van € 1,--. De aankoopprijs van deze machine was € 100.000,--. [appellant] heeft de machine op 25 januari 2008 tot zijn beschikking gekregen;

* een verklaring van de firma [Z.] te [vestigingsplaats 4] (Duitsland) over het mislopen van een opdracht medio 2007 voor een werk in Gelsenkirchen, waardoor hij (uitgaande van een uurtarief van € 95 en 40-45 uur p.w.) volgens berekening van zijn boekhouder een netto-schade heeft geleden van € 41.850,--; daarbij is hij ervan uitgegaan dat hij uiterlijk 1 augustus 2007 over de machine had kunnen beschikken.

* een aanbieding van [A.] Baumachinen (hierna: [A.] ) voor een met de gemiste graafmachine vergelijkbare 46 tons machine van 12 oktober 2007 voor een koopprijs van

€ 165.000,-- en een mail van deze verkoper d.d. 21 oktober 2007, dat het niet mogelijk was om een financieringsconstructie af te spreken.

Volgens deze mail van [A.] aan [appellant] bedraagt de restwaarde van een 46 tons machine ongeveer € 98.000,-- en dat ligt volgens [appellant] voor een 36 tons machine € 40.000,-- lager.

Zijn onderhandelingskosten belopen een volle werkdag van 8 uren à € 95,-- is € 760,-- (excl. btw).

[appellant] betwist dat MZ Equipment begin november 2007 een vervangende machine ter beschikking heeft gekregen.

16.4.2.

MZ Equipment acht de gederfde winst tot 25 januari 2008 niet bewezen. De verklaring van [Z.] is volgens haar ongeloofwaardig omdat [appellant] naast de 40-45 uur per week voor [Z.] niet ook nog bij MZ Equipment had kunnen werken, terwijl de verklaring in strijd is met de offerte van [A.] waarin slechts garantie wordt verleend als de machine maximaal 1000 uur per jaar wordt ingezet en waarin als gepaste inzet 800 uur per jaar wordt genoemd. De periode van 1 augustus 2007 tot 25 januari 2008 is ook te ruim genomen (kerstverlof, winterperiode). Bovendien is op de website van [Z.] het werk in Gelsenkirchen in de periode 2007/2008 niet te vinden (wel in 2005/2006), aldus MZ Equipment. Het uurtarief van € 95,-- is veel te hoog. De omzet die [appellant] in deze periode wel heeft gemaakt (€ 5.718,76) moet in elk geval in mindering komen. MZ Equipment betwist de berekening van de boekhouder.

De gederfde winst na 25 januari 2008 is volgens MZ Equipment aan [appellant] zelf toe te rekenen. Dat [appellant] geen 46 ton graafmachine kon bemachtigen vloeit niet voort uit de markt maar uit het gebrek aan kredietwaardigheid van [appellant] .

Het verschil in restwaarde komt niet voor vergoeding in aanmerking omdat [appellant] dat bespaard heeft bij de aanschaf. De restwaarde van een 36 ton machine is ook onvoldoende onderbouwd.

[appellant] had ook onderhandelingskosten gehad als de machine wel aan hem was geleverd. Over dergelijke kosten in verband met de aanschaf van een vervangende machine is niets gesteld.

MZ Equipment stelt dat de koper de graafmachine op 29 september 2007 bij haar heeft opgehaald, dat zij in oktober 2007 een huurkraan van Hitachi heeft gebruikt en dat een nieuwe machine door Hitachi begin november 2007 aan haar is geleverd.

16.4.3.

Het hof overweegt het volgende.

De door [appellant] als gevolg van de wanprestatie van MZ Equipment geleden schade dient te worden vastgesteld door de situatie zoals die was geweest als MZ Equipment hem de machine volgens afspraak had geleverd te vergelijken met de situatie zoals die feitelijk is zonder die levering en door vervolgens een schadeberekening op grond van het verschil te maken.

Schade tot 25 januari 2008

16.4.4.

Het hof gaat er op grond van de door [appellant] overgelegde “Huurovereenkomst” (prod. 11 memorie 22 oktober 2013) van uit dat hij een overeenkomst heeft gesloten met betrekking tot een 36 tons graafmachine als in r.o. 16.4.1 overwogen, en dat deze op 25 januari 2008 tot zijn beschikking is gekomen.

