Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2439

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
F 200.144.754_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontheffing van het gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 24 juli 2014

Zaaknummer : F 200.144.754/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/266217 / FA RK 13-4003

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. W.J. Sleegers,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie 's-Hertogenbosch,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende kan worden aangemerkt:

- de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de stichting), namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 januari 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 april 2014, heeft de moeder verzocht de ontzetting (lees: ontheffing) van het ouderlijk gezag met betrekking tot de hierna nader te noemen minderjarige [de dochter] ongedaan te maken.

2.2.

Het verweerschrift van de stichting, ingekomen ter griffie op 30 mei 2014, is buiten de verweertermijn ingekomen. De advocaat van de moeder heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. Het hof zal het verweerschrift van de stichting, met de daarbij gevoegde bijlage, bij zijn beoordeling betrekken. Bij het verweerschrift heeft de stichting verzocht het door de ouders ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 juni 2014. De onderhavige zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met nummer F 200.144.723/01 (ten aanzien van [de zoon]). Bij de mondelinge behandeling zijn gehoord:

- namens de moeder mr. Sleegers;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw E. van der Aalst;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw E. Sterke en mevrouw C. van Swaal.

2.3.1.

De moeder, de heer [de stiefvader] (hierna te noemen: de stiefvader) en de heer en mevrouw [de gezinshuisouders] (hierna te noemen: de gezinshuisouders) zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.3.2.

Het hof heeft de hierna nader te noemen minderjarige [de dochter] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 3 juni 2014. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het rapport van de raad

d.d. 1 juli 2013.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de heer [de vader] (hierna: de vader) is op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] [de dochter] (hierna te noemen: [de dochter]) geboren.

De moeder oefent het eenhoofdig ouderlijk gezag over [de dochter] uit.

3.2.

[de dochter] staat sinds 9 juni 2008 onder toezicht van de stichting.

[de dochter] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 31 maart 2011 uit huis geplaatst in een gezinshuis.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de moeder ontheven van het gezag over [de dochter] en de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant tot voogdes over haar benoemd, welke maatregel zal worden uitgevoerd door de stichting.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. De moeder betwist dat zij ongeschikt of onmachtig is om [de dochter] op te voeden. De moeder benadrukt dat zij nooit drugs heeft gebruikt. De stiefvader is inmiddels gestopt met het gebruik van drugs. Hij heeft zelf contact opgenomen met de GGZ om zijn verleden te verwerken. De stiefvader heeft zich nooit schuldig gemaakt aan ernstige delicten. Zijn veroordelingen ter zake van fietsendiefstallen waren drugsgerelateerd.

De moeder stelt dat de communicatie met de voormalige gezinsvoogd, mevrouw Span, slecht was. Zij trad op als een dictator en reageerde niet op mails van de moeder en de stiefvader. Post van de stichting werd regelmatig naar een verkeerd adres gestuurd. De moeder en de stiefvader hebben thans stabiele huisvesting.

De moeder is van mening dat zij wel in staat is om goede beslissingen ten aanzien van [de dochter] te nemen.

3.6.

De raad heeft ter zitting gepersisteerd bij het inleidende verzoek. De raad heeft benadrukt dat er bij [de dochter] sprake is van kindeigen problematiek. In de contacten met [de dochter] zijn de moeder en de stiefvader onberekenbaar gebleken.

3.7.

De stichting voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - in het kort - het volgende aan. De stichting heeft in de stukken niet gesproken over drugsgebruik door de moeder, maar over een dreigende uithuiszetting vanwege vermoedens van drugsgebruik dan wel drugshandel in de woning van de moeder. Verder is juist dat er sprake is geweest van strubbelingen tussen de moeder en de stiefvader en de voormalige gezinsvoogd. De gebrekkige samenwerking tussen de moeder en de stiefvader en de gezinsvoogd is echter niet alleen te wijten aan het optreden van de voormalige gezinsvoogd. De moeder en de stiefvader hebben de gezinsvoogd onvoldoende op de hoogte gehouden van veranderingen in hun woonadres of postbusnummer. Ook de huidige gezinsvoogd kan moeilijk contact krijgen met de moeder en de stiefvader. Dit werkt vertragend bij het nemen van belangrijke beslissingen ten aanzien van [de dochter]. De moeder en de stiefvader komen ook hun plichten als (stief)ouder op financieel gebied niet na.

Volgens de stichting is de moeder wel degelijk onmachtig om [de dochter] op te voeden. De moeder en de stiefvader zijn onvoorspelbaar in het contact met [de dochter]. [de dochter] heeft ervoor gekozen geen belcontact meer met hen te hebben. [de dochter] heeft voorts het gevoel dat bij bezoeken alle aandacht naar [de zoon] gaat. In de thuissituatie bood de moeder onvoldoende structuur en was zij niet consequent. [de dochter] luistert niet meer naar de moeder. De moeder is niet in staat kritisch naar haar eigen aandeel in de situatie te kijken.

