Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2618

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-07-2014
Datum publicatie
19-08-2014
Zaaknummer
F 200.145.771-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 31 juli 2014

Zaaknummer : F 200.145.771/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/270509 FA RK 13-5802

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: R.A.H. van Huijgevoort,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Midden- en West-Brabant, locatie Breda,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt:

  • -

    William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de stichting), namens Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant;

  • -

    mevrouw [de pleegmoeder] (de pleegmoeder van [kind2]);

  • -

    mevrouw en de heer [de pleegouders] (de pleegouders van [kind1]).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 17 januari 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 april 2014, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de raad om de moeder te ontheffen van het gezag over de minderjarigen [kind2] en [kind1] alsnog af te wijzen, althans te bepalen dat de ontheffing van het gezag met onmiddellijke ingang wordt beëindigd.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 mei 2014, heeft de stichting verzocht het appel van de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

2.3.1.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 juni 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw I. Derks;

  • -

    de stichting, vertegenwoordigd door de gezinsvoogd mevrouw Y.J. Smits;

  • -

    de pleegmoeder van [kind2];

  • -

    de pleegmoeder van [kind1].

2.3.2.

Het hof heeft de minderjarige [kind1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 4 december 2013.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder zijn geboren:

  • -

    [kind1] (hierna te noemen: [kind1]), op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats];

  • -

    [kind2] (hierna te noemen: [kind2]), op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats].

Voor de volledigheid merkt het hof op dat uit de moeder eveneens is geboren: [kind3], op [geboortedatum] 2011. Dit kind woont bij de moeder en staat vanaf het moment van haar geboorte onder toezicht van de stichting.

De moeder is van rechtswege belast met het gezag over voormelde kinderen.

Wanneer het hof in deze beschikking spreekt over ‘de kinderen’ doelt het hof uitsluitend op [kind1] en [kind2].

3.2.

[kind1] staat sinds 4 juni 2010 onder toezicht van de stichting. Sinds 24 januari 2011 is zij uithuisgeplaatst en verblijft ze in het huidige pleeggezin van de familie [de pleegouders].

Beide maatregelen zijn laatstelijk verlengd tot 4 juni 2014.

3.3.

Met ingang van 1 november 2011 staat [kind2] onder toezicht van de stichting en is hij tevens uithuisgeplaatst in een netwerkpleeggezin, de tante van moederszijde, waar hij feitelijk al verbleef sinds november 2010.

Deze maatregelen zijn laatstelijk verlengd tot 22 november 2014.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de moeder ontheven van het gezag over [kind1] en [kind2].

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar beroepschrift voert zij – kort samengevat – aan dat er geen gegronde vrees bestaat dat de maatregelen van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, door haar ongeschiktheid of onmacht om haar plicht tot verzorging en opvoeding van de kinderen te vervullen, onvoldoende zijn om de dreiging zoals bedoeld in artikel 1:254 af te wenden. De moeder realiseert zich dat het voor de kinderen beter is om duurzaam in het pleeggezin te verblijven en zij heeft vrede met de situatie. Zij zal dan ook geen verweer voeren tegen de jaarlijkse verlengingen van de huidige maatregelen en deze formaliteiten geruisloos voorbij laten gaan zonder hierover te spreken met de kinderen. De moeder heeft reeds naar de kinderen toe uitgesproken dat zij in de pleeggezinnen kunnen blijven wonen. De band tussen de moeder en de kinderen is hecht en wanneer de moeder wordt ontheven van het gezag, zal daardoor onrust ontstaan bij de kinderen.

Verder voert de moeder aan dat haar ambivalente houding richting de stichting, de pleegouders en andere instanties geheel is verdwenen, nu de moeder heeft geaccepteerd dat de kinderen niet bij haar zullen opgroeien. De moeder ervaart geen stress meer hieromtrent en zit goed in haar vel. Dit komt volgens de moeder mede door de hulpverlening die zij ontvangt vanuit ASVZ. De moeder erkent de noodzaak van de ondersteuning en begeleiding en merkt op dat zij in staat is om haar jongste dochter [kind3] zelfstandig te verzorgen en op te voeden.

