Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2622

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-07-2014
Datum publicatie
04-08-2014
Zaaknummer
F 200.148.111-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 31 juli 2014

Zaaknummer : F 200.148.111/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/04/126818 / FA RK 13-1711

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder],

wonende te [woonplaats], gemeente Venray,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.M.E. Rietjens,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie 's-Hertogenbosch,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende kan worden aangemerkt:

- de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna te noemen: de stichting).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 5 februari 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 april 2014, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de raad om de moeder van het gezag te ontheffen af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 23 mei 2014, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de beschikking waarvan beroep in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 juni 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- namens de moeder mr. Rietjens;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer W. Bekker;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw N. Vankan en mevrouw N. Ong.

2.3.1.

De moeder, de heer [de vader] (hierna te noemen: de vader) en [de pleegouders] (hierna te noemen: de pleegouders) zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 9 januari 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] [de dochter] (hierna te noemen: [de dochter]) geboren.

Tot de datum van de bestreden beschikking oefende de moeder het eenhoofdig ouderlijk gezag over [de dochter] uit.

3.2.

[de dochter] heeft vanaf 8 oktober 2009 tot 5 februari 2014 onder toezicht van de stichting gestaan.

[de dochter] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 3 maart 2010 tot 5 februari 2014 uit huis geplaatst geweest. Sinds september 2010 verblijft zij bij de pleegouders.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de moeder ontheven van het gezag over [de dochter] en de stichting tot voogdes benoemd.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - aan dat de raad onvoldoende heeft aangetoond dat niet kan worden volstaan met een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld bieden deze maatregelen voldoende garantie voor de voor [de dochter] noodzakelijke rust en stabiliteit in de toekomst. De moeder stelt dat zij heeft voldaan aan de gestelde voorwaarden voor een terugplaatsing van [de dochter] bij haar. Zo heeft de moeder een eigen woning, werkt zij als uitzendkracht en zijn haar financiën op orde (de moeder staat onder bewind). De moeder heeft verder een dagbesteding, een vaste partner met wie zij samen een zoontje heeft, en zij staat open voor hulpverlening vanuit de GGZ. Desalniettemin heeft de stichting op enig moment besloten dat terugkeer van [de dochter] naar de moeder thuis niet meer mogelijk was en dat [de dochter] in het pleeggezin zou blijven wonen. De moeder heeft steeds berust in het verblijf van [de dochter] bij de pleegouders, hetgeen volgens vaste jurisprudentie een belangrijke factor is bij de vraag of een ouder wel of niet van het gezag moet worden ontheven.

De moeder wil in de toekomst naast de pleegouders een rol als opvoeder van [de dochter] gaan vervullen.

De moeder betwist dat zij onmachtig en ongeschikt is om [de dochter] op te voeden. Die conclusie heeft de raad vooral gebaseerd op het verleden. De rechtbank heeft de positieve ontwikkelingen die de moeder heeft doorgemaakt onvoldoende meegewogen. De moeder betwist voorts dat zij onbetrouwbaar is in het nakomen van omgangsafspraken en niet goed bereikbaar is.

Tot slot is de moeder van mening dat van een ontheffing wel degelijk negatieve effecten zijn te verwachten voor de ontwikkeling van [de dochter]. De moeder vindt het onaanvaardbaar dat zij geen grotere rol krijgt in het leven van [de dochter]. Daarnaast zal ontheffing van het gezag bij de moeder leiden tot demotivatie. Zij ervaart die maatregel als een straf. Er bestaat een grote kans - zo stelt de moeder - dat dit gevoel een negatieve invloed zal hebben op de omgang tussen [de dochter] en de moeder. De omgang tussen de moeder en [de dochter] verloopt thans goed.

3.6.

De raad heeft ter zitting gepersisteerd bij het inleidende verzoek. [de dochter] is gehecht in het pleeggezin. Ondanks de positieve ontwikkelingen die de moeder heeft doorgemaakt, is er geen perspectief op thuisplaatsing van [de dochter] bij de moeder. Van belang is dat het opvoedperspectief van [de dochter] duidelijk wordt.

3.7.

De stichting voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. De stichting onderschrijft de door de raad gestelde gronden voor een ontheffing. [de dochter] is zich aan het hechten in het pleeggezin. Met de moeder is vanaf april 2011 gewerkt aan het veiligheidsplan. Eind 2012 is aan de moeder te kennen gegeven dat de vooruitgang zo minimaal was, dat er een verzoek voor onderzoek naar een verderstrekkende maatregel zou worden gedaan. De moeder heeft nog steeds de wens dat [de dochter] terug naar huis komt. Dit kan bij [de dochter] voor spanning en onduidelijkheid zorgen. Door de voogdij is het voor [de dochter] duidelijk dat zij in het huidige pleeggezin zal opgroeien.

Het is steeds de moeder geweest die, vaak op het laatste moment, de bezoekafspraken met [de dochter] afzegde of vergat. De laatste bezoeken (in februari, maart, april en mei 2014) zijn op zichzelf goed verlopen. Probleem blijft dat de moeder zich in een activiteit (telefoneren) kan verliezen en niet ziet dat [de dochter] afhaakt. Sinds de moeder van het gezag is ontheven, verloopt de omgang tussen de moeder en [de dochter] beter. Ook het regressieve gedrag van [de dochter] na bezoekmomenten met de moeder is minder geworden.

