Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2381

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-06-2014
Datum publicatie
16-10-2014
Zaaknummer
F 200.141.948-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 1:444 BW; aansprakelijkheid bewindvoerder

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 444, geldigheid: 2014-10-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 19 juni 2014

Zaaknummer: F 200.141.948/01

Zaaknummer eerste aanleg: 2117369 OV VERZ 13-3203

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de rechthebbende,

advocaat: mr. P.F.M. Gulickx,

tegen

[de bewindvoerder], h.o.d.n. AABELL Budgetbegeleiding & Bewindvoering,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de bewindvoerder,

advocaat: M. Kooiman.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, team kanton, van 18 november 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 februari 2014, heeft de rechthebbende verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de rechthebbende naar aanleiding van haar klacht ontvankelijk en gegrond te verklaren, alsmede om te bepalen dat de bewindvoerder aansprakelijk is voor de geleden schade en kosten van € 8.465,63 vanwege haar verwijtbare handelingen inzake de huurtoeslag en gasrekening.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 31 maart 2014, heeft de bewindvoerder verzocht de rechthebbende in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken af te wijzen en voormelde beschikking, zo nodig onder verbetering van de gronden, te bekrachtigen, met veroordeling van de rechthebbende in de proceskosten in beide instanties.

2.3.

Bij “akte wijziging van eis”, ingekomen ter griffie op 3 april 2014, heeft de rechthebbende verzocht het petitum van haar beroepschrift te wijzigen, aldus dat zij verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de rechthebbende naar aanleiding van haar klacht ontvankelijk en gegrond te verklaren, alsmede om te bepalen dat de bewindvoerder:

(i) wordt veroordeeld ex artikel 1:444 van het Burgerlijk Wetboek (BW) om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de rechthebbende te betalen een bedrag van € 386,- inzake de boete aangaande de autoverzekering en een bedrag van € 147,- inzake de boete aangaande de wegenbelasting, betreffende drie naheffingen in 2012;

(ii) aansprakelijk is voor de geleden schade en kosten vanwege haar verwijtbare handelingen aangaande de huurtoeslag van € 6.965,- en de gasrekening van € 62,49 en dat de bewindvoerder deze schade en kosten aan de rechthebbende moet vergoeden;

(iii) toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar functie en daardoor het door de rechthebbende aan de bewindvoerder betaalde salaris van € 1.438,14 moet terugbetalen aan de rechthebbende;

en derhalve op deze gronden aan de rechthebbende moet betalen het bedrag van € 8.465,63, met veroordeling van de bewindvoerder in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

2.4.

Op 10 april 2014 is zijdens de bewindvoerder een V-formulier ingediend met als bijlage een akte, waarin zij bezwaar maakt tegen de “akte wijziging van eis”, op het hiervóór in r.o.v. 2.3, sub (i) weergegeven punt.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 april 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de rechthebbende, bijgestaan door mr. Gulickx;

  • -

    de bewindvoerder, bijgestaan door mr. Kooiman.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de gemaakte aantekeningen ter terechtzitting in eerste aanleg op 15 augustus 2013;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de rechthebbende d.d. 10 februari 2014;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de rechthebbende d.d. 4 april 2014;

  • -

    de brief met bijlage van de advocaat van de rechthebbende d.d. 7 april 2014;

  • -

    de brief met bijlage van de advocaat van de rechthebbende d.d. 8 april 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Bij beschikking van 8 oktober 2010 van de kantonrechter te Bergen op Zoom is een bewind ingesteld over de goederen van de rechthebbende.

3.2.

Bij beschikking van 1 september 2011 van de kantonrechter te Bergen op Zoom is de bewindvoerder tot opvolgend bewindvoerder benoemd.

3.3.

Bij beschikking van 26 juni 2012 van de kantonrechter te Bergen op Zoom is het onderhavige bewind opgeheven.

3.4.

Op 24 juni 2013 heeft de rechthebbende bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, team kanton, locatie Bergen op Zoom, een klacht ingediend naar aanleiding van het door de bewindvoerder gevoerde bewind.

