Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2554

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-07-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
12-00659
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is een jonge man van 21 jaar met een laag inkomen. Hij koopt een Mercedes. De inspecteur stelt dat deze uitgave niet verklaard kan worden uit belanghebbendes inkomen en stelt een aantal vragen. Als die vragen onbevredigend worden beantwoord, geeft de inspecteur een informatiebeschikking af o.g.v. artikel 52a, eerste lid, AWR. Hof: de inspecteur mag vragen stellen die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. De inspecteur draagt de bewijslast dat belanghebbende gegevens of inlichtingen kon verstrekken, maar dat niet gedaan heeft. Daarbij geldt, dat een belastingplichtige niet verplicht kan worden tot het verstrekken van inlichtingen, waarover hij niet beschikt en niet kan beschikken (Hoge Raad 25 januari 2002, nr. 36.063). De vragen van de inspecteur hadden betrekking op de wijze waarop belanghebbende in zijn levensonderhoud had voorzien, de wijze van aflossing van een lening, de afgifte van afschriften van bankrekening en credit card, alsmede de kosten (benzine en verzekering) van de auto. Naar het oordeel van het Hof kan al het gevraagde van belang zijn voor de belastingheffing. De inspecteur heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende met de reeds verstrekte inlichtingen de vragen niet, onvolledig of onjuist heeft beantwoord. De informatiebeschikking wordt in zoverre vernietigd. De gevraagde credit card-afschriften moet belanghebbende echter wel verstrekken, ook over latere jaren.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52a, geldigheid: 2014-09-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2225
V-N 2014/53.26.5
V-N Vandaag 2014/1904
mr. J. Kastelein annotatie in NTFR 2014/2635

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 12/00659

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (thans Rechtbank Zeeland-West-Brabant, hierna: de Rechtbank) van 7 september 2012, nummer AWB 12/1181, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[inspecteur],

hierna: de Inspecteur,

met betrekking tot de hierna te noemen informatiebeschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft gedagtekend 13 oktober 2011 ten laste van belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) afgegeven met kenmerk [nummer].

1.2.

Belanghebbende heeft tegen deze beschikking regelmatig bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak gedagtekend 7 februari 2012 het bezwaar afgewezen. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 42. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 115. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 2 mei 2014 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A], als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B].

1.5.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.


1.6. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:


2.1. Belanghebbende, geboren op [geboortedatum 1], is gehuwd met mevrouw [C], geboren op [geboortedatum 2]. Belanghebbendes echtgenote heeft een groot deel van het jaar 2008 verbleven in een penitentiaire inrichting. In december 2008 heeft de politie beslag gelegd op belanghebbendes auto, merk Mercedes-Benz (hierna: de auto), welk beslag in de loop van het jaar 2009 is opgeheven, doch direct gevolgd is – op 2 maart 2009 - door een beslag door de Belastingdienst op de auto. Dit beslag is in juli 2009 opgeheven.

2.2.

Met dagtekening 2 maart 2009 heeft de Inspecteur aan belanghebbende voor het jaar 2008 voorlopige aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (hierna: de ZVW) opgelegd naar een geschat box I inkomen respectievelijk bijdrage inkomen van € 25.000.

2.3.

Met dagtekening 3 maart 2009 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen die voorlopige aanslagen, stellende dat het door de Inspecteur geschatte inkomen onjuist is en dat hij een dergelijk inkomen niet heeft genoten.

2.4.

Met dagtekening 27 juli 2009 is aan belanghebbende een aangiftebiljet IB/PVV over het jaar 2008 uitgereikt. Belanghebbende heeft de aangifte gedagtekend 9 september 2009 bij de Inspecteur ingediend. Daarin vermeldt belanghebbende enkel een bedrag van € 1.599 aan looninkomsten en een uitkering ingevolge de wet werk en Bijstand van € 5.286.

2.5.

