Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2341

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
26-08-2014
Zaaknummer
20-001389-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belastingfraude. Art. 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen.

(Zaak A:) Aan verdachte is primair ten laste gelegd het (mede)plegen van het opzettelijk (door tussenkomst van een door E gemachtigd(e) administratiekantoor/administrateur) onjuist doen van bij de belastingwet voorziene aangiften voor de loonheffing ten name van E, handelend onder de naam Y. Verdachte kan slechts als pleger van het ten name van E, de broer van verdachte, onjuist doen van de aangiften loonheffing worden aangemerkt, indien verdachte degene was die tot het doen van die aangiften gehouden was, dat wil zeggen de kwaliteit van aangifteplichtige heeft. Verdachte was alleen tot het doen van aangifte gehouden, indien hij (zelf) was uitgenodigd tot het doen van aangifte. Nu niet is gebleken dat verdachte is uitgenodigd tot het doen van aangifte, kan hij niet worden aangemerkt als pleger van het onjuist doen van die aangifte. Het hof spreekt voorts vrij van medeplegen en doen plegen van art. 69 AWR.

(Zaak B:) Het hof acht bewezen dat verdachte opzettelijk door tussenkomst van het/de door hem gemachtigde administratiekantoor/administrateur de aangiften voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen onjuist heeft gedaan, aangezien hij opzettelijk door hemzelf valselijk opgemaakte loonbescheiden heeft aangeleverd aan de door hem gemachtigde, wetende dat die gemachtigde – zonder controle van de aangeleverde uren, tot welke controle de gemachtigde geen opdracht had – op basis van die loonbescheiden de aangifte voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen zou verzorgen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 69, geldigheid: 2014-07-01
Wetboek van Strafrecht 225, geldigheid: 2014-07-01
Wetboek van Strafrecht 47, geldigheid: 2014-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2001

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001389-13

Uitspraak : 1 juli 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 9 april 2013 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 04-990018-06 en 04-993002-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:

parketnummer 04-990018-06 feit 1

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

parketnummer 04-990018-06 feit 2

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

parketnummer 04-993002-12 primair

medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-990018-06 onder 1 en 2 en het in de zaak met parketnummer 04-993002-12 primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden met aftrek van voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman van de verdachte heeft niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-990018-06 ten laste gelegde bepleit. Voorts heeft de raadsman, zo begrijpt het hof, (subsidiair) vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 04-990018-06 onder 2 en het in de zaak met parketnummer 04-993002-12 ten laste gelegde. Ten slotte is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Voorts komt het hof niet tot een bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 04-993002-12 ten laste gelegde.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging

De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie in de zaak met parketnummer

04-990018-06 niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor berechting.

Het hof verwerpt dit verweer, nu overschrijding van de redelijke termijn volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

parketnummer 04-990018-06:


1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2006 tot en met 31 december 2006 te Venlo en/of elders in Nederland meermalen, althans eenmaal, (telkens) een (of meer) werkbriefje(s) en/of loonbelastingverklaring(en) en/of uitzendovereenkomst(en) waaronder:

- een loonbelastingverklaring d.d. 1 mei 2006 betreffende werknemer [O] en [X] Uitzendorganisatie (D-82 volgnummer 3)

- een uitzendovereenkomst tussen [X] Uitzendorganisatie en [O] met als dagtekening d.d. 1 mei 2006 (D-82 volgnummer 4 t/m 8)

- ( een) werkbriefje(s) van [X] Uitzendorganisatie betreffende werknemer [O] en inlener [W] C.V. (D-82 volgnummer 9 t/m 21)

- ( een) werkbriefje(s) van [X] Uitzendorganisatie betreffende werknemer [H] en inlener [W] C.V. (D-85 volgnummer 17 t/m 19)

- ( een) werkbriefje(s) van [X] Uitzendorganisatie betreffende werknemer [J] en inlener [K] (D-126 volgnummer 10 t/m 12)

- ( een) werkbriefje(s) van [X] Uitzendorganisatie gericht aan inlener [K] (D-039 volgnummer 121 t/m 149)

