Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2656

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-08-2014
Datum publicatie
24-12-2015
Zaaknummer
HD 200.138.321_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:3309
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

huur woonruimte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.138.321/01

arrest van 5 augustus 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. C.C.W.G.M. Janssens te Bergen op Zoom,

tegen

Stichting [stichting] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. D.H.J. Kochx te Etten-Leur,

op het bij exploot van dagvaarding van 29 november 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Bergen op Zoom van 6 november 2013, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnr. 773968 CV EXPL 13-2234)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis alsmede naar het tussenvonnis van 5 juni 2013.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep tevens houdende incidentele vordering tot schorsing van de ten uitvoerlegging met één productie;

- de memorie van grieven met vijf producties (genummerd 25 tot en met 29);

- akte intrekking incidentele vordering tot schorsing van de ten uitvoerlegging;

- de memorie van antwoord.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. De ouders van [appellant] huurden sedert 1 januari 1974 de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] (hierna: de woning) van de (rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] , laatstelijk tegen een huurprijs van € 371,83 per maand.

b. [appellant] is geboren op [geboortedatum] 1976.

c. De moeder van [appellant] is overleden op 31 maart 2012 en zijn vader op 17 oktober 2012.

d. Op 3 april 2012 heeft [appellant] zich in de gemeentelijke basisadministratie laten inschrijven op het adres [adres 1] te [plaats 1] . Zijn vader was toen opgenomen in een verpleeghuis.

e. In de periode van 26 maart 2007 tot 3 april 2012 stond [appellant] ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaats 2] en in de periode daarvoor op het adres [adres 3] te [plaats 3] .

f. Bij brief van 3 december 2012 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] verzocht de huur van de woning te mogen voortzetten. Hij deed daarbij een beroep op het bepaalde in artikel 7:268 lid 2 BW.

g. Bij brief van 18 december 2012 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] laten weten dat hij de woning uiterlijk 17 april 2013 leeg aan haar diende op te leveren.

3.2.1.

In de onderhavige procedure heeft [appellant] in conventie gevorderd te bepalen dat hij de huur van de woning zal voortzetten, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [appellant] doet een beroep op het bepaalde in artikel 7:268 lid 2 BW en voert hiertoe aan dat hij in de woning zijn hoofdverblijf had en met zijn ouders een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd, ten gevolge waarvan hij de huur kan voortzetten.

3.2.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. [geïntimeerde] heeft tevens in reconventie ontruiming door [appellant] van de woning gevorderd met machtiging tot eigenmachtige ontruiming op straffe van een dwangsombetaling, betaling door [appellant] van een vergoeding van € 371,83 per maand dat [appellant] de woning na 17 april 2013 in gebruik heeft en veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.3.

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter overwogen dat niet aangenomen kon worden dat [appellant] nagenoeg steeds zijn hoofdverblijf heeft gehad op het adres [adres 1] te [plaats 1] . De kantonrechter heeft vervolgens geoordeeld dat niet vastgesteld kan worden dat [appellant] in de woning een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn ouders heeft gehad zoals bedoeld in artikel 7:268 lid 2 BW. Voor bewijslevering door middel van het horen van buren/vrienden als getuige was geen aanleiding, aldus de kantonrechter.

Op grond daarvan heeft de kantonrechter de vordering van [appellant] afgewezen en de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

3.4.

[appellant] komt van dit vonnis in hoger beroep en heeft in hoger beroep een schorsingsincident opgeworpen. Nadat de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, bij vonnis in kort geding van 9 december 2013 de vordering van [appellant] , inhoudende primair de uitvoerbaarheid van het bestreden vonnis te schorsen en subsidiair [geïntimeerde] te verbieden tot ontruiming van de woning over te gaan, had afgewezen, heeft [appellant] bij akte ter rolle van 31 december 2013 de incidentele vordering ingetrokken. Het bestreden vonnis was reeds ten uitvoer gelegd en [appellant] had de woning ontruimd.

Nu [appellant] het incident heeft ingetrokken hoeft het hof derhalve geen beslissing in het incident meer te nemen.

3.5.

