Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2423

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-07-2014
Datum publicatie
28-07-2014
Zaaknummer
F 200.148.316_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontheffing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 24 juli 2014

Zaaknummer : F 200.148.316/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/184176 / FA RK 13-2026

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.W.C. Vranken,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie Maastricht,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt:

- de heer [vader] (hierna te noemen: de vader);

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna te noemen: bureau jeugdzorg);

- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de stichting), namens Bureau Jeugdzorg;

- mevrouw [pleegmoeder] (hierna te noemen: de pleegmoeder);

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 30 januari 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 april 2014, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de raad om – zo blijkt uit de toelichting van mr. Vranken ter zitting van het hof – de moeder te ontheffen van het ouderlijk gezag over de hierna nader te noemen minderjarige [dochter 1], af te wijzen en voor zoveel nodig te bepalen dat de reeds getroffen voorzieningen in verband met de ontheffing van het ouderlijk gezag, te weten de aantekening van de gewijzigde gezagssituatie in het centrale gezagsregister en de benoeming van Bureau Jeugdzorg tot voogd over [dochter 1], ongedaan moeten worden gemaakt.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 juli 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Vranken;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw mr. P.P.M. ter Meer;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw R.J. van Roosmalen en mevrouw M.M. van Weert;

- de pleegmoeder.

2.3.1.

De vader en Bureau Jeugdzorg zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 13 december 2013;

  • -

    de brief van de stichting d.d. 20 mei 2014, waarin de stichting mededeelt dat een vertegenwoordiger van de stichting ter zitting van het hof aanwezig zal zijn.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is – voor zover hier van belang – op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] [dochter 1] (hierna te noemen: [dochter 1]) geboren.

3.2.

[dochter 1] staat sinds 6 oktober 2009 onder toezicht van de stichting. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 6 oktober 2014.

[dochter 1] verbleef van oktober 2009 tot 1 juli 2010 bij haar grootmoeder (moederszijde).

Op grond van een daartoe strekkende machtiging is [dochter 1] sinds 1 juli 2010 uit huis geplaatst in het huidige, perspectief biedende pleeggezin.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de moeder en de vader ontheven van het gezag over [dochter 1].

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen voor zover daarbij de moeder van het gezag over [dochter 1] is ontheven en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het uiteindelijke doel van de uithuisplaatsing, zijnde de thuisplaatsing bij de gezaghebbende ouder, niet zal worden bereikt. De moeder is van mening dat haar geen kans geboden wordt om te bewijzen dat een thuisplaatsing bij haar wel degelijk tot de mogelijkheden behoort. Ondanks meerdere verzoeken van de moeder en hoewel de moeder zich aan alle afspraken heeft gehouden – er verblijven bijvoorbeeld geen honden meer in het huis van de moeder – wordt de omgang tussen haar en [dochter 1] maar niet uitgebreid. Volgens de moeder is [dochter 1] tijdens de omgangsmomenten altijd vrolijk en gaat zij met tegenzin terug naar de pleegmoeder. De moeder heeft ter zitting van het hof nogmaals verzocht de omgangregeling tussen haar en [dochter 1] uit te breiden.

De moeder stelt dat zij bewijst in staat te zijn om goed voor een kind te kunnen zorgen, aangezien zij thuis de zorg heeft voor haar dochter [dochter 2], hetgeen prima verloopt.

De moeder betwist voorts dat zij positieve veranderingen niet zou kunnen vasthouden. De relatieproblemen met haar partner vormen de enige onderbouwing van het standpunt dat de moeder positieve veranderingen niet kan vasthouden. Het is juist dat er in oktober/november 2013 relatieproblemen zijn geweest, maar deze kunnen haar niet worden aangerekend aangezien “men samen een relatie heeft”. Bovendien kan het als positief worden aangemerkt dat de moeder ervoor heeft gekozen een time-out in die relatie te nemen. De moeder is thans weer samen met haar partner en het gaat goed, aldus de moeder.