3.5.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter, voor zover van belang, de klachten betreffende de boetes wegens het niet (tijdig) betalen van de premies aangaande de autoverzekering en de wegenbelasting gegrond verklaard, de klachten betreffende de ten onrechte ontvangen huurtoeslag en de boete wegens het niet (tijdig) voldoen van de gasrekening ongegrond verklaard en de bewindvoerder veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de rechthebbende te betalen een bedrag van € 386,- inzake de boete aangaande de autoverzekering en een bedrag van € 147,- inzake de boete aangaande de wegenbelasting.

3.6.

De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Haar grieven zien, samengevat, op de volgende onderwerpen:

  • -

    de ten onrechte ontvangen huurtoeslag (grief 1);

  • -

    de niet (tijdig) betaalde gasrekening (grief 2);

  • -

    het verwijtbaar handelen en tekortschieten in de taakuitvoering (grief 3);

  • -

    het bewindvoerderssalaris (grief 4).

Het hof zal deze onderwerpen hierna achtereenvolgens bespreken.

3.7.

Alvorens deze grieven te bespreken, merkt het hof over de genoemde “akte wijziging van eis” (rov. 2.3) het volgende op. Deze akte bevat geen inhoudelijke verandering van het verzoek. Waar, voorts, de rechthebbende in de “akte wijziging van eis” heeft verzocht de bewindvoerder te veroordelen om haar een bedrag te betalen van:

(i) € 386,- inzake de boete aangaande de autoverzekering en

(ii) € 147,- inzake de boete aangaande de wegenbelasting, betreffende drie naheffingen in 2012,

verduidelijkt de rechthebbende slechts dat zij geen volledige vernietiging van de beschikking wenst, maar bekrachtiging van de bestreden beschikking op dit punt (rov. 3.5). Voor zover dit al een verandering van het verzoek zou zijn, is dit een toegestane vermindering daarvan. Aan de bezwaren van de bewindvoerder daartegen (rov. 2.4), gaat het hof dan ook voorbij.

3.7.1.

Grief 1 keert zich tegen het volgende oordeel van de rechtbank:

“(…) de bewindvoerder [valt] inzake de terugvorderingen betreffende de huurtoeslagen weliswaar een verwijt (…) te maken dat zij heeft verzuimd de huurtoeslag aan te laten passen. Echter, rechthebbende heeft de huurtoeslag daadwerkelijk ontvangen en kunnen gebruiken. Nu zij deze verkregen toeslagen dient terug te betalen komt zij per saldo in dezelfde positie te verkeren als ware zij geen toeslagen had gehad. Er is derhalve geen sprake van benadeling of schade.” (rov. 2.6).

De rechthebbende voert in dit verband – samengevat – het volgende aan. De bewindvoerder heeft haar taak ten aanzien van de huurtoeslag, in strijd met artikel 1:444 BW, op onzorgvuldige wijze verricht. Als de bewindvoerder de Belastingdienst tijdig zou hebben verzocht om de huurtoeslag aan te passen, dan zou de rechthebbende niet een bedrag van € 6.965,-, zijnde de terugvordering huurtoeslag over de jaren 2011, 2012 en 2013, hoeven hebben terug te betalen aan de Belastingdienst. De rechthebbende heeft de bewindvoerder altijd tijdig geïnformeerd over wijzigingen in het gezinsinkomen; ter zitting is zijdens de rechthebbende nog opgemerkt dat de bewindvoerder wist van het inkomen van de zoon, omdat de rechthebbende dit meermaals heeft doorgegeven; de bewindvoerder heeft over alle noodzakelijke informatie beschikt en de bewindvoerder had de wijzigingen zelf tijdig moeten doorgeven aan de Belastingdienst en de hoogte van de huurtoeslag moeten laten aanpassen. Als de bewindvoerder aanvullende informatie had willen ontvangen, dan had het op haar weg gelegen om meer informatie bij de rechthebbende op te vragen.

