Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2607

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
01-08-2014
Zaaknummer
HD 200.134.736_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak, werknemer werkzaam op detacheringsbasis, ontslag op staande voet, handelen in strijd met de bedrijfsregels van het inlenende bedrijf, artikel 7:660 BW, poging tot diefstal, gevaarzetting.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 660, geldigheid: 2014-08-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/548

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.134.736/01

arrest van 29 juli 2014

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. H.G.M. Hilkens te Echt,

tegen

Mr. Frederik Willem Udo, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van EAM Werk B.V.,

gevestigd te [woonplaats 2],

geïntimeerde,

hierna: de curator,

advocaat: mr. D.A.J. Roomberg te Maastricht,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 19 november 2013 in het hoger beroep van de onder zaaknummer 440585 CV EXPL 11-3393 door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Sittard-Geleen gewezen vonnissen van 9 november 2011 en

19 september 2012 en het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen vonnis van 15 mei 2013.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 19 november 2013 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 18 december 2013;

- de memorie van grieven met twee producties;

- de memorie van antwoord.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de dertien grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

7 De beoordeling

7.1

In overweging 2 van het vonnis van 15 mei 2013 heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met de derde grief wordt deze vaststelling bestreden. Het hof zal een nieuw overzicht van de feiten geven.

7.1.1.

[appellant], geboren op [geboortedatum] 1954, was sedert 1992, totdat hij daar boventallig werd, werkzaam bij DSM. Vervolgens is [appellant] op 1 mei 2004 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van Maecon, feitelijk een arbeidspool. [appellant] is vanuit Maecon, later EAM Werk B.V. (hierna: EAM), steeds en zonder onderbreking op detacheringsbasis werkzaam geweest bij DSM. Zijn werkzaamheden bestonden uit het schoonbranden van gebruikte mallen in een oven. Het brutosalaris van [appellant] bedroeg laatstelijk € 1.888,-- per maand, exclusief vakantietoeslag en andere emolumenten.

7.1.2.

Bij brief van 16 mei 2011 (cva, prod. 1) schreef de heer [medewerker DSM Ahead B.V.] (hierna: [medewerker DSM Ahead B.V.]) van DSM Ahead B.V., Material Science Center (MSC), aan de heer [medewerker Maecon] van Maecon voor zover van belang als volgt:

“(…)

Afgelopen vrijdag middag heeft een serieus incident plaatsgevonden met Dhr. [appellant].

Na melding van een tweetal medewerkers van MSC bleek uit een van de afbrandovens, eigendom van MSC en frequent in zijn werkzaamheden gebruikt door dhr. [appellant] na een korte doffe plof een steekvlam te zijn gekomen uit zowel de ontgassing als door de kieren van de deur.

Een van de toevallig aanwezige MSC medewerkers vond de ontstane stank overlast lijken op verbrande bekabeling. Na veelvuldig aandringen heeft dhr. [appellant] aan mij persoonlijk toegegeven dat hij inderdaad zelfstandig had besloten om de MSC oven te gebruiken om een aantal meters koperkabel incl. kunststof mantel af te branden om het “schone” koper vervolgens af te kunnen voeren van het DSM terrein voor eigen gebruik.

Het is binnen MSC alleen toegestaan equipment te gebruiken met een bijbehorende werkorder waarin mn de veiligheidsaspecten worden beoordeeld. Een werkorder was voor deze activiteiten uiteraard niet aanwezig. In dit geval zijn duidelijk de veiligheidsregels bewust overtreden. De vrijkomende dampen komen in de open ruimte terecht waar medewerkers zonder adembeschermingsmiddelen werkzaam zijn. Het naar eigen inzicht en voor eigen doeleinde gebruiken van apparatuur is verboden en duidelijk gecommuniceerd met alle betrokken MSC medewerkers. Daarnaast is het afvoeren van DSM onderdelen, die NIET van MSC zijn en/of waar geen geldige door MSC medewerkers afgetekende afvoerdocumenten van zijn, niet toegestaan.

In 2010 hebben zich ook functioneringsproblemen voorgedaan met de heer [appellant] waarbij is aangegeven dat zijn functioneren onder de maat is en zijn performance moet verbeteren. Dit is zowel met hem besproken als vastgelegd in zijn beoordeling.

Na overleg met zowel de Operationeel als Center Manager is besloten om per direct de overeenkomst die MSC met Maecon heeft aangaande dhr. [appellant] op te zeggen. Het vertrouwen is hierbij op een dusdanige manier geschaad dat er voor dhr. [appellant] zowel bij MSC als ook bij andere DSM afdelingen geen voortgang van werkzaamheden kan plaatsvinden.
(…)”

7.1.3.

