Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2443

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
F 200.134.744_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 24 juli 2014

Zaaknummer: F 200.134.744/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/175038 / FA RK 12-1088

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te [woonplaats ] (Duitsland),

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.G.M. Daemen,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats ],

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.P.F. Rober.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 2 juli 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 oktober 2013, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de beschikking van dit hof van 15 maart 2007 niet gewijzigd zal worden, althans met ingang van 1 juli 2012 een zodanige bijdrage te bepalen die het hof juist acht.

2.2.1.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 oktober 2013, heeft de vrouw verzocht om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking, zo nodig onder aanvulling dan wel verbetering van de gronden, te bekrachtigen en voorts te bepalen dat er geen rekening kan worden gehouden met door de man opgevoerde last ter zake zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan wel te bepalen dat de man met ingang van 1 juli 2012 dient bij te dragen met een zodanig bedrag in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] als het hof juist acht.

2.2.2.

De man heeft bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 28 februari 2014, verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidenteel appel dan wel haar verzoeken af te wijzen als ongegrond en/of onbewezen.

2.2.3.

Het hof beschouwt het incidenteel appel dat de vrouw in haar verweerschrift heeft opgenomen als een verweer in het principaal appel nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vrouw geen ander dictum wenst doch slechts bekrachtiging van de bestreden beschikking. Dit is ook als zodanig met partijen ter zitting besproken.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 mei 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Daemen;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Rober.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 19 juni 2013;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op 29 april 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit de relatie van partijen is geboren:

- [de zoon] ([de zoon]), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats].

De man heeft [de zoon] erkend.

3.2.

Bij beschikking van de rechtbank Maastricht, thans rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 juni 2006 heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] afgewezen. Bij beschikking van dit hof van 15 maart 2007 heeft het hof bepaald dat de man met ingang van 1 april 2007 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] dient te voldoen van € 140,- per maand.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Maastricht de door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor [de zoon] met ingang van 1 juli 2012 nader bepaald op een bedrag van € 300,- per maand.

3.3.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. De grief van de man richt zich tegen de overwegingen van de rechtbank zowel met betrekking tot de behoefte van [de zoon] als met betrekking tot de draagkracht van de man.

Wijziging van omstandigheden

3.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden die ertoe leidt dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] herberekend dient te worden.

Ingangsdatum wijziging

3.5.

De ingangsdatum van de eventuele wijziging van de eerder door dit hof vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon], zijnde 1 juli 2012, is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangspunt zal nemen.

Behoefte van [de zoon]

3.6.1.

De man heeft aangevoerd dat voor de bepaling van de behoefte van [de zoon] op grond van de door hem aangevoerde redenen uitgegaan dient te worden van de winst in zijn onderneming in 2012 hetgeen resulteert in een behoefte van [de zoon] van € 145,- per maand en dat de behoefte van [de zoon], indien uitgegaan wordt van een gemiddelde winst van 2011 tot en met 2013, zelfs nog lager zou zijn .

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

3.6.2.

Het hof overweegt het navolgende.

De man is ondernemer, hij drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak, handelend onder de naam ‘Slagerij [Slagerij]’ te [vestigingsplaats]. Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat bij de bepaling van de behoefte van [de zoon] slechts uitgegaan dient te worden van een enkel jaar. Het hof sluit, evenals de rechtbank, aan bij de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen en gaat, mede gelet op de ingangsdatum, bij de bepaling van de omvang van het in aanmerking te nemen inkomen van de man uit van het gemiddelde van de door de man over de laatste drie afgeronde boekjaren van 2009 tot en met 2012 in de onderneming gerealiseerde winst van € 41.332,- per jaar, hetgeen resulteert, zoals de rechtbank heeft becijferd en als zodanig door partijen niet is betwist, in een behoefte van [de zoon] van € 300,- per maand. Het hof gaat derhalve, evenals de rechtbank, uit van een behoefte van [de zoon] van € 300,- per maand.

Draagkracht van de man

3.7.

De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] van € 300,- per maand te voldoen. De man is primair van mening dat de beschikking van dit hof van 15 maart 207 niet gewijzigd dient te worden. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de onderhoudsbijdrage voor [de zoon] per 1 januari 2012 op grond van die beschikking € 161,- per maand en per 1 januari 2014 € 165,21 per maand.

3.8.

Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens. Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

A. Inkomen van de man

3.9.1.

