Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:267

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
20-002462-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:407, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag, gepleegd op 26 augustus 2010 te Renesse (redder/dader scenario's)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2014, afl. 2, p. 78

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002462-11

Uitspraak : 12 februari 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 26 mei 2011 in de strafzaak met parketnummer 12-715413-10 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1982],

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is verdachte integraal vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Voorts heeft de rechtbank een beslissing genomen omtrent de in beslag genomen voorwerpen en de vordering van de benadeelde partij. Tevens heeft de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte opgeheven.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de benadeelde partij[slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep – binnen de grenzen van haar eerste vordering – opnieuw gevoegd. De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt thans tot betaling van het oorspronkelijk gevorderde bedrag van € 1.937,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het hof beschouwt het bedrag van € 1.874,80 dat is vermeld op pagina 2 van het schadeonderbouwingsformulier als een kennelijke verschrijving.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens verdachte door diens raadsvrouwe naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte onder feit 1.B (poging tot moord) en onder feit 2 subsidiair (poging tot aanranding) is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat daarvan de teruggave zal worden gelast aan de rechthebbenden. Voorts heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof de vordering van de benadeelde partij geheel zal toewijzen tot een bedrag van € 1.937.20, met toepassing van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft integrale vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

1

A.1

hij op of omstreeks 26 augustus 2010 te Renesse, in de gemeente Schouwen-Duiveland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die[slachtoffer] aan het lichaam heeft getrokken en/of tegen het lichaam heeft geduwd en/of op de grond heeft gegooid (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam) en/of (vervolgens) bovenop (de benen van) die [slachtoffer] heeft gezeten en/of met beide handen de keel/hals van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de keel/hals van die [slachtoffer] (met kracht) heeft dichtgedrukt (waardoor die [slachtoffer] het bewustzijn verloor), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en voor zover ter zake het hierboven primair tenlastegelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, ter zake dat

hij op of omstreeks 26 augustus 2010, te Renesse, in de gemeente Schouwen-Duiveland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet[slachtoffer] aan het lichaam heeft getrokken en/of tegen het lichaam heeft geduwd en/of op de grond heeft gegooid (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam) en/of (vervolgens) bovenop (de benen van) die [slachtoffer] heeft gezeten en/of met beide handen de keel/hals van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de keel/hals van die [slachtoffer] (met kracht) heeft dichtgedrukt (waardoor die [slachtoffer] het bewustzijn verloor) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en voor zover ter zake het hierboven subsidiair tenlastegelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, ter zake dat

hij op of omstreeks 26 augustus 2010 te Renesse, in de gemeente Schouwen-Duiveland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd[slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die[slachtoffer] aan het lichaam heeft getrokken en/of tegen het lichaam heeft geduwd en/of op de grond heeft gegooid (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam) en/of (vervolgens) bovenop (de benen van) die [slachtoffer] heeft gezeten en/of met beide handen de keel/hals van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de keel/hals van die [slachtoffer] (met kracht) heeft dichtgedrukt (waardoor die [slachtoffer] het bewustzijn verloor), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en voor zover ook ter zake het hierboven meer subsidiair tenlastegelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, ter zake dat

hij op of omstreeks 26 augustus 2010 te Renesse, in de gemeente Schouwen-Duiveland, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten[slachtoffer]) aan het lichaam heeft getrokken en/of tegen het lichaam heeft geduwd en/of op de grond heeft gegooid (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam) en/of (vervolgens) bovenop (de benen van) die [slachtoffer] heeft gezeten en/of met beide handen de keel/hals van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de keel/hals van die [slachtoffer] (met kracht) heeft dichtgedrukt (waardoor die [slachtoffer] het bewustzijn verloor), waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

A.2

hij op of omstreeks 26 augustus 2010 te Renesse, in de gemeente Schouwen-Duiveland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,[slachtoffer] (die toen het bewustzijn had verloren) aan het lichaam heeft getrokken en/of het (bewusteloze) lichaam van die [slachtoffer] over enige afstand heeft versleept en/of (vervolgens) in een (met water gevulde) sloot heeft gelegd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en voor zover ter zake het hierboven primair tenlastegelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, ter zake dat

hij op of omstreeks 26 augustus 2010 te Renesse, in de gemeente Schouwen-Duiveland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet[slachtoffer] (die toen het bewustzijn had verloren) aan het lichaam heeft getrokken en/of het (bewusteloze) lichaam van die [slachtoffer] over enige afstand heeft versleept en/of (vervolgens) in een (met water gevulde) sloot heeft gelegd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en voor zover ter zake het hierboven subsidiair tenlastegelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, ter zake dat

hij op of omstreeks 26 augustus 2010 te Renesse, in de gemeente Schouwen-Duiveland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd[slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die[slachtoffer] (die toen het bewustzijn had verloren) aan het lichaam heeft getrokken en/of het (bewusteloze) lichaam van die [slachtoffer] over enige afstand heeft versleept en/of (vervolgens) in een (met water gevulde) sloot heeft gelegd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en voor zover ter zake het hierboven meer subsidiair tenlastegelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, ter zake dat

hij op of omstreeks 26 augustus 2010 te Renesse, in de gemeente Schouwen-Duiveland, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten[slachtoffer]) (die toen het bewustzijn had verloren) aan het lichaam heeft getrokken en/of het (bewusteloze) lichaam van die [slachtoffer] over enige afstand heeft versleept en/of (vervolgens) in een (met water gevulde) sloot heeft gelegd, waardoor deze letsel en/of pijn heeft ondervonden;

of

  B

hij op of omstreeks 26 augustus 2010 te Renesse, in de gemeente Schouwen-Duiveland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade[slachtoffer] van het leven te beroven, (telkens) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die[slachtoffer] aan het lichaam heeft getrokken en/of tegen het lichaam heeft geduwd en/of op de grond heeft gegooid (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam) en/of (vervolgens) bovenop (de benen van) die [slachtoffer] heeft gezeten en/of met beide handen de keel/hals van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de keel/hals van die [slachtoffer] (met kracht) heeft dichtgedrukt (waardoor die [slachtoffer] het bewustzijn verloor) en/of het (bewusteloze) lichaam van die [slachtoffer] over enige afstand heeft versleept en/of (vervolgens) in een (met water gevulde) sloot heeft gelegd, terwijl (telkens) de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en voor zover ter zake het hierboven tenlastegelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, ter zake dat

hij op of omstreeks 26 augustus 2010 te Renesse, in de gemeente Schouwen-Duiveland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk[slachtoffer] van het leven te beroven, (telkens) met dat opzet die[slachtoffer] aan het lichaam heeft getrokken en/of tegen het lichaam heeft geduwd en/of op de grond heeft gegooid (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam) en/of (vervolgens) bovenop (de benen van) die [slachtoffer] heeft gezeten en/of met beide handen de keel/hals van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de keel/hals van die [slachtoffer] (met kracht) heeft dichtgedrukt (waardoor die [slachtoffer] het bewustzijn verloor) en/of het (bewusteloze) lichaam van die [slachtoffer] over enige afstand heeft versleept en/of (vervolgens) in een (met water gevulde) sloot heeft gelegd, terwijl (telkens) de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en voor zover het hierboven subsidiair tenlastegelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, ter zake dat

hij op of omstreeks 26 augustus 2010 te Renesse, in de gemeente Schouwen-Duiveland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd[slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (telkens) met dat opzet die[slachtoffer] aan het lichaam heeft getrokken en/of tegen het lichaam heeft geduwd en/of op de grond heeft gegooid (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam) en/of (vervolgens) bovenop (de benen van) die [slachtoffer] heeft gezeten en/of met beide handen de keel/hals van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de keel/hals van die [slachtoffer] (met kracht) heeft dichtgedrukt (waardoor die [slachtoffer] het bewustzijn verloor) en/of het (bewusteloze) lichaam van die [slachtoffer] over enige afstand heeft versleept en/of (vervolgens) in een (met water gevulde) sloot heeft gelegd, terwijl (telkens) de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en voor zover ook het hierboven meer subsidiair tenlastegelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, ter zake dat

hij op of omstreeks 26 augustus 2010 te Renesse, in de gemeente Schouwen-Duiveland, (telkens) opzettelijk mishandelend een persoon (te weten[slachtoffer]) aan het lichaam heeft getrokken en/of tegen het lichaam heeft geduwd en/of op de grond heeft gegooid (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam) en/of (vervolgens) bovenop (de benen van) die [slachtoffer] heeft gezeten en/of met beide handen de keel/hals van die [slachtoffer] heeft

vastgepakt en/of (vervolgens) de keel/hals van die [slachtoffer] (met kracht) heeft dichtgedrukt (waardoor die [slachtoffer] het bewustzijn verloor) en/of het (bewusteloze) lichaam van die [slachtoffer] over enige afstand heeft versleept en/of (vervolgens) in een (met water gevulde) sloot heeft gelegd, waardoor deze (telkens) letsel en/of pijn heeft ondervonden;

2

hij op of omstreeks 26 augustus 2010, te Renesse, in de gemeente Schouwen-Duiveland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)[slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het van dichtbij over de rug strelen en/of over/in de nek/halsstreek en/of aan het kaakbeen strelen/aanraken/vastpakken van die [slachtoffer] en/of het zoenen op/bij de mond van die [slachtoffer], dan wel het bewegen van de (getuite) mond naar die [slachtoffer] toe en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het (onverhoeds) van achteren naderen en/of gedurende enige tijd volgen van die [slachtoffer] (in de nachtelijke uren) en/of het (zeer) onverhoeds handelen als hierboven omschreven en/of (aldus) misbruik maken van het uit zijn leeftijd voortvloeiend overwicht waardoor hij, verdachte, een voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 augustus 2010 te Renesse, in de gemeente Schouwen-Duiveland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)[slachtoffer] te dwingen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en),

  • -

    die [slachtoffer] (onverhoeds) van achteren heeft genaderd en/of gedurende enige tijd (in de nachtelijke uren) heeft gevolgd en/of

  • -

    die [slachtoffer] over de rug en/of over/in de nek en/of aan het kaakbeen heeft gestreeld/aangeraakt/vastgepakt en/of

  • -

    die [slachtoffer] heeft gezoend op/bij de mond en/of

  • -

    misbruik heeft gemaakt van het uit zijn leeftijd voortvloeiend overwicht waardoor hij, verdachte, voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte dient te worden verklaard en heeft dit verweer doen steunen op de navolgende, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang te beoordelen, gronden:

A. Het horen van [verdachte]als getuige zonder tolk en schending van de Salduz-norm

[verdachte]is bij gelegenheid van het afleggen van zijn eerste verklaring – als getuige – door verbalisanten Krijnsen en Elseman gedeeltelijk in het Duits, gedeeltelijk in het Engels gehoord, zonder bijstand van een tolk. Op grond van de door de verbalisanten bij de rechter-commissaris afgelegde getuigenverklaringen concludeert de verdediging dat zij de Engelse en Duitse taal onvoldoende beheersten om [verdachte]goed te begrijpen en om diens verklaring in de Nederlandse taal te relateren. De verdediging stelt dat [verdachte]op diverse plaatsen niet goed is begrepen, waardoor nuances over onderdelen in diens verhoor verloren zijn gegaan en onderdelen in zijn geheel verkeerd aan het papier zijn toevertrouwd.

Voorts heeft de verdediging betoogd dat de feitelijke omstandigheden er toe kunnen leiden dat ook een niet-aangehouden verdachte, voorafgaand aan zijn eerste verhoor, het recht heeft om een advocaat te mogen consulteren. In dit geval was het overduidelijk dat [verdachte]materieel als verdachte werd aangemerkt, hij kreeg de cautie, hij was bovendien buitenlander en zou zonder tolk gehoord gaan worden. Verdachte had op dat recht gewezen moeten worden.

De kwaliteit van het onderzoek en het PD (plaats delict) management

Op grond van de verklaringen van de verbalisanten Blessing en Verheul, die als eersten ter plaatse waren, locatiecoördinator De Vries en officier van dienst Van der Horst, allen gehoord als getuigen bij de rechter-commissaris, kan worden geconcludeerd dat zij met elkaar hebben overlegd over de op 26 augustus 2010 op de Hogezoom te Renesse aangetroffen situatie en dat bij hen het vermoeden bestond dat [slachtoffer] mogelijk slachtoffer was geworden van een strafbaar feit.

Nu de aangetroffen situatie een strafrechtelijk onderzoek rechtvaardigde, moet de kwaliteit van dat onderzoek nader worden beoordeeld aan de hand van de niet-openbare en per regio verschillende, aanbevelingen voor PD-management, die zijn voortgevloeid uit het Evaluatieonderzoek Schiedammer parkmoord. Deze aanbevelingen houden onder meer in dat een plaats delict fatsoenlijk – en liever te ruim dan te beperkt – moet worden afgezet en dat een degelijk sporenonderzoek moet worden gedaan, waarbij ook andere sporen (welke wellicht niet direct gerelateerd lijken te zijn aan het delict) moeten worden veiliggesteld en onderzocht.

Gelet op genoemde aanbevelingen had de PD in casu ruim moeten worden aangemerkt, dat wil zeggen zowel PD 1 (waarmee de verdediging bedoelt: de plaats van de eerste aanval, het eerste vastpakken van het slachtoffer, op de Hogezoom) als PD 2 (waarmee de verdediging bedoelt: de plaats van de tweede aanval, waar volgens het slachtoffer zij bij de keel is gepakt en bewusteloos is geraakt) en PD 3 (waarmee de verdediging bedoelt: de plaats waar het slachtoffer door de politie is aangetroffen in de sloot). Immers, uit het verhaal van het slachtoffer kon worden afgeleid dat de route vanaf de rotonde ‘besmet’/PD-gebied was en als ruime PD moest gelden. Hiermee is door de politie niets gedaan. Voorts had de PD (1, 2 en 3) niet vrij toegankelijk mogen zijn, maar moeten worden afgezet voor sporenonderzoek. In het verlengde daarvan had de PD moeten worden afgezet met linten. Voor zover deze linten al waren geplaatst, is niet duidelijk wanneer dat is gebeurd en waar zij zijn gespannen. De linten hadden derhalve geen functie en waren niet bedoeld als een officiële PD afzetting.

Er heeft volgens de verdediging voorts geen kwalitatief deugdelijk sporenonderzoek plaatsgevonden. Zo is er bijvoorbeeld geen duidelijkheid verschaft over de exacte locatie waar de paraplu’s zijn aangetroffen en of deze al dan niet kapot waren. Ook kan niet worden vastgesteld of de aangetroffen paraplu’s dezelfde paraplu’s zijn die naar het politiebureau zijn meegenomen. Bovendien is niet gezocht naar de mogelijke aanwezigheid van een paraplu op PD 1.

Evenmin zijn er andere sporen veiliggesteld, zoals schoen-, loop- of geursporen, biologische sporen op of aan het slachtoffer of krab- of geweldssporen op het aangezicht van [verdachte]. Daarnaast zijn de wel inbeslaggenomen voorwerpen (zoals de paraplu’s, de telefoon van het slachtoffer en de kleding van [verdachte]) niet op een deugdelijke wijze in beslag genomen.

De verplichtingen ex artikelen 152 en 153 van Wetboek van Strafvordering

Genoemde bepalingen houden in dat er direct geverbaliseerd wordt en niet dagen of weken daarna. Aan de hand van een aantal voorbeelden – zoals verwoord in de pleitnota – heeft de verdediging aangevoerd dat in deze zaak, in strijd met genoemde bepalingen, gebrekkig, onvolledig, soms te laat en soms helemaal niet is geverbaliseerd.