- ( een) werkbriefje(s) van [X] Uitzendorganisatie gericht aan inlener [K] (D-126 volgnummer 1 t/m 18)

- ( een) werkbriefje(s) van [X] Uitzendorganisatie betreffende werknemer [P] en inlener [K] (D-126 volgnummer 4 t/m 6)

- ( een) werkbriefje(s) van [X] Uitzendorganisatie gericht aan inlener [W] C.V. (D-041 volgnummer 181 t/m 215)

- ( een) werkbriefje(s) van [X] Uitzendorganisatie gericht aan inlener [W] C.V. (D-041 volgnummer 216 t/m 237)

- ( een) werkbriefje(s) van [X] Uitzendorganisatie gericht aan inlener [W] C.V. (D-123 volgnummer 1 t/m 9),

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, bestaande die valsheid onder meer hierin dat (telkens) opzettelijk valselijk

op bovenvermelde geschrift(en) (een) na(a)m(en) van (een) werknemer(s) vermeld staat/staan die in werkelijkheid helemaal niet en/of niet op het/de opgeschreven tijdvak(ken) gewerkt heeft/hebben voor [X] Uitzendorganisatie en/of (een) ander(e) op dat/die geschrift(en) vermeld(e) bedrijf/bedrijven en/of persoon en/of personen

en/of (een) handtekening(en) is/zijn gezet (voor akkoord met de daarop ingevulde gegevens) die moest(en) doorgaan voor de handtekening van (een) persoon en/of personen die die handtekening feitelijk niet (voor akkoord) geplaatst had(den) op dat geschrift

en/of (een) stempel(s) is/zijn gezet (voor akkoord met de daarop ingevulde gegevens) van (een) bedrijf en/of bedrijven die feitelijk niet (voor akkoord) geplaatst was/waren door een (bevoegd) persoon van dat/die bedrijf en/of bedrijven;

2.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 september 2006 tot en met 23 januari 2007 te Venlo en/of elders in Nederland (telkens) opzettelijk (door tussenkomst van het/de door hem gemachtigde administratiekantoor/administrateur) (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen over het/de tijdvak(ken) 24 april 2006 t/m 21 mei 2006 en/of 22 mei 2006 t/m 18 juni 2006 en/of 19 juni 2006 t/m 16 juli 2006 en/of 17 juli 2006 t/m 13 augustus 2006 en/of 14 augustus 2006 t/m 10 september 2006 en/of 11 september 2006 t/m 8 oktober 2006 en/of 9 oktober 2006 t/m 5 november 2006 en/of 6 november 2006 t/m 3 december 2006 en/of 4 december 2006 t/m 31 december 2006, althans het/de jaar/jaren 2004 en/of 2005 en/of 2006, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk (door tussenkomst van het/de door hem gemachtigde administratiekantoor/administrateur) op het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Venlo ingeleverde aangiftebiljet(ten) loonbelasting en premie volksverzekeringen over genoemd(e) jaar/jaren (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting, opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;



parketnummer 04-993002-12:



primair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2007 tot en met 22 februari 2010 in de gemeente(n) Roermond en/of Venlo en/of Apeldoorn en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (door tussenkomst van het/de door [E] gemachtigde administratiekantoor/administrateur) (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de loonheffing, althans voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen, ten name van [E] (handelend onder de naam [Y] Personeelsdiensten), over de/het aangiftetijdvak(ken) november 2007 en/of tijdvak 3 van 2008 en/of tijdvak 5 van 2008 en/of tijdvak 12 van 2008 en/of tijdvak 2 van 2009 en/of tijdvak 5 van 2009 en/of tijdvak 8 van 2009 en/of tijdvak 12 van 2009 en/of januari 2010 en/of over een of meer (andere) aangiftetijdvak(ken), vermeld op het als ambtshandeling AH-012/1 vermelde overzicht, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte en/of (een of meer van) zijn medeverdachte(n) (telkens) opzettelijk (door tussenkomst van het/de door [E] gemachtigde administratiekantoor/administrateur) op de/het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Heerlen en/of Apeldoorn, in elk geval bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst, ingeleverde aangiftebiljet(ten) voor de loonheffing, althans voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen, over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken) (telkens) een of meer te lage/laag bedrag(en) aan loon voor de loonheffing, althans voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen, en/of (telkens) een of meer te lage/laag bedrag(en) aan af te dragen loonheffing, althans loonbelasting en premie volksverzekeringen, opgegeven, terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;

subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2007 tot en met 22 februari 2010 in de gemeente(n) Roermond en/of Venlo en/of Apeldoorn en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, een of meermalen (zijn broer) [E] en/of een of meer ander(en) heeft doen plegen

het delict van opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de loonheffing, althans voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen, ten name van [E] voornoemd (handelend onder de naam [Y] Personeelsdiensten), over de/het aangiftetijdvak(ken) november 2007 en/of tijdvak 3 van 2008 en/of tijdvak 5 van 2008 en/of tijdvak 12 van 2008 en/of tijdvak 2 van 2009 en/of tijdvak 5 van 2009 en/of tijdvak 8 van 2009 en/of tijdvak 12 van 2009 en/of januari 2010 en/of over een of meer (andere) aangiftetijdvak(ken), vermeld op het als ambtshandeling AH-012/1 vermelde overzicht, onjuist en/of onvolledig doen,

immers heeft hij, verdachte, die [E] en/of die ander(en) voornoemd (telkens) opzettelijk op de/het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Heerlen en/of Apeldoorn, in elk geval bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst, ingeleverde aangiftebiljet(ten) voor de loonheffing, althans voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen, over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken) (telkens) een of meer te lage/laag bedrag(en) aan loon voor de loonheffing, althans voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen, en/of (telkens) een of meer te lage/laag bedrag(en) aan af te dragen loonheffing, althans loonbelasting en premie volksverzekeringen, doen opgeven en/of doen vermelden, terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Vrijspraak (parketnummer 04-993002-12)

In de zaak met parketnummer 04-993002-12 is aan de verdachte primair ten laste gelegd – kort gezegd – het (mede)plegen van het opzettelijk (door tussenkomst van een door [E] gemachtigd(e) administratiekantoor/administrateur) onjuist doen van bij de belastingwet voorziene aangiften voor de loonheffing ten name van [E], handelend onder de naam [Y] Personeelsdiensten.

Plegen

Het hof stelt voorop dat de verdachte slechts als pleger van het ten name van [E], de broer van de verdachte, onjuist doen van de aangiften loonheffing kan worden aangemerkt, indien de verdachte degene was die tot het doen van die aangiften gehouden was, dat wil zeggen de kwaliteit van aangifteplichtige heeft (vgl. Hoge Raad 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8286).

De aangiften loonheffing ten behoeve van [Y] Personeelsdiensten zijn uitgereikt op naam van [E]. De rechtbank heeft in haar uitspraak geoordeeld dat, gelet op de omstandigheden in deze zaak, te weten dat het gaat om een eenmanszaak en de verdachte bij uitsluiting degene was die daadwerkelijk handelde onder de naam [Y] Personeelsdiensten, de aangifteplicht met betrekking tot die eenmanszaak feitelijk bij de verdachte rustte. Dit oordeel van de rechtbank is rechtens onjuist. In de parlementaire geschiedenis van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is reeds in de jaren vijftig van vorige eeuw in de MvT, Tweede Kamer, 1954-1955, 4080, nr. 3, blz. 14, rk., 6e al., voor zover te dezen relevant, het volgende vermeld:

“De voorgestelde regeling wijkt in zover af van de bestaande, dat de verplichting tot het doen van aangifte steeds – dus ook met betrekking tot de belastingen welke op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen – eerst zal ontstaan door uitreiking van een aangiftebiljet en niet rechtstreeks uit de wet voortvloeit.”

