Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2668

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-08-2014
Datum publicatie
08-08-2014
Zaaknummer
F 200.134.504_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie.

De behoefte van een kind dat nooit in gezinsverband met beide ouders heeft geleefd wordt bepaald door het gemiddelde te nemen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:400 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de onderhoudsverplichting van de man jegens zijn minderjarige kind voorrang boven zijn onderhoudsverplichting jegens zijn partner, zodat het beroep op de aanvaardbaarheidstoets niet slaagt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 400, geldigheid: 2014-08-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 7 augustus 2014

Zaaknummer: F 200.134.504/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/173436 / FA RK 12-843

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.L.J.M. Wilhelmus,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. F.E.H.M. van Aken.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 3 juli 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 september 2013, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man met ingang van 1 mei 2012 gehouden is een bijdrage van € 300,-- per maand te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarige, dan wel een dusdanig bedrag c.q. ingangsdatum als het hof juist acht en voor zover de wet dit toelaat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 november 2013, heeft de man verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen onder handhaving, zo nodig met verbetering van de gronden, van de bestreden beschikking, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

Tevens heeft de man bij voornoemd verweerschrift incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man een bijdrage zal voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen van:

  • -

    met ingang van 1 september 2012 tot 1 maart 2013 € 93,75 per maand;

  • -

    met ingang van 1 maart 2013 tot 1 mei 2013 nihil;

  • -

    met ingang van 1 mei 2013 tot 1 juli 2013 € 93,75 per maand;

  • -

    met ingang van 1 juli 2013 tot 1 september 2013 nihil;

  • -

    met ingang van 1 september 2013 tot 1 januari 2014 € 93,75 per maand;

  • -

    met ingang van 1 januari 2014 nihil,

althans een zodanig bedrag als het hof juist acht, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide procedures.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 7 maart 2014, heeft de vrouw verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het hoger beroep van de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 juli 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 17 april 2013;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de man op 19 juni 2014.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit die relatie is geboren:

- [kind1] (hierna: [kind1]), op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats].

De man heeft [kind1] erkend.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de man veroordeeld om met ingang van 1 september 2012 tot 1 maart 2013 aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 187,50 per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind1]. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

3.3.

Partijen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De grieven van partijen betreffen - zakelijk weergegeven - :

  • -

    de ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage (grief 3 van de vrouw);

  • -

    de behoefte van [kind1] (grief 1 van de vrouw);

  • -

    de verdiencapaciteit van de man (grief 4 van de vrouw);

  • -

    de draagkracht van de man (grief 2 en 5 van de vrouw);

  • -

    de verdiencapaciteit van de vrouw (grief 1 van de man);

  • -

    de proceskosten (grief 2 van de man).

Ingangsdatum

3.5.

De ingangsdatum van de vastgestelde onderhoudsbijdrage, zijnde 1 september 2012, is tussen partijen in geschil.

3.5.1.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de ingangsdatum van de door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten onrechte heeft bepaald op 1 september 2012. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank er geen rekening mee heeft gehouden dat de man ermee bekend was dat hij ook de periode voorafgaand aan de indiening van het inleidend verzoekschrift diende bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind1]. De vrouw is van mening dat de ingangsdatum op 1 mei 2012 moet worden bepaald.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd.

3.5.2.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de rechter vrij is de ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage te bepalen op een dag gelegen voor de uitspraak, op de dag van de uitspraak of – als sprake is van een relevante toekomstige verandering – na de uitspraak. Het hof is van oordeel dat, gelet op het vorenoverwogene, de rechter de vrijheid heeft om de ingangsdatum van de onderhouds-bijdrage voor de datum van de indiening van het verzoekschrift te bepalen. Het hof ziet hiervoor aanleiding nu tussen partijen niet in geschil is dat zij reeds in mei 2012 hebben gecorrespondeerd over een door de man te betalen onderhoudsbijdrage, zodat de man – naar het oordeel van het hof – vanaf 1 mei 2012 rekening kon houden met het eventueel verschuldigd zijn van een onderhoudsbijdrage. Het hof zal daarom – anders dan de rechtbank – de ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage vaststellen op 1 mei 2012.