Tot slot stelt de moeder dat de onderlinge verhoudingen tussen de moeder en alle betrokken instanties sterk is verbeterd en dat zij zeer bereidwillig is om haar gezaghebbende rol in samenwerking met de stichting en de pleegouders in stand te houden. Een ontheffing van het gezag acht de moeder niet in het belang van de kinderen.

3.7.

In haar verweerschrift voert de stichting – kort samengevat – aan dat in de afgelopen periode is gebleken dat er geen perspectief op thuisplaatsing is van zowel [kind1] als [kind2] en dat een ontheffing bijdraagt aan de benodigde duidelijkheid omtrent hun toekomstperspectief. Tevens zullen de kinderen niet worden geconfronteerd met de jaarlijkse zittingen.

Verder stelt de stichting dat de moeder nog onvoldoende in staat is gebleken om de kinderen te bevestigen in hun plaatsing binnen de pleeggezinnen. Na het bezoek van de moeder aan [kind2] op 8 april 2014 is de spanning enorm opgelopen en heeft de moeder geroepen dat zij [kind2] terug wil hebben. Deze bezoeken zullen hierdoor de komende drie maanden begeleid plaatsvinden waarna geëvalueerd zal worden hoe de bezoeken voortaan vorm gegeven zullen worden.

[kind1] laat zien dat ze de bezoeken van de moeder nog als spannend en belastend ervaart, doordat zij na afloop veel boosheid uit richting haar pleegouders. Pleegzorg heeft in februari 2014 geadviseerd om [kind1] niet langer met de moeder alleen te laten zijn en dat de pleegouders hierop toezicht dienen te houden. Daarnaast voert de stichting aan dat het zorgelijk is dat de moeder [kind1] als haar gelijke beschouwt en dat waarneembaar is dat er geen sprake is van een ouder-kind relatie tussen hen. [kind1] overstijgt haar moeder en stuurt haar moeder in wat zij wel en niet moet doen. Tevens is zichtbaar dat de moeder de problematiek van [kind1] niet herkent; volgens de moeder kan [kind1] heel goed haar emoties herkennen en verwoorden en is de ingezette speltherapie niet nodig.

Tot slot merkt de stichting op dat de gezinsvoogd nog steeds een behoorlijke spanning ervaart bij de moeder tijdens de huisbezoeken en in andere contacten met de gezinsvoogd. De stichting acht een ontheffing noodzakelijk om de kinderen te beschermen en de mogelijkheden van hun ontwikkeling te waarborgen.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven op de grond dat die ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daar niet tegen verzet.

In het geval een ouder zich verzet tegen de ontheffing kan op grond van artikel 1:268 lid 1 BW de ontheffing niet worden uitgesproken. Deze regel leidt ingevolge artikel 1:268 lid 2 aanhef en onder a BW uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de dreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

Het enkele feit dat de moeder zich verzet tegen de ontheffing van het gezag staat, gelet op het bepaalde in artikel 1:268 lid 2 aanhef en onder a BW, niet aan ontheffing in de weg.

Het hof stelt vast dat is voldaan aan voormelde wettelijke termijn en overweegt dat door de ongeschiktheid of onmacht van de moeder de doelstellingen van de huidige maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet worden behaald en deze maatregelen derhalve niet langer geëigend zijn.

3.8.2.

Uit de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de 12-jarige [kind1] in haar ontwikkeling wordt bedreigd op cognitief, sociaal-emotioneel en gedragsmatig gebied. Ze heeft een ontwikkelingsachterstand en functioneert op een laagbegaafd niveau. In het verleden is zij getuige geweest van huiselijk geweld dat gericht was op haar moeder. [kind1] stelt zich nooit kwetsbaar op en is sociaal-emotioneel gezien een gesloten boek; zij bespreekt nooit problemen met haar pleegouders.

