Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2650

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-08-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
HD 200.111.988_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:313
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verdeling na echtscheiding, afstorting pensioen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2000
PFR-Updates.nl 2014-0215
PJ 2014/153
FJR 2015/30.6

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.111.988/01

arrest van 5 augustus 2014

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats 1],

appellante,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. A.J.M. van Haaren te Arnhem,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. W.C.D.E. Wolfhagen te Breda

op het bij exploot van dagvaarding van 17 juli 2012 ingeleide hoger beroep van het eindvonnis van de rechtbank Breda van 25 april 2012, alsmede de tussenvonnissen van

7 januari 2009, 15 april 2009, 9 september 2009, 17 maart 2010, 2 juni 2010, 6 oktober 2010 en 5 oktober 2011, gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 194550 / HA ZA 08-1599)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar de in diezelfde zaak gewezen tussenvonnissen van 7 januari 2009, 15 april 2009, 9 september 2009, 17 maart 2010, 2 juni 2010, 6 oktober 2010 en 5 oktober 2011.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord met producties;

- de akte van uitlating;

- de antwoordakte van uitlating.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. Partijen zijn op [huwelijksdatum] 1993 te [plaats] (Turkije) met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden.

  2. Bij beschikking van de rechtbank Breda van 9 september 2008, welke beschikking op 10 oktober 2008 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand, is de echtscheiding uitgesproken.

3.2.

De vrouw heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd:

I. primair: de tussen partijen tot stand gekomen huwelijkse voorwaarden te vernietigen op grond van bedrog en/of misbruik van omstandigheden;

subsidiair: de tussen partijen tot stand gekomen huwelijkse voorwaarden te vernietigen op grond van dwaling;

II. deskundigen te benoemen die de echtelijke woning, staande en gelegen aan het [straatnaam][huisnummer] te [woonplaats 2] taxeren en de waarde van de ondernemingen van de man vaststellen;

III. primair: de verdeling vast te stellen van de huwelijksgoederengemeenschap zoals in productie 4, met in acht name van hetgeen in de onderhavige dagvaarding en de daarbij gevoegde producties is gesteld;

subsidiair: voor zover de tussen partijen tot stand gekomen huwelijkse voorwaarden niet worden vernietigd, de verdeling vast te stellen van de bestanddelen opgesomd in productie 5 en met in acht name van hetgeen in de onderhavige dagvaarding en de daarbij gevoegde producties is gesteld;

IV. de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen en uitvoering te geven aan de door de rechtbank vast te stellen verdeling op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, gedurende welke de man na betekening van dit vonnis in gebreke mocht blijven daaraan te voldoen.

3.3.

De man heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd:

I. primair: vast te stellen de scheiding en deling van hetgeen tussen partijen als gemeenschappelijk op de voet van hetgeen namens de man hierover in het lijf van de conclusie sub A scheiding en deling gemeenschappelijke goederen nr. 40 t/m 49 is aangegeven,

voorts te bepalen dat tussen partijen zal worden afgerekend op basis van de tussen hen op 19 maart 1993 overeengekomen huwelijkse voorwaarden als hiervoor sub 50 tot en met 54 in het lijf van de conclusie tevens eis in reconventie is aangegeven;

subsidiair: vast te stellen in goede justitie de wijze van verdeling van hetgeen tussen partijen als gemeenschappelijk geldt alsmede de wijze van afrekening op basis van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden;

meer subsidiair: in goede justitie vast te stellen op welke wijze tussen partijen vermogensrechtelijk behoort te worden gescheiden en gedeeld, alsmede afgerekend;

II. met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding.

3.4.

De rechtbank heeft – voor zover van belang – in het beroepen tussenvonnis van

15 april 2009 in conventie de door de vrouw gevorderde vernietiging van de tussen partijen

tot stand gekomen huwelijkse voorwaarden afgewezen.