Bij brieven van 22 oktober 2009, 15 en 25 augustus 2011 en 19 september 2011 verzoekt de Inspecteur belanghebbende om informatie in verband met de behandeling van het bezwaar bedoeld onder 2.3. De verzoeken om informatie hebben betrekking op de aankoop van de auto en de wijze, waarop belanghebbende het aankoopbedrag heeft gefinancierd. Voorts verzoekt de Inspecteur belanghebbende om aan te geven waar hij, gelet op zijn lage inkomen, in 2008 van heeft geleefd.

2.6.

In reactie op de vragen van de Inspecteur heeft belanghebbende, voor zover hier van belang, de volgende informatie verstrekt:
- de auto is op 13 december 2008 in Duitsland gekocht voor een bedrag van € 6.800;

- de aankoop is gefinancierd met een geldlening van de bevriende heer [D]. Belanghebbende overlegt een handgeschreven overeenkomst van geldlening, waarin staat dat op 1 december 2008 een bedrag van € 7.500 ter leen is verstrekt aan belanghebbende, welk bedrag, vermeerderd met rente van 10% per jaar, binnen twee jaar moet worden terugbetaald;

- de lening is afgelost door deelbetalingen in 2009, 2010 en 2011. Belanghebbende overlegt dienaangaande een verklaring van de heer [D], gedagtekend 3 september 2009, waarin staat dat belanghebbende tot dat moment € 3.500 heeft terugbetaald op de lening en dat hij de tijd krijgt om de rest terug te betalen;

- de kosten van de auto bedragen volgens belanghebbende € 550 per kwartaal (WA- verzekering, motorrijtuigenbelasting);

- belanghebbende stelt dat zijn loon voldoende was om de overige kosten van de auto, zoals de brandstof, te betalen;

-in oktober 2009 heeft met de auto een aanrijding plaatsgevonden, waarna het wrak in dezelfde maand is verkocht. Belanghebbende overlegt dienaangaande stukken van de verzekeraar, volgens welke stukken de waarde van de auto voor de schade € 14.000 bedraagt en de verkoopopbrengst van het wrak € 6.388 is;
- belanghebbende heeft tot 1 oktober 2008 levensonderhoud in natura ontvangen van zijn directe familie en vanaf 1 oktober 2009 tot oktober 2010 was hij in loondienst werkzaam;
- in 2008, 2009, 2010 en een deel van 2011 woonde belanghebbende bij zijn broer;
- belanghebbende heeft afschriften over het jaar 2008 overgelegd van zijn bankrekening bij de Rabobank en van zijn VISA CARD rekening.

2.7.

Met dagtekening 13 oktober 2011 heeft de Inspecteur de informatiebeschikking afgegeven. Hierin staat onder meer het volgende:

“(…) In verband met de door u ingediende bezwaarschriften tegen de voorlopige aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2008 (…) heb ik u (…) gevraagd om inlichtingen en/of gegevensdragers die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van (belanghebbende).

U heeft niet geheel aan deze informatieverzoeken voldaan. Het gaat om de volgende vragen en verzoeken:
* welke familieleden verleenden financiële steun aan belanghebbende, waaruit bestond deze steun en om wat voor bedragen gaat dit?
* Op welke data heeft belanghebbende aflossingen gedaan op de lening van de heer [D] (inclusief de bedragen van de aflossingen)?
* Hoeveel geld heeft belanghebbende besteed aan tankbeurten met de (auto)?
* de bankafschriften en de afschriften van de Visa card over de jaren na 2008.
(…)”.


2.8. Ter zitting van de Rechtbank heeft de Inspecteur verklaard dat hij de bankafschriften en de afschriften van de Visa Card wenst over de periode 1 januari 2009 tot 13 oktober 2011, zijnde de dagtekening van de informatiebeschikking.

2.9.