3.7.2.

De bewindvoerder betwist dat zij aansprakelijk is ingevolge artikel 1:444 BW. Zij is niet in de zorg van een goed bewindvoerder tekortgeschoten. Per 1 september 2011 is zij [Advocaten] Advocaten B.V. opgevolgd als bewindvoerder. Zij heeft geen dossier overgedragen gekregen van de vorige bewindvoerder, [Advocaten] Advocaten B.V., en ten tijde van het overnemen van de bewindvoering was al huurtoeslag aan de rechthebbende toegekend. De bewindvoerder heeft na benoeming drie maanden de tijd om de financiële situatie inzichtelijk te maken. De bewindvoerder heeft derhalve het dossier en de administratie voor de rechthebbende moeten opzetten met de informatie en de stukken die zij van de rechthebbende ontving. Naar aanleiding van deze stukken en informatie was er voor de bewindvoerder geen aanleiding om te concluderen dat zij de door de rechthebbende ontvangen huurtoeslag diende te laten aanpassen.

Voorts heeft de kantonrechter in rov. 2.6 van de bestreden beschikking (hiervóór weergegeven in rov. 3.7.1) terecht overwogen dat de rechthebbende geen schade heeft geleden.

Ten slotte kan de bewindvoerder nooit aansprakelijk worden gehouden voor de door de rechthebbende vóór 1 september 2011 (de datum van benoeming van de bewindvoerder) en de na 26 juni 2012 (toen het bewind werd opgeheven) te veel ontvangen huurtoeslag.

3.7.3.

Het hof stelt het volgende voorop. In artikel 1:444 BW is bepaald dat een bewindvoerder jegens de rechthebbende aansprakelijk is, indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder tekortschiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Op grond van artikel 1:362 BW (dat volgens artikel 1:445 lid 4 BW van overeenkomstige toepassing is bij bewind) kan de rechter ambtshalve de schade vaststellen, die de rechthebbende door slecht bewind van de bewindvoerder heeft geleden en de bewindvoerder tot vergoeding daarvan veroordelen.

3.7.4.

In het onderhavige geval is aan de rechthebbende in de jaren 2011-2013 ten onrechte huurtoeslag uitgekeerd. De Belastingdienst heeft ter zake een bedrag van € 6.965,-, teruggevorderd bij de rechthebbende. Dit is door de bewindvoerder niet betwist en dit vindt voorts steun in de overgelegde stukken (beroepschrift, m.n. prod. 8). De huurtoeslag was reeds verzocht (en toegekend) voordat de bewindvoerder werd benoemd op 1 september 2011. De bewindvoerder stelt weliswaar dat zij het bewindvoeringsdossier niet heeft overgedragen gekregen van de vorige bewindvoerder, maar dat wordt tegengesproken door haar e-mailbericht aan mevrouw [de bewindvoerder van de rechthebbende in de schuldsaneringsregeling] (de bewindvoerder van de rechthebbende in de schuldsaneringsregeling (artikel 284-362 Fw)) d.d. 30 augustus 2011, waarin de bewindvoerder schrijft:

“(…) Het klopt dat wij het beschermingsbewind van [de rechthebbende] hebben overgenomen. (…) Vorige week hebben wij een gekopieerd dossier ontvangen van [Advocaten] Advocaten. Het is ons nog niet gelukt om het dossier volledig inzichtelijk te krijgen. (…)” (akte indiening producties d.d. 4 april 2014, prod. 17).

Gelet op dit bericht gaat het hof ervan uit dat de bewindvoerder op het moment van ingaan van haar bewindvoerderschap op 1 september 2011 over het bewindvoeringsdossier beschikte.