Voorts heeft de rechtbank bij het, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, eindvonnis:

in conventie en reconventie:

I. de wijze gelast van verdeling van de gemeenschappelijke zaken als aangegeven in overweging 2.7;

II. de man veroordeeld om aan de vrouw wegens overbedeling/verrekening een bedrag van € 92.050,68 te betalen onder gelijktijdige verplichting van de vrouw de 96 aandelen in [achternaam man] International Beheer B.V. aan de man over te dragen;

III. de man veroordeeld om binnen twee maanden na heden over te gaan tot afstorting van een bedrag van € 68.531,- onder een door de vrouw aan te wijzen verzekeringsmaatschappij ter zake haar pensioenaanspraken in [achternaam man] International Beheer B.V.;

IV. de kosten van de procedure gecompenseerd tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

V. het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.5.

De vrouw kan zich met de beroepen vonnissen niet verenigen en zij is hiervan in

hoger beroep gekomen.

3.6.

Het hof stelt vast dat de vrouw tegen de tussenvonnissen van 7 januari 2009, 15 april

2009, 9 september 2009 en 2 juni 2010 geen grieven heeft gericht, zodat zij in haar beroep

daartegen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

3.7.

De vrouw heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd tegen het eindvonnis van

25 april 2012, alsmede de tussenvonnissen van 17 maart 2010, 6 oktober 2010 en 5 oktober

2011. De grieven van de vrouw zien op de volgende onderwerpen:

  • -

    Pensioenaanspraak in [achternaam man] Enterprises Ltd. (grief 1);

  • -

    Rekening-courantschuld [achternaam man] International Beheer B.V. (grief 2);

  • -

    Toyota RAV 4, kenteken [kenteken] (grief 3);

  • -

    Echtelijke woning (grief 4);

  • -

    Capitolrekening (grief 5).

3.8.

Het hof zal de onderwerpen hierna bespreken.

3.9.

Alvorens de hiervoor vermelde onderwerpen te bespreken, stelt het hof vast dat het petitum van de memorie van grieven van de vrouw niet aansluit bij de inhoud van de grieven. Het hof zal uitsluitend een oordeel geven over die onderwerpen die (ook voor de wederpartij) voldoende duidelijk ter beoordeling aan het hof zijn voorgelegd door middel van grieven tegen de vonnissen waarvan beroep.

3.10.

Voorts stelt het hof vast dat de vrouw in hoger beroep met betrekking tot meerdere onderdelen van het in eerste aanleg verschenen deskundigenrapport verweer heeft gevoerd tegen de inhoud van dat rapport. De man heeft aangevoerd dat de vrouw daarmee in strijd handelt met de goede procesorde, omdat zij in eerste aanleg nagelaten heeft om bij conclusie na deskundigenbericht verweer te voeren tegen de inhoud van het deskundigenrapport. Het hof verwerpt dit verweer nu het hoger beroep er mede toe dient om fouten en verzuimen uit de eerste aanleg te herstellen. Dit betekent dat het de vrouw vrij staat om in hoger beroep bezwaar te maken tegen onderdelen van het deskundigenrapport.

3.11.

Afstorting pensioenaanspraken in [achternaam man] Enterprises Ltd. (grief 1)

3.11.1.

Met betrekking tot het aandeel van de vrouw in de opgebouwde pensioenaanspraken in [achternaam man] Enterprises Ltd. ad € 144.442,- heeft de rechtbank, gelet op de conclusies van de deskundigen zoals weergegeven in het door de rechtbank gewezen tussenvonnis van

5 oktober 2011 (overweging 2.10 en 2.11), geoordeeld dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benodigde liquide middelen niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders kunnen worden verkregen zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering van de rechtspersoon en de onderneming waaraan deze is verbonden in gevaar te brengen.

3.11.2.

De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte de vordering van de vrouw ten aanzien van haar aandeel in de door haar opgebouwde pensioenaanspraken ad € 144.442,- in [achternaam man] Enterprises Ltd. heeft afgewezen. Volgens de vrouw hebben de door de rechtbank aangewezen deskundigen in hun deskundigenbericht nergens de conclusie getrokken dat de benodigde middelen niet kunnen worden vrijgemaakt zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering van [achternaam man] Enterprises Ltd. en de onderneming waaraan deze is verbonden in gevaar te brengen. Door de deskundigen is volgens de vrouw alleen geconcludeerd dat bij [achternaam man] Enterprises Ltd. geen liquide middelen voorhanden zijn om het pensioen ineens af te storten. De vrouw stelt dat er thans twee opties zijn. Ofwel afstorting wordt gespreid over een langere periode met verstrekking van zekerheden aan de vrouw, of wel er vindt afstorting plaats van een lager bedrag ineens indien partijen bereid zijn daarover een afspraak te maken.

