Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:243

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-02-2014
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
20-000149-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitvoeringsregeling visserij. Begrippen 'vast vistuig' en 'voor dadelijk gebruik geschikt.'

Verdachte werd verweten dat hij op of in de nabijheid van enig water, behorend tot de kustwateren, vistuig dat op grond van de Uitvoeringsregeling visserij verboden is voorhanden heeft gehad. Op dit verbod is een uitzondering gemaakt als de vistuigen zodanig zijn verpakt dat deze niet voor dadelijk gebruik geschikt zijn. Daarvan was in het onderhavige geval sprake. OVAR, feit niet strafbaar.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsregeling visserij 23, 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000149-13

Uitspraak : 7 februari 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zitting houdende te Middelburg, van 11 januari 2013 in de strafzaak met parketnummer 82-166134-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te[woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van feit 2 (Overtreding van artikel 23 van de Uitvoeringsregeling visserij) veroordeeld tot een geldboete van € 150,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 dagen hechtenis.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is in de appelakte uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de economische politierechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, verdachte van het onder 2 ten laste gelegde zal vrijspreken.

De verdediging heeft nietigheid van de dagvaarding en vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat de economische politierechter kon volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding in eerste aanleg nietig behoort te worden verklaard, aangezien de tenlastelegging geen duidelijke en begrijpelijke omschrijving bevat van het feit dat verdachte zou hebben begaan.

Het hof is van oordeel dat de dagvaarding voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. Anders dan de verdediging heeft gesteld, is in de dagvaarding wel degelijk vermeld welk verboden vistuig verdachte voorhanden zou hebben gehad.

Het hof merkt voorts op dat uit de bewoording van de tenlastelegging voldoende duidelijk blijkt dat met ‘enig ander vast vistuig (…) als bedoeld in artikel 12 Uitvoeringsregeling visserij’ wordt bedoeld enig ander vast vistuig dan de in dat artikel genoemde vistuigen.

Het oordeel van het hof vindt mede zijn bevestiging in de omstandigheid dat de raadsman en de verdachte ter terechtzitting er blijk van hebben gegeven precies te weten wat is ten laste gelegd en te weten waar verdachte zich tegen kon verdedigen.

Het hof verwerpt het verweer.

Tenlastelegging

Aan verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat:


hij op of omstreeks 27 september 2011 in de gemeente Schouwen-Duiveland, al dan niet opzettelijk, op of in de nabijheid van enig water, behorend tot de visserijzone, het zeegebied of de kustwateren, één of meer vistuig(en) voorhanden heeft gehad, terwijl het gebruik van dat/die vistuig(en) in dat water ingevolge het bepaalde in de artikelen 11 tot en met 22 van de Uitvoeringsregeling visserij verboden was, immers heeft hij, verdachte, op voornoemde datum in de nabijheid van de Oosterschelde enig ander vast vistuig voorhanden gehad als bedoeld in artikel 12 Uitvoeringsregeling visserij, te weten:

18, althans één of meer zetlijn(en);

2, althans één of meer werpnet(ten);

4, althans één of meer vistuig(en)/hengel(s) met meer dan drie haken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 september 2011 in de gemeente Schouwen-Duiveland opzettelijk, in de nabijheid van enig water, behorend tot de kustwateren, vistuigen voorhanden heeft gehad, terwijl het gebruik van die vistuigen in dat water ingevolge het bepaalde in de artikelen 11 tot en met 22 van de Uitvoeringsregeling visserij verboden was, immers heeft hij, verdachte, op voornoemde datum in de nabijheid van de Oosterschelde enig ander vast vistuig voorhanden gehad als bedoeld in artikel 12 Uitvoeringsregeling visserij, te weten: 17 zetlijnen en 2 werpnetten.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

A.

De verdediging heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat uit het dossier niet is gebleken dat verdachte zich bevond in het gedeelte van het kustwater waar de (het hof begrijpt: bepalingen van hoofdstuk 3 van de) Uitvoeringsregeling visserij van toepassing zou(den) zijn. Nu dit niet vaststaat, dient verdachte van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

B.

Het hof overweegt als volgt.

In een proces-verbaal van bevindingen van 30 september 2011 hebben verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] het volgende gerelateerd:

Op 27 september 2011 omstreeks 21.20 uur bevonden wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], ons op de Nieuwendijk, gelegen buiten de bebouwde kom van Ouwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland. Wij zagen aan de binnenzijde van de Oosterschelde tegen het talud van de dijk een witte bestelauto, voorzien van het kenteken [kenteken] stil staan. (...) Wij zagen dat aan de bijrijderszijde een manspersoon stond. Wij zagen dat deze persoon een surfpak droeg. (...) Wij zagen toen dat de witte bestelauto zijn lichten ontstak en verder reed in de richting van de parkeerplaats, bovenop de zeedijk van de Oosterschelde. Wij zagen dat deze persoon uit zijn auto stapte en wegliep in de richting van het water van de Oosterschelde. Het is ons bekend dat de parkeerplaats is gelegen bij het strandje van Ouwerkerk aan de Oosterschelde. Het strandje ter hoogte van het krekengebied wordt beschermd door een stenen strekdam in de Oosterschelde. (...)