De moeder erkent dat zij hulp nodig heeft om goed te kunnen aansluiten bij het leeftijds- en ontwikkelingsniveau van [dochter 1] en de aandacht te kunnen verdelen over [dochter 1] en [dochter 2], hetgeen volgens de moeder overigens voor iedere moeder een uitdaging zou zijn. De moeder heeft gezorgd voor begeleiding op de punten waar dat nodig is.

Doordat de pleegmoeder eerst steun aan de moeder heeft geboden en zich daarna achter de verzoeken van de raad heeft geschaard, is de communicatie tussen de moeder en de pleegmoeder onder druk komen te staan. Volgens de moeder zal er ook na de ontheffing omgang tussen de moeder en [dochter 1] moeten blijven bestaan. Ook dan zal er nog steeds sprake zijn van een moeizame communicatie. De moeder is bereid mee te werken aan verbetering van deze communicatie.

De vraag of de belangen van [dochter 1] zich tegen de ontheffing verzetten, wordt in het raadsrapport volgens de moeder ten onrechte beantwoord met de mededeling dat de raad daarvan positieve effecten voorziet aangezien de ontheffing van de ouders duidelijkheid zal scheppen over het toekomstperspectief van [dochter 1] en mogelijk tot meer rust zal leiden, omdat de ouders deze duidelijkheid dan ook krijgen. Volgens de moeder loopt de vraag of de gronden voor ontheffing aanwezig zijn, niet gelijk met de vraag naar het toekomstperspectief van [dochter 1]. Bovendien laat de moeder zien dat zij niet ongeschikt en/of onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van [dochter 1] te vervullen, doordat zij de stichting in een rondetafelgesprek heeft geadviseerd over een geschikte school voor [dochter 1]. De stichting heeft dit advies overgenomen en in september zal [dochter 1] naar haar nieuwe school gaan. De moeder is voorts beter dan in het verleden in staat in te spelen op het intolerante gedrag van [dochter 1] en de aandacht over haar en [dochter 2] te verdelen. De raad heeft zijn verzoek slechts op verouderde informatie gebaseerd, aldus de moeder.

Nu de moeder het niet eens is met de toewijzing van de verzochte ontheffing van het ouderlijk gezag, kan zij zich evenmin verenigen met benoeming van Bureau Jeugdzorg tot voogd over [dochter 1] en de aantekening van de gezagswijziging in het centrale gezagsregister.

3.6.

De stichting voert ter zitting – kort samengevat – aan dat de stichting al voordat het rondetafelgesprek plaats had het idee had dat [dochter 1] er bij gebaat zou zijn om naar een andere school te gaan.

De omgang tussen de moeder en [dochter 1] is niet uitgebreid omdat de situatie bij de moeder niet stabiel was en [dochter 1] te heftig reageerde op en na de omgangsmomenten. Tijdens de omgang kan de moeder de aandacht tussen [dochter 1] en [dochter 2] moeilijk verdelen. Bovendien belast de moeder [dochter 1] met uitspraken die [dochter 1] dan weer mee terug neemt naar de pleegmoeder. Deze omstandigheden zijn nog steeds actueel, aldus de stichting.

De ontheffing van de moeder van het gezag over [dochter 1] zal rust en beëindiging van de juridische strijd met zich meebrengen. De gesprekken zullen dan gaan over hoe het met [dochter 1] gaat en wat de betrokkenen daarbij kunnen betekenen.

3.7.

De raad voert ter zitting – kort samengevat – aan dat het feit dat de moeder niet ongeschikt of onmachtig wordt geacht om voor één kind te zorgen, niet zonder meer betekent dat zij in staat moet worden geacht ook voor haar andere kind te zorgen. [dochter 1] is een ander kind dan [dochter 2] omdat [dochter 1] specifieke ontwikkelingsbehoeften heeft. Bovendien heeft de moeder nu slechts de zorg voor één kind. De zorg voor [dochter 1] zou een extra belasting voor de moeder betekenen, terwijl gebleken is dat de moeder dit niet goed aankan. De raad stelt voorts dat het verzoek van de raad om [dochter 2] onder toezicht te stellen weliswaar is afgewezen, maar dat er ook over haar wel degelijk zorgen waren.