[kind1] heeft duidelijkheid, structuur, grenzen en voorspelbaarheid nodig. Zij heeft behoefte aan bevestiging wie het voor het zeggen heeft.

Het hof overweegt dat [kind1] een beschadigd en kwetsbaar meisje is dat een specifieke benadering behoeft, hetgeen veel pedagogische kwaliteiten vergt van een opvoeder.

3.8.3.

Voor de 3-jarige [kind2] geldt dat hij al sinds dat hij een paar weken oud was verblijft in het perspectiefbiedende pleeggezin van zijn tante (de oudste zus van de moeder).

Er bestaan geen zorgen over de ontwikkeling of gezondheid van [kind2]; hij ontwikkelt zich leeftijdsadequaat en de band tussen [kind2] en zijn tante is hecht.

3.8.4.

Ten aanzien van de moeder overweegt het hof dat uit de inhoud van de stukken is gebleken dat zij op licht verstandelijk niveau (IQ 64) functioneert en dat zij hierdoor nauwelijks overzicht kan bewaren en structuur kan aanbrengen in haar leven. Hoewel het hof een betrokken moeder aanschouwt die het beste voor heeft met haar kinderen, blijkt uit de raadsrapportage dat dat de moeder, vanwege haar cognitieve beperking en haar beperkte pedagogische vaardigheden, het haar geleerde niet eigen kan maken en dat haar het inzicht ontbreekt over wat de kinderen nodig hebben. In haar handelingen naar [kind1] neemt de moeder op geen enkel moment de gezagsrol of opvoedrol in. De raad constateert dat er sprake is van een gelijkwaardige relatie tussen de moeder en [kind1] en dat [kind1] de moeder al overstijgt.

Ter zitting van het hof heeft de stichting verklaard dat de moeder de verantwoordelijkheid van het ouderschap niet kan dragen, hetgeen de stichting bij herhaling heeft waargenomen. Zo heeft de moeder zich recentelijk een kwartier van te voren afgemeld voor het eindgesprek aangaande [kind1] waarbij de psychologische resultaten zouden worden besproken, omdat zij geen oppas kon vinden voor haar jongste dochter terwijl deze afspraak ruim van te voren was ingepland. Verder is de moeder minimaal één keer onaangekondigd niet verschenen bij een afspraak op de school voor [kind2] voor een contactmoment.

De moeder erkent in hoger beroep dat zij, in ieder geval op dit moment, onmachtig is om [kind1] en [kind2] zelfstandig op te voeden en te verzorgen en zij benadrukt herhaaldelijk dat zij duurzaam instemt met de plaatsingen van de kinderen in hun pleeggezinnen.

3.8.5.

In 2011/2012 heeft een diagnostisch onderzoek plaatsgevonden door de stichting waarna is geconcludeerd dat het perspectief van de kinderen niet langer bij de moeder ligt.

Ten aanzien van de duurzame bereidheid van de moeder om de kinderen te laten opgroeien in hun pleeggezinnen, overweegt het hof allereerst dat uit de stukken is gebleken dat de moeder zich hierin ambivalent opstelt en dat het hof niet is overtuigd van de duurzaamheid van haar berusting. Zo heeft de moeder recentelijk, in april 2014, aangegeven dat zij weer voor [kind2] wil zorgen en heeft dit onrust veroorzaakt tussen de moeder en [kind2] pleegmoeder. Hoewel beide pleegmoeders ter zitting van het hof verklaarden dat de contacten tussen de moeder en de kinderen thans positief verlopen, hetgeen ter zitting van het hof werd onderschreven door de gezinsvoogd, gaf de pleegmoeder van [kind2] aan dat de ambivalentie en de stemmingswisselingen van de moeder een probleem vormen in de onderlinge communicatie tussen haar en de moeder. Het ambivalente gedrag van de moeder wordt ook gesignaleerd door de stichting aangaande de samenwerking tussen de moeder en ASVZ, aangezien de moeder zich wisselend uitlaat over haar begeleiders en zich wispelturig opstelt in het wel of niet aanvaarden van de hulp van ASVZ in het algemeen. Voorts is het hof gebleken dat de moeder heeft geappelleerd tegen een beschikking van de rechtbank aangaande de ondertoezichtstelling van haar jongste dochter, welk appel is afgewezen bij beschikking van 24 april 2014. Dat de moeder hiertegen hoger beroep instelt, strookt niet met haar betoog dat zij thans berust in de maatregelen die de hulpverlening noodzakelijk acht met betrekking tot haar kinderen.