Grief 3 van de vrouw slaagt derhalve.

Behoefte [kind1]

3.6.

De door de rechtbank vastgestelde behoefte ad € 187,50 per maand is in hoger beroep in geschil.

3.6.1.

De vrouw voert aan dat het inkomen van partijen ten tijde van het uiteengaan van partijen in 2010 bepalend is voor de vaststelling van de behoefte van [kind1]. De vrouw verwijst daarbij naar de uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden van 10 januari 2012, LJN: BV1109. De vrouw heeft ter zitting van het hof hieraan toegevoegd dat de rechtbank Overijsel op 27 november 2013 (ECLI:RBOVE:2013:2997) in een vergelijkbare zaak bij de behoeftebepaling het inkomen van partijen in het geboortejaar van de minderjarige als uitgangspunt heeft genomen. De vrouw becijfert de behoefte van [kind1] – aan de hand van de inkomensgegevens over 2010 – op € 350,-- per maand.

3.6.2.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij stelt dat de relatie van partijen voor de geboorte van [kind1] reeds was verbroken, zodat volgens hem de behoefte van [kind1] niet kan worden gebaseerd op het inkomen van partijen in 2010. De man kan zich wél verenigen met de door de rechtbank vastgestelde behoefte van [kind1] van € 187,50 per maand, nu er geen aanknopingspunt bestaat wanneer partijen de relatie hebben verbroken.

3.7.

Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

3.7.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij gedurende hun affectieve relatie nimmer hebben samengewoond. Volgens de Werkgroep Alimentatienormen dient de behoefte van een kind dat nooit in gezinsverband met beide ouders heeft geleefd te worden bepaald door het gemiddelde te nemen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder. De omstandigheid dat de relatie van partijen voor de geboorte van [kind1] reeds was verbroken maakt dat – naar het oordeel van het hof – niet anders. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de relatie van partijen klaarblijkelijk in het begin van 2010 nog niet was verbroken, nu [kind1] eind 2010 is geboren. Het hof acht het dan ook redelijk om de behoefte van [kind1] te becijferen aan de hand van de inkomens van partijen in 2010, omdat een kind in een zaak als de onderhavige door het uiteengaan van de ouders niet in een financieel slechtere positie terecht behoort te komen dan in de situatie waarin de ouders nog een affectieve relatie met elkaar hadden.

3.7.2.

Het hof zoekt voor de vaststelling van de behoefte van [kind1] aansluiting bij de ‘tabel eigen aandeel kosten van kinderen’ als gehanteerd door de Werkgroep Alimentatienormen, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met het netto besteedbaar inkomen ten tijde van de relatie, derhalve de tabel (1 kind, 4 punten) zoals weergegeven in de bijlage 2010 eerste helft behorende bij het Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2010 (hierna: het Tremarapport).

Behoefte [kind1] op basis van de gegevens van de vrouw

3.7.3.

Blijkens de overgelegde Aanslag 2010 Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen (hierna: Aanslag IB 2010) had de vrouw in het jaar 2010 een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.511,--. Aan de hand van dit uitgangspunt becijfert het hof het netto besteedbaar inkomen van de vrouw ten tijde van de relatie op een bedrag ter hoogte van € 2.088,-- per maand.

Met inachtneming van de voor het jaar 2010 geldende ‘tabel eigen aandeel kosten kinderen’ en de leeftijd van de minderjarige in 2010 kan de behoefte van [kind1] in 2010 worden vastgesteld op circa € 295,-- per maand.

Behoefte [kind1] op basis van de gegevens van de man

3.7.4.

Uit de overgelegde Aanslag IB 2010 volgt dat de man in het jaar 2010 een belastbaar inkomen uit werk en woning had van € 34.815,--. Aan de hand van dit uitgangspunt becijfert het hof het netto besteedbaar inkomen van de man ten tijde van de relatie op een bedrag ter hoogte van € 2.102,-- per maand.

Met inachtneming van de voor het jaar 2010 geldende ‘tabel eigen aandeel kosten kinderen’ en de leeftijd van de minderjarige in 2010 kan de behoefte van [kind1] in 2010 worden vastgesteld op circa € 297,-- per maand.