Het laten plaatsvinden van een FOSLO (meervoudige fotoconfrontatie)

Tussen het moment dat het slachtoffer in de sloot werd aangetroffen en het moment dat zij in de ambulance lag, is zij vanuit een toestand van bewusteloosheid bij bewustzijn gekomen. In die tijd heeft [verdachte]geholpen om haar uit de sloot te halen en is hij bij haar gaan zitten om eerste hulp te verlenen. Het is in de opvatting van de verdediging zeer wel mogelijk dat het slachtoffer [verdachte]in die tijd in zijn rol als helper heeft gezien. Die omstandigheid schept de reële mogelijkheid dat het slachtoffer bij een FOSLO niet haar aanvaller zou herkennen maar de persoon die bij haar is geweest tijdens de “bij-bewustzijn-komings-fase”. Het vervolgens laten meewerken van het slachtoffer aan een fotoconfrontatie staat derhalve gelijk aan het aanvaarden van het risico dat een eventuele herkenning onzuiver (lees: vals) is. Deze risico-aanvaarding past niet in een behoorlijk strafproces. In de visie van de verdediging is deze wijze van bewijsgaring dan ook in strijd met de regels van een behoorlijke procesorde.

Het beïnvloeden door de politie van het “beeldgeheugen” van aangeefster

Aangeefster heeft over de plaats van de eerste confrontatie met haar belager verschillend verklaard. In haar eerste verklaring relateert aangeefster de afstand waar “het begon” aan de tijd die ze heeft afgelegd vanaf de rotonde. Zij heeft toen verklaard dat zij vanaf de rotonde al zo’n drie minuten aan het lopen was. Het woordje “al” lijkt te impliceren dat ze “al” enige tijd op weg was op de Hogezoom.

Na dit eerste verhoor zijn de camerabeelden van de rotonde aan aangeefster getoond. Vanaf dat moment, waarbij zij door de politie aan de hand van deze beelden is geattendeerd op de persoon die dicht achter haar loopt op de rotonde, lijkt zij die persoon te gaan zien als haar belager. Zij koppelt de plaats van de eerste confrontatie met haar belager daarna in haar tweede verklaring niet meer aan tijd, maar aan de afstand vanaf de rotonde. Zij duidt de plaats van de eerste confrontatie aan als: “net voorbij de rotonde”.

Als haar vervolgens tijdens de reconstructie, zijnde haar derde verklaring, wordt gevraagd om de route vanaf de rotonde te lopen, lijkt het erop dat haar herbeleven van de plaats waar één en ander zich heeft afgespeeld een ‘terugval’ oplevert van de afstand van “drie minuten vanaf de rotonde”. Zij wordt echter in de door haar in gang gezette loopafstand vanaf de rotonde onderbroken door de reconstructieleider. Zonder die onderbreking was zij naar het oordeel van de verdediging niet gestopt.

Op grond hiervan is de verwarring van aangeefster over afstanden en momenten waarop één en ander zich heeft voltrokken, veroorzaakt door actieve beïnvloeding door de politie.

Aanwijzing zedendelicten

Gelet op de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik, uit 2006, dienen alle aangiften en getuigenverhoren in zedenzaken auditief te worden opgenomen. De omstandigheid dat in casu geen van de verhoren van aangeefster auditief is opgenomen maakt naar de mening van de verdediging dat sprake is van een vormverzuim.

Conclusie

Deze opeenstapeling van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek maken, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, aldus de verdediging, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging van verdachte.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte. Hij heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat:

  1. op PD 1 niet is gezocht naar een paraplu, aangezien er in de nacht niet bekend was dat er een PD 1 was;

  2. weliswaar een belangrijke fout in de verhoorregistratie is geslopen, maar dat dat niets verandert aan zijn standpunt over de niet-geloofwaardige verklaring van verdachte over het aantreffen van het slachtoffer in de sloot;

  3. er geen strijd is met de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen als het verzuim of de schending daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak te kort is gedaan.

Inleidend

Uit het dossier volgt dat op 26 augustus 2010, omstreeks 03.40 uur, twee meisjes aan de politie in het centrum van Renesse hebben gemeld dat zij zojuist, fietsend over de Hogezoom, komende uit de richting Renesse en gaande richting Burgh-Haamstede, een man met iets zwaars – lijkend op een lichaam – over die weg hebben zien slepen (dossierpagina 47). De twee politieagenten – in hun dienstauto – zijn daarop met de meisjes die nog steeds op hun fiets reden, meegereden. Zij gingen de Hogezoom af, bij café Helder voorbij de rotonde in de richting van Burgh-Haamstede tot aan de kruising met de Pauwlijntjesweg. Zij hebben onderweg niets (verdachts) waargenomen. De verbalisanten vroegen nog waar de meisjes iets hadden gezien, waarop de meisjes (op ongeveer 100 à 150 meter vóór de ingang van camping De Wijde Blick) antwoordden dat het ongeveer op dat stuk is geweest, waarbij moet worden opgemerkt dat de plaats waar het slachtoffer later in de sloot is aangetroffen niet is aangelicht.

Terwijl de politie terugreed (dossierpagina 48), komende uit de richting Burgh-Haamstede, over de Hogezoom in de richting van het centrum van Renesse, is 50 à 100 meter voorbij de ingang van camping De Wijde Blick, een man links vanuit de berm gekomen en voor de politieauto gesprongen. De man heeft in de Duitse taal, in paniek, om hulp gevraagd. De verbalisanten zagen hem met de vuisten op de autoruiten stampen. De man bleek de latere verdachte [verdachte] te zijn. Op zijn aanwijzing heeft de politie toen een meisje aangetroffen in de sloot aan de linkerkant van de weg. Alleen haar neus en mond staken nog boven het water uit. [verdachte]heeft hen toen gezegd dat hij “Noodarts” was en gedrieën hebben zij het meisje – naar later bleek [slachtoffer] – uit de sloot gehaald. Zij is op de kant gelegd. Het meisje was op dat moment niet aanspreekbaar en buiten bewustzijn.

Eenmaal in de ambulance (dossierpagina 55-56) heeft [slachtoffer] verteld dat een Duitse man die haar had gezegd dat hij David of iets dergelijks heette, met haar was meegelopen op weg naar de camping. Verder heeft zij verteld dat deze man haar heeft geduwd en een klein beetje heeft aangeraakt en dat zij met hem heeft gevochten. [slachtoffer] heeft voorts gezegd: “Ik heb hem daar geraakt”, waarbij ze heeft gewezen naar haar kruis.

De ambulanceverpleegkundige heeft geconstateerd dat [slachtoffer] striemen in haar hals had en heeft dit besproken met de politie. [slachtoffer] is vervolgens naar het ziekenhuis vervoerd en daar later die dag weer ontslagen.

Diezelfde dag nog, 26 augustus 2010 om 13.00 uur, heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van poging doodslag/moord, waarbij zij heeft verklaard dat de Duitse jongen haar had vastgepakt, in de bosjes heeft getrokken en haar daar heeft geprobeerd te wurgen, waardoor zij bewusteloos is geraakt. Tevens heeft zij verklaard dat zij pas in de ambulance is bijgekomen en toen voor het eerst haar ogen heeft open gedaan (dossierpagina 21 e.v.).

A. Het horen van [verdachte]als getuige zonder tolk en schending van de Salduz-norm

De Salduz-norm

Op grond van de hiervoor beschreven situatie hoefde de politie [verdachte]ten tijde van en kort na het aantreffen van het meisje in de sloot niet als verdachte van een strafbaar feit aan te merken. [verdachte]maakte zich tegenover de politie herhaaldelijk bekend als hulpverlener (Noodarts). Hoewel op een bepaald moment bij een aantal politiemensen het “onderbuikgevoel” is ontstaan dat sprake zou kunnen zijn van een strafbaar feit gepleegd jegens [slachtoffer], dan wel op een zeker moment een dergelijke gedachte in het hoofd van politiemensen opkwam, maakt dat nog niet dat daarmee sprake was van een redelijk vermoeden van schuld jegens[verdachte]

Gelet op de ter plaatse aangetroffen feitelijke situatie en op de inhoud van de mededelingen die [slachtoffer] in de ambulance omtrent de dader heeft gedaan, is [verdachte]– naar het oordeel van het hof, toen en daar, terecht – door de politie als getuige en niet als verdachte aangemerkt. Sterker nog, het wekt geenszins verbazing dat de politie – nadat het meisje met de ambulance naar het ziekenhuis was vervoerd – [verdachte]heeft willen horen over de situatie waarvan hij op dat moment als enige getuige was geweest.

Gelet op het tijdstip, de locatie en de weersomstandigheden lag het afnemen van een verklaring ter plaatse niet in de rede. Volgens verbalisant Elseman was iedereen, zo ook [verdachte]“zeiknat”, want het regende. [verdachte]is vervoer naar het politiebureau geleverd, om aldaar warm te worden, koffie te krijgen en een verklaring af te leggen. Het enkele vervoer naar het politiebureau maakt niet dat hij door de politie als verdachte is beschouwd, zoals de verdediging heeft betoogd.

De omstandigheid dat door de verbalisanten aan [verdachte]bij aanvang van het verhoor het volgende is medegedeeld: “wij willen graag van u horen wat u zojuist gezien heeft en u hoeft geen vragen te beantwoorden die u verdacht kunnen maken”, maakt dit niet anders, nu die mededeling gezien dient te worden als een recht van de getuige op verschoning, indien en voor zover hij zichzelf strafrechtelijk zou belasten.

Het hof volgt de verdediging dan ook niet in haar stelling dat de status – en daarmee de rechten – van [verdachte]gelijk gesteld kon worden met die van een aangehouden verdachte.

Dit brengt met zich dat [verdachte]geen aanspraak kan maken op de zogeheten Salduz-norm dat aan een verdachte voorafgaand aan het eerste verhoor het recht op consultatie van een advocaat toekomt, dan wel dat door de politie toegang tot een advocaat dient te worden verschaft. Het feit dat [verdachte]een buitenlander was, maakt dit niet anders.

Het verhoor van [verdachte]als getuige zonder tolk

De verbalisanten Krijnsen en Elseman hebben het verhoor van [verdachte]als getuige op 26 augustus 2010 (dossierpagina’s 419-421) in de Duitse en Engelse taal afgenomen. De verbalisanten hebben in dat proces-verbaal vermeld dat zij die talen spreken en begrijpen en met de getuige waren overeengekomen om in die taal (het hof begrijpt: talen) te communiceren.

Dat zij die talen spreken en beheersen wekt in het licht van de plaats/regio waar zij werken naar het oordeel van het hof ook geen verbazing. In het bijzonder de badplaats Renesse wordt in de zomermaanden door veel buitenlandse toeristen, waaronder Duitsers, bezocht.

De verbalisanten zijn daarnaast – ook door de verdediging – op dit punt bevraagd toen zij een getuigenverklaring aflegden bij de rechter-commissaris. Uit die verhoren blijkt het volgende. Volgens Krijnsen bevestigde [verdachte]steeds dat hij hen begreep en spraken zij voornamelijk Duits en soms Engels. Krijnsen heeft het relaas opgenomen in het Nederlands en in het Duits voorgelezen aan[verdachte] Of daarbij ook nog Engels is gesproken weet hij niet meer. Elseman heeft (zo begrijpt het hof: slechts) enkele vragen gesteld, aldus Krijnsen. Elseman heeft verklaard dat Krijnsen het grootste deel van het verhoor deed. Als er zich een struikelblok aandiende dan werd overgeschakeld op het Engels. Elseman heeft verklaard dat zijn Engels redelijk tot goed is. Volgens hem sprak de getuige [verdachte]redelijk goed Engels.

[verdachte]heeft bij de rechter-commissaris zelf verklaard dat hij goed Engels spreekt, terwijl hij daarnaast – gelet op zijn nationaliteit, opleidingsniveau en werkzaamheden – naar het oordeel van het hof, de Duitse taal goed zal beheersen.

Tenslotte blijkt uit het procesdossier dat [verdachte]met het verhoor, op de wijze zoals dat plaatsvond op 26 augustus 2010 (dossierpagina’s 419-421) heeft ingestemd en dat hij het proces-verbaal van verhoor na afloop heeft ondertekend, nadat hij in die verklaring heeft volhard.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het horen van [verdachte]als getuige op 26 augustus 2010 zonder tolk, geen vormverzuim oplevert als door de verdediging gesteld. Hieraan doet niet af dat [verdachte]in een latere fase van het geding heeft verklaard dat de verbalisanten de Duitse en Engelse taal zijns inziens niet (zo) goed beheersten.

De conclusie van het hof dat geen sprake is van een vormverzuim op dit punt, wordt ook niet anders door de stelling van de verdediging dat niet is geanticipeerd op de nog niet van kracht zijnde Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten. Die Aanwijzing van het College van Procureurs-Generaal is eerst in werking getreden op 1 september 2010. Reeds gelet op de uitdrukkelijke bepaling in de Aanwijzing dat voor auditieve registratie van verhoren in opsporingsonderzoeken geldt dat “…de beleidsregels in deze aanwijzing zijn van toepassing op opsporingsonderzoeken die zijn gestart op of na de datum van inwerkingtreding van deze aanwijzing”, acht het hof het anticiperen daarop op 26 augustus 2010 niet aan de orde, hoe kort gelegen ook voor de datum van 1 september 2010.

De kwaliteit van het onderzoek en het PD (plaats delict) management

Het hof is, met de verdediging, van oordeel dat uit het dossier niet duidelijk is geworden in hoeverre en hoe lang de plaats delict met een lint afgezet is geweest. Vast staat wel dat diverse mensen op de PD hebben gelopen – naast de politie en hulpverleners, ook de eigenaar en de nachtwaker van de camping en vrienden van het slachtoffer – en dat de politie de PD onbewaakt heeft achtergelaten nadat de ambulance was vertrokken. Uit het procesdossier leidt het hof af dat geen systematisch sporenonderzoek heeft plaatsgevonden. Vast staat verder dat er geen biologische sporen op het lichaam van het slachtoffer zijn veiliggesteld terwijl daar op grond van haar verklaring in de ambulance en de aangetroffen rode striemen in haar nek mogelijk wel meer aandacht voor had moeten zijn.

Door voor een belangrijk deel na te laten de PD deugdelijk af te zetten en alle mogelijke sporen op de PD en op de betrokken personen veilig te stellen, heeft de politie mogelijk – (voor verdachte) ontlastend dan wel belastend – bewijs gemist. Echter, zo de keuzen die in het politieonderzoek zijn gemaakt al een vormverzuim betreffen, die bestaat uit een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, blijkt naar het oordeel van het hof in ieder geval niet uit het dossier dat deze keuzen doelbewust met het oog op het schaden van de belangen van verdachte zijn gemaakt, noch levert dit naar het oordeel van het hof een grove veronachtzaming van belangen van verdachte op. Daarbij overweegt het hof dat de omstandigheid dat de politie te veel oog heeft gehad voor de hulpverlening in plaats van het management van de PD niet onbegrijpelijk is gezien de door hen aldaar aangetroffen aanvankelijk onduidelijke situatie.

De verplichtingen ex artikelen 152 en 153 van Wetboek van Strafvordering

Het hof heeft vastgesteld dat de verbalisanten Blessing en Verheul op 26 augustus 2010 te 07.00 uur proces-verbaal hebben opgemaakt van hun bevindingen van die nacht, vanaf het moment dat zij door de twee meisjes op de fiets werden aangesproken. Op 29 augustus 2010 en op 7 september 2010 hebben zij nog aanvullend gerapporteerd. Met de rechtbank komt het het hof in deze zaak niet onredelijk voor dat verbalisanten bevindingen die zij mogelijk in eerste instantie niet als relevant hebben geacht later alsnog relateren.

Hoewel artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het proces-verbaal “ten spoedigste” moet worden opgemaakt, is daarbij geen termijn gesteld. Het enkele feit dat processen-verbaal in een later stadium zijn opgemaakt, leidt dan ook niet tot het oordeel dat de verbaliseringsplicht is geschonden en/of tot het oordeel dat niet aan de eisen als gesteld in artikel 153 van het Wetboek van Strafvordering is voldaan.

