Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2553

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-07-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
09-00107
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verbouwing van woning en loods betreft afzonderlijk investeringsgoed. Gebruik betreft mede ondernemingsdoeleinden; derhalve heeft belanghebbende recht op aftrek van alle voorbelasting die in rekening is gebracht ten aanzien van de totale verbouwingsdiensten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2231
V-N Vandaag 2014/1912
V-N 2014/59.17
Mr. A.J. Blank annotatie in NTFR 2014/2622

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00107

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] VOF,

gevestigd te[woonplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 27 januari 2009, nummer AWB 07/2490, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[inspecteur],

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te noemen naheffingsaanslag en beschikking heffingsrente.

1Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 38.193 aan belasting. Tevens is bij beschikking € 1.613 heffingsrente in rekening gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij één uitspraak de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 285. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 447. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De aanvankelijk geplande mondelinge behandeling op 14 maart 2010 is op verzoek van belanghebbende uitgesteld tot de Hoge Raad heeft beslist in een lopende zaak met kenmerk 07/12617. In deze zaak heeft de Hoge Raad, na een prejudiciële procedure, beslist bij arrest van 12 juli 2013, nr. 07/12617bis, ECLI:NL:HR:2013:17, BNB 2013/208.

1.5.

De eerste zitting heeft plaatsgehad op 8 januari 2014 te ’s-Hertogenbosch. Beide partijen zijn met kennisgeving aan het Hof niet verschenen.

1.6.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende voor de tweede zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7.

De tweede zitting heeft plaatsgehad op 13 juni 2014 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord mevrouw [A], vennoot van belanghebbende, bijgestaan door de [B], als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [C], mevrouw [D] en de heer [E].

1.8.

Het Hof heeft aan het eind van de tweede zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de tweede zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende exploiteert een transportonderneming en is ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). De door belanghebbende verrichte transportdiensten zijn belaste prestaties in de zin van deze wet.

2.2.

[F] en zijn echtgenote [A] zijn de vennoten van belanghebbende.

2.3.

Op 15 augustus 2002 hebben de heer en mevrouw[F en A] een onroerende zaak gekocht bestaande uit een woonhuis met een daarvan losstaande loods, ondergrond, erf, tuin en verdere aanhorigheden. De onroerende zaak is op 28 februari 2003 vrijgesteld van de heffing van omzetbelasting aan hen geleverd.

2.4.

In 2004 en 2005 is de onroerende zaak verbouwd, waarbij onder meer een verbinding is gemaakt tussen de woning en de loods.
Aan de loods was ten tijde van de aankoop een opslagruimte verbonden. Dit gedeelte is in 2004 verbouwd tot kantoorruimte. Tussen deze kantoorruimte en de woning is – eveneens in 2004 - een verbindingsstuk gebouwd van ongeveer 3 tot 4 meter lengte. In dit verbindingsstuk bevindt zich een halletje en een toilet. De woning is vervolgens in 2005 geheel verbouwd met behoud van de bestaande muren en het dak. Voor de gehele verbouwing is één vergunning aangevraagd en verkregen en is één aanneemovereenkomst gesloten. De verbouwing heeft niet geleid tot de vervaardiging van een (nieuwe) onroerende zaak. Sedert de verbouwing wordt de woning voornamelijk voor privé-doeleinden gebruikt, maar ook voor bedrijfsdoeleinden, zoals de ontvangst van respectievelijk besprekingen met zakelijke gasten. Het verbindingsstuk wordt voor beide doeleinden gebruikt en de loods wordt uitsluitend voor bedrijfsdoeleinden gebruikt.

2.5.

Belanghebbende heeft alle omzetbelasting met betrekking tot de verbouwingskosten als voorbelasting in aftrek gebracht.

2.6.

In 2006 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. In het rapport dat naar aanleiding van dit onderzoek is opgemaakt, is vermeld:

‘Voor de omzetbelasting wordt het gehele onroerend goed tot het bedrijfsvermogen gerekend’.

2.7.

Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. Daarbij is de door belanghebbende in aftrek gebrachte voorbelasting nageheven voor zover deze betrekking heeft op het woonhuis en de helft van het verbindingsstuk.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende de omzetbelasting met betrekking tot de verbouwingskosten als voorbelasting in aftrek kan brengen.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak van de Inspecteur en de naheffingsaanslag.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

4.1.

Bij arrest van 19 juli 2012, X, C-334/10, ECLI:EU:C:2012:473, BNB 2012/271 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) op vragen van de Hoge Raad gesteld in het arrest van 11 juni 2010, nr. 07/12617, ECLI:NL:HR:2010:BI1947, BNB 2010/265, geoordeeld dat de aanpassingen bestaande in de duurzame aanleg van twee dakkappelen en een portaal aan een geheel tot het bedrijf behorend goed (een loods) op zich beschouwd een afzonderlijk investeringsgoed vormen (vgl. punt 16 van het arrest HvJ EU). De belastingplichtige kan geacht worden de aanpassingen als een als zodanig handelende belastingplichtige te hebben aangeschaft, ingeval deze aanpassingen niet uitsluitend voor privédoeleinden maar tevens voor ondernemingsdoeleinden worden aangewend (vgl. punt 17 van het arrest HvJ EU; zogenaamd gemengd gebruik). Dit oordeel is overgenomen door de Hoge Raad in zijn arrest van 12 juli 2013, nr. 07/12617bis, ECLI:NL:HR:2013:17, BNB 2013/208.