De rechthebbende, van haar kant, stelt dat zij de bewindvoerder tijdig heeft geïnformeerd over wijzigingen in het gezinsinkomen (die noopten tot wijziging van de huurtoeslag), met name over het inkomen van de zoon. Deze door de bewindvoerder betwiste stelling heeft de rechthebbende nagelaten met stukken of anderszins te onderbouwen en ook overigens is het hof daarvan niet gebleken. Met name blijkt de beweerde informatieverschaffing niet uit productie 17 (akte indiening producties d.d. 4 april 2014), waarop de rechthebbende zich in dit verband heeft beroepen. Integendeel, daaruit blijkt dat de bewindvoerder zelf op 14 maart 2012 bij de rechthebbende heeft geïnformeerd naar de jaaropgaven van de oudste zoon van de rechthebbende “i.v.m. controle van de toeslagen”.

In deze omstandigheden mocht van de bewindvoerder worden verwacht dat zij, na een redelijke termijn vanaf ontvangst van het bewindvoeringsdossier, voor welke termijn het hof aansluiting zoekt bij de Aanbevelingen meerderjarigenbewind (sub B Aanbevelingen omtrent de taken van de bewindvoerder, pt. 1) vastgesteld door het LOK (thans LOVCK) op 26 april 2004, zoals recentelijk aangevuld op 21 januari 2014, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, dat wil zeggen vanaf in ieder geval 1 januari 2012, zijnde het moment waarop zij de jaarlijkse automatisch doorlopende huurtoeslagbeschikking 2012 (d.d. 29 december 2011, (beroepschrift, prod. 7) had ontvangen, bij de rechthebbende informeerde of er een wijziging in haar situatie was (die noopte tot aanpassing van de huurtoeslag). Zij had daarmee niet mogen wachten, zoals zij heeft gedaan, tot medio maart 2012 (prod. 17). Door dit na te laten is zij in de zorg van een goed bewindvoerder tekortgeschoten, welke tekortkoming haar kan worden toegerekend.

3.7.5.

Anders dan de kantonrechter, is het hof van oordeel dat de rechthebbende door de bedoelde tekortkoming wél schade heeft geleden. Zoals de rechthebbende ter zitting in hoger beroep heeft aangegeven, had zij – doordat in de bedoelde periode op haar de schuldsaneringsregeling (artikel 284-362 Fw) van toepassing was – geen (persoonlijk) voordeel van de ten onrechte ontvangen huurtoeslag. Weliswaar werden haar schuldeisers voldaan, maar daartegenover is voor de rechthebbende na beëindiging van de schuldsaneringsregeling een nieuwe schuld aan de Belastingdienst ontstaan die zij, gezien haar geringe inkomen, thans niet kan voldoen.

3.7.6.

De rechthebbende heeft gesteld een bedrag van € 6.965,- aan schade te hebben geleden, te weten het totaalbedrag dat zij in de jaren 2011-2013 ten onrechte aan huurtoeslag heeft ontvangen. Hoe dit beweerde schadebedrag de bewindvoerder als gevolg van het tekortschieten in haar taak kan worden toegerekend, heeft de rechthebbende nagelaten inzichtelijk te maken. In het bijzonder valt niet in te zien waarom de bewindvoerder aansprakelijk zou zijn voor de schade geleden vóór haar benoeming (op 1 september 2011) en na beëindiging van het bewind (op 26 juni 2012); ook is niet gebleken dat de rechthebbende aan het hiervoor genoemde verzoek van de bewindvoerder van 14 maart 2012 om nadere informatie “i.v.m. controle van de toeslagen” heeft voldaan. Gelet hierop gaat het hof voor de omvang van de door de rechthebbende geleden schade uit van het in de maanden januari tot en met maart 2012 ten onrechte ontvangen bedrag aan huurtoeslag, nu de bewindvoerder in die maanden in de zorg van een goed bewindvoerder is tekortgeschoten (zie hiervóór rov. 3.7.4). Het hof stelt deze schade vast op het totaalbedrag dat in 2012 aan huurtoeslag is ontvangen (€ 2.563,- (blijkens “Aanvullende gegevens van het dossier”, d.d. 30 augustus 2013)) gedeeld door vier (de drie maanden januari tot en met maart 2012), te weten: € 640,75.

