Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2353

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-06-2014
Datum publicatie
30-11-2017
Zaaknummer
HV 200.142.466-01
Formele relaties
Herstelarrest: ECLI:NL:GHSHE:2014:2762
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:1223
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:1242
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:5241
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

omgangsregeling

aanvullend onderzoek raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 12 juni 2014

Zaaknummer: HV 200.142.466/01

Zaaknummer eerste aanleg: 247331/ FA RK 12-2519

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.M.M. Mikkers,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. C. Schouten.

Als belanghebbenden in deze zaak kunnen worden aangemerkt:

  • -

    [de bijzondere curator] in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna nader te noemen minderjarige [minderjarige] (hierna te noemen: de bijzondere curator);

  • -

    [betrokkene] (hierna te noemen [betrokkene] );

  • -

    Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch – het hof begrijpt rechtbank Oost-Brabant – van 19 november 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 februari 2014, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de vernietiging van de erkenning door [betrokkene] en de verlening van vervangende toestemming aan de man om de hierna nader te noemen minderjarige Elisa-erica te erkennen en het aan de man gunnen van een omgangsregeling met voornoemde minderjarige en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de man tot vernietiging van de erkenning, het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning en het vaststellen van een omgangsregeling, af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 9 april 2014, heeft de man verzocht, naar het hof begrijpt, het verzoek in hoger beroep van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 9 april 2014, heeft de bijzondere curator verzocht grief één ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking voor wat betreft de vernietiging van de erkenning door [betrokkene] te bekrachtigen en de raad te verzoeken aanvullend onderzoek te doen naar de vraag of het in het belang van de minderjarige [minderjarige] is dat aan de man vervangende toestemming wordt verleend om haar te erkennen als zijn kind en naar de vraag of (begeleide) omgang tussen voormelde minderjarige en de man in het belang van de minderjarige is en zo ja, welke (begeleide) omgangsregeling dan in haar belang is te achten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 mei 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Mikkers;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Schouten;

  • -

    de bijzondere curator;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.3.1.

[betrokkene] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 29 april 2014;

  • -

    de brief met bijlage van de advocaat van de man d.d. 2 mei 2014;

  • -

    het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de man d.d. 6 mei 2014.

Het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 29 april 2014 laat het hof – met instemming van de advocaat van de vrouw – buiten beschouwing, omdat ter zitting is gebleken dat zowel de man als de raad deze niet heeft ontvangen.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de vrouw is [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .

[betrokkene] heeft [minderjarige] nog voor haar geboorte erkend.

De vrouw oefent van rechtswege het gezag over [minderjarige] uit.

3.2.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, de erkenning van [minderjarige] door [betrokkene] vernietigd, vervangende toestemming verleend aan de man tot erkenning van [minderjarige] en bepaald dat de man gerechtigd is tot begeleide omgang met [minderjarige] in het omgangshuis De Combinatie.

3.3.

De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De vrouw voert, samengevat, het volgende aan. De vrouw stelt dat zij en [betrokkene] er uitdrukkelijk voor hebben gekozen dat [betrokkene] [minderjarige] en haar halfbroer zou erkennen. Zij willen dan ook beiden dat deze erkenning in stand blijft. Volgens de vrouw zijn haar belangen en die van [minderjarige] gediend bij de erkenning door [betrokkene] . De reden dat de vrouw geen affectieve relatie had met [betrokkene] is gelegen in haar eigen belaste verleden waardoor zij geen affectieve relaties kan aangaan.