Bij brief van 19 mei 2011 (inl. dagv., prod. 2) heeft EAM [appellant] op staande voet ontslagen. Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

Op 13 mei jl. heeft u een aantal ontoelaatbare overtredingen begaan.

U heeft ongeoorloofd een aantal meters koperkabel inclusief de kunststofmantel afgebrand waardoor u bewust de veiligheidsregels bij DSM heeft overtreden (ik citeer de berichtgeving MSC: ‘de vrijkomende dampen zijn in de open ruimte terecht gekomen waar medewerkers zonder adembeschermingsmiddelen werkzaam’).

U heeft zonder toestemming (u had niet de beschikking over de noodzakelijke werkorder) gebruik gemaakt van MSC equipment terwijl iedereen weet dat het naar eigen inzicht en voor eigen doeleinde gebruiken van apparatuur verboden is:

Tenslotte heeft u ten overstaande van de heer [medewerker DSM Ahead B.V.], QESH manager MSC, toegegeven dat u de hierboven beschreven handelingen uiteindelijk heeft gedaan om het ‘schone’ koper vervolgens onrechtmatig te kunnen afvoeren van het DSM terrein voor eigen gebruik.

De hierboven beschreven omstandigheden vormen voor ons dringende reden(en) in de zin van artikel 7:678 BW op grond waarvan wij uw arbeidsovereenkomst per direct beëindigen.

(…)”

7.1.4.

De heer [getuige 1] (hierna: [getuige 1]), getuige van het voorval op 13 mei 2011, heeft in zijn schriftelijke verklaring van 8 maart 2012 (cvd, prod. 6) als volgt verklaard:

“(…)

Ondergetekende verklaart dat de feiten, inzake het incident met de heer [appellant], correct zijn weergegeven in de brief van [medewerker DSM Ahead B.V.] d.d. 16 mei 2011 en is derhalve akkoord met de inhoud van de brief hieromtrent.

(…)”

De heer [getuige 2] (hierna: [getuige 2]), eveneens getuige van het voorval, heeft de in rechtsoverweging 7.1.2 genoemde brief van [medewerker DSM Ahead B.V.] voor akkoord ondertekend (cvd, prod. 7).

7.1.5.

Bij brief van 24 mei 2011 (inl.dagv., prod. 3) aan EAM heeft de advocaat van [appellant] de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen.

7.1.6.

Bij vonnis van de rechtbank te Maastricht van 1 mei 2012 is EAM in staat van faillissement verklaard. Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] de curator in het geding geroepen.

7.1.7.

Bij brief van 10 september 2012 (concl. curator d.d. 12 december 2012, prod. 8) aan [appellant] heeft de curator bericht niet voornemens te zijn het ontslag op staande voet in te trekken, vooruitlopend op de uitkomst van de onderhavige procedure. Voorts schreef de curator dat hij, voor het geval de rechter mocht oordelen dat het ontslag op staande voet nietig is, gebruik maakte van zijn bevoegdheid ex artikel 40 Fw om de dienstbetrekking met [appellant] door opzegging te beëindigen tegen de wettelijk vroegst mogelijke datum.

7.2.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg bij exploot van 3 augustus 2011 EAM gedagvaard voor de kantonrechter en gevorderd, zakelijk weergegeven, dat:

I. voor recht wordt verklaard dat hij tijdig een beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid van het ontslag op staande voet en dat dit ontslag nietig is,

II. EAM wordt veroordeeld hem in de gelegenheid te stellen de overeengekomen werkzaamheden te verrichten op straffe van een dwangsom,

III. EAM wordt veroordeeld tot betaling van het achterstallig salaris tot en met juli 2011, te vermeerderen met vakantietoeslag en wettelijke rente,

IV. EAM wordt veroordeeld om te voldoen het salaris vanaf augustus 2011 tot aan de dag van de rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst,