Dat de moeder betrokken is bij [dochter 1] en meedenkt over voor haar geschikt onderwijs, is volgens de raad zeer positief. Ook na de ontheffing zal naar de ideeën van de moeder geluisterd worden.

De raad stelt dat wel degelijk aan uitbreiding van de omgang tussen de moeder en [dochter 1] is gewerkt, namelijk eind 2012, maar dat dit traject voortijdig is gestopt. De redenen daarvan zijn in de stukken terug te lezen.

[dochter 1] wordt volgens de raad nog steeds belast door de spanning als gevolg van de wens van de moeder om de zorg voor [dochter 1] weer op zich te nemen en het feit dat zij daardoor niet achter het verblijf van [dochter 1] bij de pleegmoeder kan staan. Vóór de verslechtering van de communicatie tussen de moeder en de pleegmoeder verliep de omgang tussen de moeder en [dochter 1] veel meer ontspannen. Het zou volgens de raad goed zijn voor [dochter 1] als de moeder een stapje terug zou doen. [dochter 1] voelt dat zij van de moeder niet in het pleeggezin mag blijven. Naar mate zij ouder wordt, zal zij zich meer gaan afvragen hoe haar toekomst eruit gaat zien. De onzekerheid over waar je mag opgroeien, is een bedreiging voor de ontwikkeling van een kind. Dit kan worden weggenomen door de ontheffing van het gezag.

De vraag of de moeder nog een kans moet worden gegeven om te laten zien dat zij de zorg voor [dochter 1] weer op zich kan nemen, dient volgens de raad negatief te worden beantwoord. Hierbij dient de tijd die [dochter 1] reeds bij de pleegmoeder verblijft in overweging te worden genomen. [dochter 1] is reeds vijf jaar uit huis geplaatst en verblijft al vier jaar in het huidige pleeggezin. Bovendien is er teveel twijfel of het met [dochter 1] wel goed zou gaan bij de moeder. Die zorgen zijn zo ernstig dat de raad het niet verantwoord acht om weer met een (geleidelijke) terugplaatsing te gaan experimenteren.

De zorgen zijn ook actueel, zoals blijkt uit de door de pleegmoeder ter zitting van het hof geschetste actuele stand van zaken.

3.8.

De pleegmoeder voert ter zitting – kort samengevat – aan dat het momenteel niet goed gaat met [dochter 1]. Zij stelt dat op haar initiatief is gekeken naar de mogelijkheden van speciaal onderwijs, ook vanwege het gedrag dat [dochter 1] bij haar thuis laat zien. Door alle druk op [dochter 1] ontstaat er bij haar veel boosheid. Dit kan zij verbaal niet uiten, zodat zij dan andere kinderen en ook naar de pleegmoeder gaat slaan. Gebleken is dat [dochter 1] vijf verschillende therapieën nodig heeft. Ook de overgang naar speciaal onderwijs heeft men moeten versnellen. Bij [dochter 1] is voorts de aangeboren oogafwijking nystagmus geconstateerd. Bij spanning ziet zij de dingen alsof zij in een bewegende trein zit; zij kan maar tot drie meter duidelijk zien.

De pleegmoeder stelt dat zij de zorg voor [dochter 1] aankan, maar dat zij om extra hulp heeft gevraagd om het gedrag van [dochter 1] beter te leren begrijpen en te leren hoe ze daarmee moet omgaan. Voorts heeft de pleegmoeder verzocht één keer week ambulante hulp te krijgen.

De problemen van [dochter 1] zijn groter geworden na het overlijden van de pleegvader. Hij werkte niet en nam een groot deel van de zorg voor [dochter 1] voor zijn rekening. Zij deden veel leuke dingen samen en de pleegvader begeleide de omgang tussen [dochter 1] en de vader.