Ter zitting van het hof heeft de vrouw verklaard dat de man de biologische vader is van [minderjarige] . De vrouw heeft geen vertrouwen in de man en is bang voor hem. De vrouw vindt dat de man ongeschikt is om als vader te fungeren voor [minderjarige] . Volgens de vrouw zijn de belangen en de aanspraak van de man op erkenning van [minderjarige] niet behoorlijk afgewogen tegen de belangen van de vrouw en [minderjarige] bij niet-erkenning; er is volgens de vrouw een grote discrepantie tussen deze belangen. Na de bestreden beschikking heeft de vrouw psychologische hulp ingeschakeld, omdat zij het niet aan kan. De vrouw ervaart volgens de psycholoog een hoge lijdensdruk bij de gedachte dat de man contact krijgt met [minderjarige] . De vrouw stelt dat de erkenning door de man een verstoring van de gezinsrust zal veroorzaken, zodanig dat een evenwichtige en gezonde ontwikkeling van [minderjarige] evenals die van haar halfbroer in gevaar zal komen. Een erkenning levert veel stress en spanningen op bij de vrouw en dit heeft een weerslag op beide kinderen. Dit geldt ook voor een – begeleide – omgangsregeling. De vrouw verwacht niet dat de ingezette hulpverlening kan bijdragen aan een onbelast contact tussen [minderjarige] en de man. De vrouw vindt dat goed moet worden onderzocht in hoeverre haar belastbaarheid voldoende is en in hoeverre dit haar weerslag heeft op de kinderen.

De vrouw is van mening dat de raad geen professioneel, objectief en deugdelijk onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van de erkenning en de omgang voor de vrouw en [minderjarige] . De informanten die de raad heeft gehoord, konden geen enkele mededeling doen over de consequenties die een eventuele erkenning en omgang door de man bij de vrouw en de kinderen teweeg konden brengen. Daarbij heeft de raad zijn conclusie niet kunnen onderbouwen met de informatie die zij heeft gekregen van de informanten.

Volgens de vrouw groeien de kinderen bij haar op in een veilige situatie.

De vrouw staat niet afwijzend tegenover statusvoorlichting van [minderjarige] , maar pas op het moment dat [minderjarige] eraan toe is.

3.5.

De man voert, samengevat, het volgende aan. De man stelt dat de vrouw al het mogelijke doet om hem af te schilderen als een onbetrouwbaar en als vader ongeschikt persoon, maar dat de vrouw het bestaan van de man zal moeten accepteren. Daarbij heeft de vrouw in het recente verleden verschillende verhalen verteld rondom de verwekking van [minderjarige] , die de man allemaal betwist. De man stelt dat de vrouw categorisch contact met hem heeft geweigerd en dat de vrouw de man heeft tegengewerkt toen hij de toen nog ongeboren vrucht wilde erkennen. De man wil graag een rol spelen in het leven van [minderjarige] en hij staat open voor ondersteuning door hulpverlening. De man vindt het opvallend dat de vrouw er op voorhand vanuit gaat dat de inmiddels gevonden gezinsrust zal worden verstoord wanneer de man contact zal krijgen met [minderjarige] . De vrouw werpt barrières op ten aanzien van de omgang en wil de regie daarover behouden evenals over de statusvoorlichting van [minderjarige] .

Alhoewel de man betwist dat het onderzoek door de raad niet deugdelijk zou zijn uitgevoerd, is hij bereid mee te werken aan een aanvullend onderzoek door de raad, met name voor wat betreft de omgang. De man wil graag omgang met [minderjarige] .

De man vindt de rol die [betrokkene] speelt volstrekt onduidelijk, omdat hij slechts een vriendschappelijk contact was van de vrouw welk contact bovendien reeds eind 2011 is verbroken.

De man maakt zich zorgen over de opvoeding van [minderjarige] .

3.6.

De bijzondere curator voert, samengevat, het volgende aan. De bijzondere curator vindt het in het belang van [minderjarige] dat de erkenning door [betrokkene] wordt vernietigd. [betrokkene] is namelijk niet de biologische vader en hij heeft vanaf het moment dat [minderjarige] enkele weken oud was geen enkele rol gespeeld in het leven van [minderjarige] . De bijzondere curator verwacht niet dat dit in de toekomst zal veranderen.

De bijzondere curator handhaaft haar verzoek op grond van artikel 1:205 lid 1 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) waarmee zij namens [minderjarige] ook zelf een verzoek tot vernietiging van de erkenning heeft gedaan.

Voorts stelt de bijzondere curator dat de erkenning door [betrokkene] door de man kan worden aangetast, omdat de man niet tijdig om vervangende toestemming heeft kunnen vragen; de man hoefde er niet op bedacht zijn dat de vrouw al tijdens de zwangerschap aan [betrokkene] toestemming zou verlenen om [minderjarige] te erkennen.