V. EAM wordt veroordeeld tot betaling van de vertragingsboete over het niet tijdig betaalde salaris,

VI. met veroordeling van EAM in de proceskosten.

7.2.2.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 9 november 2011 een comparitie van partijen gelast, welke op 17 januari 2012 heeft plaatsgehad. Nadat EAM in staat van faillissement was verklaard, heeft de kantonrechter bij vonnis van 9 mei 2012 de zaak verwezen naar de rolzitting teneinde [appellant] in staat te stellen zich bij akte uit te laten als bedoeld in artikel 28 lid 1 Fw. Vervolgens heeft de kantonrechter bij vonnis van 19 september 2012, kort gezegd, verstaan dat de zaak wat betreft de loonvordering over de periode van 19 mei 2011 tot 1 mei 2012 van rechtswege is geschorst tot en met de verificatievergadering, de zaak verwezen naar de rolzitting teneinde [appellant] in staat te stellen de curator in het geding te roepen, bepaald dat de curator, indien deze verschijnt, het recht heeft bij wege van een conclusie zijn standpunt ten aanzien van het deel van de loonvordering dat loopt vanaf 1 mei 2012, naar voren te brengen en iedere verdere beslissing aangehouden. Ten slotte heeft de kantonrechter bij vonnis van 15 mei 2013 de vorderingen afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

7.2.3.

[appellant] is tijdig in hoger beroep gekomen van de vonnissen op 9 november 2011, 19 september 2012 en 15 mei 2013 gewezen. Tegen het comparitievonnis na antwoord van 9 november 2011 staat volgens artikel 131 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering echter geen hogere voorziening open en [appellant] heeft geen grieven aangevoerd tegen het vonnis van 19 september 2012, zodat hij in zijn hoger beroep tegen die vonnissen niet kan worden ontvangen.

7.3.

In hoger beroep vordert [appellant], nadat hij bij dagvaarding in hoger beroep zijn eis had gewijzigd, zakelijk weergegeven, dat:
I. voor recht wordt verklaard dat hij tijdig een beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid van het hem verleende ontslag op staande voet en dat dit ontslag nietig is,

II. de curator wordt veroordeeld om aan hem te voldoen het salaris “vanaf 1 mei tot en met augustus 2011, tot aan de dag van de rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst”,

III. de curator wordt veroordeeld tot betaling van de vertragingsboete over het niet tijdig betaalde salaris,

IV. met veroordeling van de curator in de proceskosten, de nakosten ex artikel 237 lid 4 Rv daarin begrepen.

Het hof begrijpt dat in de formulering van het sub II gevorderde sprake is van een verschrijving en dat [appellant], die immers het ontslag op staande voet bestrijdt, bedoelt te vorderen het salaris vanaf 1 mei 2011, de datum waarop EAM failliet is verklaard, tot aan de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd.

7.4.1.

Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep aan de orde de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.

7.4.2.

In rechtsoverweging 4.3 van het vonnis van 15 mei 2013 heeft de kantonrechter in dit verband als volgt overwogen:

“Tussen partijen staat vast dat [appellant] op 13 mei 2011 een hoeveelheid koper bekabeling - ongevraagd - heeft schoongebrand. Voorzover [appellant] heeft beoogd te betwisten dat hij dit deed met het doel het koper vervolgens mee naar huis te nemen valt dit niet te rijmen met eerder ingenomen stellingen en verklaringen van [appellant] en dient deze stelling als inconsistent en niet voldoende onderbouwd gepasseerd te worden.

Onbetwist staat voorts vast dat deze handelwijze in strijd is met de binnen DSM geldende regels. De kantonrechter overweegt in dit kader voorts dat [appellant] op afstand van zijn formele werkgever werkzaam was en dat EAM in relatie tot haar opdrachtgever afhankelijk is van het vertrouwen dat zij in haar werknemers kan stellen met betrekking tot het houden aan regels. Dat - zoals [appellant] onbetwist stelt - dit een eenmalig incident was doet hieraan niet af. Te meer niet nu EAM stelt - en onderbouwd met verslagen van inlener DSM - dat er sprake is geweest van een gevaarzetting. In het licht van de gedetailleerde weergave van de plof, de steekvlam en de stankoverlast had [appellant] bij zijn betwisting van de gevaarzetting niet kunnen volstaan met de enkele mededeling [dat; hof] er geen gevaarzetting was en dit ‘normaal’ was. [appellant] had gespecificeerd en met getuigenverklaringen onderbouwd dienen aan te geven welke werkwijze hij heeft gebruikt, dat die werkwijze alsmede de gebruikt[e; hof] materialen vaker met dat doel zo werden gebruikt en dat zich geen steekvlam of stankoverlast had voorgedaan. Dit heeft hij nagelaten.

Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, rechtvaardigen naar het oordeel van de kantonrechter het gegeven ontslag op staande voet.”