In hoger beroep stelt belanghebbende dat hij omstreeks oktober 2009 een bedrag van
€ 7.638,19 heeft ontvangen van de verzekeringsmaatschappij als uitkering ter zake van de schade van de auto. Voorts stelt belanghebbende dat er tot de datum van afgifte van het kentekenbewijs van de auto (7 juli 2009) “vanzelfsprekend” niet met de auto werd gereden. Ook nadien heeft belanghebbende, naar hij stelt, met de auto niet gereden, aangezien hij niet beschikte over een rijbewijs. Aan hem is op 18 augustus 2010 een rijbewijs afgegeven. In de auto werd tot de aanrijding in oktober 2009, waarna het wrak is verkocht, gereden door belanghebbendes vader, de heer [E], op wiens naam de auto was verzekerd en die de kosten van de verzekering, motorrijtuigenbelasting en brandstof voor zijn rekening nam. Vanaf de datum van afgifte kentekenbewijs totdat het wrak is verkocht, was geen sprake van relevante gebruikskosten, zo stelt belanghebbende in zijn hoger beroepschrift.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vragen of
(A) de Inspecteur terecht de informatiebeschikking heeft afgegeven; meer in het bijzonder gaat het om de vraag
(B) of de Inspecteur een redelijk heffingsbelang had voor het stellen van de in de informatiebeschikking genoemde vragen en
(C) of belanghebbende deze vragen al afdoende heeft beantwoord.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt vragen A en B ontkennend, vraag C bevestigend.
De Inspecteur verdedigt telkens het tegenovergestelde antwoord.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur en van de informatiebeschikking.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Belanghebbende, een jonge man die in februari 2008 21 jaar werd, met een laag inkomen en geen vermogen, doet een uitgave die niet mogelijk is vanuit dat inkomen. De Inspecteur wil weten hoe dat kan. Hij wil dat weten, omdat de mogelijkheid bestaat dat de jonge man inkomen of vermogen verzwijgt.

Het toetsingskader

4.2.

Zolang de vragen van de Inspecteur gericht zijn, en geschikt zijn, om het antwoord te achterhalen op de in 4.1 genoemde vraag, geldt als uitgangspunt dat hij de vragen mag stellen en dat belanghebbende de vragen moet beantwoorden. Dergelijke vragen voldoen namelijk aan de in artikel 47 AWR gestelde eis dat zij “voor de belastingheffing (…) van belang kunnen zijn”.

4.3.

Voor de aanwezigheid van een belang is slechts vereist, dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van de betrokkene. Dat betekent dat de bevoegdheid tot het stellen van vragen – en de verplichting van de belastingplichtige tot antwoorden – ver reikt. Vragen die gaan over de wijze waarop een belastingplichtige in zijn levensonderhoud heeft voorzien (inkomen in de ruimste zin, in geld of in natura, als tegenprestatie of als gift) en vragen die betrekking hebben op zijn uitgaven, zullen daarom in de regel onder de reikwijdte van die bevoegdheid vallen. Naar het oordeel van het Hof voldoen alle in het onderhavige geval door de Inspecteur gestelde vragen aan de voorwaarde dat zij van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.

4.4.

De bevoegdheid van de Inspecteur wordt begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In het bijzonder moet gedacht worden aan het beginsel van een evenredige belangenafweging, omschreven in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht: de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Dit beginsel is van belang in situaties, waarin de belanghebbende stelt dat de Inspecteur ook op andere wijze de gevraagde inlichtingen kan verkrijgen. De hoofdregel luidt, dat deze omstandigheid de belastingplichtige niet bevrijdt van zijn verplichting tot antwoorden. Het evenredigheidsbeginsel kan echter deze hoofdregel breken; of dat zo is zal, onder meer, afhangen van de mate van eenvoud waarmee de Inspecteur zijn inlichtingen elders kan krijgen, afgewogen tegen de zwaarte van de last, die de belanghebbende bij de verstrekking daarvan ondervindt.

4.5.

Ten slotte is van belang, dat de bewijslast op de Inspecteur rust, dat wil zeggen: hij is de partij die moet bewijzen (in de zin van: aannemelijk maken), dat belanghebbende niet voldaan heeft aan zijn inlichtingenplicht. Hij zal dus aannemelijk moeten maken dat belanghebbende gegevens of inlichtingen kon verstrekken, maar dat niet gedaan heeft. Daarbij geldt, dat een belastingplichtige niet verplicht kan worden tot het verstrekken van inlichtingen, waarover hij niet beschikt en niet kan beschikken (Hoge Raad 25 januari 2002, nr. 36.063).