In de lijn met de wetsgeschiedenis volgt uit vaste jurisprudentie, dat de verdachte alleen tot het doen van aangifte was gehouden, indien hij (zelf) was uitgenodigd tot het doen van aangifte (Hoge Raad 28 maart 1979, BNB 1979/170; Hoge Raad 21 oktober 1998, BNB 1999/7; Hoge Raad 23 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6161). Uit de vorenvermelde wetsgeschiedenis en jurisprudentie volgt ook dat het oordeel van de rechtbank dat de verdachte voor de aangifteplicht van [E] kan worden vereenzelvigd met [E] rechtens onjuist is.

De opvatting van de rechtbank, dat de plicht tot het doen van een aangifte zou kunnen komen te rusten op een ander dan diegene die tot het doen van een aangifte is uitgenodigd, is in strijd met de rechtszekerheid, die is vereist voor de duidelijkheid wie de plicht heeft aangifte te doen. Nu de verdachte bij uitsluiting degene was die daadwerkelijk handelde onder de naam [Y] Personeelsdiensten en hij (dus) in werkelijkheid inhoudingsplichtige was (en niet zoals de rechtbank per abuis vermeldt: belastingplichtige, zie art. 6 in samenhang met art. 27 Wet op de loonbelasting 1964) had de rijksbelastingdienst de verdachte alsnog kunnen uitnodigen tot het doen van aangiften loonheffingen ten behoeve van [Y] Personeelsdiensten.

Nu niet is gebleken dat de verdachte is uitgenodigd tot het doen van de in de tenlastelegging bedoelde aangiften, kan hij niet worden aangemerkt als pleger van het onjuist doen van die aangiften.

Medeplegen

Met betrekking tot de vraag of de verdachte kan worden verweten, dat hij medepleger is van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, overweegt het hof als volgt.

De rechtbank heeft geoordeeld dat [E] door niet op de hoogte te zijn van de op hem liggende verplichtingen met betrekking tot het voeren van een administratie en de belastingaangiften, alsmede door zich volledig te laten leiden door de verdachte en op diens verzoek alle facturen te tekenen zonder enige controle, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er een verschil bestond tussen de in de administratie opgenomen uren en de aan de afdrachtgevers (hof: opdrachtgevers) gefactureerde uren. Daaraan heeft de rechtbank de conclusie verbonden, dat daarmee [E] tevens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door deze administratie de basis te laten vormen van de aangiften loonheffing, er opzettelijk onjuiste aangiften zouden worden gedaan. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld, dat door geen nadere vragen te stellen in de wetenschap dat de verdachte vanuit zijn vorige onderneming in financiële problemen verkeerde, hij die kans bewust heeft aanvaard en op de koop toe genomen. Het hof komt tot een ander oordeel.

Uit een verklaring van [Z], ambtenaar van de rijksbelastingdienst (dossiernummer 47493, D-001, p. 174-175), volgt dat – kort samengevat – de op naam van [E] uitgereikte aangiften elektronisch door de rijksbelastingdienst zijn ontvangen. Alhoewel uit de bewijsmiddelen niet blijkt wie de aangiften feitelijk elektronisch heeft verzonden, heeft de advocaat-generaal desgevraagd tijdens de terechtzitting toegelicht, dat op grond van de door [E] aan [L] verstrekte machtiging (dossiernummer 47493, D-063) aangenomen moet worden dat de aangiften feitelijk elektronisch zijn verzonden door [L]. Mede gelet hierop is het hof van oordeel dat [E] niet kan worden verweten met (voorwaardelijk) opzet onjuiste aangiften te hebben gedaan. Uit de bewijsmiddelen komt het beeld naar voren dat [E] alles ter zake van de onder de naam [Y] Personeelsdiensten verrichte activiteiten heeft overgelaten aan de verdachte, zijn oudere broer, dat de verdachte bij uitsluiting degene was die daadwerkelijk handelde onder de naam [Y] Personeelsdiensten, dat [E] door de verdachte onwetend is gehouden en dat [E], mede gelet op zijn leeftijd toentertijd van ongeveer achttien jaar, volledig overvleugeld is door zijn oudere broer. Mitsdien acht het hof niet bewezen dat [E], broer van de verdachte, met (voorwaardelijk) opzet onjuiste aangiften heeft gedaan, zodat de verdachte – bij gebreke van een nauwe en bewuste op het gronddelict gerichte samenwerking tussen de verdachte en [E] – niet als medepleger daarvan kan worden aangemerkt.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van hetgeen in de zaak met parketnummer 04-993002-12 primair is ten laste gelegd.