Ook de omstandigheid dat verbalisanten bij elkaar te rade zijn gaan teneinde het geheugen op te frissen, maakt niet dat de verbalisanten daarmee hun verplichtingen ex artikelen 152 en 153 van het Wetboek van Strafvordering hebben geschonden.

Dit is evenwel anders voor het gesprek dat verbalisant Van Sabben enige uren nadat het slachtoffer naar het ziekenhuis was gebracht met haar heeft gevoerd en waarin zij gegevens heeft verstrekt over haar aanvaller. Hierover is eerst op 12 mei 2011 – ruim 8 maanden na dato – proces-verbaal opgemaakt. In dat proces-verbaal, van verbalisant Kempe, proces-verbaalnummer: PL193D 2010071751-110, is een deel van de mutatie van Van Sabben van de nacht van 26 augustus 2010 opgenomen. Het hof is, met de verdediging, van oordeel dat dit proces-verbaal niet alleen tardief is opgemaakt, maar dat het bovendien niet is opgemaakt door de opsporingsambtenaar Van Sabben zelf. Gevolg daarvan is dat de verplichtingen ingevolge de artikelen 152 en 153 van het Wetboek van Strafvordering zijn geschonden.

Echter, niet is gebleken dat deze schendingen doelbewust met het oog op het schaden van de belangen van verdachte zijn gebeurd. Evenmin levert dit een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte op. Doorslaggevende betekenis hecht het hof in dat verband aan de verklaring die verbalisant Van Sabben d.d. 18 april 2011 ten overstaan van de rechter-commissaris heeft afgelegd, in welke verklaring zij onder meer heeft verklaard over de door haar geboden hulpverlening aan en het gesprek in de ambulance met het slachtoffer, het ophalen van kleding voor het slachtoffer op de camping, haar gesprek met het meisje (in het Engels) in het ziekenhuis en haar aanwezigheid bij het telefoongesprek van het meisje met haar moeder (“Ze was natuurlijk minderjarig… bij dat gesprek was ze emotioneel. Dat heb ik wel gezien. Wat ze tegen haar moeder heeft gezegd, weet ik niet want ze sprak in het Duits, en ik kon het niet verstaan”). Vervolgens heeft Van Sabben verklaard waarom zij geen proces-verbaal heeft opgemaakt: “Ik heb geen proces-verbaal opgemaakt omdat ik haar alleen maar naar haar moeder heb laten bellen. Wat ze in de ambulance tegen mij heeft gezegd, was al opgeschreven door Richard (het hof begrijpt: P.R. den Boer)”.

Nu het hof van oordeel is dat deze schendingen voldoende zijn gecompenseerd door het in een later stadium alsnog opmaken van het proces-verbaal en het horen van Van Sabben door de rechter-commissaris, zal het hof hieraan geen rechtsgevolg verbinden.

Officier van dienst Van der Horst heeft in deze zaak naar het oordeel van het hof geen noemenswaardige onderzoekshandelingen verricht. Hij is niet op de plaats delict geweest. Het wekt dan ook geen verbazing dat hij geen proces-verbaal heeft opgemaakt. Voorts stelt het hof vast dat het steken van één stok in de sloot ter markering van de plaats waar het meisje is gevonden, de enige ambtshandeling is geweest die locatiecoördinator De Vries heeft verricht. Hoewel De Vries hiervan geen proces-verbaal heeft opgemaakt, zijn van deze markering wel foto’s gemaakt en aan het dossier toegevoegd. Bovendien is hij, evenals Van der Horst en de verbalisanten Den Boer, Van Sabben, Krijnsen en Elseman, gehoord bij de rechter-commissaris. De verdediging heeft hen derhalve kunnen bevragen. Dit maakt dat hun handelingen voor een ieder, de verdachte voorop, controleerbaar zijn.

Het hof is van oordeel dat het bovenstaande maakt dat de geconstateerde schendingen van de verbaliseringsplicht voldoende zijn gecompenseerd en controleerbaar zijn door het alsnog verbaliseren, het toevoegen van foto’s aan het dossier dan wel het horen van de betrokken verbalisanten door de rechter-commissaris.

Het laten plaatsvinden van een FOSLO (meervoudige fotoconfrontatie)

In het kader van het onderzoek is aangeefster gevraagd haar medewerking te verlenen aan een FOSLO, waarbij verdachte op één van de tien fotosets stond afgebeeld. Indien een FOSLO wordt uitgevoerd terwijl de mogelijkheid bestaat dat de getuige (in dit geval aangeefster) de verdachte in een aan het delict gerelateerde situatie heeft gezien terwijl hij niet de dader is, is de kans op een vals-positieve herkenning van de verdachte als dader aanwezig. Echter, het enkele feit dat de kans op een vals-positieve herkenning van de verdachte als dader aanwezig is, brengt naar het oordeel van het hof nog niet met zich mee dat het uitvoeren van een FOSLO in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde is. Voorts leidt het hof uit het dossier af dat de FOSLO volgens de regels is uitgevoerd en ook op die grond niet in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde is. In hoeverre aan deze herkenning enige bewijswaarde kan worden toegekend en of überhaupt sprake is van een vals-positieve herkenning, zijn vragen die het hof bij het beoordelen van het bewijs zal (moeten) beantwoorden.

Het beïnvloeden door de politie van het “beeldgeheugen” van aangeefster

Anders dan de verdediging, acht het hof de verklaring van aangeefster, zoals zij die heeft afgelegd bij de politie bij gelegenheid van het doen van aangifte, en haar bij de rechter-commissaris en tijdens de reconstructie afgelegde verklaringen in de kern met elkaar overeenstemmend. Immers, in haar aangifte heeft zij als volgt verklaard: “Vanaf de rotonde merkte ik dat er een jongeman achter mij liep.” Aangeefster heeft bij de rechter-commissaris verklaard: “Toen ik de rotonde net voorbij was merkte ik dat er iemand achter mij liep.” En tijdens de reconstructie heeft zij verklaard: “Kurz nach dem Kreisverkehr kam der Mann hinter mich.” Het hof vermag in deze verklaringen geen verschil te zien, maar juist een herhaling. Het hof is derhalve van oordeel dat aangeefster in de kern consistent heeft verklaard en dat derhalve geen sprake is van beïnvloeding door het tonen van de beelden. Overigens acht het hof het, met de rechtbank, niet onbegrijpelijk dat de politie aangeefster, nadat zij daadwerkelijk aangifte heeft gedaan (zoals het hof afleidt uit het proces-verbaal van aangifte en het afzonderlijk daarvan opgemaakte proces-verbaal, dossierpagina 37), in het belang van het onderzoek de camerabeelden van de rotonde heeft getoond.

Voorts heeft het hof op de beelden van de reconstructie waargenomen dat aangeefster niet is gevraagd om stil te houden op de Hogezoom achter Café Helder. Haar is enkel op dat moment gevraagd of zij haar paraplu wilde pakken. Naar het oordeel van het hof kan ook op dit punt niet worden gesproken van vormverzuimen die bestaan uit ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Aanwijzing zedendelicten

Het hof heeft in het dossier onvoldoende aanknopingspunten aangetroffen voor de omstandigheid dat sprake zou zijn van een zedendelict op het moment van aantreffen van het slachtoffer in de sloot dan wel op het moment dat zij aangifte deed. Volgens het proces-verbaal doet [slachtoffer] ook enkel aangifte ter zake poging doodslag/moord (dossierpagina 21 e.v.). De enkele omstandigheid dat aangeefster in die aangifte verklaart dat de jongen met zijn rechterhand haar rug streelde en toen haar nek, waarbij zij de hand van de jongen wegduwde, en hij haar op de mond probeerde te kussen, wat niet lukte omdat zij hem wegduwde, is – mede in het licht van haar overige verklaring – van zeer ondergeschikte betekenis en maakt haar aangifte niet (mede) andersoortig. Het hof is dan ook van oordeel dat niet gesproken kan worden van een aangifte ter zake een zedenmisdrijf waarop de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik van toepassing zou zijn.

Voor zover de verdediging nog heeft willen aanvoeren dat ook het verhoor van [verdachte]auditief had moeten worden opgenomen, nu hij op 26 augustus 2010 als getuige is gehoord, oordeelt het hof overeenkomstig. Ook in dit geval bestonden er geen aanwijzingen dat [verdachte]werd gehoord als getuige in een zedenzaak. Auditieve opname van de verhoren van aangeefster en van [verdachte]was derhalve niet vereist.

Conclusie

Zoals hierboven is overwogen komt niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Dat betreft de gevallen dat het verzuim of de schending daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak te kort is gedaan.

Het hof heeft hierboven onder B. geoordeeld dat (mogelijk) sprake is van enig vormverzuim die bestaat uit een inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, maar dat het hof in ieder geval niet is gebleken dat de belangen van verdachte doelbewust of met grove veronachtzaming zijn geschaad door het onderzoek. In zoverre acht het hof het openbaar ministerie dan ook ontvankelijk in de vervolging.

Onder C. is het hof gekomen tot de conclusie dat sprake is van een vormverzuim, zij het dat sprake is geweest van voldoende compensatie. Aangezien het hof aan die conclusie geen rechtsgevolgen verbindt, is ook in zoverre het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Samengevat is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van[verdachte] Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, leidt naar het oordeel van het hof – afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien – niet tot een ander oordeel.

Vrijspraak

Feit 1.A.1 primair

Naar het oordeel van het hof heeft de steller van de tenlastelegging – gelet op de wijze waarop dit is verwoord – onder feit 1.A.1 primair alleen poging tot moord op het slachtoffer aan verdachte willen ten laste leggen en niet impliciet subsidiair tevens poging tot doodslag.

Daarnaast heeft de steller van de tenlastelegging, naar het oordeel van het hof,

gelet op de wijze waarop dit is verwoord onder 1.B aan verdachte het totale feitelijke gebeuren als voorvloeiend uit één wilsbesluit ten laste willen leggen, zoals de advocaat-generaal ter terechtzitting van het hof heeft toegelicht.

Nu het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat verdachte het onder 1.A.1 primair tenlastegelegde, te weten poging tot moord (door verwurging), heeft begaan, behoort verdachte daarvan te worden vrijgesproken. Immers, het hof heeft op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet buiten redelijke twijfel kunnen vaststellen dat de verdachte na kalm beraad en rustig overleg heeft gehandeld waar het het verwurgen van het slachtoffer betreft. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof weliswaar af dat de verdachte na het trekken en duwen, waardoor het slachtoffer op de grond is terechtgekomen, op haar is gaan zitten en wurghandelingen heeft uitgevoerd, maar dat sluit naar het oordeel van het hof niet uit dat sprake geweest kan zijn van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling aan de kant van de verdachte. Het hof zal de verdachte vrijspreken van poging tot moord.

Feit 1.A.2

Naar het oordeel van het hof kan op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte het slachtoffer, na haar te hebben verwurgd, in de aan de overzijde van de straat gelegen sloot heeft gebracht met het oogmerk om haar (al dan niet na kalm beraad en rustig overleg) te doden en niet om betrapping op heterdaad te voorkomen dan wel haar uit het zicht te laten verdwijnen van mogelijke (toekomstige) passanten op de weg. Het hof betrekt hierbij in het bijzonder de volgende omstandigheden. In de eerste plaats heeft het slachtoffer verklaard dat toen de jongen haar begon te wurgen zij nog heeft geschreeuwd. Voor een dader vergroot dat de kans op betrapping op heterdaad. In de tweede plaats is het slachtoffer weliswaar in de sloot gebracht, maar heeft het hof niet kunnen vaststellen wat zich in die sloot heeft voorgedaan en of daarbij handelingen door verdachte zijn verricht die al dan niet in voorwaardelijke zin opzet op de dood van het slachtoffer inhielden. Tenslotte is verdachte degene geweest die – toen de politie terug kwam rijden uit de richting van Burgh-Haamstede – voor de politieauto is gesprongen en de politie heeft geattendeerd op het nog steeds levende, maar bewusteloze slachtoffer dat zich in de sloot bevond, waarna zij gered is kunnen worden.

Toen de politiebeambten Verheul en Blessing haar aantroffen lag zij weliswaar op zodanige wijze in de sloot dat enkel haar mond en neus nog boven het water uitkwamen (volgens de verklaring van Verheul bij de rechter-commissaris dreef zij als het ware aan de oppervlakte) maar daarmee staat naar het oordeel van het hof tevens vast dat zuurstof haar nog kon bereiken en kan daarin geen bewijs worden gevonden voor het voor een veroordeling vereiste opzet.

Hieraan doet niet af dat door Verheul en Blessing op dossierpagina 50 is gerelateerd dat er, toen zij uit de sloot was gehaald, water uit de mond van het slachtoffer droop. Verheul heeft in dat verband bij de rechter-commissaris tevens verklaard dat er drab uit haar neus en mond kwam (naar het hof mede in het licht van dossierpagina 50 begrijpt: toen zij uit de sloot was gehaald). Het hof kan immers niet uitsluiten dat dit is veroorzaakt door de handelingen die zijn verricht bij het uit de sloot halen van het slachtoffer, nu volgens diezelfde verbalisant Verheul het slachtoffer bij het uit de sloot halen ook wel is teruggegleden in de sloot, zoals hij heeft verklaard bij de rechter-commissaris.

Ook Blessing heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat het erg moeilijk was om het meisje uit de sloot te krijgen. In de eerste plaats was ze bewusteloos en gaf zij niet mee. Verder was zij erg zwaar omdat zij doorweekt was, aldus Blessing.

Met betrekking tot het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde en met inachtneming van hetgeen hiervoor reeds is overwogen, overweegt het hof dat op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat verdachte door het genoemde handelen heeft gepoogd aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel dat zij pijn en/of letsel heeft bekomen als voor mishandeling vereist. Voor de poging zware mishandeling heeft het hof niet kunnen vaststellen dat het opzet van verdachte daarop was gericht.

Het hof merkt in dit verband nog op dat benadeling van de gezondheid (waaronder begrepen onderkoeling), zoals strafbaar gesteld in het vierde lid van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht, niet aan verdachte is ten laste gelegd noch anderszins is verfeitelijkt in de tenlastelegging.

Nu het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat verdachte het onder 1.A.2 tenlastegelegde (in alle ten laste gelegde varianten) heeft begaan, behoort verdachte daarvan integraal te worden vrijgesproken.

Feit 1.B

Ten overvloede zij opgemerkt dat het hof, anders dan de advocaat-generaal, het verwurgen van het slachtoffer (1.A.1) en het vervolgens verslepen naar en het leggen van het bewusteloze lichaam in de sloot (1.A.2) niet als één wilsbesluit van verdachte ziet. Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat sprake zou zijn van één wilsbesluit niet onomstotelijk uit de feitelijke gang van zaken en uit de afgelegde verklaringen volgt. Het hof komt derhalve niet tot een bewezenverklaring van het alternatief onder 1.B ten laste gelegde en zal de verdachte daar van vrijspreken.

Feit 2 (primair en subsidiair)

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan integraal behoort te worden vrijgesproken.

De reden dat het hof – anders dan de advocaat-generaal – niet komt tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde is gelegen in hetgeen feitelijk aan verdachte is ten laste gelegd, zulks in relatie tot hetgeen het slachtoffer daarover heeft verklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1.A.1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 augustus 2010, te Renesse, in de gemeente Schouwen-Duiveland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet[slachtoffer] aan het lichaam heeft getrokken en tegen het lichaam heeft geduwd en op de grond heeft gegooid (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam) en (vervolgens) bovenop (de benen van) die [slachtoffer] heeft gezeten en met beide handen de keel/hals van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en (vervolgens) de keel/hals van die [slachtoffer] (met kracht) heeft dichtgedrukt (waardoor die [slachtoffer] het bewustzijn verloor) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof grondt dat oordeel op onderstaande bewijsmiddelen en (bewijs)overwegingen, in onderling verband en samenhang bezien.