Vervolgens heeft de kantonrechter de vordering van [appellant] afgewezen.

7.4.3.

De grieven zijn tegen dit oordeel van de kantonrechter gericht, met dien verstande dat geen grief is gericht tegen de overweging dat [appellant] onbetwist heeft gesteld dat het een eenmalig incident betrof. De grieven zullen hierna gezamenlijk worden besproken. De verschillende bezwaren van [appellant] tegen het vonnis van 15 mei 2013 zullen achtereenvolgens worden besproken.

7.5.

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 4.2 van het vonnis van 15 mei 2013 het uitgangspunt geformuleerd aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of er sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW. Tegen deze overweging is geen grief gericht en ook zijdens de curator is de juistheid van de overweging niet bestreden.

Het hof herformuleert het algemene beoordelingskader aldus:

Op grond van artikel 7:678 eerste lid BW worden als dringende redenen in de zin van het eerste lid van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren ook in de beschouwing te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

7.6.1.

In de memorie van grieven komt [appellant] op tegen de vaststelling door de kantonrechter dat hij op 13 mei 2011 een hoeveelheid koper-bekabeling ongevraagd heeft schoongebrand. Blijkens zijn toelichting bestrijdt [appellant] niet deze vaststelling als zodanig, maar benadrukt hij dat het slechts om een klein stukje kabel gaat van ongeveer 90 centimeter. Het hof laat in het midden de exacte lengte van de koperdraad die [appellant] heeft schoongebrand, nu de lengte van de koperdraad blijkens de ontslagbrief niet bepalend was voor het ontslag op staande voet. Blijkens de ontslagbrief van 19 mei 2011 (zie r.o. 7.1.3) is [appellant] op staande voet ontslagen, kort gezegd, omdat hij in strijd met de binnen het MSC (DSM) geldende regels koperdraad, dat MSC toebehoorde, mee naar huis had willen nemen en omdat hij in strijd heeft gehandeld met de binnen het MSC (DSM) geldende veiligheidsregels. De lengte van de koperdraad was in dat verband niet van relevant belang voor het ontslag op staande voet. Partijen hebben de redenen voor het ontslag blijkens de discussie in hoger beroep ook zo begrepen.

7.6.2.

Bij memorie van grieven stelt [appellant] dat er geen grond is waarom hij gebonden zou zijn aan de bedrijfsregels van DSM.

Het hof verwerpt deze stelling. Ingevolge artikel 7:660 BW dient de werknemer zich te houden aan de voorschriften omtrent het verrichten van de arbeid alsmede aan die welke strekken ter bevordering van de goede orde in de onderneming van de werkgever, door of namens de werkgever binnen de grenzen van algemeen verbindende voorschriften, of overeenkomst aan hem, al dan niet tegelijk met andere werknemers, gegeven. Ingevolge deze bepaling was [appellant] gehouden zich te richten naar de bedrijfsregels van DSM. Dat [appellant] op basis van een detacheringsovereenkomst bij DSM werkzaam was, maakt dit niet anders. DSM mocht van [appellant], op basis van de uit de detacheringsovereenkomst voortvloeiende gezagsrelatie met [appellant], van hem verlangen dat hij zich aan haar bedrijfsregels zou houden. Ware dit anders, dan zou er binnen DSM een onwerkbare situatie ontstaan, waarin een deel van de binnen DSM werkzame personen, namelijk zij die niet op detacheringsbasis werkzaam zijn, zich aan de voorschriften van DSM dienen te houden en een ander deel, bestaande uit personen die op detacheringsbasis werkzaam zijn, zich niet naar die voorschriften zouden hoeven te richten. Een dergelijk resultaat ligt niet voor de hand, temeer daar binnen een chemische industrie als DSM veiligheidsrisico’s dienen te worden vermeden.

7.6.3.

[appellant] stelt bij memorie van grieven voorts dat onduidelijk is welke regels door hem zouden zijn overtreden.