Doen plegen

Subsidiair is aan de verdachte ten laste gelegd – kort gezegd – het doen plegen door [E] en/of een ander(en) van het delict opzettelijk onjuist doen van bij de belastingwet voorziene aangiften voor de loonheffing ten name van [E], handelend onder de naam [Y] Personeelsdiensten. Dit doen plegen heeft er volgens de tenlastelegging in bestaan dat de verdachte zijn broer [E] en/of die ander(en) op de ingeleverde aangiftebiljetten telkens een te laag bedrag aan loon voor de loonheffing heeft doen opgeven of doen vermelden.

Voor een bewezenverklaring van het door de verdachte doen plegen van het door [E] onjuist doen van bedoelde aangiften is vereist dat [E] kan worden aangemerkt als de (straffeloze) feitelijke uitvoerder van het onjuist doen van die aangiften. Naar het oordeel van het hof schiet het bewijs echter tekort voor de vaststelling dat [E] – feitelijk – de aangiften heeft gedaan.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de onderhavige zaak zich hierdoor kenmerkt, dat de betrokkenheid van [E] bij het doen van de in de tenlastelegging bedoelde aangiften beperkt is gebleven tot het op verzoek van diens oudere broer, de verdachte, eenmalig plaatsen van een handtekening op een machtiging aan [L] en dat hij nadien onwetend is gehouden ten aanzien van die aangiften.

Het hof wijst in dit verband op de volgende verklaringen.

- de verklaring van [E] (V01-01):

“(Verbalisanten: U bent op 14 september 2007, volgens de gegevens van de Kamer van Koophandel eigenaar geworden van [Y]. Wat kunt u over de start van uw bedrijf vertellen hoe is dat precies gegaan?). Ik had eerst 2 maanden voor het uitzendbureau van [verdachte] gewerkt, dat heette volgens mij [X]. Daarna vroeg [verdachte] aan mij om samen te gaan werken op mijn naam. Ik heb hem nooit gevraagd waarom het op mijn naam moest. Ik was een jaar of 18 en ik kon een eigen bedrijf beginnen, eigen baas, dat vond ik mooi. (…) Ik heb hem toen gevraagd hoe het allemaal moest met de boekhouding, ik was 18 jaar en ik wist daar niets vanaf. [verdachte] vertelde toen dat de belastingen, de boekhouding en de betalingen dat hij dat allemaal zou regelen. (…) Ik vertrouwde [verdachte] daar toen volledig in. (…)

(Verbalisanten: Wie was nu eigenlijk de baas van [Y] en waaruit bleek dat dan?). [verdachte] had het voor het zeggen bij [Y] en hij regelde alles. Ik regelde zelf niets, het enige wat ik deed was wachten tot [verdachte] me vertelde dat ik ergens moest gaan werken. (…)

(Verbalisanten: Wie verzorgde de administratie van [Y] voordat deze aan [A] B.V. en [L] B.V. werd aangeleverd?). Dat deed [verdachte]. [verdachte] zorgde ervoor dat de administratie bij de boekhouder kwam. Hoe hij de administratie bij de boekhouder bracht dat weet ik niet. Ik deed helemaal niets aan de administratie, alleen af en toe zette ik een handtekening als [verdachte] daarom vroeg.”

- de verklaring van de verdachte (V02-01):

“Ik heb het uitzendbureau eigenlijk helemaal alleen gerund. (…) De rol van [E] in het uitzendbureau was helemaal niets, hij heeft altijd alleen voor mij gewerkt bij de opdrachtgevers van [Y]. Eigenlijk was het mijn uitzendbureau dat alleen maar formeel op naam van [E] stond. Hij, [E], begreep toen nog niet hoe een uitzendbureau werkte, qua administratie en zo. (…) Hij had verder, naast zijn werkzaamheden als uitzendkracht, geen rol bij [Y].