Voorts stelt de vrouw dat [achternaam man] Enterprises Ltd. deel uit maakt van een uitgebreid transportconcern met een groot aantal BV’s, holdings en andere rechtspersonen, waarvan de man de volledige zeggenschap heeft en welk concern over voldoende middelen beschikt om tot een afstorting ineens of gespreid te komen.

Tot slot merkt de vrouw op dat de rechtbank volstrekt voorbij is gegaan aan het argument dat de pensioenrechten op naam van de vrouw zelf, zijn opgebouwd in een rechtspersoon waarin de man de volledige zeggenschap heeft en de vrouw geen enkele, hetgeen volgens de vrouw in strijd is met de pensioenwet. De vrouw stelt dat in een dergelijk geval op basis van redelijkheid en billijkheid toch voldoening aan de pensioenverplichtingen jegens de vrouw dient plaats te vinden.

3.11.3.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

In eerste aanleg heeft de rechtbank aan twee door haar benoemde deskundigen – kort samengevat – verzocht vast te stellen wat de aanspraken en de waarde van de pensioenrechten van de vrouw zijn ten laste van [achternaam man] International Beheer B.V. en [achternaam man] Enterprises Ltd. en of er mogelijkheden zijn tot afstorting. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de totale verwachte koopsommen neerkomen op € 68.531,- ten laste van [achternaam man] International Beheer B.V. en € 144.442,- ten laste van [achternaam man] Enterprises Ltd. In het deskundigenbericht is verder vastgesteld dat in [achternaam man] Enterprises Ltd. geen liquide middelen voorhanden zijn om het pensioen ineens af te storten. De vrouw stelt zich in haar eerste grief op het standpunt dat weliswaar thans geen liquide middelen voorhanden zijn om het pensioen ineens af te storten, doch dat dit niet wegneemt dat afstorting in de toekomst moet plaatsvinden. Daartoe moet volgens de vrouw niet alleen bezien worden of er voldoende liquide middelen in [achternaam man] Enterprises Ltd. aanwezig zijn, maar ook moet gekeken worden naar de liquide middelen van het gehele transportconcern, waarvan [achternaam man] Enterprises onderdeel uit maakt.

Naar het oordeel van het hof blijkt, anders dan de vrouw meent, uit het deskundigenbericht niet dat het door de deskundigen ingenomen standpunt aangaande de mogelijkheden voor afstorting van de pensioenaanspraken in [achternaam man] Enterprises Ltd. uitsluitend tot stand is gekomen op basis van de jaarcijfers van [achternaam man] Enterprises Ltd. Naar het oordeel van het hof heeft de man voldoende aannemelijk gemaakt dat in de onderneming als geheel onvoldoende liquide middelen aanwezig zijn om over te gaan tot afstorting van een bedrag van

€ 144.442,-. Van belang is verder, zoals ook door de deskundigen is geconstateerd, dat als gevolg van het verschil in rekenrente bij de opbouw van de pensioenvoorziening enerzijds en de door verzekeraars gehanteerde markrente anderzijds, een groot verschil bestaat tussen het opgebouwde pensioen in [achternaam man] Enterprises Ltd. en het bij een externe verzekeraar af te storten bedrag.

Uit de door de man overgelegde jaarrekening van 2010 ter zake [achternaam man] Enterprises Ltd. blijkt dat de door partijen samen opgebouwde pensioenvoorziening per 31 december 2008

€ 48.587,- bedroeg, terwijl voor de vrouw een bedrag van € 144.442,- zou moeten worden afgestort. Onder deze omstandigheden kan – naar het oordeel van het hof – de vrouw er zich niet op beroepen dat de man op basis van redelijkheid en billijkheid gehouden kan worden voormeld bedrag van € 144.442,- af te storten.

Dit betekent dat de eerste grief van de vrouw faalt.

3.12.