In de memorie van grieven heeft [appellant] vijf grieven aangevoerd. [appellant] klaagt met zijn grieven over de beslissing van de kantonrechter dat niet vastgesteld kan worden dat [appellant] in de woning zijn hoofdverblijf had (grieven 1 en 2) en dat hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn ouders heeft gehad zoals bedoeld in artikel 7:268 lid 2 BW (grieven 3, 4 en 5).

[appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen in conventie en heeft voorts gevorderd [geïntimeerde] niet-ontvankelijk te verklaren in haar reconventionele vordering dan wel deze haar te ontzeggen. Hierna zal bij de bespreking van de grieven blijken in hoeverre de vorderingen van [appellant] toewijsbaar zijn.

3.6.

Met de grieven is het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voorgelegd.

Het geschil tussen partijen betreft de vraag of [appellant] voldoet aan de voorwaarden die artikel 7:268 lid 2 BW stelt aan de voortzetting van de huur door de ‘samenwoner’ die geen medehuurder is in geval van overlijden van de huurder. Een dergelijk persoon dient in de woonruimte van de huurder zijn hoofdverblijf te hebben gehad en een met de overleden huurder duurzame gemeenschappelijke huishouding te hebben gevoerd.

Voor wat betreft het hoofdverblijf is het hof van oordeel dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellant] in ieder geval vanaf 3 april 2012, derhalve voor het overlijden van zijn vader op 17 oktober 2012, zijn hoofdverblijf had op het adres van zijn ouders aan de [adres 1] te [plaats 1] . Aan de voorwaarde van het hoofdverblijf hebben is derhalve voldaan.

De vraag is echter of [appellant] met zijn ouders dan wel vader een duurzame gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 7:268 lid 2 BW heeft gevoerd.

3.7.

Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 17 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:93) overwoog, moet de vraag of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding in de zin van artikel 7:268 lid 2 BW worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval in onderling verband.

De enkele omstandigheid dat een kind na zijn meerderjarig worden nog bij zijn ouder(s) in een gemeenschappelijke huishouding blijft wonen, brengt niet mee dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren, omdat dan in de regel sprake is van een aflopende samenlevingssituatie. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een samenleven van kind en ouder(s) na het zelfstandig worden van het kind worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in art. 7:268 lid 2 BW.

Dat bij ouders en inwonende kinderen in beginsel geen sprake is van een duurzame, maar juist van een aflopende gemeenschappelijke huishouding, kan onder meer anders zijn bij ‘terugkeerders’: volwassen kinderen die na hun jeugd uit huis zijn gegaan en zelfstandig hebben gewoond, maar op een gegeven moment bij hun ouders of een overgebleven ouder intrekken en een duurzame gemeenschappelijke huishouding zijn gaan voeren (vgl. Gerechtshof ’s-Gravenhage 16 oktober 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY0802).

Stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding rusten op degene die de vordering op grond van artikel 7:268 lid 2 BW instelt, waarbij ten aanzien van het bestaan van de gemeenschappelijke huishouding (niet ten aanzien van de duurzaamheid daarvan) een verzwaarde stelplicht geldt, in die zin dat voldoende concrete feiten omtrent de gestelde gemeenschappelijke huishouding dienen te worden aangevoerd (vgl. Hoge Raad 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6932).

Het hof merkt nog op dat de enkele omstandigheid dat de ‘samenwoner’ ten tijde van het overlijden van de huurder reeds kortere of langere tijd geen gemeenschappelijke huishouding meer met de huurder voerde omdat laatstgenoemde wegens ziekte of hulpbehoevendheid moest worden opgenomen in een ziekenhuis of zorgcentrum, niet meebrengt dat de vordering op grond van artikel 7:268 lid 2 BW moet worden afgewezen. In een dergelijk geval zal de rechter aan de hand van omstandigheden van het geval - waaronder de lengte van de periode van samenwonen, de redenen voor de opname van de huurder en de lengte van die opname - moeten beoordelen of de ‘samenwoner’ gelet op de strekking van deze bepaling daardoor beschermd dient te worden (HR 18 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1079).

3.8.