(Verbalisanten: Wat waren uw werkzaamheden binnen [Y]?). Ik regelde alles. Ik regelde de uitzendkrachten en deed de boekhouding. (…) De boekhouder deed de belastingaangiften, die boekhouder had ik daarvoor ingeschakeld, dat was [A] BV. Er was ook [L], maar die kreeg de opdracht weer van [A] BV. [L] verzorgde de loonbelasting. (…) Elke 4 weken gaf ik de uren door aan [L]. (…) [L] regelde iedere 4 weken de aangifte loonbelasting op basis van de exceloverzichten die ik aan [L] gaf.”

- de verklaring van [M], loonadministrateur bij [L] (G02-01):

“In de tijd dat de onderneming [Y] gedreven werd door [E] had ik meestal contact met [verdachte]. (…) Ik heb [E] zelf nooit persoonlijk gesproken, alleen een enkele keer telefonisch. Dit was alleen in het begin.”

Nu [E] in de gegeven omstandigheden niet kan worden aangemerkt als degene die de aangiften heeft gedaan, kan de verdachte evenmin worden aangemerkt als ‘doen-pleger’ van het door zijn broer onjuist doen van de aangiften.

Ten slotte is evenmin bewijs voorhanden voor het door de verdachte doen plegen van het door [L] onjuist doen van bij de belastingwet voorziene aangiften voor de loonheffing ten name van [E], handelend onder de naam [Y] Personeelsdiensten. Indien met de advocaat-generaal zou worden aangenomen, dat de aangiften feitelijk elektronisch zijn verzonden door [L], is er geen sprake van dat de verdachte kan worden verweten [L] een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist te hebben laten doen, aangezien [E], gelet op het vorenoverwogene, niet (als deelnemer) betrokken was bij de aangiften en voorts de verdachte, noch [L] de kwaliteit heeft van degene die was uitgenodigd tot het doen van aangiften loonheffing ten behoeve van de onder de naam [Y] Personeelsdiensten verrichte activiteiten, welke aangiften immers zijn uitgereikt op naam van [E].

Hieraan doet niet af dat [E] [L] heeft gemachtigd tot het doen van aangifte, omdat daarmee de plicht om gevolg te geven aan de uitnodiging tot het doen van aangifte niet is overgegaan van [E] op [L] en het doen van een aangifte door een gemachtigde, [L], niet op één lijn kan worden gesteld met het zelf doen van een aangifte (door [E]) (vgl. Hoge Raad 1 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7741; Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2215; Hoge Raad 30 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT5846; Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7673).

Bovendien overweegt het hof het volgende. Zelfs indien hetgeen op naam van [E] bij de rijksbelastingdienst is binnengekomen zou hebben te gelden als door (of namens) [E] ingediende aangiften, volgt uit het feit dat de verdachte bij uitsluiting degene was die daadwerkelijk handelde onder de naam [Y] Personeelsdiensten, zoals reeds overwogen, dat niet [E] inhoudingsplichtige was, maar de verdachte. Vorenbedoelde aangiften bevatten in dat geval dan ook een te hoog bedrag aan loonheffing, omdat niet [E] de loonheffing diende af te dragen, maar de verdachte, zodat niet bewezen is dat hetgeen op naam van [E] bij de rijksbelastingdienst is binnengekomen ertoe strekte dat (van [E]) te weinig belasting werd geheven.

De verdachte zal daarom eveneens worden vrijgesproken van hetgeen in de zaak met parketnummer 04-993002-12 subsidiair is ten laste gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 04-990018-06 onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 maart 2006 tot en met 31 december 2006 te Venlo meermalen werkbriefjes en een loonbelastingverklaring en een uitzendovereenkomst, te weten:

- een loonbelastingverklaring d.d. 1 mei 2006 betreffende werknemer [O] en [X] Uitzendorganisatie (D-82 volgnummer 3)

- een uitzendovereenkomst tussen [X] Uitzendorganisatie en [O] met als dagtekening 1 mei 2006 (D-82 volgnummer 4 t/m 8)