Rekening-courantschuld [achternaam man] International Beheer B.V. (grief 2)

3.12.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de rekening-courantschuld van € 49.287,- aan [achternaam man] International Beheer B.V. als gemeenschappelijke schuld in de afwikkeling moet worden betrokken.

3.12.2.

De vrouw stelt primair dat er geen rekening-courantverhouding tussen haar en [achternaam man] International Beheer B.V. bestaat. De vrouw betwist dan ook dat de rekening-courantschuld als gemeenschappelijke schuld dient te worden beschouwd en aldus voor de helft dan wel voor enig deel ten laste van haar dient te komen in het kader van de afwikkeling. De vrouw stelt dat deze schuld volledig ten laste van de man dient te komen.

3.12.3

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Tussen partijen staat als niet weersproken vast dat eind 2009 de rekening-courantschuld aan [achternaam man] International Beheer B.V. € 49.287,- bedroeg. De man stelt zich op het standpunt dat deze rekening-courantschuld is ontstaan als het gevolg van huishoudelijke uitgaven. Bij wijze van verweer heeft de vrouw onweersproken gesteld dat zij zich jegens de vennootschap nooit verbonden heeft voor de rekening-courantschuld, zodat het hof van de juistheid hiervan uitgaat. Voorts betwist de vrouw dat de rekening-courantschuld ziet op huishoudelijke uitgaven. Het hof overweegt hieromtrent dat indien en voor zover vast komt te staan dat de rekening-courantschuld is ontstaan door huishoudelijke uitgaven, de vrouw op grond van artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden hiervan de helft dient te dragen, mede gelet op het feit dat partijen tijdens hun huwelijk een gelijk vermogen bezaten. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw dient de man aan te tonen dat de rekening-courantschuld het gevolg is van het doen van huishoudelijke uitgaven. Het hof zal de man in de gelegenheid stellen daartoe de nodige informatie in het geding te brengen. De man dient daarbij informatie te verschaffen omtrent het verloop van de rekening-courantschuld tot 1 mei 2007 nu partijen vanaf die datum gescheiden huishoudens zijn gaan voeren; het hof gaat ervan uit dat vanaf die datum geen sprake meer is geweest van huishoudelijke uitgaven via de rekening-courant die mede ten laste van de vrouw komen.

3.13.

Toyota RAV 4, kenteken [kenteken] (grief 3)

3.13.1.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 17 maart 2010 de Toyota RAV 4 met het kenteken [kenteken] toegedeeld aan de vrouw onder verrekening van de helft van de waarde met de man, welke waarde door de rechtbank in het tussenvonnis van 5 oktober 2011 is vastgesteld op € 25.000,-.

3.13.2.

De vrouw stelt dat de auto haar privé-eigendom is en dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de vrouw ter zake de aan haar toegedeelde Toyota, een bedrag van

€ 12.500,-, zijnde de helft van de door de rechtbank vastgestelde waarde, aan de man moet voldoen wegens overbedeling. De vrouw stelt zich verder op het standpunt dat als peildatum voor de waardebepaling van de Toyota heeft te gelden een datum gelegen in het voorjaar van 2012, zodat van een waarde van ca. € 8.000,- tot € 9.000,- moet worden uitgegaan.

3.13.3.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Tussen partijen staat als onweersproken vast dat de Toyota, die is gekocht op naam van de vrouw en welk kenteken ook op naam van de vrouw is gesteld, is bekostigd door [achternaam man] International Beheer B.V. Niet gesteld of gebleken is dat de vrouw zich heeft verbonden tot terugbetaling van het aankoopbedrag aan voormelde vennootschap, zodat het ervoor moet worden gehouden dat betaling van de auto als inkomensbestanddeel heeft te gelden. Naar het oordeel van het hof betekent dit dat de waarde van de Toyota op grond van de huwelijkse voorwaarden in de verrekening dient te worden betrokken. Als peildatum voor de vaststelling van de waarde, gaat het hof uit van 6 juni 2007, zijnde de datum waarop het echtscheidingsverzoek is ingediend. Gelet op de datum van aankoop en de aankoopsom, schat het hof de waarde van de Toyota conform de rechtbank op € 25.000,-. Aan de man komt daarvan de helft toe. Dit leidt tot de conclusie dat de derde grief van de vrouw in zoverre faalt.

