Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:230

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
HD 200.113.097-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling declaraties advocaat. Burgerlijke rechter deels onbevoegd omdat de begrotingsprocedure neergelegd in de artt. 32-40 WTBZ dient te worden gevolgd.

Wetsverwijzingen
Wet tarieven in burgerlijke zaken 32-40, geldigheid: 2014-02-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2014/91

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.113.097/01

arrest van 4 februari 2014

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. F.A. van den Heuvel te Helmond,

tegen

[Advocaten] Advocaten B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats], tevens kantoorhoudende te [kantoorplaats],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. G.R.A.G. Goorts te Deurne,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 oktober 2012 in het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 208535/HA ZA 10-636 gewezen vonnis van 19 oktober 2011 tussen appellant – [appellant] – als gedaagde en geïntimeerde – [Advocaten] – als eiseres.

5 Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 30 oktober 2012 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 6 december 2012;

- de memorie van grieven met drie producties;

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel;

- de memorie van antwoord in incidenteel appel;

- het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;

- de bij H-formulier van 30 september 2013 door [appellant] toegezonden producties genummerd 3 en 4, die hij bij het pleidooi in het geding heeft gebracht.

Hierna is arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories.

7. De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

7.1

Het gaat in deze zaak om het volgende. [Advocaten] is een advocatenkantoor dat in opdracht en voor rekening van [appellant] werkzaamheden heeft verricht. Zij heeft voor haar werkzaamheden de volgende declaraties aan [appellant] gezonden:

  • -

    declaratie [declaratie 1.] van 15 januari 2009 ad € 5.171,24;

  • -

    declaratie [declaratie 2.] van 6 februari 2009 ad € 128,76;

  • -

    declaratie [declaratie 3.] van 5 maart 2009 ad € 73,57;

  • -

    declaratie [declaratie 4.] van 2 april 2009 ad € 441,49;

  • -

    declaratie [declaratie 5.] van 21 juli 2009 ad € 227,25.


7.2. [appellant] heeft de declaraties ad in totaal € 6.042,31 niet voldaan.

7.3.

[Advocaten] heeft in eerste aanleg gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling aan haar van het bedrag ad € 6.042,32, te vermeerderen met een contractuele rente gelijk aan de wettelijke rente, althans met de wettelijke rente, vanaf de vervaldata van de respectievelijke facturen. Voorts heeft [Advocaten] gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van € 906,35 aan contractuele buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de omzetbelasting, althans een bedrag van € 768,- aan buitengerechtelijke incassokosten op grond van de wet, althans een bedrag aan buitengerechtelijke kosten dat de rechtbank redelijk oordeelt, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.4.

[appellant] heeft primair gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. [appellant] heeft daartoe gesteld dat op grond van de van toepassing zijnde algemene voorwaarden van [Advocaten] het geschil tussen partijen moet worden voorgelegd aan de Geschillencommissie Advocatuur.

Subsidiair heeft [appellant] als verweer aangevoerd dat er te veel aan hem in rekening is gebracht, omdat bepaalde werkzaamheden dubbel zijn gedeclareerd en er te veel uren in rekening zijn gebracht voor het opstellen van de conclusie van antwoord. Voorts heeft [appellant] aangevoerd dat hij niets meer aan [Advocaten] verschuldigd is, omdat mevrouw [getuige 1.] (hierna: [getuige 1.]) mede ten behoeve van hem met [Advocaten] een regeling heeft getroffen tot betaling van beider facturen, tegen finale kwijting.

Meer subsidiair heeft [appellant] als verweer aangevoerd dat [Advocaten] tekortgeschoten is in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst.

7.5.

Bij tussenvonnis van 29 september 2010 heeft de rechtbank de incidentele vordering van [appellant] tot onbevoegdverklaring afgewezen en in de hoofdzaak een comparitie van partijen gelast.

7.6.