3.7.5.

De gemiddelde behoefte van [kind1] in 2010 bedraagt alsdan € 296,-- per maand.

De naar analogie van artikel 1:402a lid 1 BW geïndexeerde behoefte van [kind1] bedraagt in 2012 € 302,54 per maand, in 2013 € 307,68 per maand en in 2014 € 310,45 per maand.

Grief 3 van de vrouw slaagt gedeeltelijk.

Draagkracht man

3.8.

De vrouw stelt dat de man de draagkracht heeft om de door haar verzochte bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind1] van € 300,-- per maand te voldoen.

De man heeft dit gemotiveerd betwist.

3.9.

Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens. Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

A. Inkomen van de man

3.10.

De werkgever van de man [werkgever1] is op 16 januari 2013 failliet verklaard. In de periode van 1 maart 2013 tot 1 mei 2013 heeft de man een WW-uitkering ontvangen van 75% van zijn dagloon ad € 108,36, derhalve € 81,27 per dag. In de periode van 1 mei 2013 tot 1 maart 2014 is de man in dienst geweest bij [werkgever2]

Per 3 maart 2014 ontvangt de man een WW-uitkering van 75% van zijn dagloon ad € 121,50 en met ingang van 3 mei 2014 ontvangt de man een WW-uitkering van 70% van zijn dagloon.

3.10.1.

Het voorgaande brengt met zich dat het hof, mede op grond van praktische overwegingen, het (netto besteedbaar) inkomen van de man zal vaststellen in de navolgende perioden:

- de periode van 1 mei 2012 tot 1 maart 2013;

- de periode van 1 maart 2013 tot 1 mei 2013;

- de periode van 1 mei 2013 tot 1 maart 2014;

- de periode van 1 maart 2014 tot 1 mei 2014;

- de periode met ingang van 1 mei 2014.

* de periode van 1 mei 2012 tot 1 maart 2013

3.10.2.

Het inkomen van de man is in deze periode niet in geschil, zodat het hof – conform de bestreden beschikking – zal uitgaan van een netto besteedbaar inkomen van € 1.825,-- per maand.

* de periode van 1 maart 2013 tot 1 mei 2013

3.10.3.

De vrouw voert aan dat de rechtbank met ingang van 1 maart 2013 ten onrechte niet is uitgegaan van de verdiencapaciteit van de man. De vrouw is van mening dat sprake is van herstelbaar inkomensverlies, waardoor geen rekening dient te worden gehouden met de WW-uitkering van de man.

3.10.3.1. De man voert aan dat hij zijn inkomensvermindering niet zelf teweeg heeft gebracht, nu zijn werkgever failliet is verklaard. De man heeft getracht zo spoedig mogelijk een nieuwe baan te vinden, hetgeen ook heeft geleid tot een nieuwe baan per 1 mei 2013. De man is van mening dat hem niet kan worden verweten dat hij in de periode van 1 maart 2013 tot 1 mei 2013 een (lager) inkomen uit WW-uitkering heeft gehad.

3.10.3.2. Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

Vast staat dat er sprake is van een inkomensvermindering aan de zijde van de man. De man heeft in de periode van 1 maart 2013 tot 1 mei 2013 een WW-uitkering ontvangen. Volgens vaste jurisprudentie moet bij de beantwoording van de vraag of bij het vaststellen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige al dan niet rekening wordt gehouden met deze inkomensvermindering, allereerst worden beoordeeld of het een door gedragingen van de onderhoudsplichtige zelf teweeggebrachte inkomensvermindering betreft. Het hof is van oordeel dat hiervan geen sprake is, nu de werkgever van de man failliet is verklaard en uit de door de brief van de curator van [werkgever1] d.d. 18 januari 2013 volgt dat de rechter-commissaris op 17 januari 2013 machtiging heeft verleend voor het ontslag van de man. Dit brengt met zich dat het hof vervolgens de vraag dient te beantwoorden of de man in staat is om zijn oude inkomen te verwerven en of dit van hem kan worden gevergd. Uit het feit dat aan de man een WW-uitkering is toegekend en dat de man reeds per 1 mei 2013 een nieuwe dienstbetrekking bij [werkgever2] heeft verworven, leidt het hof af dat de man aan de op hem rustende sollicitatieverplichting heeft voldaan. Het hof ziet daarom geen aanleiding om bij de berekening van de draagkracht van de man rekening te houden met zijn verdiencapaciteit.