Wij, [verbalisant 3] en [verbalisant 2], zagen dat de man zich in het water bevond. Wij zagen dat de man terug kwam lopen tot onderaan de voet van de strekdam. (...) Wij, [verbalisant 2] en [verbalisant 3], hebben de persoon als verdachte staande gehouden. Wij vroegen hem naar zijn naam. Hij gaf op te zijn: [verdachte], geboren op[geboortedatum] te [geboorteplaats].1

In een proces-verbaal van bevindingen van 28 september 2011 heeft verbalisant [verbalisant 3] – voor zover thans relevant – nog het volgende gerelateerd:

(...) Ik zag dat er een persoon over de strekdam (westbout) liep in de richting van de punt. Ik zag dat deze persoon vervolgens aan de binnenzijde van de strekdam het water inging. Ik zag dat deze persoon zich in het water bevond van de Oosterschelde. (...)

Hij gaf op te zijn: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]. 2

De Oosterschelde, landwaarts van een lijn getrokken van punt C via punt D (51°42’36”NB 03°36’40”OL) naar de kerktoren van de Nederlandse Hervormde kerk te Oostkapelle (51°33’59”NB 03°33’07”OL) tot de Grevelingendam, Philipsdam en Oesterdam, is in het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970 aangewezen als kustwater, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder c, van de Visserijwet 1963 en artikel 1 aanhef onder d van de Uitvoeringsregeling visserij.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat verdachte zich op 27 september 2011 in ieder geval in de nabijheid van enig water, behorend tot de kustwateren, heeft bevonden. Derhalve zijn de bepalingen van hoofdstuk 3 van de Uitvoeringsregeling visserij in het onderhavige geval van toepassing.

Het hof verwerpt het verweer.

C.

De verdediging heeft voorts betoogd dat geen van de in beslag genomen voorwerpen is genoemd in de artikelen 11 tot en met 22 van de Uitvoeringsregeling visserij, zodat verdachte dan ook niet de verbodsbepaling van artikel 23 heeft overtreden.

D.

Het hof overweegt als volgt.

Artikel 23 van de Uitvoeringsregeling visserij verbiedt het voorhanden hebben van vistuigen op of in de nabijheid van enig water, behorend tot de visserijzone, het zeegebied of de kustwateren, indien en voor zover het gebruik van dat vistuig in dat water ingevolge het bepaalde in de artikelen 11 tot en met 22 verboden is. Op grond van artikel 12 van de Uitvoeringsregeling is het verboden in het zeegebied en de kustwateren te vissen met de in die bepaling genoemde vistuigen, te weten een aalfuik, staand want, hoekwant, aalkistje, ankerkuil of enig ander vast vistuig, niet zijnde een vistuig, bestemd voor het vangen van schelpdieren. Het is voorts verboden in de kustwateren te vissen met een zegen.

Op 27 september 2011 hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 4] een onderzoek ingesteld in het voertuig van verdachte. Daarbij hebben zij vistuigen aangetroffen. Uit de beslaglijst volgt dat het daarbij onder meer ging om zeventien vistuigen, met als omschrijving zetlijnen, om twee werpnetten en om vier vistuigen, omschreven als hengels met meer dan drie haken.

Ten aanzien van de laatstgenoemde vier vistuigen is naar het oordeel van het hof onvoldoende vast komen te staan dat het daarbij daadwerkelijk ging om hengels met meer dan drie haken. Om die reden zal verdachte van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de ten laste gelegde zetlijnen en werpnetten overweegt het hof als volgt.

In een aanvullend proces-verbaal van bevindingen heeft verbalisant [verbalisant 5] gerelateerd dat een zetlijn een lijn met haken is, in het water uitgezet om vis te vangen en dat deze lijn is verbonden met een vast voorwerp. Zowel de zetlijn als het werpnet vallen onder de definitie ‘enig ander vast vistuig’.'3

Het hof ziet geen aanleiding om aan de bevindingen van de verbalisanten te twijfelen.

In het Beleidsbesluit Vaste Vistuigen ‘Vast en Zeker !’ (TK 2002-2003, 28752, Nr. 1) worden vaste vistuigen als volgt omschreven: ‘Onder «vaste vistuigen» wordt een groot aantal typen vistuig verstaan. Deze visserij heeft een statisch karakter, dat wil zeggen dat de tuigen in beginsel niet worden voortbewogen’.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat er voor wat betreft de zetlijnen en werpnetten sprake is van ’andere vaste vistuigen’ als genoemd in artikel 12 van de Uitvoeringsregeling visserij, waarvan het voorhanden hebben op of in de nabijheid van enig water, behorend tot de visserijzone, het zeegebied of de kustwateren op grond van artikel 23 van de Uitvoeringsregeling als hoofdregel verboden is.