De gevraagde inlichtingen en documenten

4.6.

De Inspecteur stelt dat belanghebbende niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht met betrekking tot de volgende in de informatiebeschikking genoemde vragen:

1. Belanghebbende heeft wel de bankafschriften van de Rabobank over het jaar 2008, alsmede de afschriften van de Visa Card verstrekt, maar niet de afschriften over de jaren na 2008.

2. Welke familieleden verleenden financiële steun aan belanghebbende, waaruit bestond deze steun en om wat voor bedragen gaat dit?

3. Op welke data heeft belanghebbende exact aflossingen gedaan op de lening van de heer [D] (inclusief de bedragen van de aflossingen)?

4. Hoeveel geld heeft belanghebbende besteed aan tankbeurten met de auto?

4.7.

In zijn brief van 22 september 2011 stelt belanghebbende dat de Inspecteur geen redelijk heffingsbelang heeft bij de gestelde vragen. Ter zitting heeft hij dit standpunt in zoverre genuanceerd, dat hij nu stelt, althans met betrekking tot de vragen 2, 3 en 4, dat hij reeds alle hem bekende gegevens heeft verstrekt. Zijn stelling is dus niet, althans niet uitsluitend, dat hij weigert te antwoorden, omdat de Inspecteur geen heffingsbelang zou hebben, maar dat hij de betreffende vragen al naar beste kunnen heeft beantwoord en dat hij gewoon niets meer heeft. Zo heeft hij het ook altijd, aldus belanghebbende, bedoeld.

Met betrekking tot de bankafschriften (eerste vraag van 4.6)

4.8.

Bankafschriften, daaronder begrepen afschriften van creditcards, vormen naar het oordeel van het Hof bij uitstek een middel om inzicht te krijgen in de inkomens- en uitgavenstroom van een belastingplichtige. De Inspecteur mag er daarom naar vragen.

4.9.

Belanghebbende heeft hiertegen ingebracht dat hij over 2008 alle afschriften heeft verstrekt en dat niet valt in te zien, wat de bankafschriften over de latere jaren kunnen zeggen over zijn fiscale aangelegenheden in 2008. Dit betoog faalt. Belanghebbende stelt dat hij een lening is aangegaan, die hij beoogde af te lossen over een periode, die óók de jaren na 2008 besloeg. Dat is op zichzelf genomen al genoeg rechtvaardiging voor de Inspecteur om ook over die periode bankafschriften op te vragen.

4.10.

Belanghebbende heeft voorts gesteld, dat hij de bankafschriften niet meer heeft, dat het hem geld gaat kosten om deze op te vragen en dat de Inspecteur de gevraagde informatie ook op andere wijze kan verkrijgen. Hij doet met deze stelling kennelijk een beroep op het evenredigheidsbeginsel en op de regel dat van een belastingplichtige niet gevraagd kan worden gegevens te verstrekken, waarover hij niet beschikt en niet kan beschikken. Ook dit betoog faalt. Belanghebbende kan immers zonder te veel moeite over de gegevens beschikken; hij hoeft ze alleen maar op te vragen. Hieraan zijn weliswaar kosten verbonden, maar belanghebbende heeft de omvang daarvan niet zodanig onderbouwd, dat het Hof zou kunnen oordelen dat het opvragen van de afschriften een onevenredige last oplevert.

4.11.

Het Hof komt met de Rechtbank tot het oordeel dat de Inspecteur de bankafschriften mocht opvragen.

Welke familieleden verleenden financiële steun aan belanghebbende, waaruit bestond deze steun en om wat voor bedragen gaat dit? (vraag 2 van 4.6)

4.12.