3.10.3.3. Het hof zal – conform de bestreden beschikking – rekening houden met de WW-uitkering van de man van € 1.760,-- bruto per maand. Grief 4 van de vrouw faalt derhalve.

De man heeft in deze periode recht op de algemene heffingskorting, maar niet meer dan de ingehouden loonheffing.

* de periode van 1 mei 2013 tot 1 maart 2014

3.10.4.

Het inkomen van de man bedraagt blijkens de salarisspecificatie van de maand september 2013 € 2.400,-- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

De man heeft recht op de volgende heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting,

maar niet meer dan de ingehouden loonheffing.

Op grond van het vorenstaande stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de man vast op een bedrag van € 1.895,-- per maand.

* de periode van 1 maart 2014 tot 1 mei 2014

3.10.5.

Uit het door de man overgelegde besluit toekenning WW-uitkering d.d. 17 maart 2014 volgt dat het dagloon van de man is vastgesteld op € 121,50 bruto. De WW-uitkering van de man gedurende de periode van 1 maart 2014 tot 1 mei 2014 bedroeg € 75% van € 121,50, derhalve € 91,12 bruto per dag.

Uitgaande van voormeld dagloon becijfert het hof het bruto maandinkomen van de man in deze periode op € 1.974,26. Blijkens voormelde toekenning WW-uitkering wordt van de uitkering 8% vakantiegeld afgetrokken en gereserveerd. Dit vakantiegeld ontvangt de man jaarlijks in de maand mei of op het moment dat de uitkering eindigt.

De man heeft recht op de algemene heffingskorting, maar niet meer dan de ingehouden loonheffing.

Op grond van het vorenstaande stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de man vast op een bedrag van € 1.407,-- per maand.

* de periode met ingang van 1 mei 2014.

3.10.6.

Uit voormeld besluit van het UWV blijkt voorts dat de WW-uitkering van de man met ingang van 3 mei 2014 wordt verlaagd naar 70% van het dagloon, derhalve € 85,05 bruto per dag.

Uitgaande van voormeld dagloon becijfert het hof het bruto maandinkomen van de man in deze periode op € 1.842,75. Van de uitkering wordt 8% vakantiegeld afgetrokken en gereserveerd, dit ontvangt de man jaarlijks in de maand mei of op het moment dat de uitkering eindigt.

De man heeft in deze periode recht op de algemene heffingskorting, maar niet meer dan de ingehouden loonheffing.

Op grond van het vorenstaande stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de man vast op een bedrag van € 1.334,-- per maand.

B. Lasten van de man

3.11.

Het hof stelt vast dat de vrouw voor wat betreft de lasten van de man alleen een grief heeft aangevoerd tegen de door de rechtbank in aanmerking genomen schulden van de man, zodat het hof alleen deze post hieronder zal bespreken. Het hof zal de overige lasten van de man uit de bestreden beschikking overnemen.

Aflossing schulden

3.12.

De vrouw is van mening dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met de studieschuld en de belastingschuld van de man. De vrouw stelt daartoe dat de aflossing op deze schulden niet prevaleert boven de kinderalimentatie. Door de man is voorts niet aangetoond dat hij daadwerkelijk regelmatig op deze schulden aflost noch dat de studieschuld nog niet afgelost had kunnen zijn. De vrouw stelt verder dat de man heeft erkend dat hij pas per 1 januari 2013 aflost op de belastingschuld. De vrouw is subsidiair van mening dat in de periode van 1 mei 2012 tot 1 januari 2013 met de belastingschuld geen rekening mag worden gehouden .

3.12.1.