Het verweer ontbeert derhalve feitelijke grondslag en wordt verworpen.

E.

De verdediging heeft tot slot aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu niet is gebleken dat verdachte op of in de nabijheid van enig water een of meer vistuigen voorhanden heeft gehad. De vistuigen die onder verdachte in beslag zijn genomen bevonden zich immers in gesloten tassen in de afgesloten auto van verdachte, terwijl verdachte zich in het water bevond toen hij door de verbalisanten werd aangesproken.

F.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt vast dat verdachte de in beslag genomen vistuigen in zijn afgesloten auto had liggen. Deze auto had hij kort tevoren bestuurd en vervolgens geparkeerd op de parkeerplaats, gelegen bij het strandje van Ouwerkerk aan de Oosterschelde, in de directe nabijheid van de Oosterschelde. Verdachte droeg de sleutel van de auto ook bij zich op het moment dat hij door de verbalisanten werd aangesproken waarna hij met de verbalisanten naar zijn auto is gelopen. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte de feitelijke zeggenschap had over de vistuigen terwijl hij zich tevens in de nabijheid daarvan bevond. Gelet hierop is het hof van oordeel dat verdachte de in de kofferbak aangetroffen vistuigen voorhanden heeft gehad. Dat de vistuigen zich in gesloten tassen bevonden doet hier niet aan af. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

G.

De verdediging heeft aangevoerd dat de vistuigen zich in tassen ingepakt bevonden in de afgesloten auto van verdachte en heeft zich in dit kader beroepen op de uitzonderingsbepaling van artikel 10 lid 2 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985.

Het hof begrijpt dit verweer als een beroep op de niet strafbaarheid van het feit.

H.

Het hof overweegt hierover als volgt:

De tenlastelegging en daarmee ook de bewezenverklaring is toegesneden op artikel 23 van de Uitvoeringsregeling visserij. Artikel 37 van de Uitvoeringsregeling visserij luidt: ‘Het verbod, bedoeld in artikel 23, geldt niet indien het vistuig zodanig is verpakt of in zodanige toestand is, dat dadelijk gebruik daarvan niet mogelijk is’

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de in beslag genomen vistuigen waren verpakt in een tas of in een doos en dat deze tas en doos in zijn afgesloten auto lagen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof op de foto’s die zijn gevoegd bij het aanvullend proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] van 8 januari 2014 waargenomen dat de aangetroffen zetlijnen zich niet bevonden in een afgesloten tas of andere verpakking, maar los in de laadruimte van de personenauto van verdachte lagen.

Uit het proces-verbaal komt echter niet naar voren of, en zo ja welke, handelingen er door de opsporingsambtenaren zijn verricht alvorens de foto’s zijn genomen.

Ten voordele van verdachte zal het hof er dan ook van uit gaan dat de in de bewezenverklaring genoemde vistuigen zich ingepakt bevonden in de afgesloten auto van verdachte.

Deze combinatie van verpakt vistuig in een afgesloten auto levert naar het oordeel van het hof een toestand op waarbij dadelijk gebruik van dit vistuig niet mogelijk is.

Aldus is artikel 37 van de Uitvoeringsregeling van toepassing. Dit leidt tot niet strafbaarheid van het bewezenverklaarde. Verdachte zal derhalve worden ontslagen van rechtsvervolging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Aldus gewezen door

mr. F.P.E. Wiemans, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.J.F. Heirman, griffier,

en op 7 februari 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. G.P.M.F. Mols is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal van bevindingen, op 30 september 2011 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] (eed), [verbalisant 2] (eed), [verbalisant 3] (belofte) en [verbalisant 4] (eed), allen buitengewoon opsporingsambtenaar, blz. 11-12, deel uitmakend van het dossier van de regiopolitie Zeeland, divisie recherche, milieupolitie met registratienummer PL193B 2011078348, afgesloten d.d. 12 december 2011.

2 Proces-verbaal van bevindingen, op 30 september 2011 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 3] (belofte), [verbalisant 4] (eed) en[verbalisant 2] (eed), allen buitengewoon opsporingsambtenaar, blz. 7-9, deel uitmakend van het dossier van de regiopolitie Zeeland, divisie recherche, milieupolitie met registratienummer PL193B 2011078348, afgesloten d.d. 12 december 2011.

3 Proces-verbaal van bevindingen, op 8 mei 2012 op ambtseed opgemaakt door verbalisant [verbalisant 5], brigadier van politie, deel uitmakend van het dossier van de regiopolitie Zeeland, divisie recherche, milieupolitie met registratienummer PL193B 2011078348, afgesloten d.d. 12 december 2011.