16.4.5.

Het hof gaat er verder van uit dat de machine door MZ Equipment op 1 augustus 2007 aan [appellant] had kunnen worden geleverd. MZ Equipment stelt immers zelf dat een dergelijke machine, die zij nu voor de maand oktober heeft moeten huren, een standaard gebruiksmodel is dat bij ieder gerenommeerd bedrijf te huur is; MZ Equipment had de vervangende machine dus ook vanaf augustus 2007 kunnen huren.

De periode waarover schade kan zijn geleden doordat [appellant] niet over een 46 tons graafmachine kon beschikken loopt mitsdien van 1 augustus 2007 tot 25 januari 2008.

- Misgelopen opdracht [Z.]

Het hof acht deze schade, gelet op het verweer van MZ Equipment waarop [appellant] nog niet heeft kunnen reageren, nog niet voldoende aangetoond.

Zij verzoekt [appellant] zich bij akte en zoveel mogelijk met stukken onderbouwd over het volgende uit te laten:

  • -

    wanneer de opdracht in Gelsenkirchen zou worden uitgevoerd (vgl. prod. 5 bij antwoordmemorie van 19 november 2013 van MZ Equipment)

  • -

    hoe het mogelijk is dat [appellant] aan MZ Equipment heeft gevraagd of hij de gehele huurkoopsom bij MZ Equipment kon draaien, terwijl hij al een fulltime (40-45 uur per week) opdracht had bij [Z.] ; [appellant] stelt immers dat hij al in het voorjaar van 2007 heeft afgesproken dat hij van juli 2007 – juli 2008 in deze omvang voor [Z.] kon werken;’

  • -

    de stelling van MZ Equipment over het kerst- en winterverlof;

  • -

    de stelling van MZ Equipment, ondersteund door prod. 6 bij de genoemde memorie, dat het uurtarief van € 95,-- (exclusief brandstof) veel te hoog is;

  • -

    de stelling van MZ Equipment dat een ondernemersloon over 26 weken van

  • -

    € 20.000, in het bijzonder gelet op het opgegeven uurloon, veel te laag is;

  • -

    de stelling van MZ Equipment dat transportkosten van € 3.500,-- voor een periode van 26 weken veel te laag is.

16.4.6.

MZ Equipment heeft voorts nog als verweer gevoerd (dupliek sub 7, mva sub 82) dat [appellant] zijn schade had moeten en kunnen beperken door (kennelijk is bedoeld: voor de periode dat hij nog geen andere machine had gekocht) een graafmachine te huren bij een verhuurbedrijf of een leverancier. Het hof zal [appellant] nog in de gelegenheid stellen daarop te reageren.

16.4.7.

Het hof verwerpt het verweer van MZ Equipment dat de 46 tons graafmachine die [appellant] aangeboden had gekregen voor maximaal 1000 of 800 uren per jaar kon worden ingezet (zodat het aantal door [appellant] genoemde, gemiste draaiuren alleen al daarom niet mogelijk zou zijn). De aanbieding vermeldt dat de garantie geldt voor 1 jaar of 1000 uur, hetgeen iets geheel anders is. Het urental van 800 is kennelijk slechts gebruikt als een maat waaraan door de leverancier de marktwaarde na drie jaar draaien met deze inzet, is bepaald.

Schade na 25 januari 2008

16.4.8.

[appellant] vordert voorts schade doordat hij uiteindelijk alleen een 36 tons graafmachine kon aanschaffen en niet opnieuw een 46 tons.

Dat hij de aan hem in oktober 2007 aangeboden 46 tons graafmachine niet kon aanschaffen, verklaart [appellant] aldus dat hij de koopsom niet kon betalen of financieren, en dat de verkoper op grond van een kredietwaardigheidsonderzoek hem geen huurkoopconstructie kon aanbieden.

Het hof verwerpt het verweer van MZ Equipment dat dit een [appellant] persoonlijk betreffende omstandigheid is die voor zijn rekening komt. Met MZ Equipment was [appellant] immers wél een huurkoopconstructie overeengekomen, zodat in de situatie dat MZ Equipment de overeenkomst was nagekomen [appellant] over de machine had kunnen beschikken. Dit is een voordeel dat [appellant] door de wanprestatie van MZ Equipment is ontgaan.