Weliswaar heeft belanghebbende aanvankelijk – ten onrechte - het standpunt ingenomen dat de Inspecteur geen heffingsbelang zou hebben bij zijn vraag, maar in hoger beroep is duidelijk geworden, dat hij (tevens) bedoelde te stellen, dat hij de vraag naar het beste van zijn weten en kunnen heeft beantwoord. Het Hof acht dit aannemelijk. Het heeft daarbij acht geslagen op belanghebbendes stelling, dat de steun van familie voornamelijk in natura plaatsvond, hetgeen overeenstemt met het feit dat hij, naar tussen partijen niet in geschil is, bij zijn broer inwoonde en dus geen kosten van huisvesting had. Daarnaast zal, aldus belanghebbende, wel eens de rekening van de supermarkt voor hem zijn betaald. Het betreft ‘inkomen’ van een soort, waarvan geen boekhouding wordt bijgehouden. Gezien het tijdsverloop kan hij zich dan ook niet meer herinneren wie wat wanneer voor hem heeft gedaan.

4.13.

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende deze vraag onvolledig of onjuist heeft beantwoord.

4.14.

Voor wat betreft vraag 2 is het gelijk dus aan belanghebbende.

Op welke data heeft belanghebbende aflossingen gedaan op de lening van de heer [D] (inclusief de bedragen van de aflossingen)?(vraag 3 van 4.6)

4.15.

In wezen stelt belanghebbende, dat hij ook deze vraag naar beste weten en kunnen heeft beantwoord door het verstrekken van de diverse verklaringen van de heer [D]. Meer is er niet, aldus belanghebbende, en meer kan hij dus ook niet geven. De data van betaling heeft hij bij benadering gegeven, preciezer kan hij niet zijn.

4.16.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende die vraag onjuist of onvolledig heeft beantwoord.

Met betrekking tot vraag 3 is het gelijk dus aan de zijde van belanghebbende.

Hoeveel geld heeft belanghebbende besteed aan tankbeurten met de auto? (vraag 4 van 4.6)

4.17.

Belanghebbende heeft gesteld dat hij destijds geen rijbewijs had, dat hij pas in 2010 een rijbewijs kreeg, dat op de auto beslag was gelegd, dat het beslag pas in juli 2009 is opgeheven, dat hij (dus) in 2008 niet in de auto heeft gereden, en dat toen de auto vrij kwam het zijn vader was die de auto gebruikte en de kosten van tanken en verzekering betaalde.

4.18.

De Inspecteur heeft de feiten aangaande de beslaglegging niet bestreden. Uit de stukken van het geding blijkt inderdaad dat belanghebbendes vader verzekeringnemer was. De Inspecteur stelt evenwel dat hij ook gegevens van de tankbeurten van na opheffing van het beslag wil ontvangen.

4.19.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat hij geen tankkosten heeft gemaakt. De Inspecteur, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de vraag niet of onjuist heeft beantwoord.

4.20.

Met betrekking tot vraag 4 is het gelijk dus aan de zijde van belanghebbende.

Slotsom

4.21.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.22.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 42 respectievelijk € 115 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.23.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.24.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 4 (punten) x € 487 x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.948.

4.25.

Nu het gaat om een geval van een veroordeling in de kosten ten behoeve van een partij, aan wie ter zake van het beroep bij de bestuursrechter een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt het bedrag van de kosten betaald aan de rechtsbijstandverlener (c.q. de gemachtigde). De rechtsbijstandverlener stelt belanghebbende zoveel mogelijk schadeloos voor de door deze voldane eigen bijdrage. De rechtsbijstandverlener doet aan de Raad voor rechtsbijstand opgave van een kostenvergoeding door het bestuursorgaan.

5 Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

- vernietigt de informatiebeschikking, behoudens voor zover deze betrekking heeft op het opvragen van “De bankafschriften en de afschriften van de Visa Card over de jaren na 2008”;

- stelt belanghebbende een termijn van twee maanden om alsnog de gevraagde bankafschriften en de afschriften van de Visa Card te overleggen;

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 157 vergoedt; en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 1.948.

Aldus gedaan op 25 juli 2014 door W.E.M. van Nispen tot Sevenar, voorzitter, J. Swinkels en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.