- werkbriefjes van [X] Uitzendorganisatie betreffende werknemer [O] en inlener [W] C.V. (D-82 volgnummer 9 t/m 21)

- werkbriefjes van [X] Uitzendorganisatie betreffende werknemer [H] en inlener [W] C.V. (D-85 volgnummer 17 t/m 19)

- werkbriefjes van [X] Uitzendorganisatie betreffende werknemer [J] en inlener [K] (D-126 volgnummer 10 t/m 12)

- werkbriefjes van [X] Uitzendorganisatie gericht aan inlener [K] (D-039 volgnummer 121 t/m 149)

- werkbriefjes van [X] Uitzendorganisatie gericht aan inlener [K] (D-126 volgnummer 1 t/m 18)

- werkbriefjes van [X] Uitzendorganisatie betreffende werknemer [P] en inlener [K] (D-126 volgnummer 4 t/m 6)

- werkbriefjes van [X] Uitzendorganisatie gericht aan inlener [W] C.V. (D-041 volgnummer 181 t/m 215)

- werkbriefjes van [X] Uitzendorganisatie gericht aan inlener [W] C.V. (D-041 volgnummer 216 t/m 237)

- werkbriefjes van [X] Uitzendorganisatie gericht aan inlener [W] (D-123 volgnummer 1 t/m 9),

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, bestaande die valsheid hierin dat opzettelijk valselijk

op bovenvermelde geschriften namen van werknemers vermeld staan die in werkelijkheid helemaal niet of niet op de opgeschreven tijdvakken gewerkt hebben voor [X] Uitzendorganisatie of andere op die geschriften vermelde bedrijven of personen

en handtekeningen zijn gezet (voor akkoord met de daarop ingevulde gegevens) die moesten doorgaan voor de handtekening van personen die die handtekening feitelijk niet (voor akkoord) geplaatst hadden op dat geschrift

en stempels zijn gezet (voor akkoord met de daarop ingevulde gegevens) van bedrijven die feitelijk niet (voor akkoord) geplaatst waren door een bevoegd persoon van die bedrijven;

2.
hij op tijdstippen in de periode van 12 september 2006 tot en met 23 januari 2007 in Nederland opzettelijk door tussenkomst van het/de door hem gemachtigde administratiekantoor/administrateur bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen over de tijdvakken 24 april 2006 t/m 21 mei 2006 en 22 mei 2006 t/m 18 juni 2006 en 19 juni 2006 t/m 16 juli 2006 en 17 juli 2006 t/m 13 augustus 2006 en 14 augustus 2006 t/m 10 september 2006 en 11 september 2006 t/m 8 oktober 2006 en 9 oktober 2006 t/m 5 november 2006 en 6 november 2006 t/m 3 december 2006 en 4 december 2006 t/m 31 december 2006, onjuist heeft gedaan, immers heeft verdachte opzettelijk door tussenkomst van het/de door hem gemachtigde administratiekantoor/administrateur op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Venlo ingeleverde aangiftebiljetten loonbelasting en premie volksverzekeringen over genoemd jaar telkens een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 04-990018-06 onder 2 ten laste gelegde overweegt het hof als volgt.

[M], loonadministrateur bij [L], heeft verklaard (dossier SIOD met nr. 37970, G28-01):

“(Verbalisant: Op welke wijze werden de door uitzendkrachten van [X] Uitzendorganisatie gewerkte uren bij u aangeleverd in 2006? Door wie?) [verdachte] leverde op papier, per fax, overzichten. Wij controleren niet of deze uren kloppen, dat zit niet in onze opdracht besloten. Wij verlonen doorgegeven uren aan de hand van de opgave van [verdachte]. (…)

(Verbalisant: Wat kunt u verklaren over de verantwoordelijkheden voor de loonadministratie en voor de aangiften loonheffing van [verdachte], [X] Uitzendorganisatie?) (…) Wij hebben van hem opdracht gekregen om alles te verlonen en aangifte loonheffing te doen. Het behoort niet tot onze opdracht om zaken te controleren.