De bijzondere curator acht het laatste verhaal van de vrouw voor wat betreft de wijze van verwekking door de man in het licht van alle omstandigheden ongeloofwaardig en zorgelijk. De bijzondere curator vreest dat [minderjarige] zal opgroeien met een negatief beeld van haar biologische vader; dat is zeer schadelijk voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] .

De bijzondere curator vindt dat het onderzoek van de raad niet op alle punten zorgvuldig en evenwichtig is geweest en geeft dan ook de voorkeur aan een nader onderzoek waarbij de vraag moet meespelen of er reële risico’s zijn dat [minderjarige] wordt belemmerd in een evenwichtig sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling indien aan de man vervangende toestemming wordt verleend om [minderjarige] te erkennen. De bijzondere curator vindt dat de raad eveneens onderzoek moet doen naar de vraag of (begeleide) omgang tussen [minderjarige] en de man in het belang van [minderjarige] is en zo ja, welke regeling dan in haar belang is en dat het onderzoek moet worden uitgebreid met een beschermingsonderzoek.

3.7.

De raad heeft ter zitting aangegeven dat een aanvullend onderzoek nodig is. De raad vindt de situatie van [minderjarige] zorgelijk. De raad vindt het voor [minderjarige] van belang dat zij weet wie haar vader is, dat dit juridisch wordt geregeld en dat zij statusvoorlichting krijgt. De raad vindt de erkenning in het belang van [minderjarige] , maar vindt toch dat zowel de erkenning als de omgang een onderwerp moet zijn van nader onderzoek. In het geval de vervangende toestemming tot erkenning door de man niet in het belang van [minderjarige] zou zijn, is het mogelijk dat omgang tussen [minderjarige] en de man onder omstandigheden wel in haar belang is.

Voorts stelt de raad dat een beschermingsonderzoek – zo nodig – ambtshalve kan worden uitgevoerd.

Vernietiging erkenning door [betrokkene]

3.8.

Ingevolge artikel 1:205 lid 1 sub a BW kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden.

3.8.1.

Het hof is evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof overneemt en tot de zijde maakt, van oordeel dat de erkenning van [minderjarige] door [betrokkene] dient te worden vernietigd.

Ter aanvulling overweegt het hof dat de vrouw in hoger beroep heeft erkend dat de man de biologische vader is van [minderjarige] en dat de bijzondere curator haar zelfstandige verzoek tot vernietiging van de erkenning door de heer [betrokkene] heeft gehandhaafd.

Vervangende toestemming tot erkenning door de man en omgang

3.9.

Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen ten aanzien van de vervangende toestemming tot erkenning en de omgang.

Het hof overweegt daartoe dat de raad reeds een onderzoek heeft gedaan naar de situatie van [minderjarige] en hierover heeft gerapporteerd op 27 maart 2013 doch is – met de bijzondere curator – van oordeel dat dit onderzoek onvoldoende is toegespitst op de beantwoording van de daarin gestelde onderzoeksvragen. Daarbij komt, dat ook de moeder van mening is, dat het onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd en acht ook de raad het aangewezen om een aanvullend onderzoek in te stellen.

3.9.1.

Het hof zal dan ook de raad verzoeken om een aanvullend onderzoek in te stellen en te rapporteren en adviseren omtrent de volgende vragen:

- worden door de erkenning van [minderjarige] door de man de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] of de belangen van [minderjarige] geschaad en zijn er reële risico’s dat [minderjarige] door de erkenning wordt belemmerd in een evenwichtig sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling?

- is een omgangsregeling van [minderjarige] met de man in het belang van [minderjarige] ? Zo ja, hoe dient de regeling eruit te zien qua aard, duur en frequentie?

3.9.2.

Het hof zal de verdere behandeling van de zaak vier maanden aanhouden, teneinde de resultaten van het onderzoek en het advies van de raad af te wachten. Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van de raad.

3.10.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het betreft de vernietiging van de erkenning van [minderjarige] door [betrokkene] en zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch – naar het hof begrijpt Oost-Brabant – van 19 november 2013, voor zover het betreft de vernietiging van de erkenning van [minderjarige] door [betrokkene] ;

verzoekt de raad een onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 3.9.1. is overwogen;

verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 16 oktober 2014.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.E.M. Renckens, M.J.C. Koens en M.L.F.J. Schyns en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2014.