Verder overweegt het hof ten aanzien van de stelling van de moeder, wat daar verder van zij, aangaande voormelde duurzaam bereidheid, dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad – waaronder HR 11 juni 2010 (LJN: BM0891), HR 4 april 2008 (LJN: BC2733) en HR 4 april 2008 (LJN: BC5726) – naar voren komt dat de duurzame bereidheid van een ouder ten aanzien van het opvoedingsperspectief elders, in de beoordeling dient te worden betrokken maar niet (zonder meer) in de weg staat aan gedwongen ontheffing. Daarbij speelt het belang van de minderjarige bij stabiliteit en duidelijkheid een grote rol.

De vraag is derhalve of de ontheffing noodzakelijk is in het belang van de kinderen ondanks dat de moeder stelt duurzaam in te stemmen met zijn uithuisplaatsing. In geschil is hier of en in welke mate gewicht toegekend moet worden aan het belang van de kinderen bij duidelijkheid omtrent hun perspectief.

3.8.6.

Het hof is van oordeel dat het belang van de kinderen is gediend bij stabiliteit en duidelijkheid over hun opvoedingssituatie, temeer gelet op de individuele problematiek van [kind1]. Bij voortzetting van de huidige maatregelen wordt immers het verblijf van [kind1] jaarlijks ter discussie gesteld en zal [kind1], gelet op haar leeftijd, vanaf heden jaarlijks in de rechterlijke procedures worden betrokken. Hierdoor zal onmiskenbaar sprake zijn van terugkerende onrust en spanning bij [kind1], zoals het hof reeds zelf heeft waargenomen tijdens het kinderverhoor. Het hof neemt hierbij tevens in aanmerking dat de pleegmoeder van [kind1] heeft verklaard dat [kind1] nerveus wordt als de moeder zich uitlaat over de plaats waar [kind1] op dient te groeien. Tijdens het kinderverhoor heeft [kind1] aangegeven geen bezwaar te hebben als niet de moeder, maar de stichting beslissingen over haar neemt.

3.8.7.

Het hof is dan ook van oordeel dat, terwijl nu duidelijk is dat er voor beide kinderen geen perspectief meer is op terugkeer naar de moeder, het voortdurend verlengen van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet in hun belang is. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat er duidelijkheid wordt gecreëerd over de rol die de moeder in hun leven kan innemen. Door die duidelijkheid wordt ook voorkomen dat het contact met de moeder onnodig wordt belast. Voornoemde risico’s voor verstoring van de ontwikkeling van de kinderen en voor onrust en spanning bij de kinderen wegen zwaarder dan de belangen van de moeder om het gezag over [kind1] en [kind2] te behouden. Het hof neemt daarbij tevens in aanmerking dat uit de inhoud van de stukken is gebleken dat het, sinds de moeder door de rechtbank is ontheven van het ouderlijk gezag, beter gaat met [kind1], nu [kind1] steeds meer vertrouwen krijgt in haar pleegouders. Mogelijk kan zij zich door dit vertrouwen zichzelf ook meer open stellen met betrekking tot haar eigen emoties.

3.8.8.

Het hof is voorts van oordeel dat de belangen van [kind1] en [kind2] zich niet verzetten tegen de ontheffing van de moeder van het gezag over hen. Integendeel, hun belang is erbij gebaat als een neutrale instantie zoals de stichting de voogdij over hen uitoefent. Het hof kan dan ook het betoog van de moeder, dat de ontheffing onrust veroorzaakt voor de kinderen, dan ook niet volgen.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, M.J. van Laarhoven en M.L.F.J. Schyns en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2014.