Bewijsmiddelen1

1. Het proces-verbaal van aangifte, doorgenummerde dossierpagina’s 21-26, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer], geboren in Duitsland en wonende in Duitsland:

Zij deed aangifte ter zake poging tot doodslag/moord en verklaarde het volgende:

Het feit werd gepleegd tussen 26 augustus 2010 te 03.00 uur en 26 augustus 2010 te 03.40 uur op (het hof begrijpt: ter hoogte van) Hogezoom 112 te Renesse, binnen de gemeente Schouwen-Duiveland.

Ik ben hier op vakantie. Ik verblijf op camping de Wijde Blick.

Donderdag 26 augustus omstreeks 00.30 uur ben ik naar het centrum van Renesse gegaan. Ik heb voor sluitingstijd nog op de hoek bij de Trinity gestaan. Dit was rond 02.45 uur. Toen ik op de hoek stond werd ik gebeld door mijn vriendin. Zij zei dat zij allemaal (het hof begrijpt: de vrienden van aangeefster) op mij zouden wachten. Ik zei dat ik eraan kwam. Ik dacht dat ik nog wel drie tot vijf minuten kon wachten omdat mijn vrienden niet zo snel zijn. Ik liep richting de Pinky’ en daar heb ik [vriend 1] en [vriend 2] ontmoet. Wij hebben hier vijf minuten gewacht. [vriend 1] en [vriend 2] wilden blijven, maar ik was moe en ik wilde naar bed. Ik ben toen alleen naar de camping gelopen.

Het is ongeveer een kilometer lopen. Ik doe hier zo’n tien tot twaalf minuten over.

Ik ben alleen gaan lopen. Ik heb een tankstation gepasseerd. Daar stonden vijf jongens. Deze jongens hebben niets gedaan. Ik stak de rotonde over richting de camping. Dit is alsmaar rechtdoor lopen. Vanaf de rotonde merkte ik dat er een jongeman achter mij liep. Deze jongeman liep eerst vier meter achter mij en hij kwam steeds dichterbij.

Hij was jonger dan dertig. De jongen kwam toen aangerend en hij pakte mij van achter vast. Ik was vanaf de rotonde al zo’n drie minuten aan het lopen.

Hij pakte mij van achter met beide handen. Hij probeerde mij naar voren te duwen en hij pakte mij bij mijn gezicht en hals. Ik heb (…) geschreeuwd en ik heb geroepen dat hij mij los moest laten. In het begin hield hij vast, maar toen liet hij los. De enige omstanders die ik heb gezien waren de vijf jongens bij het tankstation. Ik kon hen wel zien.

Toen de jongen los liet heb ik met de jongen Engels gesproken. Ik vroeg hem wat hij van mij wilde en waarom hij dit deed. Hij zei dat hij dit deed vanwege de jongens die bij het tankstation stonden. Deze jongens wilden mij wat aan doen zei hij. Ik zei tegen hem dat hij dit ook gewoon kon zeggen. De jongen is verder met mij mee gelopen. We hebben nog een tijdje Engels gesproken en ik kwam er halverwege achter dat de jongen Duits was. De jongen begon plotseling Duits te spreken. Ik denk niet dat de jongen dronken was.

Ik was wat terughoudend tegen de jongen. Hij vroeg hoe ik heette maar ik heb mijn echte naam niet genoemd maar een andere. De jongen zei dat hij David heette. Hij zei dat hij 22 jaar was en dat hij in Keulen woont. Hij vertelde dat hij studeerde. Hij vertelde dat hij op de camping stond, iets met “Hoeve”. Hij vertelde dat hij hier met vrienden is en nog maar net was aangekomen.

Wij liepen aan de rechterkant van de weg komende vanaf Renesse centrum gaande richting de camping.

Ik had geen goed gevoel bij de jongen. Vlak voor we bij de camping waren kwam hij dichter bij me. (…)

Ik zei dat ik bij de camping was aangekomen en toen trok de jongen mij naar de andere kant van de straat, dit was de linkerkant. Ik duwde de jongen weg, de jongen pakte mij toen aan mijn linkerarm en duwde mij de bosjes in. Dit was vlak voor de camping de Wijde Blick, ongeveer drie a vier meter voor de elektriciteitskast. Ik kon de ingang van de camping zien en de elektriciteitskast.

Ik lag op mijn rug. De jongen ging op mijn been zitten. De jongen begon mij te wurgen. Hij pakte mij met beide handen rond mijn keel vast. Ik voelde dat de jongen met beide handen kracht zette door mijn keel dicht te drukken met zijn handen. Ik heb nog geschreeuwd en gezegd dat hij mij los moest laten. Ik zei dat hij mocht hebben wat hij wilde als hij mij maar los liet. De jongen heeft niets gezegd.

Ik was doodsbang. Ik probeerde mij te verdedigen met mijn handen. Met mijn voeten lukte dit niet omdat hij op mijn benen zat. Ik heb geprobeerd te spugen en in zijn gezicht te slaan. Ik had een hand tussen zijn handen vanaf het moment dat hij mij bij mijn keel pakte. Zodat ik nog wat lucht kreeg. Ik heb ook nog geprobeerd om tegen zijn onderlichaam te slaan, volgens mij is dit niet gelukt want ik had geen kracht meer.

Ik kreeg weinig lucht. Ik heb geprobeerd om mij te verzetten. Het ging allemaal heel snel, ik had steeds minder lucht. Vanaf dit moment weet ik niets meer. Ik ben bewusteloos geraakt.

Ik omschrijf de jongen als volgt:

  • -

    blanke jongen

  • -

    jonger dan 30 jaar

  • -

    bruin haar

  • -

    dik effen kleurig haar, normale lengte

  • -

    hij droeg een jeans

  • -

    hij had een wit T-shirt aan

  • -

    hij had een dikke bruine pulloverjas aan met een rits geen capuchon

  • -

    de jas was een stukje open waardoor je zijn T-shirt zag

  • -

    bruine borstelige wenkbrauwen

De jongen had een paraplu bij zich. Dit was volgens mij een donker groen of grijze paraplu. (opmerking verbalisant: u toont mij een paraplu, qua grootte en kleur zou het kunnen dat dit de paraplu van de dader is.)

Ik omschrijf mijn kleding als volgt:

  • -

    zwarte ballerina’s

  • -

    zwarte legging

  • -

    roze jurkje

  • -

    dun zwart vestje, gebreid

  • -

    een omhang tasje

Dit tasje had ik schuin om mijn lichaam. Ik had een zwarte paraplu met bloemen bij. Zo een die je in kan klappen. Deze paraplu had ik eerst open maar heb deze later dicht gedaan. Toen ik vanaf het centrum van Renesse liep had ik mijn paraplu open, halverwege de straat heb ik mijn paraplu dicht gedaan.

Als ik de jongen die mij geprobeerd heeft te wurgen zou zien dan zou ik hem herkennen.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Het proces-verbaal van verhoor getuige door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken, in de rechtbank Middelburg, d.d. 4 september 2010, ARC-nummer: 10/1166, parketnummer: 12/715413-10, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van de getuige[slachtoffer]:

U zegt tegen mij dat u wilt praten over de avond van 25 op 26 augustus 2010.

Kort na 03.00 uur ben ik gaan lopen in de richting van de camping. Onderweg trof ik [vriend 1] en [vriend 2] voor een disco aan. Die disco heet Pinky’s. Ik heb 5 minuten met hen gepraat. Zij wilden graag nog blijven maar ik wilde naar huis want ik was moe. Ik ben gewoon gaan lopen. Ik heb niet gerend. Ik heb normaal gelopen, al moet ik er bij vertellen dat ik altijd snel loop.

Pinky’s ligt vlakbij een rotonde. Vlakbij de rotonde is een benzinestation. Daar waren 5 jongens. Een van die 5 jongens liep even een stukje voor me en ging toen rechtsaf. Toen ik de rotonde net voorbij was merkte ik dat er iemand achter mij liep. Op dat moment heb ik mij omgedraaid. Ik heb toen gezien dat die man een paraplu bij zich had en een donkere jas/trui met rits aan had. Het was een jas van 1 kleur, ik denk donkerbruin, maar dat kon ik niet goed zien. Er zaten geen emblemen of merktekens op die jas/trui.

Verder kan ik de man als volgt omschrijven. Het was een man van midden 20 jaar, volgens mij was hij nog geen 30 jaar oud. Hij droeg een normale jeans. Hij had donkerbruin kort haar. Het was normaal, stijl haar. Ik ben ongeveer 1.70 m. lang. Ik denk dat de man die achter mij liep ongeveer een kop groter is dan ik. Ik heb hem in zijn gezicht gekeken.

De man die daar achter mij liep droeg geen bril, had geen snor, geen baard en had geen bakkebaarden. Hij had wel dikke borstelige wenkbrauwen. De wenkbrauwen waren duidelijk aanwezig. Ze waren donkerbruin.

U vraagt mij wat de man onder de donkere jas/trui droeg. Ik denk een wit T-shirt. Ik dacht dat de jas niet tot boven toe dicht was zodat je nog een stukje van het T-shirt kon zien.

Ik ga verder bij het moment waarop ik ineens, net na de rotonde, iemand achter mij hoor. Toen heb ik omgekeken. Kort daarna, pakte hij mij van achteren vast bij mijn kaakbeen. Links en rechts. Het is daar waar de botten zijn. Ik schrok er van en ik schreeuwde. Ik zei dat hij moest loslaten. Dat deed hij ook.

Ik ben doorgelopen en hij is naast me komen lopen op een normale afstand zoals mensen die elkaar kennen naast elkaar lopen. We spraken eerst Engels met elkaar. Hij vroeg me naar mijn naam en mijn leeftijd. Ik heb niet mijn echte naam genoemd maar ik zei dat ik Aminna heette. Hij zei in het Engels dat hij David heette en dat hij 22 jaar was en uit Keulen kwam. Hij zei ook dat hij studeerde maar hij heeft niet gezegd wat hij studeerde. Daarna zijn we ook Duits gaan praten.

Ik heb niet gemerkt of de man iets gedronken had. Ik heb hem gevraagd op welke camping hij zat. Hij bleek op een andere camping te staan. Iets met Hoeve of zo. Hij kwam dichter bij mij en streelde mijn rug en nek op een beetje vrijerige manier. Ik liep op dat moment rechts en hij links. Zo hebben we het hele stuk gelopen. Tijdens het praten heb ik hem geregeld aangekeken. Toen hij toenadering zocht ben ik opzij gestapt. Een paar meter verder is hij voor me gaan staan. Ik had net daarvoor gezegd dat ik bijna bij mijn camping was. Toen probeerde hij mij te kussen. Ik wilde hem wegduwen. Meteen daarna heeft hij mij bij mijn arm gepakt. Hij trok me toen van de rechterkant naar de linkerkant van de weg. Daar waren bomen, bosjes en gras. Hij gooide me op de grond. Het was eigenlijk meer zo dat hij me op de grond duwde. Het resultaat was dat ik op mijn rug lag en dat hij er naast stond en met een van zijn benen links en het andere been rechts over mijn rechterbeen gehurkt zat. Hij hield 1 hand op mijn keel. Eerst niet zo stevig. Vervolgens heeft hij mij stevig in mijn hals gedrukt. Volgens mij al met twee handen. Toen heeft hij mij gewurgd. Ik probeerde me te verdedigen door hem te bespugen. Ik wilde hem in zijn gezicht slaan en in zijn onderlichaam maar dat lukte niet omdat ik te weinig kracht had. Ik probeerde ook met mijn hand zijn hand rond mijn keel weg te duwen. Ook dat lukte niet. Ik weet niet hoe lang hij mij bij mijn hals heeft vastgepakt. Het zal een halve minuut hebben geduurd maar het was wel met veel kracht. Ik ben vervolgens flauw gevallen.

Er is een politievrouw in de ambulance geweest en zij heeft een paar vragen gesteld. Ik kon op dat moment niet veel zeggen.

U wilt mij wat vragen stellen over de fotoconfrontatie. De man op de foto die ik heb aangewezen was de man die achter mij aangelopen is. Dat weet ik heel zeker.

3. Het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina 36 van het proces-verbaal ten behoeve van het hoger beroep, AH 81, proces-verbaalnummer: PL1933 2010071751-115, opgemaakt op 4 juni 2013, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevinding van verbalisant A.J. Versluis, brigadier:

Door mij is een onderzoek ingesteld naar de lengte van genoemde [verdachte].

De lengte van [verdachte] is 1.92 meter.

Bron: HKS registratienummer 13/59873

4. Het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina’s 355-356, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van verbalisant R.J. Koehorst:

Op 29 augustus 2010 confronteerde ik als getuigenbegeleider de benadeelde [slachtoffer] met een fotoselectie van 10 personen. Ik overhandigde aan benadeelde een informatiebrief met betrekking tot de fotobewijsconfrontatie in de Duitse taal, welke zij doornam.

Ik toonde aan de benadeelde de foto’s van de personen middels een opgesteld fotomapje. De foto’s waren doorlopend genummerd van 1 tot en met 10.

Ik zag dat de benadeelde emotioneel werd kort voordat we met de fotoconfrontatie begonnen. Ik zag, toen ik de foto’s één voor één toonde, zij meerdere malen nee schudde met haar hoofd. Ik hoorde haar ook steeds “nee” zeggen.

Ik zag toen ik de foto met nummer 7 toonde dat benadeelde direct bij het zien van deze foto een beetje in elkaar kroop. Ik zag dat zij emotioneel werd en heviger begon te huilen. Ik zag duidelijk aan haar houding dat zij angst kreeg bij het zien van deze foto. Ik, verbalisant, liet vervolgens de overige foto’s zien waarop ik haar steeds “nee” hoorde zeggen.


Direct nadat ik alle foto’s had getoond hoorde ik haar zeggen: “Ik herken foto nummer 7”. Ik vroeg aan haar waaraan ze deze man herkende, waarop ik haar hoorde zeggen: “Ik herken deze man aan zijn gezicht, ik ben goed in het herkennen van gezichten”. Ik vroeg aan benadeelde of zij in de selectie personen had gezien die zij eventueel van een andere situatie kende. Ik hoorde haar zeggen dat dit niet zo was.

Na afloop van de confrontatie deelde de confrontatieleider mij mede dat in de getoonde selectie de foto van de verdachte op plaats 7 stond.

5. Het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina’s 357, met bijlagen op dossierpagina’s 358-359, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring/bevindingen van verbalisant R.J. Koehorst:

Dit proces-verbaal betreft een aanvulling op het eerder opgemaakt proces-verbaal onder nummer 2010071751-32 (opmerking hof: bewijsmiddel 3).

Op 29 augustus 2010 om 10.30 uur vond er een fotobewijsconfrontatie plaats in het politiebureau te Heerlen. De fotobewijsconfrontatie vond plaats met aangever/benadeelde: [slachtoffer]. In eerder genoemd proces-verbaal staat weergegeven dat door mij een informatiebrief is uitgereikt in de Duitse taal met betrekking tot deze fotoconfrontatie. In deze brief staat onder andere letterlijk weergegeven:

“U bent getuige of slachtoffer geweest van een misdrijf en u heeft verteld dat u iemand heeft gezien die (mogelijk) bij dat misdrijf betrokken was. De politie heeft een onderzoek ingesteld en er is een persoon gevonden die dit misdrijf gepleegd zou kunnen hebben. Dit is echter niet zeker. Van deze persoon is een foto gemaakt.”

Gezien wat er in de informatiebrief staat heeft benadeelde de persoon aangewezen als degene die bij het misdrijf betrokken is geweest.

6. Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van forensisch geneeskundige J. Vrencken van GGD Zeeland d.d. 1 november 2010 met als onderwerp letselbeschrijving, doorgenummerde dossierpagina’s 31-33, met bijlage op dossierpagina 33, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Op 26 augustus 2010 was [slachtoffer], betrokken bij een gewelddadig incident.

Op basis van de schriftelijke informatie-inwinning bij de (behandelend) geneeskundige(n), (kinderarts Sulkers van het ADR Ziekenhuis), kan ik u het volgende melden.