De man heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. De man stelt dat in beginsel alle schulden van invloed zijn op zijn draagkracht. De man stelt verder dat de lening bij DUO ad € 17.120,53 noodzakelijk was om te kunnen studeren. De schuld aan de belastingdienst ziet op een openstaand bedrag betreffende het jaar 2009 van € 2.082,--. De man was niet in staat om dit bedrag ineens te voldoen en is hiervoor een betalingsregeling overeengekomen. De man heeft ter zitting van het hof erkend dat hij voor het eerst op 1 januari 2013 op de schuld aan de belastingdienst heeft afgelost.

3.12.2.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Bij de berekening van de draagkracht van een onderhoudsplichtige wordt in beginsel rekening gehouden met alle schulden die zijn aangegaan vóór de totstandkoming van de alimentatieverplichting, tenzij een schuld onnodig is aangegaan. Niet van belang is of daadwerkelijk op de schuld wordt afgelost (vgl. HR 11 juli 2008, NJ 2008, 402). Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat beide schulden vóór de totstandkoming van de alimentatieverplichting zijn ontstaan. Het hof zal daarom evenals de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houden met de aflossing op de schuld bij DUO van € 138,73 per maand en met de aflossing op de schuld aan de belastingdienst van € 174,-- per maand, met dien verstande dat het hof – anders dan de rechtbank – pas per 1 januari 2013 rekening zal houden met de schuld aan de belastingdienst. Het hof merkt in dit verband op dat weliswaar ingevolge voornoemde uitspraak van de Hoge Raad niet vereist is dat ook daadwerkelijk door de onderhouds-plichtige op de schuld wordt afgelost, maar gelet op de zwaarwegende prioriteit van kinderalimentatie, ziet het hof aanleiding om voor het eerst per 1 januari 2013 rekening te houden met de aflossing op de schuld aan de belastingdienst.

Grief 2 van de vrouw slaagt gedeeltelijk.

Draagkracht vrouw

3.13.

De man heeft in incidenteel appel aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de verdiencapaciteit van de vrouw. De vrouw moet – mede gelet op haar opleidingsniveau – in staat worden geacht eigen inkomsten te verwerven, zodat partijen een gelijk aandeel in de kosten van [kind1] kunnen leveren. De vrouw heeft niet aangetoond dat zij thans niet in staat is om te werken dan wel dat zij solliciteert.

3.13.1.

De vrouw stelt primair dat de man in eerste aanleg de verdiencapaciteit van de vrouw niet aan de orde heeft gesteld, zodat reeds om die reden de incidentele grief van de man niet kan slagen.

Subsidiair voert de vrouw aan dat zij door een reorganisatie haar baan heeft verloren en thans een bijstandsuitkering ontvangt. De vrouw stelt dat gelet op de situatie op de arbeidsmarkt het voor haar als alleenstaande moeder zeer moeilijk is om een baan te verwerven.

3.13.2.

Het hof stelt vast dat de man in zijn verweerschrift in eerste aanleg reeds heeft aangevoerd dat de vrouw in staat moet worden geacht eigen inkomsten te genereren, waardoor haar aandeel in de kosten voor [kind1] niet lager dient te zijn dan het aandeel van de man hierin. Het hof vat grief 1 van de man in incidenteel appel dan ook op als een uitbreiding van het door de man in eerste aanleg gevoerde verweer. Het hof komt hierdoor toe aan de inhoudelijke beoordeling van grief 1 van de man. Het hof merkt in dit verband op dat uit het feit dat aan de vrouw een bijstandsuitkering is toegekend en dat deze uitkering is gecontinueerd, de vrouw aan de sollicitatieverplichting in het kader van de Wet werk en bijstand heeft voldaan. Wel mag – naar het oordeel van het hof – van de vrouw worden verwacht dat zij, gelet op de ook op haar rustende onderhoudsverplichting jegens [kind1], zich tot het uiterste zal inspannen om in de nabije toekomst een betaalde baan te verwerven, zodat zij naast de man een substantieel aandeel in de kosten van [kind1] kan leveren. Het hof zal hieraan echter vooralsnog voor het verleden en de nabije toekomst geen financiële consequenties verbinden. Het hof zal daarom bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw thans geen rekening houden met de verdiencapaciteit van de vrouw. Nu de vrouw een bijstandsuitkering ontvangt heeft de vrouw op dit moment geen draagkracht om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind1].