[appellant] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is geweest van een gemeenschappelijke duurzame huishouding met zijn ouders aangevoerd dat hij weliswaar pas op 3 april 2012 zich bij het GBA heeft ingeschreven op het adres van zijn ouders, maar dat hij in de jaren daarvoor ook al met zijn ouders in de woning woonde. Gedurende een korte periode heeft hij bij zijn broer gewoond, waarna hij weer is teruggekeerd naar zijn ouders. Het huishouden was gemeenschappelijk en de verzorging was in eerste instantie over en weer. Men deed gemeenschappelijk boodschappen en betaalde die gemeenschappelijk. [appellant] stelt dat hij rekeningen van Ziggo heeft betaald en dat hij aan zijn ouders wekelijks kostgeld betaalde. Ook deed hij boodschappen die hij meestal contant afrekende, behalve op 27 mei 2008 en op 3 juni 2008. Van deze data heeft [appellant] bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat hij die bedragen gepind heeft. Daarnaast werd er volgens [appellant] gemeenschappelijk gegeten en gekookt en gebruikte hij samen met zijn ouders de woonkamer, keuken en badkamer. De laatste periode verzorgde [appellant] zijn ouders. Nadat zijn moeder ziek was geworden heeft [appellant] meerdere huishoudelijke taken overgenomen, zoals koken en schoonmaken. Op aanwijzing van de huisarts en thuiszorg verzorgde hij zijn ouders en diende hij ook medicijnen toe. Nadat zijn moeder was gestorven, was zijn vader ziek maar de verwachting was dat hij weer zou herstellen.

3.9.

[geïntimeerde] heeft de gemeenschappelijkheid en de duurzaamheid van de huishouding betwist. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat [appellant] pas in de woning is gaan wonen nadat zijn ouders waren opgenomen in een verzorgingstehuis. [geïntimeerde] verwijst naar de inschrijving bij het GBA waaruit blijkt dat [appellant] in de periode 26 maart 2007 tot 3 april 2012 op het adres [adres 2] te [plaats 2] stond ingeschreven en vanaf 3 april 2012 op het adres van het ouderlijk huis.

Vervolgens stelt [geïntimeerde] dat de betaling van de rekeningen van Ziggo niet duidt op een gemeenschappelijke huishouding, aangezien het contract met Ziggo ook louter ten behoeve van zijn ouders kan zijn afgesloten. Ook de twee pinbetalingen wijzen niet op een gemeenschappelijke huishouding.

[geïntimeerde] stelt dat de omstandigheden die [appellant] noemt, hem niet onderscheiden van iedere andere willekeurige samenwoner die geen duurzame huishouding voert. Daarnaast is in de relatie tussen [appellant] en zijn ouders niet gebleken van wederkerigheid.

3.10.

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] gemotiveerd heeft betwist dat [appellant] een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd met zijn ouders dan wel vader. Op [appellant] , die aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat hij met zijn ouders dan wel vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding in het gehuurde heeft gevoerd, rust de bewijslast van die stelling en het bewijsrisico daarvan. [appellant] heeft voldoende feiten en omstandigheden gesteld welke, indien bewezen, kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Nu [appellant] een bewijsaanbod heeft gedaan zal hij tot bewijs worden toegelaten zoals hierna in het dictum is bepaald.

3.11.

Op grond van hetgeen [appellant] heeft gesteld ziet het hof aanleiding om [appellant] op te dragen om bankafschriften ook over de periode na 2 december 2009 (die tot die datum zijn al overgelegd) tot het overlijden van zijn vader aan het hof en de wederpartij over te leggen.

3.12.

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

4 De uitspraak

Het hof:

laat [appellant] toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat hij met zijn ouders dan wel vader op het adres [adres 1] te [plaats 1] een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd in de zin van artikel 7:268 lid 2 BW;

bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. W.H.B. den Hartog Jager als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 19 augustus 2014 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat [appellant] op genoemde roldatum tevens zijn bankafschriften over de periode vanaf 2 december 2009 tot het overlijden van zijn vader aan het hof en de wederpartij dient over te leggen;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] bij zijn opgave op genoemde roldatum een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, M.G.W.M. Stienissen en mr. I. Bouter en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 augustus 2014.