Het (b)leek te gaan om een kortdurende bewusteloosheid na bij de keel gepakt te zijn en daarna in het ondiepe water beland te zijn.

Bij lichamelijk onderzoek wordt een alert reagerende, maar onderkoelde jonge dame gezien, met enkele rode striemen in haar halsgebied. (…)

Conclusie: onderkoeling en rode striemen in de nek.

Bijlage: Beschrijving letsel (opgemaakt door M. Weststrate, arts, te Renesse op 26-8-2010)

Datum/tijdstip incident: 26-8-’10, ± 03.30 uur

Gegevens betrokkene:

Naam en voornamen: [slachtoffer]

Geboortedatum: 11-11-1993

Informatie betrokkene: bij de hals gegrepen

Omschrijving letsel:

  • -

    nek: rode streepvormige verkleuringen

  • -

    hals: rode vlekkerige verkleuringen

  • -

    borst: rode streepvormige verkleuring

7. Het proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming, doorgenummerde dossierpagina’s 416-417, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van verbalisant M.H. Kempe:

Inbeslagneming:

Plaats: Renesse in de gemeente Schouwen-Duiveland

Datum: 27 augustus 2010

Reden: zwarte wollen trui lag in de auto waarmee verdachte reed

Verdachte:

Achternaam: [verdachte]

Voornamen: [verdachte]

Beslag:

Onder de verdachte

Object: kleding (Jas)

Bijzonderheden: zwarte wollen trui lag in de auto (…).

8. Het proces-verbaal sporenonderzoek, doorgenummerde dossierpagina’s 101-104, met als fotobijlagen: “Fotomap: Letsel slachtoffer” op dossierpagina’s 105-109 en “Fotomap: Kleding verdachte” op dossierpagina’s 127-138, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring/bevindingen van verbalisant M.A.G. Boonman:

Letselonderzoek slachtoffer:

Het onderzoek vond plaats op 26 augustus 2010 omstreeks 14.45 uur. Het slachtoffer[slachtoffer], was op het politiebureau om aangifte te doen.

Het onderzoek bestond uit een letselonderzoek. Het onderzoek werd in mijn aanwezigheid uitgevoerd door forensisch arts van de GGD Zeeland, dr. M. Weststrate.

Wij zagen dat het slachtoffer rode striemen op/rond haar nek had. De aangetroffen letsels op en rond de nek van het slachtoffer kunnen passen bij het met 2 handen bij de keel worden gepakt. Door met je handen beide slagaders in iemands nek dicht te blijven drukken kan een persoon na 5 à 10 seconde het bewustzijn verliezen.

Ik heb de aangetroffen letsels fotografisch vastgelegd.

Kleding verdachte:

Forensisch onderzoekster E.J. Hoitinga heeft op 28 augustus 2010 de kleding van de verdachte gefotografeerd. Deze kleding was door de tactische recherche te Goes afgegeven. De kleding van de verdachte bestond uit een vest (…). Deze was bij een zoeking bij de verdachte in beslag genomen. Op 29 augustus 2010 werden de schoenen van de verdachte door de tactische recherche te Goes afgegeven. Forensisch onderzoekster M. van Kempen heeft de schoenen van de verdachte gefotografeerd.

Bijlagen:

Fotomap: Letsel slachtoffer

Foto 1, met als onderschrift:

Foto 1: Foto van het slachtoffer vanaf de voorzijde, met in de hals zichtbaar letsel.

Foto 2, met als onderschrift:

Foto 2: Foto van het slachtoffer vanaf de rechterzijde, met in de hals zichtbaar letsel.

Foto 3, met als onderschrift:

Foto 3: Foto van het slachtoffer vanaf de linkerzijde, met in de hals zichtbaar letsel.

Foto 4, met als onderschrift:

Foto 4: Foto van het slachtoffer vanaf de achterzijde, met in de nek zichtbaar letsel.

Foto 6, met als onderschrift:

Foto 6: Foto van de voorzijde van de hals met aangegeven de letsels passend bij het met de duimen bij de keel grijpen (gele pijlen) en/of dragen van een tas (zwarte pijl)

Foto 7, met als onderschrift:

Foto 7: Foto van de rechterzijde met aangegeven de zichtbare vingersporen.

Foto 8, met als onderschrift:

Foto 8: Foto van de achterzijde van de nek, met aangegeven de vingersporen.

Fotomap: Kleding verdachte

Foto 1, met als onderschrift:

Foto 1: Foto van het vest van de verdachte, gefotografeerd op een paspop.

Foto 2, met als onderschrift:

Foto 2: Foto van de rechterzijde van het vest.

Foto 3, met als onderschrift:

Foto 3: Foto van de linkerzijde van het vest.

Foto 4, met als onderschrift:

Foto 4: Foto van de achterzijde van het vest.

Foto 14, met als onderschrift:

Foto 14: Foto van de paraplu (ingeklapt).

Foto 15, met als onderschrift:

Foto 15: Foto van de paraplu (opengeklapt).

Foto 16, met als onderschrift:

Foto 16: Zijaanzicht van de schoenen die de verdachte zou hebben gedragen.

9. Het proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde dossierpagina’s 419-421, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van

[verdachte]:

Op 25 augustus 2010, omstreeks 18.30 uur, zijn mijn vriend [getuige 1] en ik aangekomen op camping Julianahoeve in Renesse. Omstreeks 22.00 uur zijn wij naar het centrum van Renesse gelopen. We zijn daar, vanaf de rotonde gezien, bij het eerste café naar binnen gegaan, cafë De Zoom aan de Hogezoom te Renesse. Op een gegeven moment zijn [getuige 1] en ik elkaar kwijt geraakt. Hij belde mij op 26 augustus 2010 om 02:41 uur. Hij vroeg waar ik was en ik hoorde dat hij mij vertelde dat hij op de camping was. Hij vroeg mij of ik ook naar de camping wilde komen. Ik heb toen afscheid genomen van het meisje in wier gezelschap ik was (het hof begrijpt: [getuige 2]). Ik ben toen naar de overkant van de straat gelopen en heb daar kip gekocht. Op dat moment was het 03.00 uur, want de club sloot. Ik ben vervolgens in de richting van de camping gelopen. Ik hoorde iets voorbij de rotonde gegil van jongens en een meisje. Normaal gesproken had ik hier rechts moeten gaan in de richting van de camping waarop ik verblijf.

Ik ben rechtdoor gerend. Ik heb ongeveer 400 à 500 meter gelopen. (…) Ik ben in de sloot gaan kijken. Ik heb het meisje alleen gelaten, omdat ik lichten aan zag komen. Ik zag dat er een busje aan kwam rijden met lichten op het dak brandend. De agenten hielpen mij om het meisje op de kant te leggen.

U vertelt mij dat er twee paraplu’s zijn aangetroffen op de plaats waar het meisje in de sloot lag, een grote en een kleinere. Dat zou goed kunnen, ik had een grote paraplu bij me. Deze paraplu is van [getuige 1].

10. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, d.d. 12 mei 2011 en 13 mei 2011, doorgenummerde pagina’s 1-49, met bijlagen, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte]:

(pagina 6)

Ik schat dat [getuige 1] en ik rond 22.00 uur – 23.00 uur naar het centrum van Renesse zijn gegaan. Een buurman op de camping had ons gezegd hoe we moesten lopen.

We liepen met z’n tweeën onder één paraplu. Het was een grote paraplu.

(pagina 7)

Het klopt dat ik met een Nederlands meisje, [getuige 2], contact heb gehad en naar buiten ben gegaan. Daarna heb ik nog contact gehad met [getuige 1].

We hebben de paraplu ergens neergezet, volgens mij tegen een muur of zo. Volgens mij was dat bij het café.

(pagina 8)

Ik had een donkere jas aan. Deze was grijs/zwart gestreept. Dit waren smalle strepen. Ik geloof ook dat ik toen een wit shirt aan had. Ik weet niet of ik toen een

T-shirt droeg met of zonder opdruk. Ik heb witte shirts met opdruk.

Rond 03.00 uur heb ik een broodje kip gekocht bij een loempiatent aan de overkant van de straat en ik heb de paraplu gepakt.

(pagina 18)

Ik kan net als de ambulanceverpleegkundige niet zeggen wat zij (het hof begrijpt: [slachtoffer]) kon waarnemen.

Toen ze werd opgetild om haar naar de ambulance te brengen hebben ze mijn jas – die ik over haar had gelegd – op de grond gegooid. Ik heb die opgeraapt en meegenomen.

(pagina 19)

Ik had die nacht een bruin vest aan met horizontale strepen. Dat is volgens mij in beslag genomen. Ik heb de trui uitgedaan nadat [slachtoffer] uit de sloot was gehaald. Deze heb ik over haar heen gelegd.

11. Het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina 37, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring en bevindingen van verbalisant J.M.A. Huissoon:

Op 26 augustus 2010 omstreeks 16:00 uur toonde ik, verbalisant Huissoon, aan de aangeefster genaamd [slachtoffer], camerabeelden welke zijn opgenomen door de openbare orde camera’s welke in Renesse hangen.

Ik toonde haar op camera PR1 Rotonde een beeld vanaf tijdstip 03:19:40 waarop een meisje te zien is met een roze jurkje aan welke loopt op de Hogezoom te Renesse, komende vanaf Renesse centrum, gaande in de richting van de rotonde. Ik hoorde dat de aangeefster [slachtoffer] verklaarde dat zij zichzelf herkent op deze camerabeelden.

12. Het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina’s 47-49, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van de verbalisanten R.F.M. Blessing en J.H. Verheul:

Op 26 augustus 2010, omstreeks 03.30 uur à 03.40 uur, bevonden wij ons in het centrum van Renesse. Wij stonden geparkeerd op de Hogezoom. Ter plaatse werden wij aangesproken door twee meisjes op de fiets. Ze leken geschrokken (…) en vertelden dat zij onderweg waren geweest naar Burgh-Haamstede. Ze waren gereden over de Hogezoom en bij de rotonde bij Cafe Helder alsmaar rechtdoor (opm. verbalisanten: dit betreft de Hogezoom welke van het centrum van Renesse loopt tot aan Burgh-Haamstede). De twee meisjes vertelden dat ze toen ze al een stuk verderop op de Hogezoom reden plotseling iets voor zich op de weg zagen. Het was net alsof er een man met een lichaam tussen zijn benen over de weg liep. Ze vertelden dat het leek alsof er een man gebukt met een lichaam over de weg sleepte. De meisjes waren geschrokken, gestopt en teruggefietst naar Renesse om dit aan de politie door te geven.

We zijn met het dienstvoertuig achter deze twee meisjes aangereden. Wij zijn over de Hogezoom gereden en gestopt met de kruising met de Kooymansweg. Hier vroegen wij waar ze iets hadden gezien. Volgens de meisjes was het nog een stuk verder. Opnieuw zijn we op fietstempo met de meisjes doorgereden. Ongeveer 100 a 150 meter voor de ingang naar Camping De Wijde Blick. De meisjes vertelden dat het ongeveer op dit stuk geweest was. Tot op dat moment hebben wij niets gezien of gehoord. Ook door de meisjes is niets gezien of gehoord. Ook zijn wij niemand tegengekomen. Vervolgens zijn we opnieuw in fietstempo verder gereden over de Hogezoom tot aan de kruising met de Paulijntjesweg. Ook op dat stuk is door ons of de meisjes niets gezien of gehoord. Vervolgens zijn wij, verbalisanten, hetzelfde stuk opnieuw teruggereden in rustig tempo (het hof begrijpt: over de Hogezoom komende uit de richting van Burgh-Haamstede en gaande in de richting van het centrum van Renesse).

Ongeveer 50 a 100 meter voorbij de ingang van Camping De Wijde Blick zagen wij dat er ineens een man links vanuit de berm kwam en voor de auto sprong. Wij hoorden dat het een Duitse man betrof. Wij zagen hem met de vuisten op de voorruit en rechterzijruit stampen. Wij, verbalisanten, zijn direct uit ons voertuig gesprongen. Wij hoorden de man in het Duits schreeuwen en hij wees naar de sloot. Wij zagen dat de man naar de slootkant rende aan de linkerkant van de weg. Hij riep dat er iemand in de sloot lag.

13. Het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina’s 50-52, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van de verbalisanten R.F.M. Blessing en J.H. Verheul:

Nadat de man ons had staande gehouden en wij uit de auto waren gestapt zagen wij dat de man naar de links van de weg gelegen sloot liep. Naast het platgetrapte gedeelte van de beplanting tussen de weg en het slootje, zagen wij dat er een jonge vrouw op haar rug in het slootje lag. Zij lag met de voeten in de richting Burg-Haamstede, met haar hoofd in de richting van Renesse. Wij zagen dat van die vrouw alleen de neus en mond nog boven water uit kwamen.

Wij zagen dat de man zijn vest c.q. jas over het bovenlichaam van de vrouw legde. Dit was een soort zwart of donkergrijs wolachtig vest of jasje.

Wij, verbalisanten, troffen later in de rechterberm ter hoogte van de auto twee paraplu’s aan. Wij zagen dat deze donkergrijsachtig van kleur waren. Wij zagen dat beide paraplu’s ingeklapt waren. Wij zagen dat het een normaal model paraplu was en een opvouwbare paraplu betroffen. Wij zagen dat de paraplu’s bijna naast elkaar lagen op ongeveer een meter van de weg.

14. Het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina’s 53-54, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van de verbalisanten R.F.M. Blessing en J.H. Verheul:

De man welke ons, verbalisanten, waarschuwde dat er iemand in de sloot lag kunnen wij als volgt omschrijven.

Het betrof een blanke man van ongeveer 25 jaar oud. De man droeg een donkergrijs tot zwart vest of jasje. Dit was een soort wolachtig materiaal. Onder dit vest droeg de man een licht c.q. wit T-shirt met aan de voorzijde donkergekleurde/zwarte tekst. De man had zwarte schoenen aan met een witte/lichte rand. Ook zat er iets wit/lichts van kleur bij de voorkant van de schoenen.

Wij verbalisant zagen dat er aan de andere kant van de weg twee paraplu’s lagen. De paraplu’s lagen evenwijdig langs de weg op ongeveer 50 à 100 cm van het wegdek naast elkaar. De paraplu’s lagen, gezien vanaf de plaats waar het slachtoffer werd aangetroffen, een aantal meters terug in de richting van het elektriciteitskastje.

15. Het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina 61, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van de verbalisanten I. Krijnsen en B. Elseman:

Op 26 augustus 2010, om 04.35 uur, hoorden wij aan het bureau van politie getuige [verdachte]. Wij kunnen hem en zijn kleding als volgt omschrijven:

Wij zagen dat hij een blanke huidskleur heeft en dat hij geen gezichtsbeharing had. Wij zagen dat hij kort donker blond tot bruin haar heeft. Wij zagen dat hij een wit T-shirt droeg.

Ik, verbalisant Elseman, zag dat hij een zwart vest bij zich had.

Ik, verbalisant Krijnsen, zag dat hij donkere gympen droeg met daarin licht gekleurde veters.

16. Het proces-verbaal van verhoor getuige door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken, in de rechtbank Middelburg, d.d. 22 maart 2011, ARC-nummer: 10/1166, parketnummer: 12/715413-10, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van de getuige R.F.M. Blessing:

Wat ik nog weet is dat er twee paraplu’s in de andere berm lagen, dus de berm tegenover de plek waar het meisje is gevonden. Deze paraplu’s waren keurig ingeklapt en ze lagen netjes naast elkaar. Ik heb ze in de bus (het hof begrijpt: politiebus) gelegd.