Grief 1 van de man in incidenteel appel faalt.

Vaststelling van de alimentatie in de perioden tot 1 mei 2013

3.14.

Nu de ingangsdatum van de vaststelling van de onderhoudsbijdrage voor 1 april 2013 ligt zal het hof de door de man te betalen kinderalimentatie in de periode van 1 mei 2012 tot 1 januari 2013, de periode van 1 januari 2013 tot 1 maart 2013 en in de periode van 1 maart 2013 tot 1 mei 2013 vaststellen volgens het “oude systeem”.

* de periode van 1 mei 2012 tot 1 januari 2013

3.15.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het draagkrachtloos inkomen van de man vastgesteld op een bedrag van € 1.534,-- per maand. Nu het hof, anders dan de rechtbank, in deze periode geen rekening zal houden met de aflossing van de schuld aan de belastingdienst van € 174,-- per maand dient voornoemd draagkrachtloos inkomen van de man met dit bedrag te worden verlaagd. Het draagkrachtloos inkomen van de man bedraagt daarmee € 1.360,-- per maand. De man heeft derhalve een draagkrachtruimte van € 465,-- per maand (€ 1.825,-- minus € 1.360,--). Daarvan is 70% beschikbaar voor de betaling van een onderhoudsbijdrage.

Het hof stelt vast dat de man in deze periode de draagkracht heeft om de door de vrouw verzochte bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind1] van € 300,-- per maand te voldoen. De man is gehouden dit bedrag aan de vrouw te voldoen, nu het hof in rov. 3.7.5. heeft geoordeeld dat [kind1] ook behoefte heeft aan deze bijdrage.

* de periode van 1 januari 2013 tot 1 maart 2013

3.16.

Het hof stelt vast dat de door de vrouw geformuleerde grieven omtrent de draagkracht van de man niet opgaan. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de man in deze periode een draagkracht heeft van afgerond € 203,-- per maand. Nu het hof reeds heeft geoordeeld dat [kind1] ook behoefte heeft aan deze bijdrage, is de man in deze periode gehouden een bedrag van € 203,70 per maand te betalen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind1].

* de periode van 1 maart 2013 tot 1 mei 2013

3.17.

Het hof stelt vast dat de door de vrouw geformuleerde grieven omtrent de draagkracht van de man niet opgaan. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de man in deze periode geen draagkracht heeft om enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind1] te voldoen.

Vaststelling van de alimentatie in de perioden tot 1 mei 2013

3.18.

Nu er in de onderhavige zaak tevens sprake is van een wijziging van omstandigheden per 1 mei 2013 (het dienstverband met [werkgever2]) zal het hof, conform het Tremarapport, de kinderalimentatie voor de perioden met ingang van 1 mei 2013 vaststellen volgens de nieuwe richtlijn kinderalimentatie die per 1 april 2013 geldt.

* de periode van 1 mei 2013 tot 1 oktober 2013

3.19.

Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man is in deze periode hoger dan € 1.500,--, te weten € 1.895,--, waardoor de draagkracht van de man dient te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 850)].

Het hof laat het fiscaal voordeel buiten beschouwing omdat de man over het verleden het fiscaal voordeel niet meer kan realiseren.

Het hof stelt vast dat de man volgens de formule in deze periode de draagkracht heeft om volledig in de behoefte van [kind1] te voorzien.

Zorgkorting

3.20.

Partijen hebben ter zitting in hoger beroep het hof gevraagd de zorgkorting conform de richtlijn in het Tremarapport toe te passen. Tussen partijen is niet in geschil dat zij door middel van een opbouwregeling ernaar streven dat tussen de man en [kind1] een reguliere omgangsregeling van één weekend per twee weken tot stand komt. Het hof zal dan ook rekening houden met de daarmee corresponderende zorgkorting van 15%.

Nu het eigen aandeel van de ouders in de kosten voor [kind1] in 2013 € 307,68 per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 46,15 per maand.

3.21.