De pleegmoeder stelt dat zij nooit heeft gezegd dat de moeder een slechte moeder is, maar dat zij zich genoodzaakt voelt zich uit te laten over wat goed is voor [dochter 1].

[dochter 1] behoeft duidelijkheid over haar toekomst, aldus de pleegmoeder.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven op de grond dat die ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daar niet tegen verzet.

In het geval een ouder zich verzet tegen de ontheffing kan op grond van artikel 1:268 lid 1 BW de ontheffing niet worden uitgesproken. Deze regel leidt ingevolge artikel 1:268 lid 2 aanhef en onder a BW uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de dreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

3.9.2.

Het hof stelt vast dat in het onderhavige geval sprake is van een situatie waarin [dochter 1] langer dan één jaar en zes maanden uit huis is geplaatst en dat om die reden de ontheffing van het gezag, ook bij verzet van de ouders, kan worden uitgesproken.

[dochter 1] is met ingang van 1 juli 2010 op grond van een daartoe strekkende machtiging uit huis geplaatst omdat haar algehele ontwikkeling werd bedreigd. In de opvoedingssituatie bij haar jonge ouders, beiden belast met persoonlijke problematiek (laag IQ), ontbrak het aan adequate basale zorg en hygiëne. Er was sprake van financiële problemen en relationele spanningen, terwijl [dochter 1] onvoldoende veiligheid geboden kreeg. Daarnaast werd zij weinig gestimuleerd in haar ontwikkeling en reageerde zij vrij apathisch. Tot slot waren er zorgen over haar sociaal emotionele ontwikkeling en haar mogelijkheden tot hechting.

3.9.3.

Het hof stelt voorts vast dat inmiddels is gebleken dat [dochter 1], gelet op haar persoonlijke problematiek, een meer dan gemiddelde mate van zorg, aandacht en positieve stimulans behoeft en dat haar opvoeding een zeer specifieke en consequente aanpak vereist. [dochter 1] heeft een ontwikkelachterstand (mogelijk als gevolg van een genetisch bepaalde cognitieve beperking), gecombineerd met onderstimulatie in haar eerste levensjaren. Om de boosheid die [dochter 1] ervaart te uiten, slaat zij naar zowel de pleegmoeder als naar andere kinderen. Recent is gebleken dat de (gedrags)problemen van [dochter 1] zodanig ernstig zijn dat zij vijf verschillende therapieën nodig heeft en dat de overgang van [dochter 1] naar speciaal onderwijs, versneld diende te worden. Daarbij komt dat [dochter 1] een aangeboren oogafwijking heeft.

3.9.4.

Het hof is van oordeel dat de moeder het pedagogische klimaat dat [dochter 1], mede gelet op de hiervoor omschreven problematiek nodig heeft, haar niet kan bieden. De eigen problematiek van de moeder staat hieraan in de weg. Het hof neemt daarbij in overweging dat in het (recente) verleden is gebleken dat de moeder, zoals ook de rechtbank in de bestreden beschikking terecht heeft overwogen, niet in staat is positieve veranderingen duurzaam vast te houden. De moeder is eind 2012 nog een kans geboden om te laten zien dat zij de zorg voor [dochter 1] én haar dochter [dochter 2] aankon. Daartoe is een traject ingezet waarbij de omgang tussen de moeder en [dochter 1] geleidelijk is uitgebreid. Dit traject is voortijdig – al na twee maanden – gestaakt, omdat de situatie bij de moeder thuis voor [dochter 1] niet veilig en dus niet verantwoord werd geacht. Er waren vanwege de hond van de moeder zorgen over de hygiëne in haar huis en er was sprake van relatieproblematiek tussen de moeder en haar nieuwe partner, hetgeen heeft geresulteerd in meldingen van huiselijk geweld en een tijdelijk uiteengaan van de moeder en haar nieuwe partner. Door de begeleiding werd gezien dat de moeder onvoldoende in staat is haar aandacht over [dochter 1] en [dochter 2] te verdelen en vanuit het perspectief van [dochter 1] te redeneren en de signalen die [dochter 1] geeft, te zien en daarop te reageren.