17. Het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina’s 65-67, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van verbalisant M.H. Kempe:

Op donderdag 26 augustus 2010 omstreeks 03.30 à 03.40 uur werd melding gemaakt bij de politie door twee meisjes dat ze zojuist hadden gezien alsof er een man met een lichaam tussen zijn benen sleepte over de Hogezoom te Renesse. De politie is de Hogezoom afgereden samen met de meisjes. De politie is gekeerd en is dezelfde route weer terug gereden zoals zij gekomen waren. Plotseling sprong er tijdens het terugrijden voor hun dienstvoertuig een man die later genaamd bleek te zijn: [verdachte].

Op de plaats delict werden twee paraplu’s naast elkaar aangetroffen. Het slachtoffer verklaarde dat één van de twee paraplu’s van haar was.

Het slachtoffer vertelde tevens dat haar belager een paraplu bij hem had. [verdachte]verklaarde dat hij een paraplu bij hem had die op de plaats delict werd aangetroffen.

18. Het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina’s 485-487, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van verbalisanten A.J. Versluis, M.H. Kempe en J.C. Noordzij:

Op 26 augustus 2010 is een opsporingsonderzoek gestart waarbij op 20 oktober 2010 een reconstructie werd gehouden.

Door ons, verbalisanten, werd tijdens de reconstructie het volgende waargenomen:

Wij, verbalisanten Noordzij en Versluis, zagen dat het slachtoffer[slachtoffer] aan de coördinator van het landelijk videoteam aangeeft dat zij ter hoogte van de plaats delict, zijnde de sloot waar zij op 26 augustus 2010 werd aangetroffen, de hier aan de zuidelijke zijde van de weg aanwezige bermkant aanwijst als de plaats waar zij werd aangevallen. Dit is dezelfde zijde van de weg en locatie waar op 26 augustus 2010 zowel de paraplu van het slachtoffer als van de verdachte werden aangetroffen. Gezien vanuit de richting Renesse, betreft dit de linkerzijde van de weg Hogezoom te Renesse.

19. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juli 2013, in de wettige vorm opgemaakt door S. Onderdijk, hoofdagent van politie, met foto bijlage, doorgenummerde dossierpagina’s 004-005, nummer PL195F 2010071751-121, van de Regiopolitie Zeeland, District Oosterscheldebekken, Wijkteam Schouwen-Duiveland Oost, welke deel uitmaakt van het 2e aanvullend relaas proces-verbaal tbv hoger beroep 23-10-2013, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van de desbetreffende verbalisant:

Ik heb destijds in deze zaak samen met collega J. Huissoon, de aangifte opgenomen van aangeefster [slachtoffer].

Wij hebben in de aangifte opgenomen/verwoord dat wij een paraplu hebben getoond. Op het politiebureau te Renesse waren op dat moment twee paraplu’s aanwezig. De paraplu welke wij hebben laten zien aan aangeefster [slachtoffer], tijdens het opnemen van haar aangifte, betreft de paraplu welke later bleek te zijn van verdachte [verdachte]. Deze paraplu hebben wij aan aangeefster getoond in de staat dat deze dichtgevouwen was. (conform foto)

De andere paraplu, een klein zwart model, was van aangeefster zelf.

20. Het proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde dossierpagina’s 253-263, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 1]:

V: Je hebt verklaard dat jullie een paraplu hebben meegenomen met de bedrijfsnaam van jouw werk [bedrijf]. Ik toon jou deze paraplu (het hof begrijpt: de in beslag genomen paraplu, zoals weergeven op dossierpagina’s 134-135).

V: Van wie is deze paraplu?

A: Die is van mij

V: Waaraan herken je die?

A: Op de paraplu zit het logo van mijn bedrijf. Deze paraplu heb ik altijd in mijn bedrijfswagen.

V: Jullie (het hof begrijpt: [getuige 1] en verdachte) zijn naar Renesse gaan stappen. Welke afspraken tussen jullie waren er gemaakt omtrent het gebruik van de paraplu? Wie zou hem gebruiken?

A: [verdachte] had hem meegenomen en had hem ergens verstopt en zou hem daarna weer meenemen toen we weggingen.

V: Wat had [verdachte] aan die avond (het hof begrijpt: 25 op 26 augustus 2010)?

A: Een spijkerbroek en een donker jack.

V: En schoenen?

A: Of sportschoenen of Converse-jacks omdat het de enige schoenen waren die hij bij zich had.

21. Het proces-verbaal van bevindingen, met fotobijlage, doorgenummerde dossierpagina’s 329-331, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van de verbalisanten M.H. Kempe en E.J.C. Brouwer:

Op 29 augustus 2010 hebben wij verbalisanten in het arrestantencomplex Torentijd te Middelburg de schoenen van verdachte [verdachte]inbeslaggenomen.

Deze schoenen bevonden zich in de kast waarin de persoonlijke spullen van verdachte [verdachte]worden bewaard. Wij verbalisant zagen dat het zwarte “basketbalschoenen” van het merk All Star waren, maat 12. Wij zagen dat de neus van de schoenen alsmede de zool en veters wit van kleur waren.

22. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 15 januari 2014, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als eigen waarneming van het hof naar aanleiding van het bekijken van de camerabeelden van de BP benzinepomp (camera 1), die zijn opgenomen op 26 augustus 2010:

Rechts in beeld loopt een persoon. Zij lijkt een vrouw. Zij lijkt een jurkje te dragen.

Rechtsboven in beeld verschijnt een derde persoon die in dezelfde richting loopt als de eerste persoon, de vrouw, en de tweede persoon die net uit beeld loopt. Deze derde persoon loopt in dezelfde richting achter hen aan. De persoon draagt een soort jas of vest en een lange broek. Pal onder het hoofd van deze persoon is iets lichts te zien.

Ter hoogte van het einde van de rechterarm van die persoon hangt iets dat lichter van kleur is. Het voorwerp is lang en eindigt ongeveer op kniehoogte. Er wordt een loopbeweging mee gemaakt. Het voorwerp in de hand steekt vooruit en vervolgens, tijdens het lopen, wordt het voorwerp naar achteren gezwaaid en daarna weer naar voren.

Ter hoogte van de voeten van die persoon, is, tijdens het lopen, aan de onderkant, aan de zijkant, op de plek waar de veters zitten en aan de voorkant, een witte kleur te zien.

23. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 15 januari 2014, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als eigen waarneming van het hof naar aanleiding van het bekijken van de camerabeelden van de BP benzinepomp (camera 2), die zijn opgenomen op 26 augustus 2010:

Te zien is dat op de rotonde één persoon rechtsaf slaat, de andere twee personen lopen in de richting van het raster, waarbij de ene persoon achter de andere loopt.

Te zien is dat twee personen voor het witte rasterwerk van de horecagelegenheid (opmerking hof: Café Helder) langslopen, waarbij de ene persoon achter de andere persoon loopt.

24. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 15 januari 2014, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als eigen waarneming van het hof naar aanleiding van het bekijken van de camerabeelden van PR1 Rotonde, die zijn opgenomen op 26 augustus 2010 tussen 03:19:31 en 03:20:01:

Er komt een vrouw aanlopen, in de richting van de rotonde, met links van haar een tweede persoon en achter haar een derde persoon in donkere kleding. Zij zijn de enige personen die ter plaatse te zien zijn.

De tweede persoon slaat op de rotonde rechtsaf.

De derde persoon gaat, vanaf de weg, richting het trottoir om daarop vervolgens verder te lopen. Er is een oplichting bij de schoenen te zien. Ter hoogte van de rechterhand licht ook iets op. Het lijkt alsof deze persoon zijn weg naar rechts wil vervolgen. Vervolgens stapt deze persoon weer van het trottoir af en steekt de rotonde over. De persoon draagt een blauwe spijkerbroek. Te zien is dat het voorwerp dat licht oplicht in de hand van deze persoon een paraplu is. Deze persoon heeft precies dezelfde looprichting als de vrouw met de opgestoken paraplu.

Bij de voeten van deze persoon licht aan de voorkant iets op, ook zijn bij de rechter voet licht gekleurde veters te zien. Pal onder het gezicht van deze persoon is een lichte vlek te zien, hetgeen op een lichter kledingstuk kan duiden.

In vergelijking met de vrouw met de opgestoken paraplu is de lengte van deze persoon beduidend langer.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep – op gronden als verwoord in de pleitnota – integrale vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. De verdediging is in een pleitnota ingegaan op diverse aspecten van deze zaak en heeft geconcludeerd dat verdachte niet de pleger van het ten laste gelegde is maar degene die het slachtoffer bewusteloos in de sloot heeft aangetroffen en heeft geholpen. Met andere woorden, verdachte is niet de dader maar de redder geweest.

Daarbij heeft de verdediging vooropgesteld dat de vormverzuimen die hiervoor onder het kopje ‘Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie’ zijn genoemd, zo ernstig zijn dat deze, voor zover door het hof niet de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt uitgesproken, in elk geval zouden moeten leiden tot bewijsuitsluiting. Dit geldt voor (A.) de op 26 augustus 2010 afgelegde getuigenverklaring van verdachte, op grond van Salduz-schending in combinatie met het ontbreken van een tolk ten tijde van het verhoor, en (B.) voor de verklaringen van het slachtoffer wegens schending van de Richtlijnen zedenzaken uit 2006. Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat de verzuimen van invloed zijn geweest op de betrouwbaarheid van de totstandkoming van het aanwezige bewijsmateriaal (C.).

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

A. Het horen van [verdachte]als getuige zonder tolk en schending Salduz-norm

Zoals hiervoor opgenomen onder het kopje ‘Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie’ is het hof van oordeel dat met betrekking tot de getuigenverklaring van verdachte d.d. 26 augustus 2010, de zogeheten Salduz-norm niet is geschonden. Ook het afnemen van het verhoor zonder tolk levert geen vormverzuim op.

Nu geen sprake is van vormverzuimen, ziet het hof – anders dan de rechtbank en de verdediging – geen aanleiding om de verklaring van [verdachte], op 26 augustus 2010 afgelegd als getuige en opgenomen op dossierpagina’s 419-421, van het bewijs uit te sluiten. Het hof acht de bedoelde getuigenverklaring derhalve op zichzelf bruikbaar voor het bewijs.

Aangezien de hier bedoelde getuigenverklaring haar steun vindt in de overige bewijsmiddelen, zal het hof de verklaring bezigen tot het bewijs. Daar doet niet aan af dat verdachte kennelijk heeft willen betogen dat die als getuige afgelegde verklaring niet betrouwbaar moet worden geacht. Voor zover verdachte heeft betoogd dat hij tijdens het afleggen van die verklaring dronken was en daardoor niet alles precies meer wist (waaronder de door hem gelopen route) en dat de verbalisanten derhalve onderdelen voor hem hebben ingevuld, overweegt het hof het volgende. Uit het dossier is niet gebleken dat verdachte die bewuste avond en nacht een zodanige hoeveelheid alcohol tot zich heeft genomen dat hij niet meer in staat was tot het afleggen van een betrouwbare verklaring. Immers, uit de zich in het dossier bevindende verklaringen van aangeefster en de verklaringen van de verbalisanten I. Krijnsen en B. Elseman zoals afgelegd bij de rechter-commissaris (d.d. 18 april 2011) – waarin zij zijn bevraagd over de gang van zaken tijdens het getuigenverhoor en de inhoud van het desbetreffende getuigenverhoor – volgt dat hij geen dronken indruk maakte. Ook [getuige 2] maakt in haar verklaring d.d. 2 september 2010, waarin zij heeft verklaard dat zij in de avond en nacht van 25 augustus 2010 op 26 augustus 2010 vanaf 23.30/24.00 uur tot iets over half drie met verdachte heeft gesproken, dus geruime tijd in zijn gezelschap heeft verkeerd, geen melding van dronkenschap bij verdachte, terwijl zij in haar verklaring van 11 mei 2011 gemotiveerd heeft verklaard dat verdachte absoluut niet dronken was. Ook uit de verklaring van de getuige [getuige 3] (dossierpagina 310), blijkt dat verdachte op hem in elk geval geen dronken indruk heeft gemaakt. Dat verdachte hierover zelf in zijn latere verhoren anders heeft verklaard, maakt dat niet anders. Het hof gaat in dit verband uitdrukkelijk voorbij aan de verklaring van [getuige 1], de vriend van verdachte, zoals afgelegd bij de rechter-commissaris op 28 april 2011. Het hof hecht meer waarde aan de verklaringen van de in dit verband onafhankelijke getuigen Krijnsen, Elseman en [getuige 2].

Het verweer wordt in zoverre verworpen.

Aanwijzing zedendelicten

Nu het hof de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik niet op de verhoren van aangeefster en die van [verdachte]als getuige van toepassing acht, zoals hiervoor onder het kopje ‘Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie’ overwogen, ziet het hof evenmin aanleiding om hun verklaringen op deze grond van het bewijs uit te sluiten. Bovendien vinden de voor het bewijs gebezigde verklaringen steun in de overige bewijsmiddelen.

Het verweer wordt in zoverre verworpen.

Redder of dader

De verdediging heeft – kort gezegd – gesteld dat het geven van een oordeel over de vraag of verdachte de redder van het meisje was dan wel haar aanvaller, niet mogelijk is en dat dit derhalve tot vrijspraak dient te leiden. Daartoe heeft de verdediging een aantal zogenoemde cruciale thema’s opgeworpen. Voor zover die thema’s zien op de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, zal het hof deze hierna bespreken.

Signalement

De verdediging heeft gesteld dat het signalement van verdachte niet overeenkomt met dat van de dader, zoals door aangeefster opgegeven, met name op het punt van de lengte, maar ook ten aanzien van het uiterlijk en de kleding.

Het hof overweegt hieromtrent allereerst dat het schatten van iemands lengte in meters en centimeters niet eenvoudig is en dat mensen vaak niet verder komen dan de waarneming dat andere personen groter of kleiner dan zijzelf zijn. Ook aangeefster heeft moeite met het aangeven in meters en centimeters, zoals ook uit haar verklaring bij de rechter-commissaris blijkt. Zij zegt bij de rechter-commissaris: “Ik vind het moeilijk om te schatten”. Daarbij merkt het hof op dat ook de verbalisanten die verdachte hebben aangetroffen op de plaats van het delict zijn lichaamslengte aanzienlijk korter inschatten dan hij daadwerkelijk (1.92 meter) is (dossierpagina 53).

Het hof gaat, gelet op het voorgaande, uit van de verklaring van aangeefster dat zij denkt dat haar aanvaller een kop groter was. Naar het oordeel van het hof is dit een schatting van het lengteverschil tussen de dader en haarzelf, die zij goed heeft kunnen maken in de tijd dat zij met de dader heeft geïnteracteerd. Voorts past dit bij het lengteverschil van de persoon die op de camerabeelden van de rotonde en het pompstation is te zien en achter haar aan loopt, zoals het hof dit ter terechtzitting in hoger beroep op de beelden heeft kunnen waarnemen. Deze persoon is immers beduidend langer dan het slachtoffer. Daarbij betrekt het hof tevens de verklaring van aangeefster dat zij zichzelf op de beelden herkent als deze vrouwelijke persoon (dossierpagina 37).

Ten aanzien van het door aangeefster opgegeven signalement van de dader qua kleding merkt het hof op dat dit in de kern niet afwijkt van de kleding die verdachte die bewuste nacht heeft gedragen, zoals blijkt uit zijn eigen verklaring en die van anderen die hem die nacht hebben gezien alsmede uit de onder hem in beslag genomen kledingstukken en schoenen. Tevens past dit bij de waarneming van het hof dat de derde persoon op de camerabeelden (van PR1 Rotonde) donkere kleding droeg, met net onder het hoofd iets lichts gekleurds, een blauwe spijkerbroek aan had en met een paraplu in de rechterhand liep.

