Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2340

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
26-08-2014
Zaaknummer
20-003940-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling van beveiligingsbeambte. Ontslag van alle rechtsvervolging wegens ontoerekenbaarheid.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 39, 45, 302, geldigheid: 2014-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003940-12

Uitspraak : 1 juli 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Roermond van 7 november 2012 in de strafzaak met parketnummer

04-012581-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van poging tot zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden. Voorts is de vordering van de benadeelde partij toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ontslag van alle rechtsvervolging van de verdachte bepleit en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 4 december 2011 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [A] (in zijn hoedanigheid van beveiligingsbeambte) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [A] eenmaal of meermalen (met kracht) heeft geslagen en/of geschopt tegen en/of op het hoofd en/of heeft gebeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 4 december 2011 in de gemeente Venlo opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [A], in zijn hoedanigheid van beveiligingsbeambte) eenmaal of meermalen (met kracht) heeft geslagen en/of geschopt tegen en/of op het hoofd en/of heeft gebeten, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 december 2011 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [A] (in zijn hoedanigheid van beveiligingsbeambte) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [A] meermalen met kracht heeft geschopt tegen en/of op het hoofd en eenmaal met kracht heeft gebeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders primair is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 302, eerste lid, juncto artikel 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en wordt gekwalificeerd als:

poging tot zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw heeft bepleit dat het hof de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging aangezien het bewezen verklaarde hem niet kan worden toegerekend, omdat hij in een psychose heeft gehandeld.

Het hof overweegt als volgt.

In hoger beroep heeft psychiater dr. A.L. van Bemmel, onder supervisie van psychiater dr. P.J.A. van Panhuis, een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van de verdachte, hetgeen heeft geresulteerd in een door hen opgemaakt Pro Justitia rapport d.d. 4 april 2014.

Dit rapport houdt onder meer het volgende in (p. 14-15):

“Het is zeer waarschijnlijk dat betrokkene ten tijde van het tenlastegelegde in een intense angstige, paranoïde psychotische toestand verkeerde, waarbij hij meende dat de beveiligingsbeambte, waartegen hij zich verzette, in het complot zou zitten van een groep mensen die hem naar het leven stonden. Deze toestand verklaart zijn agressief gedrag. Daarom is de veronderstelling gerechtvaardigd dat er een oorzakelijk verband is tussen zijn psychotische stoornis en het delict gedrag. Deze psychose was waarschijnlijk getriggerd door veelvuldig middelengebruik en lichamelijke uitputting door de dagen daarvoor nauwelijks geslapen te hebben. Dit wordt nog ondersteund door zijn gunstige reactie, d.w.z. het verdwijnen van de psychose, op het verminderen van het middelengebruik in combinatie met een behandeling met een antipsychoticum. (…) Zijn psychische toestand ten tijde van het tenlastegelegde geeft vanuit de psychiatrische beschouwing argumenten om hem dit niet toe te rekenen. Een stellingname dat het innemen van alcohol en drugs betrokkene mede in die toestand heeft gebracht en dat wel een vrije keuze geweest zou zijn, kan op basis van de [op] recente onderzoeksliteratuur gebaseerde opvatting dat verslavingspathologie een psychiatrische ziekte is met een organisch (hersen)substraat vanuit de psychiatrie niet worden ondersteund.”

In antwoord op onder meer de vraag of de verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en, zo ja, hoe dit in diagnostische zin is te omschrijven (p. 2) houdt het rapport in (p. 15):

“Betrokkene is lijdende aan psychiatrische stoornissen welke te omschrijven vallen als alcohol- en cannabisafhankelijkheid, psychotische stoornis door cannabis met paranoïde wanen, trekken van cluster-B persoonlijkheidsstoornis.

De stoornissen waren aanwezig ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde.

De stoornissen van betrokkene beïnvloedden zijn gedragskeuzes tijdens het plegen van het tenlastegelegde dat uit zijn stoornissen (met name zijn paranoïde psychotische toestand) verklaard kan worden.

Dat geschiedde doordat de waarneming en interpretatie van betrokkene van de realiteit tijdens het tenlastegelegde bepaald werd door zijn angstig-paranoïde psychotische toestand.

Dat geschiedde in zo hoge mate, dat hij wel enig besef had dat hij verkeerd bezig was, maar hij kon geen gedragsalternatieven inzetten.

Op basis hiervan is het advies het tenlastegelegde betrokkene niet toe te rekenen.”

Gelet op de inhoud van het Pro Justitia rapport acht het hof aannemelijk geworden dat bij de verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten een psychotische stoornis met paranoïde wanen.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de conclusie van psychiater Van Bemmel steun vindt in een brief van de heer [B], relatie-gezinstherapeut bij de Mutsaersstichting, d.d. 14 januari 2013, waarin hij refereert aan de crisissituatie waarin de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde delict verkeerde, en voorts in de verklaring van aangever

[A], dat het leek alsof de verdachte vlak voor het ten laste gelegde handelen waanbeelden had.

Het hof ziet derhalve, anders dan de advocaat-generaal, geen aanleiding om af te wijken van de conclusie van de gedragsdeskundige Van Bemmel dat het bewezen verklaarde vanuit de bij de verdachte gediagnosticeerde stoornissen, met name zijn paranoïde psychotische toestand, verklaard kan worden en dat het bewezen verklaarde hem niet kan worden toegerekend. Het hof acht die conclusie afdoende onderbouwd en gemotiveerd, neemt die conclusie over en legt die ten grondslag aan zijn beslissing.

De verdachte zal daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [A] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 500,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is in eerste aanleg toegewezen en duurt daarom van rechtswege voort in hoger beroep.

Nu aan de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij – gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering – niet in de vordering worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 39, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging.

Verklaart de benadeelde partij [A] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. A.R. Hartmann, voorzitter,

mr. drs. P. Fortuin en mr. J. Platschorre, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 1 juli 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.