Na aftrek van de zorgkorting dient de man afgerond met een bedrag van € 261,-- per maand bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind1].

Aanvaardbaarheidstoets

3.22.

De man heeft ter zitting van het hof een beroep op de aanvaardbaarheidstoets gedaan. De man verzoekt rekening te houden met zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van zijn schuld aan de belastingdienst en zijn schuld aan DUO, daartoe stellende dat het gaat om lasten die noodzakelijk waren en waarvan hij zich niet kon bevrijden. De man heeft verder aangevoerd dat in de maanden juli en augustus 2013 en vanaf januari 2014 geen draagkracht voor de betaling van kinderalimentatie resteert, omdat zijn partner in die maanden geen inkomen heeft.

3.22.1.

De vrouw maakt hiertegen gemotiveerd bezwaar, daartoe stellende dat de betalingsverplichtingen uit hoofde van de schulden aan de belastingdienst en DUO geen prioriteit hebben boven de betaling van kinderalimentatie. De vrouw voert verder aan dat de man niet heeft aangetoond dat hij door de aflossing op deze schulden en de door hem te betalen bijdrage die uit de formule wordt afgeleid niet meer in zijn noodzakelijke kosten van levensonderhoud kan voorzien.

De vrouw heeft ter zitting van het hof aangevoerd dat het voor haar niet verifieerbaar is dat de partner van de man in de door de man gestelde perioden geen inkomen heeft gehad.

3.22.2.

Het hof is van oordeel dat de door de man genoemde betalingsverplichtingen aan de belastingdienst en DUO niet voldoen aan de daaraan te stellen cumulatieve voorwaarden, waardoor die verplichtingen niet leiden tot een verhoging van het forfaitaire bedrag voor de kosten van levensonderhoud. Het hof overweegt daartoe dat de man op geen enkele wijze met onderliggende stukken heeft aangetoond dat hij door voornoemde betalings-verplichtingen niet meer in zijn noodzakelijke kosten van levensonderhoud kan voorzien.

3.22.2.1. Nu de man heeft aangevoerd dat zijn partner in de door hem gestelde perioden geen inkomen heeft gehad en op dat moment de nieuwe richtlijn kinderalimentatie reeds van toepassing was, zal het hof deze stelling van de man in het kader van de aanvaardbaarheids-toets beoordelen. Het hof is van oordeel dat grond van het bepaalde in artikel 1:400 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de onderhoudsverplichting van de man jegens [kind1] en later ook jegens [kind2] voorrang heeft boven zijn onderhoudsverplichting jegens zijn partner, zodat ook dit beroep op de aanvaardbaarheidstoets niet slaagt.

3.22.2.2. Het hof stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind1] in deze periode derhalve vast op € 261,-- per maand.

* de periode van 1 oktober 2013 tot 1 maart 2014

3.23.

Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat vanaf deze periode de beschikbare draagkracht van de man gelijk over [kind1] en [kind2] dient te worden verdeeld.

3.24.

De totale draagkracht van de man bedraagt volgens de formule in deze periode (bij een NBI van € 1.895,-- per maand) € 333,55 per maand. Het hof laat het fiscaal voordeel buiten beschouwing omdat de man over het verleden het fiscaal voordeel niet meer kan realiseren.

Zorgkorting

3.25.

Nu de draagkracht van de man en de vrouw tezamen in deze periode onvoldoende is om volledig in de behoefte van [kind1] te voorzien, en dit tekort groter is dan twee maal de zorgkorting kan de man zijn aanspraak op de zorgkorting niet effectueren en dient de man maximaal bij te dragen in de behoefte van [kind1].

Aanvaardbaarheidstoets

3.26.

Nu het hof reeds heeft geoordeeld dat het door de man gedane beroep op de aanvaardbaarheidstoets niet opgaat, stelt het hof de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind1] vast op € 166,-- per maand.

* de periode van 1 maart 2014 tot 1 mei 2014

3.27.

De totale draagkracht van de man bedraagt volgens de formule in deze periode (bij een NBI van € 1.407,-- per maand) € 94,43 per maand.

Zorgkorting

3.28.

