Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2528

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
HD 200.122.114_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Als schadevergoeding op te maken bij staat is gevorderd en aannemelijk is dat mogelijk schade is geleden, is aan de criteria voor een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat voldaan. De rechter moet dan niet de schade zelf gaan begroten (en in dit geval geheel afwijzen), zonder de partijen in de gelegenheid te stellen om hun standpunten aan te passen aan het gegeven dat de rechter in de hoofdprocedure (zonder verwijzing naar de schadestaatprocedure) definitief over de schade wil beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.122.114/01

arrest van 29 juli 2014

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. J.J.C.M. Rouws te Berlicum, Noord-Brabant,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: mr. P.L.M.F. Roosendaal te Oss,

op het bij exploot van dagvaarding van 6 februari 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 november 2012, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 230035/HA ZA 11-811)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het in dezelfde zaak gewezen tussenvonnis van 3 augustus 2011.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord.

De partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 van het vonnis van 7 november 2012 enkele feiten vastgesteld. Het hof zal die feiten hieronder weergeven, voorzien van een door het hof toegevoegde letteraanduiding.

a. [appellant] exploiteert een bedrijf dat gespecialiseerd is in het leveren van met name granieten producten. Het gaat daarbij onder andere om aanrechtbladen, tuintafels en wastafels. [geïntimeerde] heeft meerdere jaren de websites van [appellant], waaronder [website 1].nl, onder meer gemaakt, onderhouden en gehost. Op de overeenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] zijn de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] van toepassing en deze vermelden, voor zover van belang:

“(…) Artikel 8 Betaling (…)

3. Betaling door de opdrachtgever dient binnen 14 dagen na factuurdatum te geschieden (…)

4. Indien de opdrachtgever niet binnen de in lid 3 van dit artikel genoemde termijn heeft betaald, is hij van rechtswege in verzuim (…) en is de opdrachtgever zonder nadere sommatie vanaf de vervaldatum tot de datum van algehele voldoening een rente verschuldigd van 1% per maand. (…)

7. Indien de opdrachtgever enige verplichting uit de overeenkomst (…) niet tijdig (…) nakomt, zijn de (…) kosten voor rekening van de opdrachtgever. Onder deze kosten zijn begrepen alle (…) buitengerechtelijke kosten (…) De buitengerechtelijke kosten worden gesteld op minimaal 15% van het te vorderen bedrag (…)”

Op 24 april 2008 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] een factuur ter hand gesteld van € 1.807,82. De factuur vermeldt een betalingstermijn van nul dagen (hierna: de factuur). [appellant] was het niet eens met de factuur en heeft deze niet betaald. Per faxbericht van 24 april 2008 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] meegedeeld, voor zover van belang:

“(…) Vanochtend kreeg u van mij de gelegenheid om mijn declaratie te voldoen. U eiste met betrekking tot het door u te leveren keukenblad gisteren betaling vooraf. Daarom heb ik op mijn beurt uw betalingstermijn teruggebracht tot 0 dagen.

U wilde vanmorgen niet betalen en daarop heb ik aangekondigd uw website ‘wegens administratieve redenen’ buiten gebruik te stellen. Dat is vanmiddag dan ook gebeurd nadat (…) ik kennis had genomen van het feit dat u voor www.[website 1].nl (…) verhuizing van het domein had aangevraagd. Overigens zal ik pas medewerking verlenen aan verhuizing van genoemde domeinnamen nadat u aan uw betalingsverplichtingen heeft voldaan.

Direct na ontvangst van uw betaling zal ik uw website weer gewoon online plaatsen. (…)”

Bij het benaderen van [website 1].nl was de volgende tekst te zien:

“De website www.[website 1].nl is wegens administratieve redenen tijdelijk buiten gebruik gesteld!!!!!

[geïntimeerde] & Partners betreuren het ongemak voor u! (…)”

De website is tot 8 mei 2008 offline gebleven.

Op de website [website 2].nl was in elk geval op 30 mei 2008 de volgende tekst te lezen:

“De website www.[website 2].nl is wegens administratieve redenen tijdelijk buiten gebruik gesteld!!!!!

[geïntimeerde] & Partners betreuren het ongemak voor u! (…)”

Op in elk geval 3 december 2008 was op de website [website 2].nl de volgende tekst te lezen:

“De domeinnaam www.[website 2].nl is beschikbaar voor U

Neem contact op met:

[geïntimeerde] & Partners

[website 3].nl (…)”

3.2.1.