De stichting zal de moeder blijven betrekken in het leven van [de dochter]. Onlangs heeft de stichting met de moeder gesproken over het hulpverleningsplan voor [de dochter]. Dat gesprek is goed verlopen.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven op de grond dat die ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daar niet tegen verzet.

In het geval een ouder zich verzet tegen de ontheffing kan op grond van artikel 1:268 lid 1 BW de ontheffing niet worden uitgesproken. Deze regel leidt ingevolge artikel 1:268 lid 2 aanhef en onder a BW uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

3.8.2.

Uit het rapport van de raad van 21 oktober 2013 blijkt dat [de dochter] ruim vier jaar geleden uit huis is geplaatst vanwege de onveilige leefomstandigheden bij de moeder en de vader thuis. Bij [de dochter] was sprake van gedragsproblematiek en er is in juli 2010 een aanvraag gedaan voor observatie/diagnose bij een kinder- en jeugdpsychiatrische instelling.

Gebleken is voorts dat de moeder, hoewel zij zeer betrokken is bij [de dochter], niet in staat is op een structurele en systematische wijze invulling te geven aan het ouderschap. Met de moeder is tijdens de ondertoezichtstelling vanaf april 2011 gewerkt aan een veiligheidsplan, maar de moeder heeft daarbij onvoldoende vooruitgang geboekt. De moeder is verder onvoldoende in staat gebleken om [de dochter] goed aan te sturen en zij stemt ook niet goed af op wat [de dochter] nodig heeft en kan.

[de dochter] ontwikkelt zich goed in het huidige pleeggezin. Zij is inmiddels gehecht aan de pleegouders. Duidelijk is dat [de dochter] op haar plek is bij de pleegouders en dat er geen perspectief is op terugplaatsing bij de moeder. Dat de moeder de afgelopen jaren een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt is, gelet op het belang van [de dochter] bij een continuering van haar huidige opvoedingssituatie, onvoldoende om het hof tot een ander oordeel te brengen.

Op grond van het voorgaande is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat de moeder ongeschikt, althans onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van [de dochter] te vervullen.

3.8.3.

Het enkele feit dat de moeder zich verzet tegen de ontheffing van het gezag staat, gelet op het bepaalde in artikel 1:268 lid 2 aanhef en onder a BW, niet aan ontheffing in de weg. Het hof stelt vast dat is voldaan aan voormelde wettelijke termijn en overweegt dat door de ongeschiktheid of onmacht van de moeder de doelstellingen van de huidige maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet worden behaald en deze maatregelen derhalve niet langer geëigend zijn.

De moeder heeft gesteld dat zij duurzaam berust in het verblijf van [de dochter] bij de pleegouders en dat daarom met de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing kan worden volstaan.

Het hof stelt voorop dat de Hoge Raad heeft beslist dat het blijk geven van duurzame bereidheid om het kind in het pleeggezin te laten opgroeien weliswaar in de beoordeling dient te worden betrokken, maar niet zonder meer in de weg staat aan een gedwongen ontheffing. Het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit in zijn of haar opvoedingssituatie en de zekerheid omtrent de plaats waar het kind zal opgroeien dienen als zeer zwaarwegend te worden meegewogen.

Het hof overweegt dat de moeder inderdaad tot heden geen verweer heeft gevoerd tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Tegenover de raad heeft zij echter aangegeven dat zij vindt dat [de dochter] weer bij haar thuis moet komen wonen.

Afgezien van het feit dat een terugkomen op een uitgesproken duurzame bereidheid nooit geheel is uit te sluiten, een noodzakelijke jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing laat de onzekerheid over het opvoedingsperspectief van [de dochter] voortduren, hetgeen voor alle partijen spanningen meebrengt die hun weerslag hebben op de rust en stabiliteit in de situatie van [de dochter].

Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat uit het vorenstaande volgt dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onvoldoende garantie bieden voor de voor [de dochter] noodzakelijke rust en stabiliteit nu en in de toekomst. Het is voor [de dochter] van groot belang dat zij duidelijkheid krijgt over haar opvoedingsperspectief.

3.8.4.

Het hof is voorts van oordeel dat het belang van [de dochter] zich niet verzet tegen de ontheffing van de moeder van het gezag over haar. Haar belang is gebaat bij duidelijkheid en stabiliteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces binnen het pleeggezin.

Namens de moeder is nog aangevoerd dat een ontheffing van het gezag niet in het belang van [de dochter] is, nu deze maatregel zal leiden tot demotivatie bij de moeder, hetgeen een negatieve invloed op het contact tussen de moeder en [de dochter] zal hebben.

Het hof wenst op de eerste plaats te benadrukken dat de maatregel van ontheffing niet als een strafmaatregel moet worden beschouwd. Het hof merkt voorts op dat de ontheffing juist de rust en de ruimte kan bieden om de omgang van de moeder met [de dochter] te verbeteren en te werken aan de onderlinge band tussen hen. Ter zitting van het hof is ook gebleken dat er sinds de ontheffing van het gezag al meer rust en duidelijkheid is gekomen bij alle betrokkenen. De bezoeken van de moeder aan [de dochter] verlopen meer ontspannen en de moeder is meer betrokken bij [de dochter]. Ook het regressieve gedrag van [de dochter] na contact met de moeder is minder geworden. Met de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat van een ontheffing geen negatieve effecten zijn te verwachten voor de ontwikkeling van [de dochter].

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de beschikking waarvan beroep zal bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van

5 februari 2014;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.E.M. Renckens, M.C. van Dijkhuizen en

M.A. Ossentjuk en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2014.