Nu de draagkracht van de man en de vrouw tezamen in deze periode onvoldoende is om volledig in de behoefte van [kind1] te voorzien, en dit tekort groter is dan twee maal de zorgkorting kan de man zijn aanspraak op de zorgkorting niet effectueren en dient de man maximaal bij te dragen in de behoefte van [kind1].

Aanvaardbaarheidstoets

3.29.

Nu het hof reeds heeft geoordeeld dat het door de man gedane beroep op de aanvaardbaarheidstoets niet opgaat, stelt het hof de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind1] vast op een bedrag van afgerond € 47,-- per maand.

* de periode met ingang van 1 mei 2014

3.30.

De totale draagkracht van de man bedraagt volgens de formule (bij een NBI van € 1.334,-- per maand) afgerond € 58,-- per maand.

Zorgkorting

3.31.

Nu de draagkracht van de man en de vrouw tezamen in deze periode onvoldoende is om volledig in de behoefte van [kind1] te voorzien, en dit tekort groter is dan twee maal de zorgkorting kan de man zijn aanspraak op de zorgkorting niet effectueren en dient de man maximaal bij te dragen in de behoefte van [kind1].

Aanvaardbaarheidstoets

3.32.

Nu het hof reeds heeft geoordeeld dat het door de man gedane beroep op de aanvaardbaarheidstoets niet opgaat, stelt het hof de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind1] vast op een bedrag van afgerond € 29,-- per maand.

Proceskosten

3.33.

De man voert aan dat de rechtbank ten onrechte de proceskosten heeft gecompenseerd. De man stelt daartoe dat hij heeft getracht om met de vrouw in onderling overleg tot een regeling inzake de kinderalimentatie te komen. De vrouw heeft hieraan geen medewerking verleend. De man is daarom van mening dat de vrouw in de kosten van beide procedures dient te worden veroordeeld.

3.33.1.

De vrouw voert hiertegen aan dat de man in eerste aanleg niets omtrent de proceskosten heeft aangevoerd, waardoor reeds om die reden de grief van de man niet kan slagen. De vrouw betwist subsidiair dat er sprake is van onnodige procedures. Partijen zijn er niet in geslaagd om via mediation tot overeenstemming te komen. De vrouw stelt dat het gebruikelijk is om de proceskosten in zaken als deze te compenseren.

3.33.2.

Het hof stelt vast dat partijen in eerste aanleg zich niet over de proceskosten hebben uitgelaten. De rechtbank heeft ambtshalve de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. Het hof is van oordeel dat het de man vrij staat om in hoger beroep een grief tegen deze beslissing van de rechtbank te richten. Het hof ziet echter in hetgeen de man in zijn grief heeft aangevoerd, geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel die inhoudt dat de proceskosten in zaken met een familierechtelijke aard worden gecompenseerd.

Grief 2 van de man faalt derhalve.

3.34.

De beschikking waarvan beroep dient gedeeltelijk te worden vernietigd, omwille van de leesbaarheid zal het hof echter de gehele beschikking, behoudens hetgeen ten aanzien van de proceskosten is opgenomen, vernietigen.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 3 juli 2013, behoudens voor wat betreft het bepaalde ten aanzien van de proceskosten,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind1], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats], zal voldoen een bedrag van:

  • -

    € 300,-- per maand voor wat betreft de periode van 1 mei 2012 tot 1 januari 2013;

  • -

    € 203,-- per maand voor wat betreft de periode van 1 januari 2013 tot 1 maart 2013;

  • -

    nihil voor wat betreft de periode van 1 maart 2013 tot 1 mei 2013;

  • -

    € 261,-- per maand voor wat betreft de periode van 1 mei 2013 tot 1 oktober 2013;

  • -

    € 166,-- per maand voor wat betreft de periode van 1 oktober 2013 tot 1 maart 2014;

  • -

    € 47,-- per maand voor wat betreft de periode van 1 maart 2014 tot 1 mei 2014;

  • -

    € 29,-- per maand met ingang van 1 mei 2014, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de in beide instanties gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, M.C. Bijleveld-van der Slikke en A.P. van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2014.