Tijdens de comparitie van partijen op 11 februari 2011 heeft de rechtbank mondeling tussenvonnis gewezen zoals is neergelegd in het proces-verbaal van deze comparitie. De rechtbank heeft in dit tussenvonnis [Advocaten] opgedragen te bewijzen dat er geen dubbeltelling in de declaraties heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft de rechtbank [appellant] opgedragen te bewijzen dat [getuige 1.] met mr. [getuige 2.] (hierna: [getuige 2.]) is overeengekomen dat zij door betaling van een bedrag zowel de declaraties aan haarzelf als aan [appellant] gekweten heeft.

7.7.

De getuigenverhoren hebben plaatsgevonden op 28 juli 2011. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Met betrekking tot de bewijsopdracht aan [Advocaten] is in enquête [getuige 2.] als getuige gehoord en in contra-enquête [getuige 1.]. Met betrekking tot de bewijsopdracht aan [appellant] zijn in enquête [getuige 1.], de heer [heer A.] en de heer [heer B.] gehoord en is in contra-enquête [getuige 2.] gehoord.

7.8.

In haar eindvonnis van 19 oktober 2011 heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs. Met betrekking tot het aan [Advocaten] opgedragen bewijs heeft de rechtbank geoordeeld dat er voor wat betreft de uren van [getuige 2.] geen sprake is van een dubbeltelling, maar dat de in de declaratie van 15 januari 2009 ad € 5.171,24 opgenomen uren van [X.] en [Y.] niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het gaat hierbij in totaal om een bedrag van € 1.925,21 inclusief kantoorkosten en btw. De rechtbank heeft het restant van de declaratie van 15 januari 2009 en de overige declaraties toewijsbaar geacht en [appellant] veroordeeld tot betaling aan [Advocaten] van een bedrag van € 4.117,10, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld in de proceskosten, waarbij de rechtbank een deel van de kosten ten laste van [Advocaten] heeft gelaten. Het meer of anders gevorderde heeft de rechtbank afgewezen.

7.9.

[appellant] heeft in zijn appeldagvaarding alleen hoger beroep ingesteld van het eindvonnis van 19 oktober 2011. In de memorie van grieven voert [appellant] in zijn eerste grief aan dat de rechtbank ten onrechte zijn incidentele vordering tot onbevoegdverklaring heeft afgewezen. Deze grief richt zich tegen het tussenvonnis van 29 september 2010. Het hof is van oordeel dat hiermee het tussenvonnis van 29 september 2010 in het hoger beroep is betrokken. In het algemeen heeft een appellant die in zijn appeldagvaarding niet tevens de vernietiging heeft gevorderd van de aan het beroepen vonnis voorafgaande tussenvonnissen, de vrijheid om niettemin bij de nadere omlijning van zijn hoger beroep in zijn memorie van grieven ook grieven te richten tegen beslissingen in deze voorafgaande tussenvonnissen, indien deze nog niet in een eerder appel door hem zijn bestreden en voor zover zij niet, doordat daarin aan enig deel van het gevorderde door een uitdrukkelijk dictum een einde is gemaakt, tevens een eindvonnis zijn (zie o.m. HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2772). Ook de goede procesorde staat er in de onderhavige zaak niet aan in de weg dat het tussenvonnis van 29 september 2010 in het hoger beroep wordt betrokken, nu [Advocaten] zich uitgebreid over deze grief heeft uitgelaten.

In zijn tweede grief voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte geen gemotiveerde beslissing heeft genomen over de door hem gestelde wanprestatie. In zijn derde grief voert [appellant] een nieuw verweer aan tegen de vordering van [Advocaten]. Hij stelt dat [getuige 2.] na 2 oktober 2008 geen werkzaamheden meer voor hem heeft verricht, terwijl er wel werkzaamheden over deze periode in rekening zijn gebracht. De vierde grief richt zich tegen de veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

7.10.