Hoewel de moeder stelt dat de situatie bij haar thuis thans in alle opzichten weer stabiel is, onder meer door de aanwezigheid van hulpverlening in haar gezin, is het hof van oordeel dat deze ontwikkeling onvoldoende bestendig is om de deur naar een mogelijke thuisplaatsing van [dochter 1] bij de moeder weer open te zetten.

3.9.5.

Het hof is gelet op het vorenstaande, evenals de rechtbank, van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam is gebleken dat de moeder ongeschikt of onmachtig is om [dochter 1] te verzorgen en op te voeden. Aan dit oordeel doet niet af dat de moeder wel in staat wordt geacht [dochter 2] te verzorgen en op te voeden, reeds op grond van het gegeven dat [dochter 2], onder meer gelet op haar jonge leeftijd, andere, meer basale zorg dan [dochter 1] behoeft.

3.9.6.

Nu de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing wel gericht dienen te zijn op thuisplaatsing van een minderjarige en (zoals hiervoor is overwogen) deze doelstelling niet wordt behaald, heeft de rechtbank – naar het oordeel van het hof – terecht een verderstrekkende maatregel uitgesproken.

Het hof overweegt daarbij dat bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing de onzekerheid over het toekomstperspectief voor [dochter 1] blijft voortduren, hetgeen het hof niet in haar belang acht. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [dochter 1] al op zeer jonge leeftijd uit huis is geplaatst en zij thans vier jaar bij de pleegmoeder woont. De moeder staat echter niet achter het verblijf van [dochter 1] bij de pleegmoeder, deels omdat zij zelf de zorg voor [dochter 1] weer graag op zich zou willen nemen en deels als gevolg van de verstoorde verhouding tussen haar en de pleegmoeder. De moeder belast [dochter 1] hiermee, onder meer door zich negatief over de pleegmoeder uit te laten.

[dochter 1] ontwikkelt zich echter goed binnen het pleeggezin en de hechting van [dochter 1] in het pleeggezin heeft inmiddels volledig plaatsgevonden. De pleegmoeder biedt [dochter 1] het opvoedingsklimaat dat zij nodig heeft.

De verderstrekkende maatregel zorgt ervoor dat de hechting en ontwikkeling van [dochter 1] op geen enkele manier (meer) door onduidelijkheid omtrent haar verblijfplaats kan worden bedreigd. Het hof concludeert hieruit, dat het belang van [dochter 1] zich niet tegen de ontheffing verzet.

3.9.7.

Het hof begrijpt dat het gezag voor de moeder een emotionele betekenis heeft, maar het hof is van oordeel dat het belang van [dochter 1] zwaarder dient te wegen dan het belang van de moeder bij handhaving van het gezag. Het hof wijst er in dit kader op dat de moeder – ondanks de ontheffing van het gezag – de moeder van [dochter 1] blijft, zij ouderrechten heeft en dat zij een plaats in het leven van [dochter 1] als “ouder op afstand” moet blijven behouden. De raad heeft ter zitting van het hof verklaard dat ook na de ontheffing van het gezag het contact tussen de moeder en [dochter 1] voor [dochter 1] belangrijk is. Het hof gaat er dan ook vanuit dat door de stichting dan wel Bureau Jeugdzorg op termijn wordt bezien of uitbreiding van de omgangsregeling verantwoord is.

3.10.

Nu grief 1 van de moeder faalt, behoeven de grieven 2 en 3 geen nadere bespreking. Het hof zal de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 30 januari 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve uitsluitend voor zover daarbij de moeder van het gezag over [dochter 1], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats], is ontheven;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, C.A.R.M. van Leuven en A.P. van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2014.