In de onderhavige procedure vorderde [appellant] in eerste aanleg in conventie:

  1. een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [appellant] door het buiten werking stellen en houden van de website [website 1].nl en dientengevolge aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade;

  2. een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [appellant] door:

 het buiten werking stellen en houden van de website [website 2].nl en/of

 het op eigen naam registeren van genoemde site en/of

 het weigeren deze domeinnaam aan [appellant] over te dragen

en dientengevolge aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade;

[geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de betreffende schade ad € 10.000,00 dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, op de schade zoals genoemd onder A en B en [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de resterende schade op te maken bij staat;

met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten vermeerderd met nakosten en wettelijke rente.

3.2.2.

Aan deze vorderingen heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort geschoten is dan wel onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] zoals hiervoor onder A en B weergegeven en dat [appellant] daardoor schade heeft geleden.

3.2.3.

[geïntimeerde] heeft in conventie verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

[geïntimeerde] heeft in reconventie veroordeling van [appellant] gevorderd tot betaling van een hoofdsom van € 1.807,82 ter zake een door [appellant] onbetaald gelaten factuur, te vermeerderen met contractuele rente en kosten zoals aangegeven op blz. 15 van de conclusie van eis in reconventie.

3.2.5.

[appellant] heeft in reconventie de omvang van de vordering van [geïntimeerde] betwist.

3.3.1.

In het tussenvonnis van 3 augustus 2011 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

3.3.2.

In het eindvonnis van 7 november 2012 heeft de rechtbank in conventie:

 voor recht verklaard dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort geschoten is in de nakoming van de verbintenis jegens [appellant] door het buiten werking stellen en houden van de website [website 1].nl;

 [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellant] een schadevergoeding van € 1.800,-- te betalen;

 [geïntimeerde] in de kosten van het geding in conventie en in de nakosten veroordeeld, vermeerderd met de wettelijke rente daarover;

 het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.3.3.

In het eindvonnis van 7 november 2012 heeft de rechtbank in reconventie:

 [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] € 1.361,01 te betalen, vermeerderd met de contractuele rente van 1% per maand over dat bedrag met ingang van 21 juli 2011;

 [appellant] in de kosten van het geding in reconventie veroordeeld;

 het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.4.1.

[appellant] heeft geen grieven aangevoerd tegen de overwegingen en beslissingen van de rechtbank in reconventie. Het geschil in reconventie blijft in dit hoger beroep dus buiten beschouwing.

3.4.2.

Tegen de overwegingen en beslissingen van de rechtbank in conventie heeft [appellant] vijf grieven aangevoerd. Op basis van die grieven concludeert [appellant] tot vernietiging van het beroepen vonnis (naar het hof begrijpt: voor zover daarbij in conventie de vorderingen van [appellant] niet geheel zijn toegewezen) en tot het alsnog geheel toewijzen van hetgeen in eerste aanleg door [appellant] is gevorderd.

Naar aanleiding van de grieven I en II: de gevorderde schadevergoeding wegens het buiten werking stellen en houden van de website [website 1].nl.

3.5.1.

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.3 van het beroepen vonnis geoordeeld dat [geïntimeerde] zonder rechtsgrond op 24 april 2008 zijn verplichtingen uit de overeenkomst met [appellant] heeft opgeschort en de website [website 1].nl op zwart heeft gezet.

In rechtsoverweging 4.4 van het vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerde] door aldus te handelen, tekort geschoten is in de nakoming van zijn (contractuele) verbintenis jegens [appellant] en dat [geïntimeerde] daarom verplicht is om de schade, die [appellant] door dat handelen heeft geleden, te vergoeden. Deze oordelen zijn dragend voor de gedeeltelijke toewijzing door de rechtbank van de vorderingen van [appellant] in conventie. In die toewijzing ligt ook besloten dat de rechtbank het beroep dat [geïntimeerde] in eerste aanleg heeft gedaan op het exoneratiebeding in zijn algemene voorwaarden, niet heeft gehonoreerd.

3.5.2.

Omdat [geïntimeerde] de gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen van [appellant] niet in incidenteel hoger heeft aangevochten, dient ook in hoger beroep tot uitgangspunt dat [geïntimeerde] tekort geschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen door de website [website 1].nl op zwart te zetten, dat [geïntimeerde] de schade die [appellant] door dat handelen heeft geleden, moet vergoeden en dat het beroep van [geïntimeerde] op het exoneratiebeding niet opgaat (HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8514).

3.5.3.