[Advocaten] heeft incidenteel appel ingesteld. Zij heeft klaarblijkelijk haar eis verminderd in die zin dat zij niet langer subsidiair de wettelijke rente vordert over de hoofdsom, indien de contractuele rente over de hoofdsom niet wordt toegewezen. Voorts vordert zij bij haar vordering tot betaling van incassokosten niet langer subsidiair een bedrag ad € 768,- aan buitengerechtelijke incassokosten op grond van de wet.
De eerste grief van [Advocaten] richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de in de declaratie van 15 januari 2009 ad € 5.171,24 opgenomen uren van [X.] en [Y.] niet voor vergoeding in aanmerking komen. De tweede grief van [Advocaten] heeft betrekking op de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten en richt zich daarmee naar het oordeel van het hof tevens tegen de afwijzing van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten door de rechtbank in het dictum van het eindvonnis. Weliswaar heeft de rechtbank in rov. 2.10 geoordeeld dat een gedeelte van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten voor toewijzing in aanmerking komt, maar dat heeft niet geleid tot een toewijzing van dat bedrag.
In haar derde grief voert [Advocaten] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij een deel van de proceskosten zelf dient te dragen.

7.11.

Het hof zal de eerste grief in principaal appel als eerste behandelen. [appellant] voert aan dat de rechtbank zich onbevoegd had moeten verklaren omdat de begrotingsprocedure neergelegd in de artt. 32-40 Wet tarieven in burgerlijke zaken (hierna: WTBZ) moet worden gevolgd. Daarnaast stelt [appellant] dat het geschil tussen partijen op grond van de algemene voorwaarden van [Advocaten] had moeten worden voorgelegd aan de Geschillencommissie Advocatuur.

7.12.

Het hof zal eerst het beroep van [appellant] op de algemene voorwaarden van [Advocaten] beoordelen. [appellant] verwijst in de toelichting hierop naar hetgeen hij in eerste aanleg heeft aangevoerd. In zijn conclusie van antwoord in eerste aanleg stelt hij dat in de algemene voorwaarden is bepaald dat geschillen die ontstaan naar aanleiding van de totstandkoming of uitvoering van de opdracht, inclusief declaratiegeschillen, zullen worden beslecht conform het Reglement Geschillencommissie. Hij stelt voorts dat de interne klachtenprocedure welke is vereist voorafgaande aan het voorleggen aan de Geschillencommissie is gevolgd en dat de Geschillencommissie oordeelt met uitsluiting van de volgens de wet bevoegde rechter.

7.13.

Het hof stelt vast dat [appellant] zich beroept op artikel 9 van de algemene voorwaarden van [Advocaten]. Dit artikel luidt als volgt:

“Artikel 9: Klachten- en geschillenregeling

1. [Advocaten] Advocaten B.V. neemt deel aan de Klachten- en Geschillenregeling Advocatuur. Alle geschillen die mochten ontstaan naar aanleiding van de totstandkoming of uitvoering van een opdracht, inclusief alle declaratiegeschillen, zullen worden beslecht conform het Reglement Geschillencommissie Advocatuur. Dit reglement voorziet in arbitrage, met dien verstande dat in bepaalde gevallen ook voor een uitspraak bij wege van bindend advies gekozen kan worden. Door het aangaan van een overeenkomst met [Advocaten] Advocaten B.V. aanvaardt de opdrachtgever ook de toepasselijkheid van de Klachten- en Geschillenregeling.

2. Alvorens de klacht kan worden voorgelegd aan de Geschillencommissie Advocatuur dient de klacht in een klachtprocedure door [Advocaten] Advocaten B.V. te worden behandeld, waarbij voorts met de opdrachtgever zal worden besproken hoe de klacht zal worden afgehandeld. Hiertoe is een kantoorklachtenreglement opgesteld dat voor de opdrachtgever ter inzage ligt.