3.14.

Echtelijke woning (grief 4)

3.14.1.

De rechtbank heeft de echtelijke woning gelegen aan de [straatnaam][huisnummer] te [postcode] [woonplaats 2], welke woning gemeenschappelijk eigendom van partijen is, toegedeeld aan de man onder de verplichting de hierop rustende hypothecaire schuld voor zijn rekening te nemen en de vrouw ter zake vrij te waren. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de man na aftrek van de hypothecaire lening ad € 250.000,- en een eigen inbreng van (€26.008,85 +

€ 12.705,85 = € 38.714,70) wegens overbedeling € 63.142,65 aan de vrouw verschuldigd is.

3.14.2.

De vrouw kan zich niet verenigen met de waardebepaling van de echtelijke woning door de door de rechtbank aangewezen makelaar/taxateur. Volgens de vrouw is de waarde van de woning op een te laag bedrag getaxeerd. De vrouw stelt dat de echtelijke woning een waarde heeft van minimaal € 440.000,- en niet de door de taxateur op de peildatum, zijnde 27 januari 2010, vastgestelde waarde van € 415.000,-. Voorts is de vrouw het oneens met het oordeel van de rechtbank dat de man een bedrag van (€ 26.008,85 + € 12.705,85 =)

€ 38.714,70 zou hebben ingebracht in de echtelijke woning.

3.14.3.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Ter zake de waardebepaling van de echtelijke woning heeft de in eerste aanleg door de rechtbank benoemde deskundige de onderhandse verkoopwaarde van de echtelijke woning per peildatum 27 januari 2010 vastgesteld op € 415.000,-. Gebleken is dat beide partijen door de rechtbank in de gelegenheid zijn gesteld zich bij conclusie uit te laten over het deskundigenbericht. Het hof stelt vast dat de vrouw dit heeft nagelaten, alsook dat de vrouw na het uitbrengen van het definitieve rapport, waarin de deskundige de eerder door de vrouw gemaakte opmerkingen over (de totstandkoming van) het conceptrapport heeft besproken en weerlegd, ook op andere wijze geen bezwaren meer heeft geuit. Het hof is van oordeel dat de vrouw alle gelegenheid heeft gehad om kenbaar te maken en te onderbouwen waarom in haar optiek de door de deskundige ter zake de echtelijke woning per peildatum vastgestelde onderhandse verkoopwaarde ad € 415.000,- te laag zou zijn. Dat zij dit heeft nagelaten dient voor haar rekening en risico te blijven. Door de vrouw zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die een afwijking van de door de deskundige getaxeerde waarde rechtvaardigen. Het hof zal derhalve uitgaan van de door de deskundige vastgestelde onderhandse verkoopwaarde van € 415.000,-.

Niet in geschil is dat ter financiering van de aankoop van de echtelijke woning een bedrag van € 26.008,85, zijnde de verkoopopbrengst van een appartement in Turkije, is ingebracht. Partijen zijn echter verdeeld over de vraag of dit bedrag privégeld van de man betreft of van de vrouw.

Evenals in eerste aanleg stelt de vrouw in dit verband dat de man het appartement dat vóór het huwelijk door hem was gekocht, bij de huwelijkssluiting aan haar heeft geschonken, zodat de in de echtelijke woning ingebrachte verkoopopbrengst van het appartement van

€ 26.008,85 nominaal aan haar dient te worden vergoed. De man heeft de stelling van de vrouw gemotiveerd betwist en stelt, evenals in eerste aanleg, dat het appartement in Turkije geheel was gefinancierd met uitsluitend zijn privé-geld, zodat de in de echtelijk woning ingebrachte verkoopopbrengst van het appartement in Turkije ad € 26.008,85 aan hem dient toe te komen.

Naar het oordeel van het hof is de vrouw ook in hoger beroep er niet in geslaagd bewijs te leveren van haar stelling dat de man het door hem gekochte appartement bij de huwelijkssluiting aan haar heeft geschonken. Nu de vrouw in hoger beroep geen concreet (aanvullend)bewijs heeft aangeboden, brengt deze omstandigheid met zich mee dat het hof evenals de rechtbank als vaststaand aanneemt dat de man ter financiering van de aankoop van de echtelijke woning uit eigen middelen voormeld bedrag van € 26.008,85 heeft ingebracht.

