Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2666

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-08-2014
Datum publicatie
08-08-2014
Zaaknummer
F 200.141.172_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 7 augustus 2014

Zaaknummer: F 200.141.172/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/255584 / FA RK 12-6133

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te [woonplaats] (België),

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. K. Coenders-El Dahri,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.E. de Wijn.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 1 november 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 januari 2014, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna nader te noemen [zoon 1] met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift alsnog af te wijzen, althans een bijdrage en een ingangsdatum vast te stellen als het hof juist acht. Kosten rechtens.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 juli 2014. Bij die gelegenheid is gehoord:

- de man, bijgestaan door mr. Coenders-El Dahri.

Hoewel behoorlijk opgeroepen, zijn de vrouw noch haar advocaat ter zitting verschenen.

2.3.Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V-formulier met bijgevoegd de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 19 maart 2014;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 20 juni 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 28 juli 2007 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk is geboren:

- [zoon 1] (hierna: [zoon 1]), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats].

Uit een eerder huwelijk van de man zijn geboren:

- [zoon 2], op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats];

- [zoon 3], op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats].

3.2.

Bij beschikking van 18 maart 2011 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 4 mei 2011 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank heeft voorts de getroffen onderlinge regelingen, zoals vermeld in het zorgconvenant d.d. 4 oktober 2010, opgenomen in de beschikking.

In dit zorgconvenant wordt, voor zover thans van belang, het volgende vermeld.

Partijen constateren dat de man op dat moment, mede gezien zijn persoonlijke faillissement, geen draagkracht bezat om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon 1] te betalen. Vanaf het moment dat het faillissement zal zijn opgeheven, zullen partijen met elkaar in overleg treden, met het doel de bijdrage die door de man zal worden voldaan terzake de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon 1], met inachtneming van de normen als vastgelegd door de werkgroep Tremanormen, vast te stellen.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank met ingang van 22 november 2012 de bijdrage door de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud te voldoen, vastgesteld op nihil. De rechtbank heeft voorts, uitvoerbaar bij voorraad, met ingang van 22 november 2012 de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon 1] vastgesteld op € 175,- per maand. De rechtbank heeft de proceskosten aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.4.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. De grieven van de man hebben betrekking op de behoefte van [zoon 1] en op de draagkracht van de man.

Omvang beroep

3.5.

De man heeft volledige vernietiging van de bestreden beschikking verzocht. Nu hij echter geen grieven heeft gericht tegen de nihilstelling van de partneralimentatie met ingang van 22 november 2012 en de proceskostencompensatie zal het hof het verzoek om vernietiging in hoger beroep in zoverre afwijzen.

Wijziging van omstandigheden

3.6.

Ingevolge artikel 1:401, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

3.7.

Niet in geschil is dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de onderhoudsbijdrage rechtvaardigt.

Ingangsdatum wijziging

3.8.

De ingangsdatum van de wijziging van hetgeen partijen eerder waren overeengekomen omtrent de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon 1], zijnde 22 november 2012, is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangspunt zal nemen.

Draagkracht man

3.9.

Het hof ziet aanleiding eerst de draagkracht van de man voor betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon 1] te bezien.

3.10.

De rechtbank is, ter becijfering van de draagkracht van de man, uitgegaan van negatieve inkomsten uit zijn onderneming en van de lasten als door de man opgegeven. Hieruit volgt, aldus de rechtbank in de bestreden beschikking, dat de man geen draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Nu de man in eerste aanleg heeft gesteld dat hij uit een lening van zijn ouders alimentatie betaalt voor [zoon 2] en [zoon 3] en de rechtbank het, gelet op het samenstel van factoren, onredelijk zou vinden als de man niet ook een bijdrage voldoet ten behoeve van [zoon 1], is de rechtbank van oordeel dat de man voor alle kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is op gelijke wijze dient bij te dragen. Gelet op de, door de rechtbank in aanmerking genomen, behoefte van [zoon 1] heeft de rechtbank de bijdrage voor [zoon 1] die de man moet voldoen vervolgens bepaald op € 175,- per maand.

3.11.

De man voert aan dat hij geen draagkracht heeft om een bijdrage te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon 1]. Dat zijn ouders hem een lening verstrekken ten behoeve van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon 2] en [zoon 3] staat hier buiten.

3.12.

Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft noch in eerste aanleg noch in hoger beroep verweer gevoerd tegen de door de man gestelde inkomsten en lasten. Uit deze financiële gegevens volgt dat de man niet de draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon 1] te voldoen. Het feit dat de ouders van de man hem geld lenen om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon 2] en [zoon 3], maakt zulks niet anders. Dat de man een lening krijgt ten behoeve van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon 2] en [zoon 3], rechtvaardigt niet de conclusie, dat hij draagkracht heeft.

3.13.

Nu de man geen draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon 1] te voldoen, dient het verzoek van de man om nihilstelling van deze bijdrage te worden toegewezen. Gelet hierop laat het hof de grief van de man omtrent de behoefte van [zoon 1] buiten beoordeling, nu het belang van de man hierbij ontbreekt.

Conclusie

3.14.

De beschikking waarvan beroep dient te worden vernietigd, voor zover het de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon 1] ten laste van de man betreft.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 1 november 2013, uitsluitend voor zover het de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon 1] betreft,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst het inleidend verzoek van de vrouw, voor zover het deze bijdrage betreft, af;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. mr. C.E.M. Renckens, M.C. van Dijkhuizen en P. Vlaardingerbroek en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2014.