3. De opdrachtgever dient zijn klacht aan [Advocaten] Advocaten B.V. voor te leggen binnen drie maanden na het moment waarop hij kennis nam of redelijkerwijs kennis had kunnen nemen van het handelen of nalaten dat tot zijn klacht aanleiding heeft gegeven.

4. [Advocaten] Advocaten B.V. zal een oplossing voor het gerezen probleem binnen vier weken na binnenkomst van de klacht schriftelijk aan de opdrachtgever uiteenzetten. Mocht de klacht binnen vier weken niet en/of niet naar tevredenheid zijn opgelost, dan kan de opdrachtgever zijn klacht indienen bij de Geschillencommissie Advocatuur.

5. De opdrachtgever kan zijn klacht tot uiterlijk twaalf maanden na de schriftelijke reactie van [Advocaten] Advocaten B.V. indienen bij de Geschillencommissie Advocatuur. Daarna vervalt deze mogelijkheid.

6. De Geschillencommissie Advocatuur is bevoegd te oordelen over klachten betreffende de kwaliteit van de dienstverlening en de hoogte van de declaraties. Daarnaast is de Geschillencommissie bevoegd te oordelen over schadeclaims tot een bedrag van maximaal € 10.000,-.

7. [Advocaten] Advocaten B.V. kan onbetaalde declaraties ter incasso voorleggen aan de Geschillencommissie Advocatuur.

8. De Geschillencommissie Advocatuur behandelt de zaak volgens het Reglement Geschillencommissie Advocatuur dat geldt op het moment van indienen van de klacht bij de Geschillencommissie. Het Reglement Geschillencommissie Advocatuur kan worden opgevraagd bij:

Geschillencommissie Advocatuur, [postadres], [postcode] [vestigingsplaats] (tel.: [telefoonnummer]).

9. De Geschillencommissie Advocatuur oordeelt met uitsluiting van de volgens de wet bevoegde rechter. Voor consumenten geldt echter dat zij gerechtigd zijn om binnen één maand, nadat [Advocaten] Advocaten B.V. zich schriftelijk op dit beding heeft beroepen, schriftelijk aan [Advocaten] Advocaten B.V. kenbaar te maken dat zij beslechting van het geschil door de volgens de wet bevoegde rechter kiezen. Tegen de uitspraak van de Geschillencommissie Advocatuur is geen hoger beroep mogelijk.”

7.14.

Het hof is van oordeel dat het beroep van [appellant] op artikel 9 van de algemene voorwaarden van [Advocaten] faalt. Uit artikel 9 volgt voor [Advocaten] geen verplichting om declaratiegeschillen voor te leggen aan de Geschillencommissie Advocatuur, maar slechts een bevoegdheid. Op grond van lid 5 heeft de opdrachtgever de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de Geschillencommissie na het volgen van de interne klachtprocedure bij [Advocaten]. Blijkbaar heeft [appellant] van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Daarnaast heeft [Advocaten] op grond van lid 7 de mogelijkheid onbetaalde declaraties ter incasso voor te leggen aan de Geschillencommissie Advocatuur. Dat het hierbij gaat om een bevoegdheid en niet om een verplichting, blijkt uit het gebruik van de term “kan”.
De inhoud van lid 1 van artikel 9 leidt niet tot een ander oordeel. In lid 1 is onder meer bepaald dat alle geschillen die mochten ontstaan naar aanleiding van de totstandkoming of uitvoering van een opdracht, inclusief alle declaratiegeschillen, zullen worden beslecht conform het Reglement Geschillencommissie Advocatuur. Naar het oordeel van het hof volgt uit de tekst van lid 5, lid 7 en lid 8 van artikel 9 dat het eerste lid van artikel 9 zo moet worden uitgelegd dat partijen het Reglement Geschillenscommissie van toepassing verklaren voor het geval de Geschillencommissie Advocatuur daadwerkelijk wordt ingeschakeld. Ook het negende lid, dat bepaalt dat de Geschillencommissie oordeelt met uitsluiting van de bevoegde rechter, geldt naar het oordeel van het hof alleen indien één van partijen gebruik maakt van de mogelijkheid de zaak voor te leggen aan de Geschillencommissie Advocatuur. Nu in de onderhavige zaak geen van partijen het geschil heeft voorgelegd aan de Geschillencommissie Advocatuur, is de burgerlijke rechter in beginsel bevoegd van het geschil van partijen kennis te nemen.