Als schadevergoeding voor het door [geïntimeerde] buiten werking stellen en houden van de website [website 1] heeft de rechtbank uitsluitend een bedrag van € 1.800,-- toegewezen, ter zake de kosten voor het maken van een nieuwe website. De door [appellant] daarnaast gevorderde veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van de overige schade, op te maken bij staat, is door de rechtbank afgewezen. Tegen die afwijzing komt [appellant] op met de grieven I en II. Het hof zal die grieven gezamenlijk behandelen.

3.5.4.

In de toelichting op de grieven voert [appellant] naar de kern genomen aan dat hij omzetschade heeft geleden doordat de website enige tijd onbereikbaar is geweest. Volgens [appellant] vergt het vaststellen van de exacte hoogte van deze schade nader onderzoek, en daarom vordert hij dienaangaande geen concreet bedrag maar een veroordeling tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat. Naar de mening van [appellant] heeft de rechtbank miskend dat voor een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat slechts nodig is dat aannemelijk is dat mogelijk schade is geleden.

3.5.5.

Deze grieven zijn gegrond. De rechtbank heeft aan de afwijzing van de door [appellant] gevorderde veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat naar de kern genomen het oordeel ten grondslag gelegd dat [appellant] zijn stellingen over omzetschade onvoldoende gemotiveerd heeft, en dat dus niet is komen vast te staan dat [appellant] omzetschade geleden heeft. Op die enkele grond kan een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat echter niet worden afgewezen. Voor een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat is reeds voldoende dat aannemelijk is dat mogelijk schade is geleden. Aan deze niet strenge eis is in het onderhavige geval voldaan.

3.5.6.

Op zichzelf staat het de rechter wel vrij om, als een partij schadevergoeding op te maken bij staat vordert, te oordelen dat een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat niet noodzakelijk is omdat de schade in de lopende procedure kan worden begroot. De rechter kan de schade dan begroten en die begroting kan er ook in resulteren dat de schade op nihil wordt gesteld. Voordat de rechter in zo’n geval tot de begroting van de schade overgaat, moet hij de partijen echter nog wel in de gelegenheid stellen zich nader over de omvang van de schade uit te laten. Het partijdebat behoefde immers, gelet op het feit dat slechts een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat was gevorderd, nog niet concreet in te gaan op de daadwerkelijk geleden schade (HR 19-10-2001, NJ 2001, 653). Dit brengt mee dat de rechtbank in het onderhavige geval de vordering van [appellant] tot schadevergoeding op te maken bij staat ter zake het op zwart zetten van de website [website 1].nl niet had mogen afwijzen zonder aan te kondigen dat de rechtbank in de onderhavige procedure een definitief oordeel over de schade wilde geven en zonder de partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunten daarop aan te passen.

3.5.7.

Dit brengt mee dat nader over de vordering van [appellant] geoordeeld moet worden. Het hof is van oordeel dat de schade die [appellant] geleden heeft, thans redelijkerwijs begroot moet kunnen worden. Het schadeveroorzakende handelen heeft immers al ruim zes jaar geleden plaatsgevonden. Het hof acht een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat daarom niet op zijn plaats. Het hof zal [appellant] in de gelegenheid stellen om zich zo concreet en nauwkeurig mogelijk uit te laten over de omvang van de omzetschade en, daarvan afgeleid, de winstdervingsschade die hij geleden heeft door het buiten werking stellen en gedurende twee weken buiten werking houden van de website [website 1]. [appellant] dient een schriftelijke opstelling van de schade, voor zover nodig voorzien van onderbouwende bescheiden, tenminste twee weken vóór de na te melden zitting toe te zenden aan de na te melden raadsheer-commissaris en aan de wederpartij. Het hof wenst de schade-opstelling met partijen te bespreken en daarbij een minnelijke regeling te beproeven, voorafgaand aan de na te melden getuigenverhoren.

3.5.8.

Bij de te verrichten schadebegroting is ook het navolgende van belang. Volgens [appellant] is de website [website 1].nl door het handelen van [geïntimeerde] veertien dagen uit de lucht geweest (van 24 april 2008 tot 8 mei 2008). [geïntimeerde] heeft deze periode betwist en gesteld dat [appellant] de nieuwe website [website 4].nl heeft laten maken en dat daarop een dag later, namelijk op 25 april 2008, de door [geïntimeerde] gefabriceerde website [website 1].nl volledig was geplaatst. Omdat de grieven van [appellant] terecht zijn voorgedragen en dit kan leiden tot een verdergaande toewijzing van de vorderingen van [appellant], moet het hof dit verweer van [geïntimeerde] op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep behandelen. Het hof verenigt zich op dit punt met hetgeen de rechtbank in rov. 4.5 van het beroepen vonnis heeft geoordeeld, te weten:

“dat dat evenwel niet afdoet aan het feit dat de website [website 1].nl door [geïntimeerde] uit de lucht was gehaald en dat deze niet te bereiken was voor bezoekers die slechts op de hoogte waren van deze naam. Het feit dat [website 4].nl was te bereiken door bij google.nl [website 1].nl in te tikken, maakt dit ook niet anders. Feit blijft dat de website [website 1].nl niet meer rechtstreeks te bereiken was gedurende de genoemde periode van 14 dagen.”

