Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2613

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-07-2014
Datum publicatie
04-08-2014
Zaaknummer
F 200.142.464_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 31 juli 2014

Zaaknummer: F 200.142.464/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/184610 / FA RK 13-2169

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. A.S.J.H. van den Bronk,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats] (België),

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S.E.G.N. Schnabel.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 november 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 februari 2014, heeft de vader verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen ten aanzien van het hoofdverblijf als zijnde ongegrond, onbewezen, dan wel in strijd met de wet en, opnieuw rechtdoende, alsnog te bepalen dat het minderjarige kind van partijen het hoofdverblijf bij de vader heeft. Met veroordeling van de moeder in de kosten van deze instantie, te vermeerderen met de nakosten te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking en voor het geval voldoening van de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente hierover te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 april 2014, heeft de moeder verzocht, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, zonodig met verbetering van de gronden waarop het berust, met veroordeling van de vader in de kosten van het geding in hoger beroep.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 juni 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. De Groen;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Schnabel;

  • -

    de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw K. Weersink;

  • -

    Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna te noemen: de stichting), vertegenwoordigd door mevrouw A. Hermans, gezinsvoogdes, en mevrouw C. Nijsten.

2.3.2.

Het hof heeft de minderjarige [de zoon] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 25 mei 2014. Voorts is [de zoon] voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor alsmede de inhoud van de brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 13 november 2013;

  • -

    de brief van de advocaat van de vader d.d. 6 maart 2014;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 16 juni 2014;

  • -

    de ter zitting door de advocaat van de man overgelegde en voorgedragen pleitnota.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 5 juni 1987 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen is, voor zover thans van belang, geboren:

- [de zoon] (hierna: [de zoon]), op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats].

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de zoon] uit.

3.2.

Bij beschikking houdende voorlopige voorzieningen d.d. 15 maart 2012 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht, thans rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, voor zover thans van belang, bepaald dat [de zoon] – die sinds 13 maart 2013 onder toezicht van de stichting staat – aan de moeder wordt toevertrouwd.

3.3.

Bij beschikking van 10 juli 2013 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat [de zoon] zijn hoofdverblijf bij de moeder heeft en is een zorgregeling vastgesteld zoals in die beschikking is weergegeven.

3.4.

[de zoon] heeft, gebruikmakend van de mogelijkheid tot informele rechtsingang als genoemd in artikel 1:377g van het Burgerlijk Wetboek (BW), op 4 oktober 2013 door middel van een brief geschreven door de Kinder- en Jongerenrechtswinkel Limburg, een verzoek ingediend strekkende tot wijziging van zijn hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

3.5.

Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [de zoon] om wijziging van de hoofdverblijfplaats afgewezen en bepaald dat [de zoon] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de vader zal verblijven van zondag 18.00 uur in de even weken tot zondag 18.00 uur in de oneven weken.

3.6.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen voor zover het de afwijzing betreft van het [de zoon] verzoek om de hoofdverblijfplaats te wijzigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Hoofdverblijfplaats

3.7.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.8.

Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt, aldus dat zij zijn overeengekomen dat [de zoon] het hoofdverblijf bij de vader zal hebben. Voorts zijn zij in dit kader overeengekomen dat de vader aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] zal (blijven) betalen een bedrag van € 250,- per maand, dat partijen ieder gerechtigd zijn tot de helft van de kinderbijslag, dat [de zoon] op zijn huidige school zal blijven, dat mevrouw Hermans van de stichting de gezinsvoogdes zal blijven, alsook dat partijen in overleg met de stichting een begin zullen maken met de invulling van een ouderschapsplan.

3.9.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

3.10.

Gelet op de reikwijdte van het thans aan de orde zijnde geschil, zal het hof slechts de tussen partijen bereikte overeenstemming ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de zoon] bij de vader in de beslissing opnemen. Het voorgaande brengt mee dat het hof begrijpt dat de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling aldus gelezen dient te worden dat [de zoon] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de moeder zal verblijven van zondag 18.00 uur in de oneven weken tot zondag 18.00 uur in de even weken.

Proceskosten

3.11.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 november 2013, doch uitsluitend voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 10 juli 2013 voor zover het betreft de hoofdverblijfplaats van [de zoon];

bepaalt het hoofdverblijf van [de zoon], geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats], met ingang van heden bij de vader;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. O.G.H. Milar, W.Th.M. Raab en A.J.F. Manders en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2014.