7.15.

Het hof komt niet toe aan de vraag of artikel 9 onredelijk bezwarend is, nu dit niet door partijen is aangevoerd en bovendien in de onderhavige zaak niet de gebruiker van de algemene voorwaarden, zijnde [Advocaten], een beroep doet op de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden, maar de wederpartij, zijnde [appellant] (de eventueel te beschermen consument).

7.16.

Het hof zal vervolgens de klacht van [appellant] beoordelen dat de burgerlijke rechter onbevoegd is omdat de begrotingsprocedure neergelegd in de WTBZ dient te worden gevolgd. Het hof stelt voorop dat de burgerlijke rechter in zaken als de onderhavige ook ambtshalve zijn bevoegdheid dient te beoordelen. Het hof gaat daarom voorbij aan de vraag of [appellant] op een te laat moment in de procedure heeft aangevoerd dat de begrotingsprocedure moet worden gevolgd, zoals [Advocaten] stelt.

7.17.

De WTBZ bevat in de artikelen 32 tot en met 40 een bijzondere rechtsgang voor de behandeling van geschillen over het salaris dat door de advocaat aan de cliënt is berekend. Artikel 32 van deze wet wijst de bijzondere rechter aan die bij uitsluiting bevoegd is deze geschillen te beslissen. Deze regeling stoelt vooral daarop dat de Raden van Toezicht bij uitstek deskundig zijn om te begroten wat advocaten – “naar mate van het belang en de moeijelijkheid der zaken, mitsgaders van den tijd, welke daaraan besteed heeft moeten worden” (artikel 30) – toekomt als honorarium. Deze bijzondere regeling kan alleen worden toegepast in het geval van een geschil over de hoogte van het bedrag van de declaratie en niet in geschillen die niet de omvang van het gedeclareerde bedrag betreffen (HR 18 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1004). Daarnaast blijft de burgerlijke rechter bevoegd ten aanzien van de vaststelling van de gegrondheid en de eventuele omvang van gevorderde rente en kosten.

7.18.

[appellant] heeft ter bestrijding van de declaraties van [Advocaten] de volgende verweren gevoerd:

a. a) Er zijn werkzaamheden dubbel gedeclareerd en er zijn teveel uren in rekening gebracht voor het opstellen van de conclusie van antwoord;

b) [Advocaten] is tekort geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst;

c) Na 2 oktober 2008 zijn er door [Advocaten] geen werkzaamheden meer voor [appellant] verricht, terwijl er wel werkzaamheden over deze periode in rekening zijn gebracht.

In eerste aanleg heeft [appellant] zich ook nog beroepen op een regeling die [getuige 1.] mede ten behoeve van hem met [Advocaten] getroffen zou hebben. In de inleiding van zijn memorie van grieven heeft [appellant] naar aanleiding van de getuigenverhoren in eerste aanleg aangegeven dat hij het voor wat dit onderdeel betreft het in deze instantie zal laten voor wat het is. Het hof begrijpt hieruit dat [appellant] dit verweer in hoger beroep niet handhaaft.

7.19.