3.5.9.

Verder moet het hof nader oordelen over het verweer van [geïntimeerde] dat de website korter uit de lucht zou zijn geweest als (de nieuwe provider van) [appellant] de juiste gegevens zou hebben aangeleverd voor verhuizing van de domeinnaam [website 1].nl. Ook op dit punt komt het hof tot dezelfde uitkomst als de rechtbank (rov. 4.6 en 4.7 van het vonnis). Aan hetgeen de rechtbank daar heeft overwogen, voegt het hof nog toe dat de website in het geheel niet uit de lucht zou zijn geweest als [geïntimeerde] de website niet op zwart zou hebben gezet. Dat het verhuizen en opnieuw activeren van de website enige tijd zou duren moet [geïntimeerde] redelijkerwijs hebben kunnen voorzien en dit tijdsverloop moet voor zijn rekening worden gelaten, mede omdat hij door het maken van bezwaar tegen de verhuizing nog heeft getracht de verhuizing te blokkeren althans vertragen.

3.5.10.

Bij de beoordeling van de vraag of, en zo ja hoeveel, schade is geleden door het tekortschieten van [geïntimeerde] dient dus tot uitgangspunt dat de website als gevolg van zijn handelen twee weken niet rechtstreeks te bereiken is geweest. Elk verder oordeel over de grieven I en II wordt aangehouden.

Naar aanleiding van de grieven III, IV en V: met betrekking tot de website [website 2].nl.

3.6.1.

[appellant] heeft gesteld dat hij met [geïntimeerde] heeft afgesproken dat [geïntimeerde] de domeinnaam [website 2].nl op naam van [appellant] zou registeren. Volgens [appellant] is [geïntimeerde] toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van die verbintenis omdat [geïntimeerde]:

 de website niet op naam van [appellant] maar op eigen naam heeft geregistreerd;

 heeft geweigerd om de naam aan [appellant] over te dragen;

 de website buiten werking heeft gesteld en gehouden.

3.6.2.

[geïntimeerde] heeft betwist dat hij met [appellant] is overeengekomen dat [geïntimeerde] de domeinnaam [website 2].nl op naam van [appellant] zou registreren. [geïntimeerde] stelt dat hij de naam zelf heeft geregistreerd en “op het schap” had liggen. Volgens [geïntimeerde] heeft hij nadien met [appellant] afgesproken dat [appellant] de domeinnaam tegen betaling zou mogen gebruiken, waarbij de domeinnaam eigendom van [geïntimeerde] zou blijven.

3.6.3.

De rechtbank heeft dit geschilpunt over de gemaakte afspraken in het midden gelaten en geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden door het handelen van [geïntimeerde]. Op grond van dat oordeel heeft de rechtbank de vorderingen die [appellant] met betrekking tot deze kwestie heeft ingesteld, afgewezen.

3.6.4.

[appellant] is daartegen opgekomen met de grieven III, IV en V. Het hof zal die grieven gezamenlijk behandelen. De grieven zijn gegrond. Het hof verwijst naar hetgeen het hof hiervoor in rov. 3.5.5 en 3.5.6 heeft overwogen. Kort gezegd komt dat hierop neer:

 uitgaande van de stellingen van [appellant] is aannemelijk dat mogelijk schade is geleden;

 de rechtbank had de vorderingen van [appellant], die neerkwamen op een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat, dus niet mogen afwijzen zonder aan te kondigen dat de rechtbank in de lopende procedure een definitief oordeel wilde geven over de schade en zonder partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunten daarop aan te passen.

3.6.5.

Omdat de grieven terecht zijn voorgedragen, moet het hof alsnog ingaan op de door de rechtbank onbehandeld gelaten vraag wat partijen zijn overeengekomen en, daarmee samenhangend, of [geïntimeerde] in de nakoming van die overeenkomst tekort geschoten is.

3.6.6.

Nu [appellant] zijn vorderingen baseert op de door hem gestelde inhoud van de overeenkomst, draagt hij ook de bewijslast van die gestelde inhoud van de overeenkomst.