Met betrekking tot de door aangeefster gegeven beschrijving van het gezicht van de dader met als kenmerken ‘dikke wangen’ en ‘dikke borstelige wenkbrauwen’, merkt het hof op dat deze kenmerken niet afwijken van hetgeen te zien is op de foto’s van verdachte als afgebeeld op dossierpagina 351, welke foto’s zijn genomen kort na zijn aanhouding ten behoeve van de fotoconfrontatie. Op die foto’s is waar te nemen dat verdachte in elk geval geen ingevallen wangen heeft, maar wel een kleine onderkin en duidelijk aanwezige, aan de zijkanten enigszins ruw uitziende, wenkbrauwen. Ook de haardracht van verdachte komt overeen met die van de dader, zoals door aangeefster beschreven.

Bovendien beschrijft aangeefster de dader als een Duitssprekende man, die aanvankelijk Engels met haar sprak, die haar heeft verteld dat hij student was, net die dag was aangekomen in Renesse en met vrienden verblijft op een camping met “Hoeve” in de naam. Deze beschrijvingen passen allen bij verdachte. Verdachte was, samen met [getuige 1] op 25 augustus 2010 aangekomen in Renesse, verbleef op de camping Julianahoeve, spreekt Duits en is op dat moment nog studerend voor zijn specialistenexamen, zoals afgeleid kan worden uit het getuigenverhoor van [getuige 4] d.d. 15 december 2010. Daarnaast heeft ook [getuige 2] verklaard dat verdachte met haar Engels sprak (dossierpagina’s 271-272).

De omstandigheid dat de dader volgens aangeefster aan haar heeft verteld dat hij “David” heet en “uit Keulen komt”, past daar daarentegen niet bij. De politie heeft hieromtrent uitgebreid onderzoek gedaan, zonder dat dit resultaat heeft opgeleverd. Het hof kan dan ook niet uitsluiten dat de dader, net als aangeefster zelf, een andere dan zijn echte naam en daarnaast een andere woonplaats heeft opgegeven.

Het verweer wordt in zoverre verworpen.

Paraplu

Uit het dossier, in het bijzonder uit de reconstructie (dossierpagina 486), volgt dat de paraplu die verdachte de bewuste nacht bij zich droeg is aangetroffen aan de zijde en locatie van de weg waar aangeefster aangeeft in de bosschages te zijn geduwd en te zijn gewurgd, te weten aan de linkerzijde van de weg, gezien vanuit de richting Renesse en (toevoeging hof: gaande in de richting van Burgh- Haamstede) en wel naast de paraplu van aangeefster zelf. Het hof acht het niet aannemelijk dat verdachte zijn paraplu daar zou hebben neergelegd tijdens zijn zoektocht naar het meisje, zoals hij zelf heeft aangevoerd, terwijl hij haar aan de overzijde van de weg in de sloot heeft aangetroffen. Het hof acht het veeleer aannemelijk dat de dader zijn paraplu op de grond heeft achtergelaten voorafgaand aan de verwurging van het slachtoffer aldaar. Dit geldt temeer nu hij het slachtoffer – blijkens haar verklaring – met beide handen heeft verwurgd.

Dat de dader een paraplu bij zich droeg, blijkt naar het oordeel van het hof uit de verklaring van aangeefster en uit de camerabeelden van de benzinepomp en de rotonde, waarop het hof heeft waargenomen dat ‘de derde persoon’ die dezelfde looprichting heeft als het slachtoffer, een voorwerp in zijn rechterhand heeft gelijkend op een paraplu: qua vorm, lengte en beweging tijdens het lopen. Op de beelden van de rotonde (PR1 Rotonde) heeft het hof waargenomen dat dit voorwerp ook daadwerkelijk een paraplu is.

Voorts gaat het hof niet mee in de stelling van de verdediging dat het onwaarschijnlijk is dat aangeefster een ingeklapte paraplu zou kunnen herkennen. Het hof acht het wel degelijk mogelijk om een dergelijke herkenning te doen en aangeefster heeft dit ook gedaan.

Het verweer wordt in zoverre verworpen.

Beïnvloeding door de politie van het “beeldgeheugen” van aangeefster

Zoals het hof eerder onder het kopje ‘Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie’ heeft overwogen, heeft aangeefster van meet af aan in de kern consistent verklaard met betrekking tot de (man die haar volgde vanaf de) rotonde en het moment van zijn eerste aanval. Tijdens de reconstructie heeft aangeefster open en duidelijk verklaard over haar verwarring rondom de drie-minuten-afstand. Het hof ziet dit evenwel, anders dan de verdediging, niet als een beïnvloeding van aangeefster door het tonen van de camerabeelden door de politie, na haar aangifte op 26 augustus 2010. Te meer omdat de aanval niet op de camerabeelden is waar te nemen, geeft het hof doorslaggevende betekenis aan de verklaring van aangeefster dat zij bemerkte dat de dader haar kort na de rotonde volgde en heeft aangevallen.

De visie van de verdediging dat het scenario – inhoudende dat deze derde persoon op de beelden de dader moet zijn geweest – aan aangeefster is aangeleverd door de politie, volgt naar het oordeel van het hof niet uit het dossier, in het bijzonder niet uit hetgeen (op dossierpagina 37) als verklaring van aangeefster hierover is gerelateerd.

Voorts heeft het hof op de beelden van de reconstructie waargenomen dat aangeefster niet is gevraagd om stil te houden op de Hogezoom achter Café Helder omdat dit de plaats van de eerste aanval zou betreffen. Haar is enkel op dat moment door de reconstructieleider van de politie gevraagd of zij haar paraplu wilde pakken. Anders dan de verdediging ziet het hof dit niet als een beïnvloeding van (het geheugen van) aangeefster door de politie. Overigens volgde deze reconstructie in tijd na het doen van de aangifte en na het afleggen van haar verklaring bij de rechter-commissaris, zodat die reconstructie (als zodanig) noch de gestelde vraag om de paraplu te pakken van invloed kunnen zijn geweest op haar eerdere verklaring.

Het hof acht de verklaringen van aangeefster, zoals afgelegd bij gelegenheid van het doen van aangifte en bij de rechter-commissaris, bruikbaar voor het bewijs. Het hof zal deze verklaringen ook gebruiken voor het bewijs. Daarnaast acht het hof die verklaringen ook betrouwbaar, nu deze op essentiële onderdelen steun vinden in de overige bewijsmiddelen.

Het verweer wordt in zoverre verworpen.

De FOSLO

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de FOSLO (meervoudige fotoconfrontatie) niet betrouwbaar is en derhalve dient te worden uitgesloten van het bewijs. Het hof heeft onder het kopje ‘Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie’ al overwogen dat de FOSLO volgens de regels is uitgevoerd. In hoeverre aan de herkenning van verdachte door het slachtoffer enige bewijswaarde kan worden toegekend en of überhaupt sprake is van een vals-positieve herkenning, zijn vragen die het hof in dit stadium dient te beantwoorden.

Zowel psycholoog prof. dr. P.J. van Koppen als forensisch psycholoog dr. M.J.V. Peters hebben in dit kader gerapporteerd. Tevens zijn zij hieromtrent ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 juni 2013 als deskundigen gehoord. Anders dan de rechtbank, maakt het hof bij de beoordeling van de FOSLO geen gebruik van het rapport van Van Koppen, nu uit diens toelichting ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat hij, in grote haast, op basis van gebrekkige kennis van het dossier, te weten een deel van het procesdossier en daarnaast afgaande op informatie van de raadsman, zijn oordeel over de FOSLO heeft geveld. Het hof is van oordeel dat het rapport aldus op een te smalle basis is gebaseerd en gaat daaraan voorbij. Het hof acht het door dr. Peters opgestelde rapport, gelet op de aan hem beschikbaar gestelde stukken en zijn toelichting ter terechtzitting in hoger beroep, wel bruikbaar.

Peters relateert in zijn rapport d.d. 7 januari 2011 – welke ter toetsing en beoordeling is voorgelegd aan dr. Van Oorsouw en prof. dr. Merckelbach – onder meer het volgende:

Herkennen van gezichten

Het slachtoffer geeft in haar eerste verklaring een uitgebreide beschrijving van haar belager. Verder zou ze de dader verschillende malen hebben aangekeken tijdens het gesprek en hem daarom goed hebben gezien. Verder verklaarde deze dat wanneer ze de jongen zou zien die haar heeft geprobeerd te wurgen, zij hem zeker zou herkennen.

Hierop werd een fotoconfrontatie uitgevoerd bestaande uit 10 foto’s samengesteld op basis van het signalement van dhr. [verdachte], waarin ook de foto van de verdachte zat. Op 29 augustus 2010 werd de confrontatie uitgevoerd. Het slachtoffer kreeg daarbij de instructie dat er foto’s zouden worden getoond en dat mogelijk de foto van de persoon die bij het misdrijf betrokken was ook in de series zou kunnen zitten. Ze herkende de foto van verdachte.

In haar verklaring bij de rechter-commissaris, die werd opgenomen na de fotoconfrontatie, zei het slachtoffer: “De man op de foto die ik heb aangewezen was de man die achter mij aangelopen is. Dat weet ik heel zeker.” Dat het slachtoffer tijdens haar aanvullende verklaring zegt zeker te zijn dat het de verdachte was moet met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Een overvloed aan wetenschappelijke studies laat zien dat zo’n zekerheidsoordeel slechts in geringe mate samenhangt met de accuratesse van een getuigenverklaring. Een stellige getuige is dus niet per definitie ook een accurate getuige.

Ofschoon wij ons hier niet hoeven te buigen over de kwaliteit van deze fotoconfrontatie is één ding wel relevant voor het beantwoorden van onze vraagstelling. Namelijk: een strikte voorwaarde bij een herkenningstest (zoals een fotoconfrontatie) is dat de getuige/slachtoffer de verdachte bij geen enkele andere gelegenheid dan het misdrijf kan hebben gezien. In dit geval is het niet duidelijk of aan die voorwaarde is voldaan. Immers, als verdachte inderdaad alleen als hulpverlener is opgetreden en niet als haar belager, dan is het in beginsel mogelijk dat slachtoffer hem daarvan herkent.

Hoewel het slachtoffer zelf zegt dat ze tijdens de EHBO verrichtingen haar ogen niet heeft geopend, blijkt volgens de getuigenverklaringen van onder andere het ambulancepersoneel dat dit wel het geval was. Hierover wordt het volgende verklaard:

Slachtoffer verklaart (toevoeging hof: dossierpagina’s 24-25): “Ik hoorde meerdere stemmen. Ik heb Duits gehoord, iemand zei dat hij noodarts was en dat de ziekenauto eraan kwam. Deze persoon heb ik niet gezien. Ik herkende de stem van deze noodarts niet en ik geloof ook dat hij een andere stem had als de jongen die mij probeerde te wurgen. Ik weet niet meer waar ik was. Ik denk dat ik op de grond heb gelegen omdat iemand zei dat de ziekenauto eraan kwam. Toen ik in de ziekenauto lag had ik voor het eerst mijn ogen open. Ik weet niet meer wie er allemaal waren.”

Nachtwaker [getuige 3] van camping de Wijde Blick die op een bepaald moment ter plekke kwam, verklaarde (toevoeging hof: dossierpagina 309): “Ik hoorde dat de jongen in de Duitse taal tegen het meisje aan het praten was. Ik zag en hoorde dat het meisje hier helemaal niet op reageerde. Het leek wel of ze buiten kennis was.”

Ambulancechauffeur [getuige 5] (toevoeging hof: dossierpagina’s 312-313) verklaarde over de toestand van het slachtoffer: “Als ik het me goed herinner was ze ‘suf’ toen ze de ambulance inging en kwam ze naarmate ze in de ambulance lag steeds meer bij. Ik hoorde dat ze in het begin alleen maar nee, nee, nee zei maar dat ze in de ambulance steeds duidelijker taalgebruik kreeg. […] Toen ze op de brancard lag had ze haar ogen open.”

Ambulanceverpleegkundige [getuige 6] (toevoeging hof: dossierpagina’s 317-319) verklaarde over de toestand van slachtoffer toen hij haar aantrof als volgt: “Het meisje was doorweekt. […] Ze was aanspreekbaar, ze reageerde en ze bewoog. Ze gaf antwoord op mijn vragen. Dit was niet duidelijk maar verward. Haar ogen waren gewoon open. Ze was wakker en aanspreekbaar. Ik kan niet zeggen wat zij kon waarnemen.”

De GCS score (ook wel EMV score genoemd) 4 (spontaan ogen openen) – 6 (opdrachten uitvoeren) – 4 (losse zinnen, niet kloppende antwoorden; verwarde spraak) van het slachtoffer op de plaats delict geeft aan dat het slachtoffer op enig moment haar ogen open had en dus mogelijk de verdachte tijdens de EHBO verrichtingen heeft gezien. Later in het ziekenhuis was de score maximaal (15) en werden er geen afwijkingen geconstateerd.

Zowel de GCS als de getuigenverklaringen wijzen erop dat het slachtoffer tijdens de EHBO verrichtingen tenminste op sommige momenten haar ogen open had en zodoende de gelegenheid had de verdachte te zien. Het is derhalve mogelijk dat er sprake is van unconscious transference, in het Nederlands te vertalen als onbewuste overdracht. Onbewuste overdracht verwijst naar een foutieve identificatie van een onschuldige omstander als dader doordat het slachtoffer of de getuige de omstander in een andere context zag.

In deze zaak valt niet met volledige zekerheid uit te sluiten dat de persoon die door de politie als verdachte wordt aangemerkt door het slachtoffer wordt herkend vanwege het feit dat hij (ook) omstander was (toevallige passant/hulpverlener die aanwezig was toen het slachtoffer bij bewustzijn kwam). Daarom moet haar identificatie met de nodige terughoudendheid worden geïnterpreteerd. Anderzijds: een voorwaarde voor onbewuste overdracht is dat de getuige of het slachtoffer de persoon die hij/zij aanwijst als verdachte eerder onder optimale omstandigheden heeft waargenomen (registratie) als omstander (in dit geval als hulpverlener) of in een andere context (een eerder moment dat niet gerelateerd is aan het delict). Bij die voorwaarde kan in dit specifieke geval vraagtekens worden gezet.

Hieronder geven wij aan waarom wij het minder aannemelijk vinden dat onbewuste overdracht van invloed is geweest op de positieve identificatie van verdachte door het slachtoffer.

Het geheugen van het slachtoffer

Belangrijk in deze zaak is dat het slachtoffer ten tijde van het registreren van de uiterlijke kenmerken van de dader in een andere toestand verkeerde dan tijdens het waarnemen van de omstander(s). Daarbij rijst dan ook de volgende vraag: als het slachtoffer een beschrijving geeft van de dader, waarop is die beschrijving dan gebaseerd als we in aanmerking nemen dat zij weinig gedronken had en later in een toestand van bewusteloosheid of verminderd bewustzijn terecht komt? Anders gezegd: Is het plausibel dat haar waarneming van de dader voorafgaand aan het delict een sterker geheugenspoor heeft achtergelaten dan haar waarneming van de omstanders ten tijde van de EHBO verrichtingen?

We weten uit de verklaring van slachtoffer en het bloedonderzoek dat zij niet dronken was toen zij zich met de vermoedelijke dader richting camping begaf. Later geeft zij een gedetailleerde beschrijving van allerlei gebeurtenissen die in de tijd vlak voorafgingen aan het delict. Haar beschrijvingen worden geverifieerd door camerabeelden, GSM gegevens en verklaringen van de vrienden van het slachtoffer. Het laat zien dat het slachtoffer een retrogade amnesie aan de wurgpoging heeft overgehouden en dat haar geheugen voor de episode die onmiddellijk voorafgaat aan de wurgpoging op zijn minst redelijk intact is. Daarmee overeenstemmend is zij tot het moment van het delict in staat om een heldere beschrijving te geven van het gevoerde gesprek, zoals de details die de dader haar gaf over zijn naam, opleiding, woonplaats en zijn uiterlijke kenmerken, alsook de plaats waar het delict plaatsvond. Zij heeft minimaal 10 minuten samen met de dader zij aan zij richting camping gelopen en hem herhaaldelijk in zijn gezicht gekeken. Op de route was (enige) straatverlichting aanwezig. Daarmee wordt voldaan aan alle voorwaarden voor de waarnemingsomstandigheden die nodig zijn voor een betrouwbare herkenning. Er is daarom weinig reden om te twijfelen aan de accuraatheid van de herinneringen van slachtoffer aan de gebeurtenissen voorafgaande aan het delict. Tijdens het delict verliest het slachtoffer naar eigen zeggen het bewustzijn en kan ze zich naar eigen zeggen niets herinnerend tot aan het moment dat de hulpverleners arriveren.