Het hof stelt vast dat [appellant] zowel een verweer heeft aangevoerd dat niet ziet op de hoogte van de declaratie (verweer b) als verweren die wel zien op de hoogte van de declaratie (verweer a en c). Dit betekent dat de burgerlijke rechter deels onbevoegd is het geschil tussen partijen te beoordelen, namelijk voor zover dit betrekking heeft op de verweren a en c. In zoverre slaagt de eerste grief. Het vonnis van de rechtbank van 29 september 2010 voor zover in het incident gewezen komt daarmee voor vernietiging in aanmerking, alsmede het eindvonnis van de rechtbank van 19 oktober 2011 voor zover daarbij de omvang van de gevorderde declaraties is vastgesteld. Partijen dienen ter vaststelling van de omvang van de declaraties de begrotingsprocedure zoals neergelegd in artt. 32-40 WTBZ te volgen.

Het voorgaande brengt mee dat het hof aan de behandeling van de derde grief in principaal appel en de eerste grief in incidenteel appel niet toekomt.

7.20.

De burgerlijke rechter is wel bevoegd het geschil van partijen te beoordelen voor zover dit betrekking heeft op verweer b en de door [Advocaten] gevorderde rente en kosten. Dit betekent dat het hof de overige grieven van partijen wel kan beoordelen. De beslissing over de door [Advocaten] gevorderde contractuele rente over de declaraties zal het hof echter aanhouden in afwachting van de uitkomst van de begrotingsprocedure.

7.21.

In zijn tweede grief in principaal appel voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte geen gemotiveerde beslissing heeft genomen over de door hem gestelde wanprestatie. Het is juist dat de rechtbank in het eindvonnis van 19 oktober 2011 niet motiveert waarom het verweer van [appellant], dat [Advocaten] tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst van partijen, wordt gepasseerd. Het hof is echter van oordeel dat dit verweer van [appellant] feitelijk onbesproken kan blijven. [appellant] heeft immers geen rechtsgevolg verbonden aan de door hem gestelde wanprestatie. [appellant] heeft weliswaar gesteld dat hij schade heeft geleden, maar hij heeft geen schadevergoeding gevorderd en ook geen beroep gedaan op verrekening. [appellant] heeft ook geen vernietiging gevorderd van de overeenkomst met ongedaanmaking van de verbintenissen. Voor zover dat al relevant zou zijn, constateert het hof dat [appellant] de overeenkomst ook niet heeft ontbonden. Ten overvloede merkt het hof op dat [appellant] voorts in het geheel geen inzicht heeft gegeven in de omvang van de schade.

Voor zover [appellant] een beroep doet op matiging van de declaratie vanwege de slechte uitkomst van de zaak, is het hof niet bevoegd dit beroep te beoordelen. Dit geschilpunt betreft de hoogte van de declaratie, waarvoor de bijzondere rechtsgang neergelegd in de artikelen 32 tot en met 40 WTBZ dient te worden gevolgd.

7.22.

De tweede grief in incidenteel appel heeft betrekking op de buitengerechtelijke incassokosten. De beoordeling van de vordering tot buitengerechtelijke incassokosten is afhankelijk van de in de begrotingsprocedure te nemen beslissing over de hoogte van de declaraties. Het hof zal de beslissing op deze grief aanhouden in afwachting van de uitkomst van de begrotingsprocedure.

7.23.

De vierde grief in principaal appel en de derde grief in incidenteel appel hebben betrekking op de proceskosten. Het hof zal ook de beslissing op deze grieven aanhouden in afwachting van de uitkomst van de begrotingsprocedure.

7.24.

Het hof verwacht van [Advocaten] dat zij de begrotingsprocedure op korte termijn aanhangig maakt. Het hof wenst over drie maanden van [Advocaten] te vernemen wat de uitkomst is van de begrotingsprocedure dan wel in welk stadium deze procedure zich bevindt. Het hof zal de zaak daartoe verwijzen naar de rol van 6 mei 2014 voor akte aan de zijde van [Advocaten].

8 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

verwijst de zaak naar de rol van 6 mei 2014 voor akte aan de zijde van [Advocaten] met de hiervoor in r.o. 7.24 vermelde doeleinden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Chr. M. Aarts, M. van Ham en I. Giesen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 februari 2014.