Het hof is echter van oordeel dat [appellant] voorshands in de bewijslevering geslaagd kan worden geacht. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [geïntimeerde] op 28 september 2007 een factuur heeft gezonden waarop de volgende omschrijvingen zijn opgenomen van geleverde diensten:

 Eenmalige aanmeldkosten domeinnaam .NL of .BE betreft domeina(a)m(en): www.[website 2].nl.;

 Jaarlijkse registratiekosten i.v.m. handhaving domeinnaam;

 Webhosting contractduur 1 jaar.

[geïntimeerde] heeft niet de stelling van [appellant] (punt 27 inl.dagv.) betwist dat deze omschrijvingen erop duiden dat de domeinnaam op naam van [appellant] zou worden geregistreerd. [geïntimeerde] heeft ook niet betwist dat hij op de facturen die hij aan [appellant] heeft verzonden voor de registratie van andere domeinnamen op naam van [appellant], dezelfde omschrijvingen gebruikte. De omschrijvingen duiden niet op een verhuur van de domeinnaam door [geïntimeerde] aan [appellant]. Bovendien volgt het hof [appellant] in zijn stelling dat het niet aannemelijk is dat een ondernemer die zijn acquisitie mede via internet verricht, geen eigenaar zou willen zijn van de betreffende domeinnaam.

3.6.7.

[geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van de door hem gestelde andersluidende inhoud van de overeenkomst nog gewezen op de door hem als productie 4 bij de conclusie van antwoord overgelegde brief van hem aan [appellant] van 28 september 2007. Aan die brief komt vooralsnog weinig betekenis toe omdat [appellant] uitdrukkelijk heeft betwist dat die brief destijds naar hem is verzonden. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] deze brief “achteraf gefabriceerd” met het oog op de onderhavige procedure.

3.6.8.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg en in hoger beroep bewijs aangeboden. Het hof zal [geïntimeerde] daarom toelaten om tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling van [appellant] dat hij met [geïntimeerde] heeft afgesproken dat [geïntimeerde] de domeinnaam [website 2].nl op naam van [appellant] zou registeren.

3.6.9.

Als [geïntimeerde] slaagt in de levering van dit tegenbewijs, moeten de vorderingen van [appellant] met betrekking tot de website [website 2].nl worden afgewezen.

Als [geïntimeerde] niet slaagt in de levering van het tegenbewijs, komt het hof toe aan de door [appellant] gevorderde schadevergoeding. Het hof acht het ook op dit punt wenselijk om geen veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat uit te spreken, maar om de schade in de onderhavige procedure vast te stellen. Het debat over de schade wordt dus niet doorgeschoven naar een volgende procedure, maar nu geopend. Het hof geeft [appellant] de gelegenheid om zich zo concreet en nauwkeurig mogelijk uit te laten over de omvang van de schade die hij geleden heeft doordat [geïntimeerde] de website [website 2].nl niet op zijn naam heeft geregistreerd en niet op verzoek van [appellant] aan hem heeft overgedragen. [appellant] zal daarbij ook moeten ingaan op hetgeen [geïntimeerde] in de memorie van antwoord als reactie op de grieven III tot en met V over de beweerdelijk geleden schade heeft aangevoerd. [appellant] dient met inachtneming van het voorgaande een schriftelijke opstelling van de schade, voor zover nodig voorzien van onderbouwende bescheiden, tenminste twee weken vóór de na te melden zitting toe te zenden aan de na te melden raadsheer-commissaris en aan de wederpartij. Het hof wenst de schade-opstelling met partijen te bespreken en daarbij een minnelijke regeling te beproeven, voorafgaand aan de na te melden getuigenverhoren.

4 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat partijen in persoon, vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor mr. W.H.B. den Hartog Jager als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder rechtsoverweging 3.5.7 en 3.6.9 vermelde doeleinden;

verwijst de zaak naar de rol van 12 augustus 2014 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

bepaalt dat [appellant] de in rov. 3.5.7 en in rov. 3.6.9 bedoelde schadeopstellingen met onderbouwende bescheiden uiterlijk twee weken voor de comparitie moet toezenden aan de wederpartij en aan de raadsheer-commissaris;

laat [geïntimeerde] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling van [appellant] dat partijen hebben afgesproken dat [geïntimeerde] de domeinnaam [website 2].nl op naam van [appellant] zou registeren;

bepaalt, voor het geval [geïntimeerde] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van voormelde raadsheer-commissaris op voormelde plaats en op een nader door deze te bepalen datum;

bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerde] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, I.B.N. Keizer en Th.J.A. Kleijngeld en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 juli 2014.