De vrouw heeft voorts betwist dat de man uit eigen middelen een bedrag van € 12.705,85 heeft geïnvesteerd in de verbouwing van de echtelijke woning. Hieromtrent overweegt het hof dat het aan de man is om aan te tonen dat hij daadwerkelijk een bedrag van € 12.705,85 heeft ingebracht om de casco opgeleverde woning af te bouwen, zoals hij stelt en de vrouw betwist. Het hof zal de man in de gelegenheid stellen door middel van bescheiden zijn gelijk aan te tonen.

3.15.

Capitolrekening (grief 5)

3.15.1.

De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 17 maart 2010 ter zake de capitolrekening – waarvan de vrouw heeft gesteld dat het een zakelijke rekening van de man betreft die werd aangehouden bij Parisbas-Luxemburg – de vrouw in de gelegenheid gesteld bij conclusie na deskundigenbericht stukken ter zake van deze rekening in het geding te brengen. Voorts is partijen gevraagd zich uit laten over de vraag of het saldo van deze rekening tot de gemeenschap behoort of dat het saldo dient te worden verrekend, alsmede tegen welke peildatum. Bij tussenvonnis van 5 oktober 2011 heeft de rechtbank geoordeeld dat de rekening buiten beschouwing wordt gelaten nu de vrouw ter zake geen informatie in het geding heeft gebracht, waardoor de rechtbank er van uit gaat dat de vrouw haar standpunt dat de rekening op de peildatum (nog) bestond niet langer handhaaft.

3.15.2.

De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte aan haar het bewijs heeft opgedragen van het bestaan van de gemeenschappelijk capitolrekening die werd aangehouden bij Paribas-Luxemburg, nu de vrouw reeds bij voorbaat had aangeven dat zij, aangezien zij niet over verdere mogelijkheden beschikte dan zij al had aangewend, geen bewijs van het bestaan van de rekening en het saldo kon leveren, zulks bij gebrek aan medewerking van de man en van de betreffende banken. Volgens de vrouw is het de man die beschikt over alle informatie betreffende de aan de Capitol Visa Gold Card gekoppelde bankrekening(en) en heeft de man de beschikking over alle rekeningafschriften.

3.15.3.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Partijen zijn het er over eens dat zij beiden beschikten over een aan een capitolrekening gekoppelde creditcard, welke geldig was van 2006 tot 2008. De vrouw stelt zich op het standpunt dat het saldo van de capitolrekening ad € 600.000,- in de verrekening moet worden betrokken nu het gaat om een gemeenschappelijk vermogensbestanddeel.

De man heeft de grief van de vrouw bestreden en persisteert bij zijn standpunt dat de Capitol Visa Cards gekoppeld waren aan een rekening die bij een bank in Kazachstan werd aangehouden door een onderneming die door de man en zijn vader eind jaren negentig werd opgezet. De cards werden volgens de man gebruikt ter betaling van kosten in verband met die onderneming aldaar en ook ter zake verblijfskosten wanneer de man daar ter plekke was. Het bedrijf in Kazachstan bestaat al jaren niet meer in verband met een verlieslatende situatie. Van een rekening in Luxemburg is de man niets bekend.

Naar het oordeel van het hof is het aan de man om aan te tonen dat er sprake is geweest van ondernemingsactiviteiten in Kazachstan en dat in dat verband bankrekeningen zijn geopend die inmiddels ook weer zijn beëindigd. De man dient bij memorie na tussenarrest stukken te overleggen om zijn stelling te onderbouwen, aangezien het de man is die de beschikking heeft over relevante stukken en gegevens.

3.16.

Op grond van het voorgaande wordt thans als volgt beslist.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 2 september 2014 voor memorie na tussenarrest aan de zijde van de man met de hiervoor in 3.12.3, 3.14.3 en 3.15.3 vermelde doeleinden, waarna vrouw in de gelegenheid zal worden gesteld hierop bij antwoordmemorie te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, G.J. Vossestein en T.J. Mellema-Kranenburg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 augustus 2014.