[de dochter] is opgegroeid in een zeer onveilige thuissituatie waar veel traumatische ervaringen hebben plaatsgevonden. De moeder en de stiefvader hebben beiden een belast verleden met verwaarlozing, drugsgebruik door de stiefvader, diefstal, woninginbraken en financiƫle problemen. De moeder is door een tekortschietend inzicht in haar eigen problematiek niet in staat om [de dochter] een veilige opvoedingssituatie te bieden.

[de dochter] functioneert goed in het perspectiefbiedend gezinshuis. De moeder verzet zich tegen de plaatsing van [de dochter] in het gezinshuis. Zij doet belastende uitspraken tegenover [de dochter]. [de dochter] heeft recht op duidelijkheid over haar toekomst.

Op grond van het voorgaande is naar het inzicht van de stichting voldaan aan de gronden voor een gedwongen ontheffing.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven op de grond dat die ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daar niet tegen verzet.

In het geval een ouder zich verzet tegen de ontheffing kan op grond van artikel 1:268 lid 1 BW de ontheffing niet worden uitgesproken. Deze regel leidt ingevolge artikel 1:268 lid 2 aanhef en onder a BW uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

3.8.2.

Uit het rapport van de raad van 1 juli 2013 blijkt dat [de dochter] is opgegroeid in een zeer onveilige thuissituatie. Sinds maart 2011 verblijft zij in het huidige perspectief biedend gezinshuis en zij functioneert daar goed. Uit de stukken van de stichting blijkt dat de onregelmatigheid in het belcontact met de moeder en de stiefvader moeilijk is voor [de dochter]. Zij heeft er nu voor gekozen geen belcontact meer met hen te hebben.

Verder is er bij [de dochter] sprake van kindeigen problematiek. Vanwege haar spraak- en taalproblemen en sociaal-emotionele problematiek heeft zij veel behoefte aan aandacht voor communicatie, het opbouwen van een positief zelfbeeld en bekrachtiging van haar eigen identiteit. [de dochter] vraagt meer dan een gemiddelde opvoeder kan bieden. Uit de voorhanden stukken is naar het oordeel van het hof voldoende gebleken dat de moeder niet in staat is [de dochter] een gestructureerd en stabiel opvoedingsklimaat te bieden, waarin aan haar behoeftes wordt tegemoet gekomen.

De moeder verzet zich tegen de plaatsing van [de dochter] in het gezinshuis. Zij komt niet op afspraken rondom het afstemmen van hulp en zij neemt niet deel aan voortgangsgesprekken over [de dochter]. De moeder wil zelf de opvoeding van [de dochter] op zich nemen. Dit zorgt voor onrust bij [de dochter] en is schadelijk voor haar ontwikkeling.

Op grond van het voorgaande is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat de moeder ongeschikt, althans onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van [de dochter] te vervullen. Dat de communicatie tussen de moeder en de stiefvader en de voormalige gezinsvoogd - naar de moeder stelt - slecht was, maakt dit niet anders. Ook de, niet verder onderbouwde, stelling van de moeder en de stiefvader dat hun persoonlijke situatie inmiddels is verbeterd is onvoldoende om het hof tot een ander oordeel te brengen.

3.8.3.

Het enkele feit dat de moeder zich verzet tegen de ontheffing van het gezag staat, gelet op het bepaalde in artikel 1:268 lid 2 aanhef en onder a BW, niet aan ontheffing in de weg. Het hof stelt vast dat is voldaan aan voormelde wettelijke termijn en overweegt dat door de ongeschiktheid of onmacht van de moeder de doelstellingen van de huidige maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet worden behaald en deze maatregelen derhalve niet langer geƫigend zijn.

Het hof neemt daarbij in aanmerking dat voldoende is komen vast te staan dat er geen zicht is op thuisplaatsing van [de dochter] bij de moeder en dat haar verblijfsperspectief in het gezinshuis ligt. Daar is [de dochter] op haar plaats en zijn voldoende middelen aanwezig om haar te begeleiden. In de brief die [de dochter] aan het hof heeft geschreven maakt zij kenbaar dat zij zich prettig voelt bij de gezinshuisouders, dat zij bij problemen bij hen terecht kan en in het gezinshuis wil blijven wonen. Uit de stukken van de stichting blijkt voorts dat binnen het gezinshuis een traject richting zelfstandig (begeleid) wonen zal worden ingezet. [de dochter] heeft het hof in haar brief laten weten dat zij een voogd wenst, omdat de moeder mogelijk vertragend kan werken bij belangrijke beslissingen die in haar achttiende levensjaar genomen moeten worden. Gelet op haar leeftijd hecht het hof een zwaarwegend belang aan de mening van [de dochter].

3.8.4.

Het hof is voorts van oordeel dat het belang van [de dochter] zich niet verzet tegen de ontheffing van de moeder van het gezag over haar. Haar belang is gebaat bij duidelijkheid over haar toekomstperspectief.

3.9.

Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 januari 2014;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. van Dijkhuizen, C.A.R.M. van Leuven en

S.W.E. Rutten en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2014.