De man heeft gesteld dat zijn onderneming, ‘Slagerij [Slagerij]’ te [vestigingsplaats], onder de gevolgen van de financiële crisis lijdt welke gevolgen in 2013 voelbaar zijn geworden nu de onderneming in 2013 verlies heeft geleden. De man is weliswaar doende zich meer te concentreren op scharrelvlees en biologisch vlees, doch hij heeft daarin nog slechts een beperkte omzet behaald. De man is van mening dat voor het berekenen van zijn draagkracht uitgegaan moet worden van de gemiddelde winst over de jaren 2011, 2012 en 2013.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. Zij is daarbij van mening dat de door de man gepresenteerde financiële cijfers niet betrouwbaar zijn, met name niet waar het de (verkoop-, de inkoop- en de personeels-) kosten betreft.

3.9.2.

Het hof overweegt dat de resultaten in de onderneming van de man, zoals in het algemeen bij ondernemingen het geval is, aan fluctuaties onderhevig zijn. Aan de man moet worden toegegeven dat het betalen van een onderhoudsbijdrage voor [de zoon] mede op de toekomst is gericht en dat de achteruitgang in het resultaat in 2013 in de onderneming in die zin van belang is. Het hof is echter van oordeel dat op dit moment nog geen sprake is van een structurele achteruitgang in de onderneming. In deze specifieke situatie waarin in 2009 en 2010 nog sprake was van een winst uit onderneming van € 72.062,- respectievelijk € 60.048,-, in 2011 van € 24.949,-, in 2012 van € 25.363,- en waarin in 2013 sprake was van een verlies van € 35.205,-, is het hof van oordeel dat het inkomen van de man naar redelijkheid en billijkheid berekend dient te worden aan de hand van het gemiddelde resultaat in de onderneming over de afgelopen vijf jaar, zijnde een bedrag van afgerond € 29.443,- per jaar. Dit inkomen sluit overigens ook aan bij het bedrag waarvoor de man zijn arbeidsongeschiktheid heeft verzekerd, zoals blijkt uit de door de man overgelegde polis AOV van Nationale Nederlanden.

Met betrekking tot hetgeen namens de vrouw is aangevoerd ter zake de betrouwbaarheid van de jaarstukken, acht het hof het voldoende aannemelijk dat de door het accountantskantoor van de man opgestelde jaarstukken een getrouw beeld geven van de onderneming van de man. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de man de stellingen van de vrouw ter zitting gemotiveerd heeft betwist.

Gelet op het vorenstaande gaat het hof bij het berekenen van de draagkracht van de man uit van een inkomen van de man van € 29.443,-.

3.10.

De vrouw heeft nog aangevoerd dat geen rekening gehouden dient te worden met de door de man opgevoerde last ter zake de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering. Gelet op de door de man overgelegde polis AOV bij Nationale Nederlanden houdt het hof rekening met een aftrekbare premie van € 5.555,- per jaar nu dit geen onredelijke of ongebruikelijke premie betreft.

3.11.

Voor wat betreft de overige - door de vrouw niet betwiste - fiscale aspecten houdt het hof rekening met de zelfstandigen aftrek, de MKB- winstvrijstelling en met het eigenwoningforfait van € 1.375,- per jaar alsmede met een aftrekbare hypotheekrente van € 10.470,- per jaar en ten slotte met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

B. Lasten van de man

3.12.

Met betrekking tot het toepasselijke Wwb-normbedrag en de lasten van de man gaat het hof uit van de gegevens zoals door de rechtbank in de beschikking zijn opgenomen , nu deze gegevens, mede gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 3.10. is overwogen, verder tussen partijen niet in geschil zijn.

Vaststelling van de onderhoudsbijdrage

3.13.

Bovengenoemd inkomen van de man resulteert in een netto besteedbaar inkomen van ongeveer € 2.372,- netto per maand, waarbij rekening is gehouden met de hiervoor genoemde fiscale aspecten en de inkomensafhankelijke bijdrage ZKV.

3.14.

Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de man niet een zodanige draagkrachtruimte dat hij in staat is om met ingang van 1 juli 2012 de door de rechtbank bij de bestreden beschikking vastgestelde bijdrage van € 300,- per maand te voldoen en evenmin een hoger bedrag dan het bedrag dat de man bereid is als onderhoudsbijdrage voor [de zoon] te betalen.

3.15.

Gelet op het vorenstaande dient de beschikking waarvan beroep dus te worden vernietigd.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 2 juli 2013,

wijst alsnog af het oorspronkelijk inleidend verzoek van de vrouw.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, M.C. Bijleveld-van der Slikke en A.M.M. Hompus en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2014.