16.4.9.

Welke schade [appellant] heeft geleden doordat hij alleen nog een 36 tons machine kon aanschaffen is echter niet zo eenvoudig te bepalen als [appellant] thans stelt. Ook hier geldt dat voor de vaststelling daarvan de hiervoor in 16.4.3 genoemde vergelijking moet worden gemaakt.

Daarnaast vordert [appellant] als derde schadecomponent de restwaarde van de JCB machine.

De huurkoopfinanciering bij MZ Equipment hield in: 42 maanden € 3.650,-- per maand en een slotbetaling van € 50.000,--. Bij [X.] Holding [vestigingsplaats 3] B.V./Maatschap [Y.] hield deze in: 36 maanden € 3.417,-- per maand vanaf 25 januari 2008 en een slotbetaling van € 1,--. Bij vergelijking van de restwaarde van de 46 tons machine van MZ Equipment met de restwaarde van de 36 tons machine van [X.] / [Y.] , beide aan het eind van hun huurkoopperiode (dus resp. 1 februari 2011 en 25 januari 2011), moeten zoals MZ Equipment terecht stelt ook de hogere en langduriger betalingen die [appellant] voor de 46 tons machine had moeten doen, verrekend worden. Bovendien staat de restwaarde van beide machines niet vast. Nu het in beide gevallen gaat om een gebruikte machine (de 36 tons: bouwjaar 2002; de 46 tons: onbekend; op prod. 9 bij dagvaarding is bijgeschreven “Bjr 2005”) dient [appellant] de door hem gestelde restwaarden, die door MZ Equipment worden betwist, te onderbouwen met taxaties door een deskundige, liefst van deze individuele machines, maar in elk geval van vergelijkbare machines.

[appellant] dient voorts een berekening als hier bedoeld, over te leggen.

Onderhandelingskosten

16.4.10.

Voor vergoeding zouden in beginsel in aanmerking kunnen komen de kosten die [appellant] heeft moeten maken omdat hij opnieuw over de aanschaf van een graafmachine heeft moeten onderhandelen. Hij vordert echter de kosten die hij heeft gemaakt bij de onderhandelingen van MZ Equipment. Het verweer dat hij die kosten ook had gemaakt als MZ Equipment de machine volgens afspraak had geleverd, slaagt. Deze schadepost wordt mitsdien afgewezen.

16.4.11.

Op de gevorderde schade komt in mindering het bedrag dat [appellant] in de periode 1 augustus 2007 tot 25 januari 2008 volgens zijn eigen opgave heeft gegenereerd, te weten € 5.718,76 (dagvaarding sub 15).

16.5.

Blijkens het petitum van de memorie van grieven, primair sub c, heeft [appellant] ook bezwaar tegen de afwijzing door de kantonrechter van de door hem gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 1.785,--. MZ Equipment heeft daartegen (in eerste aanleg) verweer gevoerd.

Het hof is van oordeel dat niet gebleken is dat sprake is geweest van zodanige buitengerechtelijke werkzaamheden dat daarvoor een afzonderlijke vergoeding gerechtvaardigd is. Het dossier bevat niet meer dan twee sommatiebrieven, terwijl de door [appellant] in de dagvaarding sub 17 opgesomde werkzaamheden geschaard moeten worden onder voorbereidingshandelingen van de procedure. De vordering zal in zoverre worden afgewezen.

16.6.

Het hof zal de zaak verwijzen naar de zitting van dinsdag 11 maart 2014 voor het nemen van een akte door [appellant] om zich uit te laten naar aanleiding van r.o. 16.4.5, 16.4.6 en 16.4.9. MZ Equipment zal daarop bij antwoordakte mogen reageren.

16.7.

Het hof geeft partijen met nadruk in overweging om naar aanleiding van hetgeen in dit tussenarrest is overwogen, met elkaar te rade te gaan om mede met het oog op besparing van verdere kosten te bezien of zij de resterende geschilpunten verder zelf in onderling overleg kunnen oplossen.

16.8.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

17 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de zitting van dinsdag 11 maart 2014 voor het nemen van een akte door [appellant] met het in r.o. 16.6 omschreven doel.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, H.A.W. Vermeulen en M.A. Wabeke en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 februari 2014.