Het hof stelt vast dat [appellant] niet gemotiveerd heeft weersproken hetgeen in de schriftelijke verklaring van [medewerker DSM Ahead B.V.] van 16 mei 2011 (zie r.o. 7.1.2), welke is geaccordeerd door de twee collega-werknemers [getuige 1] en [getuige 2] (zie r.o. 7.1.4) is verwoord, namelijk dat het binnen DSM/MSC niet is toegestaan ‘equipment’ te gebruiken met een bijbehorende werkorder waarin de veiligheidsaspecten worden beoordeeld, dat het is verboden naar eigen inzicht en voor eigen doeleinden apparatuur te gebruiken en dat dit duidelijk is gecommuniceerd met alle betrokken MSC-medewerkers en dat het afvoeren van DSM-onderdelen, die niet van het MSC zijn en/of waar geen geldige door MSC-medewerkers afgetekende afvoerdocumenten van zijn, niet is toegestaan. [appellant] betwist weliswaar - in een ander verband - de juistheid van de verklaringen van [medewerker DSM Ahead B.V.] en diens collega’s, maar een gedetailleerde verklaring waarom deze onjuist zouden zijn, ontbreekt. Aan de stelling van [appellant] dat onduidelijk is welke regels door hem zouden zijn overtreden, wordt dan ook, als onvoldoende onderbouwd, voorbijgegaan.

7.6.4.

Bij memorie van grieven betoogt [appellant] dat er, anders dan in de ontslagbrief is verwoord, niet sprake was van gevaarzetting. Hij voert aan dat hij bij het afbranden van het stukje koperdraad het oventje heeft gebruikt zoals bij het schoonbranden van de mallen, die hij dagelijks afbrandt. Tegelijkertijd met het schoonbranden van het stukje draad werden de mallen schoongebrand. Het betreffende oventje werd constant afgezogen, zodat er bij het verbranden van het kabelomhulsel geen giftige dampen zijn vrijgekomen, aldus [appellant].

Het hof stelt voorop dat [appellant] door het afbranden van de koperdraad heeft gehandeld in strijd met de binnen DSM geldende regels. Het hof verwijst naar de rechtsoverwegingen 7.6.2 en 7.6.3. [appellant] heeft ook niet aangevoerd dat hij conform deze regels heeft gehandeld.

Het hof acht het voldoende aannemelijk dat de handelwijze van [appellant] heeft geleid tot een gevaarlijke situatie.

Volgens [appellant] zelf is inherent aan het afbranden van plastic het ploffen van het oventje. Dat er sprake is geweest van een plof, zoals verwoord in de brief van [medewerker DSM Ahead B.V.] (zie r.o. 7.1.2), staat daarmee voor het hof vast. Overigens heeft [appellant] in de kern genomen niet meer aangevoerd dan dat het incident van de 13de mei 2011, waarbij hij betrokken was, in de genoemde brief niet gedetailleerd is weergegeven. Het hof verwerpt dat standpunt. In de brief, die is geaccordeerd door twee medewerkers die van het incident getuige zijn geweest (zie r.o. 7.1.4), wordt het incident immers als volgt omschreven:

“Na melding van een tweetal medewerkers van MSC bleek uit een van de afbrandovens, eigendom van MSC en frequent in zijn werkzaamheden gebruikt door dhr. [appellant] na een korte doffe plof een steekvlam te zijn gekomen uit zowel de ontgassing als door de kieren van de deur.”

Het hof acht het dan ook voldoende aannemelijk dat er na de plof een steekvlam is geweest. Vervolgens wordt ook de stankoverlast in genoemde brief gedetailleerd omschreven en wel als volgt:

“Een van de toevallige aanwezige MSC medewerkers vond de ontstane stank overlast lijken op verbrande bekabeling.”

Volgens [appellant] werd het oventje voortdurend afgezogen en kan er daarom geen stankoverlast zijn geweest. Vaststaat echter dat er niet sprake is geweest van het afbranden van de gebruikelijke objecten, te weten mallen, maar van koperdraad. In het licht daarvan en gelet op het ploffen van het oventje en de steekvlam, die het hof aannemelijk oordeelt, komt het hof tot het oordeel dat [appellant] de alleszins aannemelijke stelling dat sprake was van gevaarzetting door vrijkomende dampen onvoldoende heeft betwist, zodat dit vast staat.

7.6.5

In hoger beroep bestrijdt [appellant] voorts dat hij de ‘schone’ koper onrechtmatig wilde afvoeren van het DSM-terrein voor eigen gebruik, zoals hem in de ontslagbrief wordt verweten.