Er zijn al met al dus geen aanwijzingen voor geheugenverlies die betrekking heeft op de tijd voorafgaande aan het delict (retrogade amnesie). Er zijn wél aanwijzingen dat het slachtoffer last had van een milde vorm van post traumatische amnesie (PTA). Geheugenverlies voor gebeurtenissen die zich afspeelde na de calamiteit (in dit geval het bewustzijnsverlies/verminderd bewustzijn door poging tot verwurging) noemt men anterograde amnesie. Dit is een onvermogen om nieuwe informatie op te slaan door desoriëntatie en verstoorde inprenting. Hierbij moet men een onderscheid maken tussen PTZ van het acute stadium en geheugenstoornissen die ook daarna (meer chronisch) blijven bestaan. De duur van de PTZ is een vele gebruikte maat om de ernst van een traumatisch hersenletsel in te schatten. PTA komt voor bij patiënten met een 4-6-4 GSC score, zoals die van slachtoffer. Hoewel zij geen last heeft van blijvende, chronische geheugenstoornissen, was er bij het slachtoffer sprake van desoriëntatie op het moment dat zij bijkwam uit haar bewusteloosheid. Dat blijkt uit de GCS score van 4 op verbale oriëntatie en haar gefragmenteerde herinneringen aan de gebeurtenissen op het moment dat zij weer bij bewustzijn komt: “Ik heb Duits gehoord, iemand zei dat hij noodarts was en dat de ziekenauto eraan kwam. […] Volgens mij heb ik ook Nederlands gehoord. […] Ik weet niet meer waar ik was. […] Ik weet niet meer wie er allemaal waren.” Het wordt daarmee aannemelijk dat haar inprenting (registratie van omgeving) verstoord was vlak nadat zij bijkwam uit een toestand van bewusteloosheid. Om die reden nemen wij aan dat het slachtoffer de gebeurtenissen in deze periode (de registratie van stemmen en gezichten) minder of in het geheel niet heeft opgeslagen. Dat maakt de bovenomschreven mogelijkheid van onbewuste overdracht minder aannemelijk.

Beantwoording van de vragen

1. Wat is het deskundigenoordeel over het vermogen tot waarnemen/ gezichtsherkenning van verdachte door het slachtoffer lettend op de medische toestand op het betreffende moment (buiten bewustzijn/verwurgd).

Gezien haar medische toestand en GCS score op het moment dat zij door de hulpverleners werd aangetroffen, achten wij de kans groot dat er bij het slachtoffer sprake was van een zeer geringe registratie en inprenting van de gebeurtenissen die zich afspeelde tijdens de EHBO verrichtingen. In vergelijking met haar herinneringen aan de gebeurtenissen voorafgaande aan het delict menen wij dat haar waarnemingen van wat zich afspeelde ten tijde van de EHBO verrichtingen (waarbij ze verdachte [verdachte]in de rol van ‘hulpverlener’ zou hebben kunnen zien) slechts gebrekkig of in geheel niet zijn opgeslagen. Het scenario van een accurate gezichtsherkenning op basis van een interactie tussen slachtoffer en dader voorafgaande aan het delict wordt waarschijnlijker geacht dan het scenario van onbewuste overdracht dat betrekking heeft op de periode waarin het slachtoffer bijkomt uit een toestand van bewusteloosheid.

2. Wat is het deskundigenoordeel over het vermogen tot stemherkenning van de verdachte door het slachtoffer lettend op de medische toestand op het betreffende moment (buiten bewustzijn/verwurgd).

Het is niet zeker of het slachtoffer het gezicht van verdachte heeft gezien bij ontwaken. Het slachtoffer ontkent dit. Volgens de hulpverleners zou ze haar ogen wel hebben geopend toen ze in de berm lag voordat ze naar de ambulance werd overgebracht. Zij beschrijft geen visuele herinnering te hebben en enkel diverse stemmen, waaronder een Duitse, te hebben gehoord. Wetenschappelijk onderzoek leert ons dat mensen over het algemeen goed zijn in het herkennen van zeer bekende stemmen (familie, vrienden), maar minder goed in het herkennen van onbekende stemmen. Daarnaast verkeerde het slachtoffer in een toestand van bewusteloosheid waarin zij nog minder goed in staat was om stemmen te herkennen, en te vergelijken, dan mensen dat zijn onder normale omstandigheden. Tijdens de latere aangifte sloot zij de overeenkomst tussen de stem van verdachte en dader uit. Aan de verklaring van het slachtoffer dat de stemmen van de arts en degene die haar probeerde te wurgen anders waren valt dan ook weinig waarde te hechten.

Kortom, door de toestand waarin het slachtoffer verkeerde is de waarneming van de gebeurtenissen die zich afspeelde tijdens en vlak na het delict hoogstwaarschijnlijk niet goed vastgelegd in haar geheugen. Als zij al uit haar geheugen put dan baseert zij zich op de pre-trauma periode, dus de periode voorafgaande aan het delict. Aan haar verklaringen en beschrijvingen van de gebeurtenissen voorafgaande aan het delict mag dan ook meer waarde worden gehecht dan aan haar verklaringen over gebeurtenissen tijdens en vlak na het delict.

Deskundige Peters concludeert:

Het eerste scenario heeft betrekking op wat in jargon unconscious transfer heet: het slachtoffer herkent het gezicht van de arts (c.q. verdachte) tijdens de fotoconfrontatie niet omdat hij de dader is, maar omdat ze zijn gezicht heeft gezien toen zij bijkwam na het delict. Het alternatieve scenario is dat de herkenning van de verdachte als dader door het slachtoffer accuraat is en stoelt op de uitvoerige interactie tussen slachtoffer en verdachte voorafgaande aan het misdrijf. Na uitgebreide bestudering van het dossier en de relevante wetenschappelijke literatuur lijken me de feiten in deze zaak beter te passen bij dit alternatieve scenario dan bij het eerst genoemde scenario.

Het hof neemt deze conclusie en de gronden waarop zij berust over en maakt deze tot de zijne. Gelet daarop, acht het hof de uitgevoerde fotoconfrontatie bruikbaar voor het bewijs en de herkenning van verdachte door het slachtoffer tijdens de FOSLO betrouwbaar. Het hof leidt, in combinatie met de overige gebezigde bewijsmiddelen, daaruit af dat het slachtoffer verdachte heeft herkend als de dader.

Door de verdediging is nog naar voren gebracht dat de foto’s van de fotoselectie leidend zijn naar het “herkennen” van verdachte omdat hij de enige is met een “studentikoze” uitstraling.

Alle andere foto’s met daarop de andere mannen hebben die uitstraling niet, aldus de verdediging. Het hof is van oordeel dat deze stellingen van de verdediging feitelijke grondslag missen. Aan de foto’s die zijn gebruikt bij de fotoselectie kunnen die stellingen niet worden ontleend, terwijl ook de raadsman van verdachte die bij de totstandkoming van de bij de FOSLO gebruikte selectie is betrokken, daar geen enkele opmerking over heeft gemaakt.

Het verweer wordt in zoverre verworpen.

Schoenen

Hoewel aangeefster ten overstaan van de rechter-commissaris over de schoenen van de dader niets heeft kunnen verklaren, heeft het hof op de camerabeelden van de benzinepomp en de rotonde waargenomen dat de eerder bedoelde ‘derde persoon’ donkere schoenen draagt met een lichtgekleurde zijkant, neus en veters. Verdachte heeft die bewuste nacht schoenen gedragen met dezelfde kenmerken, zoals blijkt uit de verklaring van [getuige 1], de onder verdachte in beslag genomen All Star schoenen en het relaas van de verbalisanten Blessing en Verheul. De stelling van de verdediging dat Converse All Star schoenen, ook wel Chucks genoemd, onder jongeren veel gedragen schoenen zijn, maakt dit niet anders en sluit verdachte geenszins uit.

Conclusie

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene concludeert het hof – samengevat – dat verdachte degene is geweest die op 26 augustus 2010 te Renesse over de rotonde achter aangeefster is aangelopen (op de Hogezoom), haar kort na de rotonde heeft aangevallen, en vervolgens met haar is opgelopen waarbij hij haar informatie over zichzelf heeft verstrekt. Het is de verdachte geweest die haar tenslotte, nabij de ingang van camping de Wijde Blick – waar zij later door de politie in een nabije sloot in bewusteloze toestand is aangetroffen – heeft geprobeerd van het leven te beroven. Door met beide handen de keel/ hals van het slachtoffer vast te pakken en dicht te drukken heeft verdachte, minst genomen in voorwaardelijke zin, het opzet op de dood gehad. Verdachte is op de plaats delict door de politie aangetroffen, terwijl aangeefster hem heeft herkend als de dader van het geweldsfeit.

Het door de verdediging opgeworpen alternatieve scenario – te weten dat verdachte niet meer weet welke route hij die nacht heeft gelopen, dat hij het slachtoffer na een zoektocht in de sloot heeft aangetroffen en dat hij slechts een reddende rol heeft gespeeld – is niet aannemelijk geworden en wordt weerlegd door de bewijsmiddelen.

De door de verdediging gesuggereerde scenario’s dat een andere onbekend gebleven persoon de dader is geweest, schuift het hof als strijdig met de bewijsmiddelen ter zijde.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen en acht het onder feit 1.A.1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1.A.1 subsidiair bewezen verklaarde levert op: poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest, gevorderd. De advocaat-generaal is daarbij uitgegaan van een veroordeling ter zake van poging tot moord en poging tot aanranding.

De verdediging heeft vrijspraak van de gehele tenlastelegging bepleit en zich in hoger beroep niet uitgelaten over een eventuele strafoplegging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Het hof heeft daarbij ook betrokken de over verdachte uitgebrachte rapportage door de reclassering Nederland, d.d. 1 november 2010, en de daarin vervatte informatie over de persoon van de verdachte. De reclassering heeft geen strafadvies uitgebracht.

Verdachte heeft zich in de nacht van 25 op 26 augustus 2010 schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. De destijds 28-jarige verdachte, heeft het toen aanmerkelijk jongere, minderjarige slachtoffer (16 jaar), dat na het uitgaan, alleen, in de nacht, via de openbare weg terugliep naar de camping in Renesse waar zij verbleef, plotseling aangevallen door aan haar te trekken en tegen haar lichaam te duwen, waarbij zij op de grond is terechtgekomen. Verdachte ging vervolgens op het slachtoffer zitten en begon haar met beide handen met kracht te verwurgen, als gevolg waarvan zij steeds minder lucht kreeg en bewusteloos is geraakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke handelwijze eenvoudig tot de dood van het slachtoffer had kunnen leiden. Vervolgens is het slachtoffer door de politie liggend aangetroffen in een sloot, die is gelegen aan de overzijde van de plaats waar de verwurging heeft plaatsgevonden.

De gevolgen van het bewezenverklaarde delict zijn voor het slachtoffer ingrijpend geweest. Zij is niet alleen door de verwurging bewusteloos geraakt, maar is tevens met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht.

Door het bewezen verklaarde delict wordt de rechtsorde zeer ernstig geschokt; het leidt vanwege het gewelddadig karakter tot maatschappelijke verontrusting en brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg. Tevens leidt een dergelijk feit vaak nog tot langdurige psychische klachten bij de slachtoffers, zoals gevoelens van angst en onveiligheid, hetgeen ook in dit geval naar voren is gekomen, gelet op de schriftelijke slachtofferverklaring van aangeefster.

Naar het oordeel van het hof kan – gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof heeft tevens acht geslagen op de omstandigheid dat verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 november 2013, en diens Duitse strafblad (Auskunft aus dem Zentralregister d.d. 25 juni 2013), nog niet eerder is veroordeeld. Hij is een zogenaamde “first offender”.

Daarnaast heeft het hof rekening gehouden met het omtrent verdachte door de psycholoog, W.J.L. Lander, uitgebrachte rapport d.d. 20 oktober 2010. De psycholoog heeft gerapporteerd dat er bij betrokkene, ten tijde van het ten laste gelegde, geen sprake was van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht, dan dient betrokkene als volledig toerekeningsvatbaar te worden beschouwd, aldus de psycholoog. Het hof neemt deze conclusie en het advies over en gaat bij de strafoplegging uit van een volledige toerekeningsvatbaarheid.

Gelet op de ernst van het feit wordt voor een voltooide doodslag door het hof in de regel niet minder dan 8 jaren onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Rekening houdend met het feit dat het in casu om een poging gaat zal het hof hierop een vermindering toepassen. Gelet op het voren overwogene, zal het hof een gevangenisstraf opleggen van na te melden duur.

Beslag

Het hof zal de teruggave gelasten van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

Het hof zal de teruggave aan verdachte gelasten van:

 1.00 1.00 STK GSM, Kleur zwart, LG Gb102, registratienummer 3539903525273;

 1.00 2.00 STK schoen ALL STAR Basketbal, maat 12;

 1.00 3.00 STK Kleding: zwarte wollen trui in auto, 2 jassen in de tent.

Het hof zal voorts de teruggave gelasten van:

1.00 STK Paraplu, aangetroffen op de pd,

aan [getuige 1], aangezien hij ten aanzien hiervan – blijkens het dossier – als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Vordering van de benadeelde partij[slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal € 1.937,20 en bestaat uit € 187,20 aan materiële schade (reiskosten) en € 1.750,00 aan immateriële schade, waarbij de benadeelde partij heeft verzocht de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente.

Gelet op de in eerste aanleg gewezen vrijspraak, is de benadeelde partij bij vonnis waarvan beroep in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het hof de vordering geheel zal toewijzen, met toepassing van de schadevergoedings-maatregel.

De verdediging heeft zich niet over de vordering uitgelaten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij[slachtoffer] als gevolg van verdachtes onder 1.A.1 subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van € 1.937,20. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met vermeerdering met de wettelijke rente.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1.A.1 primair, 1.A.2, 1.B, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1.A.1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1.A.1 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

 1.00 1.00 STK GSM, Kleur zwart, LG Gb102, registratienummer 3539903525273;

 1.00 2.00 STK schoen ALL STAR Basketbal, maat 12;

 1.00 3.00 STK Kleding: zwarte wollen trui in auto, 2 jassen in de tent.

Gelast de teruggave aan[getuige 1] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1.00 STK Paraplu, aangetroffen op de pd.

Vordering van de benadeelde partij[slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij[slachtoffer] ter zake van het onder 1.A.1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.937,20 (duizend negenhonderdzevenendertig euro en twintig cent) bestaande uit € 187,20 (honderdzevenentachtig euro en twintig cent) materiële schade en € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormelde toegewezen bedragen aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd[slachtoffer], een bedrag te betalen van € 1.937,20 (duizend negenhonderdzevenendertig euro en twintig cent) bestaande uit € 187,20 (honderdzevenentachtig euro en twintig cent) materiële schade en € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 29 (negenentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichtingen ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. J.F. Dekking, voorzitter,

mr. F. van Es en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Oort, griffier,

en op 12 februari 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 In de hierna volgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar het proces-verbaal van Politie Zeeland, Divisie Recherche, Regionaal Recherche Team, dossiernummer 2010071751, op 12 november 2010 in de wettige vorm opgemaakt en gesloten door verbalisanten M.H. Kempe en A.J. Versluis, beiden werkzaam bij de Divisie Recherche van de Politie Zeeland, afdeling Recherche team 2 en het Regionaal Recherche team, met bijlagen, bestaande uit in wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en/of geschriften.