(Verbalisant:) Wat kunt of wilt u nog aan deze verklaring toevoegen? Zoals al eerder gezegd, controleren wij de door [verdachte] aangeleverde uren niet.”

De verdachte heeft verklaard (dossier SIOD met nr. 37970, V02-09):

“(Verbalisanten: Wie heeft er loonaangifte bij de Belastingdienst gedaan voor [X] Uitzendorganisatie in de periode 24-04-2006 tot en met 31-12-2006?) De aangiften loonbelasting, omzetbelasting is door mijn boekhouder gedaan. Ik heb de werkbriefjes, facturen en dergelijke aan mijn boekhouder gegeven. Aan de hand van de door mij verstrekte gegevens maakte [M] de loonbelasting. (…)

(Verbalisanten: In wiens opdracht is de aangifte loonbelasting bij de belastingdienst

gedaan?) [M] was in mijn opdracht volledig bevoegd om aangifte loonbelasting te doen.

(Verbalisanten: Wie heeft de gegevens voor het doen van loonaangifte voor de boekhouder aangeleverd?) Ik leverde het hele pakket aan. Hij maakte hiervan een berekening. Tevens diende hij dan de loonaangifte in. (…) Ik ben in week 18 begonnen met mijn bedrijf. Vanaf die tijd heeft [M] de aangiften voor mij gedaan. U vraagt mij wie verantwoordelijk is voor de juistheid van de aangiften. Ik ben directeur van mijn bedrijf en ik ben verantwoordelijk.”

Mede gelet op voornoemde verklaringen acht het hof bewezen dat de verdachte opzettelijk door tussenkomst van het/de door hem gemachtigde administratiekantoor/administrateur de in de tenlastelegging bedoelde aangiften voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen onjuist heeft gedaan, aangezien hij opzettelijk door hemzelf valselijk opgemaakte loonbescheiden heeft aangeleverd aan de door hem gemachtigde, [L], wetende dat die gemachtigde – zonder controle van de aangeleverde uren, tot welke controle [L] geen opdracht had – op basis van die loonbescheiden de aangifte voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen zou verzorgen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 04-990018-06 bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd als:

1.

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 225, eerste lid, juncto artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht;

2.

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en belastingfraude. Hij heeft middels valselijk opgemaakte documenten in de administratie van zijn bedrijf [X] Uitzendorganisatie namen van werknemers verwerkt die in werkelijkheid niet of niet in de betreffende periode in loondienst van het uitzendbureau waren. Op basis van deze gegevens zijn vervolgens onjuiste aangiften loonbelastingen en premie volksverzekeringen over het jaar 2006 gedaan, waardoor er te weinig belasting is betaald. Op grond van een proces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD-ECD d.d. 10 oktober 2007 gaat het hof uit van een nadeelbedrag van ruim EUR 190.000,--.

Feiten als de onderhavige brengen de samenleving ernstige schade toe, niet alleen door het ontstane financiële en fiscale nadeel, maar ook doordat zij de belastingmoraal en het vertrouwen in zakelijke geschriften ondermijnen. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Voornoemd nadeelbedrag in aanmerking nemende, kan – gelet op de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten straftoemeting bij fraudedelicten, alsmede de straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd – naar het oordeel van het hof in beginsel niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de duur van tien maanden met zich brengt.

Het hof houdt bij de strafoplegging echter rekening met de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting.

Tussen de inverzekeringstelling van de verdachte (23 maart 2007) en het wijzen van het vonnis door de rechtbank (9 april 2013) is een periode van ruim zes jaren verstreken. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn met ruim vier jaren.

Ter compensatie van de inbreuk op het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn zal het hof strafvermindering toepassen, in die zin dat van voormelde straf een gedeelte van vier maanden in voorwaardelijke vorm zal worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 04-993002-12 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 04-990018-06 onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders in de zaak met parketnummer 04-990018-06 onder 1 en 2 is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 04-990018-06 onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. A.R. Hartmann, voorzitter,

mr. drs. P. Fortuin en mr. J. Platschorre, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 1 juli 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.