Het hof stelt voorop dat door [appellant] niet is bestreden dat hij een hoeveelheid koperdraad mee naar huis wilde nemen. Integendeel, bij memorie van grieven heeft [appellant] met zoveel woorden gesteld dat hij de intentie had het kleine stukje koper in het kader van zijn hobby mee naar huis te nemen. Uit het enkele feit dat de betreffende koperdraad op een container met bouwafval lag, kan, anders dan [appellant] betoogt, niet worden geconcludeerd dat DSM afstand had gedaan van de betreffende koperdraad, ook al moet op grond van de stellingen van partijen worden aangenomen dat de economische waarde, of nu wordt uitgegaan van een stukje koperdraad van, zoals [appellant] stelt (zie r.o. 7.6.2), ongeveer 90 centimeter of van enkele meters koperdraad, zoals in de ontslagbrief is opgenomen (zie r.o. 7.1.2), relatief gering zal zijn geweest. Belangrijker dan de economische waarde is naar het oordeel van het hof echter dat DSM erop moest kunnen vertrouwen dat haar bedrijfseigendommen, daargelaten de precieze lengte van de koperdraad die [appellant] mee naar huis wilde nemen, veilig waren en niet, ook niet door medewerkers zoals [appellant] die op detacheringsbasis werkzaam waren, zouden worden ontvreemd.

7.6.6.

Terecht heeft de kantonrechter bij zijn oordeel dat het gegeven ontslag op staande voet is gerechtvaardigd, meegewogen dat [appellant] op afstand van EAM, zijn formele werkgever, werkzaam was en dat EAM in relatie tot haar opdrachtgever afhankelijk is van het vertrouwen dat zij in haar werknemers kan stellen met betrekking tot het houden aan regels die door de inlenende partij worden gesteld. [appellant] betwist dat het incident heeft geleid tot het stopzetten van de opdracht bij DSM, maar dat heeft de kantonrechter niet overwogen.

Gelet op het beschadigde vertrouwen kon van EAM ook niet worden verwacht dat zij de arbeidsrelatie met [appellant] zou voortzetten en hem elders zou detacheren.

7.6.7.

De door [appellant] aangevoerde persoonlijke omstandigheden hebben de kantonrechter, zo begrijpt het hof, niet geleid tot het oordeel dat het gegeven ontslag op staande voet niet was gerechtvaardigd.

[appellant] heeft in eerste aanleg en in hoger beroep zijn persoonlijke omstandigheden toegelicht. Hij heeft aangegeven dat hij inmiddels 60 jaar oud is en immer naar behoren heeft gefunctioneerd. Hij heeft voorts aangegeven dat hij sedert 1992 werkzaam is geweest bij DSM en dat hij vanuit Meacon/EAM steeds gedetacheerd is geweest bij DSM (zie r.o. 7.1.1). [appellant] stelt dat hij geen bijzondere vaardigheden heeft, zodat hij feitelijk is aangewezen op ongeschoold werk. Gelet op zijn leeftijd is het voor hem zeer moeilijk tot onmogelijk nog loonvormend werk te vinden. Hij ontvangt geen WW-uitkering, nu het UWV zich op het standpunt stelt dat hij verwijtbaar werkloos is. Een WWB-uitkering ontvangt hij evenmin, nu hij een te groot vermogen heeft om in aanmerking te komen voor deze uitkering.

Het hof laat hier in het midden de juistheid van de door [appellant] aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Bij conclusie van dupliek heeft (toen) EAM namelijk bestreden dat [appellant] geen aanspraak zou kunnen maken op een WWB-uitkering en aangevoerd dat hij aanspraak heeft op een IOAW-uitkering. Het hof is van oordeel dat ook al zouden de gevolgen van het ontslag voor [appellant] zo ingrijpend zijn als door hem beschreven, een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst was gerechtvaardigd. Van een incident van zeer geringe omvang, zoals [appellant] stelt, is, zoals uit het voorgaande volgt, geen sprake, met name nu de veiligheid van anderen in het geding was. Het gegeven ontslag op staande voet is niet disproportioneel.

7.7.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] een bewijsaanbod gedaan. Dit is een aanbod tot het leveren van tegenbewijs nu de bewijslast van de dringende reden, zoals [appellant] terecht stelt, op de werkgever rust. Het bewijsaanbod wordt als niet ter zake dienend gepasseerd, nu, zoals uit het voorgaande volgt, [appellant] zijn standpunten onvoldoende heeft onderbouwd.

7.8.

De slotsom is dat de grieven falen. Het tussen partijen gewezen eindvonnis van 15 mei 2013 wordt bekrachtigd. [appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

8 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de vonnissen van 9 november 2011 en 19 september 2012;

bekrachtigt het vonnis van 15 mei 2013;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van de curator worden begroot op € 683,00 aan verschotten en op € 894,00 aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest, wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, M.G.W.M. Stienissen en M.J.H.A. Venner-Lijten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 juli 2014.