4.2.

In de in onderdeel 4.1 genoemde zaak van het HvJ EU ging het om duurzame aanpassingen aan een goed, dat reeds tot het ondernemingsvermogen was gerekend, en om ‘volgtijdelijk’ gemengd gebruik van die aanpassingen (eerst privé, daarna zakelijk). In de onderhavige zaak gaat het om aanpassingen aan een onroerende zaak, ten aanzien waarvan bij de aanschaf in het midden is gebleven of deze voor ondernemings- of voor privédoeleinden is bestempeld (er was geen omzetbelasting in rekening gebracht bij aankoop) en om ‘gelijktijdig’ zakelijk en privégebruik van de aanpassingen.

4.3.

Het Hof overweegt in navolging van het HvJ EU en de Hoge Raad, dat aanpassingen van een bestaande onroerende zaak afzonderlijk beschouwd als een investeringsgoed kunnen worden aangemerkt. Dit is het geval als de aanpassingen, onder meer bestaande uit de constructie van de nieuwe delen van de onroerende zaak, een zekere duurzaamheid bezitten, welke tot uitdrukking komt in de dienovereenkomstige afschrijving van die aanpassing(en). Zie de genoemde zaak van het HvJ EU, punt 16, waarin wordt verwezen naar de redenen die de Advocaat-Generaal Kokott in de punten 59-63 van haar conclusie heeft genoemd.

4.4.

Het gaat in de onderhavige zaak niet om enkel kosten, die worden gemaakt om een reeds bestaand deel van een investeringsgoed door een nieuw deel te vervangen, maar (mede) om de constructie van nieuwe delen van een zaak, die voorheen niet bestonden en om aanpassingen, waarop belanghebbende afschrijft. Dit leidt het Hof tot de conclusie dat het ook in de onderhavige zaak om een afzonderlijk investeringsgoed gaat. Het Hof neemt daarbij mede in aanmerking, dat de werkzaamheden door de aannemer zijn uitgevoerd als één geheel, op basis van één opdracht, dat deze werkzaamheden gefaseerd in de periode 2004 en 2005 zijn verricht en dat belanghebbende één bouwvergunning heeft aangevraagd en gekregen.

4.5.

Dat in de onderhavige zaak – anders dan in bedoelde zaak voor het HvJ EU – de aanpassingen hebben plaatsgevonden in een onroerende zaak ten aanzien waarvan bij de aanschaf en ingebruikname in het midden is gebleven of de zaak tot het bedrijfsvermogen is gerekend, doet volgens het Hof niet af aan de conclusie dat in beginsel aftrek kan worden genoten van de omzetbelasting, die in rekening is gebracht voor de aanpassingen aan die zaak. Dit acht het Hof inherent aan het gegeven dat deze aanpassingen als een afzonderlijk investeringsgoed kunnen worden aangemerkt (zie ook Hoge Raad 12 juli 2013, nr. 10/02529, ECLI:NL:HR:2013:60, r.o. 3.5.1). Ook het gelijktijdig gemengd gebruik in plaats van volgtijdelijk gemengd gebruik staat aan deze conclusie niet in de weg.

4.6.

Om de vraag te kunnen beantwoorden of belanghebbende de omzetbelasting, die in rekening is gebracht ten aanzien van het aldus vastgestelde investeringsgoed, ook volledig in aftrek heeft mogen brengen, moet worden beoordeeld of het investeringsgoed met het oog op de economische activiteiten is aangeschaft; met andere woorden, of belanghebbende op het tijdstip van de uitvoering van de aanpassingen het voornemen had om deze aanpassingen mede voor ondernemingsdoeleinden aan te wenden.

4.7.

Tot de objectieve gegevens waarmee rekening kan worden gehouden om te bepalen of een belastingplichtige in een concreet geval goederen heeft aangeschaft ten behoeve van zijn economische activiteiten, behoren onder meer de aard van de betrokken goederen. Nu niet betwist wordt dat de aanpassingen aan de woning, het tussengedeelte en de loods zowel voor privédoeleinden als voor ondernemingsdoeleinden worden gebruikt, wordt aan deze eis voldaan. Belanghebbende heeft derhalve recht op aftrek van alle voorbelasting, die in rekening is gebracht ten aanzien van de totale verbouwingsdiensten.

Slotsom

4.8.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren, de uitspraken van de Inspecteur vernietigen en de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente vernietigen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 285 respectievelijk € 447 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.11.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2,5 (punten) x € 487 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.217,50 (procedure bij de Rechtbank) en 2 (punten) x € 487 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak), is € 974 (procedure bij het Hof).

4.12.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraken van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken van de Inspecteur;

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslag;

  • -

    vernietigt de beschikking heffingsrente;

  • -

    gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 732 vergoedt;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 2.191,50, en

  • -

    wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 25 juli 2014 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, J. Swinkels en H.W.M. van Kesteren, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.