3.8.1.

Grief 2 keert zich tegen het volgende oordeel van de rechtbank:

“(…) de bewindvoerder [heeft] voldoende gemotiveerd (…) weersproken dat het de bewindvoerder te verwijten is dat er niet (tijdig) betaald zou zijn. De bewindvoerder onderbouwt dit met een overzicht hoe zij betalingen aan de betreffende organisatie doet. Hieruit op te maken is het onbegrijpelijk dat naam en nummer niet overeen zouden komen en dientengevolge de vordering uit handen is gegeven en de onderhavige boete is ontstaan. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken van tekortschieten van de bewindvoerder.” (rov. 2.6.2).

De rechthebbende voert in dit verband – samengevat – het volgende aan. De bijkomende kosten van € 62,49 in verband met het niet tijdig voldoen van de gasrekening worden bij de rechthebbende gevorderd. Op het moment dat de rechthebbende vernam dat een gasrekening niet was voldaan, heeft zij de bewindvoerder hier direct over geïnformeerd. De bewindvoerder is vervolgens echter niet terstond overgegaan tot betaling van deze rekening en heeft ook niet gecontroleerd waarom deze rekening niet was voldaan, terwijl de gasrekening wel is opgenomen in het overzicht van betaalopdrachten van de rechthebbende die door de bewindvoerder werden uitgevoerd. Dat sprake zou zijn van drie onbegrijpelijke storneringen, zoals de bewindvoerder stelt, blijkt niet uit de overgelegde bankrekeningafschriften. Hieruit blijkt slechts van één stornering, welke een betaling van leefgeld aan de rechthebbende betreft. Bovendien gaat het om individuele betaalopdrachten en niet om automatische incasso-opdrachten. De bewindvoerder is ten aanzien van de gasrekening derhalve ernstig tekortgeschoten in haar taakvervulling.

3.8.2.

De bewindvoerder betwist dat zij aansprakelijk is ingevolge artikel 1:444 BW. Het kan de bewindvoerder niet worden toegerekend dat de rekeningen onbetaald zijn gebleven. De bewindvoerder heeft zorggedragen voor de betaling van de gasrekening. De betaling is echter gestorneerd met de omschrijving “naam en nummer komen niet overeen”. Dit is onbegrijpelijk omdat de betaling aan de gasleverancier altijd automatisch werd gedaan met steeds dezelfde omschrijving. Het betreffen inderdaad geen automatische incasso-opdrachten, maar opdrachten welke automatisch plaatsvonden in het systeem waarmee de bewindvoerder werkt. Blijkbaar is de betaling een paar keer gestorneerd zonder dat dit is opgemerkt. De betalingsherinneringen zijn naar het oude postadres van de bewindvoerder gestuurd, terwijl de bewindvoerder het nieuwe postadres had doorgegeven. Direct nadat de bewindvoerder ervan op de hoogte is geraakt dat er rekeningen onbetaald waren gebleven, heeft de bewindvoerder voor betaling zorggedragen. De bewindvoerder meent dat de rechthebbende het bedrag niet verschuldigd is aan de energieleverancier omdat het onbetaald blijven van de rekeningen een gevolg is van de gebrekkige administratie van de energieleverancier. De bewindvoerder heeft aangeboden bezwaar te maken tegen de boete, maar de rechthebbende heeft van dit aanbod geen gebruik gemaakt.

3.8.3.

Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat de bewindvoerder ter zake van de niet (tijdig) betaalde gasrekening jegens de rechthebbende aansprakelijk is in de zin van artikel 1:444 BW, omdat zij toerekenbaar in de zorg van een goed bewindvoerder is tekortgeschoten. Het voldoen van de gasrekeningen behoort tot de normale taken van de bewindvoerder en zij behoort bij stornering van de betaling van de gasrekening alsnog en onmiddellijk voor betaling te zorgen. De bewindvoerder voert in dit verband weliswaar aan dat haar postadres is gewijzigd en zij daardoor niet op de hoogte was van de terugboekingen, maar deze stelling heeft zij nagelaten met stukken te onderbouwen, nog daargelaten dat zij daarvan ook op de hoogte had kunnen zijn via de bankrekening van de rechthebbende waarover zij het beheer voerde of zich ook (op andere wijze) ervan had kunnen vergewissen (bijvoorbeeld door in te loggen op de website van het gasbedrijf) dat de rekeningen nog immer niet betaald waren. Het mocht overigens van de bewindvoerder worden verwacht dat zij zelf bezwaar maakte tegen de onderhavige boete; daarvoor behoefde zij niet eerst een aanbod te doen aan de rechthebbende. Grief 2 slaagt derhalve. De bewindvoerder dient de door de rechthebbende geleden schade van € 62,49 ter zake van de niet (tijdig) betaalde gasrekening dan ook aan de rechthebbende te vergoeden.

3.9.

Het hof overweegt dat grief 3 naast het hiervóór ten aanzien van de grieven 1 en 2 besprokene geen zelfstandige betekenis heeft, zodat deze grief geen verdere bespreking behoeft.

3.10.1.

Grief 4 keert zich tegen het niet-toekennen door de rechtbank van het verzoek van de rechthebbende tot terugbetaling van het bewindvoerderssalaris van € 1.438,14.

De rechthebbende voert in dit verband – samengevat – aan dat er sprake is van wanprestatie. De bewindvoerder heeft haar taken onbehoorlijk uitgevoerd en de rechthebbende is dan ook absoluut niet tevreden met de afwikkeling van haar beschermingsbewind. Om duidelijkheid te verkrijgen over haar beschermingsbewind heeft de rechthebbende ook veel onnodige extra kosten moeten maken, zoals telefoonkosten, printkosten en verzendkosten. De rechtbank heeft geen beslissing genomen omtrent deze vordering.

3.10.2.

De bewindvoerder voert aan dat de rechthebbende ten tijde van de uitvoering van het beschermingsbewind nimmer heeft geklaagd over de uitvoering hiervan. De rechthebbende heeft de bewindvoerder zelfs verzocht om haar werkzaamheden nog een maand langer uit te voeren in verband met vakantie van de rechthebbende.

3.10.3.

Het hof oordeelt als volgt. Nu de rechthebbende niet heeft gesteld noch onderbouwd dat de bewindvoerder anders dan hiervóór reeds is overwogen is tekortgeschoten in de zorg van een goed bewindvoerder, iedere onderbouwing van de door haar geleden (verdere) schade ontbreekt en de bewindvoerder, zoals uit de stukken valt af te leiden, overigens de werkzaamheden heeft verricht op grond waarvan zij aanspraak kan maken op de bewindvoerdersbeloning, waarbij het hof er ter zijde op wijst dat de rechthebbende de bewindvoerder nog heeft verzocht, na beëindiging van het bewind, haar werkzaamheden nog te continueren, dient grief 4 te worden verworpen.

3.12.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen voor zover daarbij de klachten betreffende de ten onrechte ontvangen huurtoeslag en de boete wegens het niet (tijdig) betalen van de gasrekening ongegrond zijn verklaard, en ter zake van die klachten opnieuw recht zal doen zoals in het dictum bepaald.

3.13.

Gelet op de aard van de procedure ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel die inhoudt dat de proceskosten worden gecompenseerd.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, doch alleen voor zover daarbij de klachten betreffende de ten onrechte ontvangen huurtoeslag en de boete wegens het niet (tijdig) betalen van de gasrekening ongegrond zijn verklaard;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de bewindvoerder ingevolge artikel 1:444 BW om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de rechthebbende te betalen een bedrag van:

€ 640,75 inzake de terugvordering van ten onrechte ontvangen huurtoeslag;

€ 62,49 inzake de boete wegens het niet (tijdig) betalen van de gasrekening;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, M.C. van Dijkhuizen en
H.J. Witkamp en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2014.