Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2258

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-06-2014
Datum publicatie
03-11-2014
Zaaknummer
200.130.436-01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:6423
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:4497
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:5034
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:3555
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling

Verwijzing naar de module BOR niveau 3 van de Mutsaersstichting gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2014.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 5 juni 2014

Zaaknummer: HV 200.130.436/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/166854 / S RK 11-1169

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te

[woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. F.F.A.D.C. Tjalma,

tegen

[de vader] ,

wonende te

[woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de vader.

5 De beschikking d.d. 7 november 2013

Bij die beschikking heeft het hof bepaald dat de vader en [zoon 1] en [zoon 2] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar in het kader van de module Begeleide Omgangsregeling (BOR) van Xonar. Het hof heeft gelet op het vorenstaande iedere verdere beslissing aangehouden.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 april 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Tjalma;

- de vader;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger raad].

6.2.

Het hof heeft de minderjarige [zoon 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de voortgezette mondelinge behandeling in hoger beroep buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

6.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de brief van de raad d.d. 20 maart 2014 met als bijlagen de eindverslagen van BOR met betrekking tot [zoon 1] en [zoon 2].

7 De verdere beoordeling

7.1.

Uit voornoemde eindverslagen volgt dat de begeleide omgangscontacten met de vader niet zijn opgestart. [zoon 1] heeft in het intake gesprek bij Xonar verklaard geen contact met zijn vader te willen. [zoon 2] twijfelde of hij contact met zijn vader wilde maar heeft vervolgens verklaard geen contact te willen met zijn vader als [zoon 1] niet mee zou gaan. Voor [zoon 2] is zijn broer [zoon 1] degene die hem in zijn ogen veiligheid kan bieden. [zoon 2] heeft verklaard ook niet onder begeleiding van een BOR-medewerker het contact met zijn vader te willen opstarten. Xonar is van mening dat de beperkingen in deze zaak zijn gelegen in het feit dat de kinderen er geen vertrouwen in hebben dat er een positieve verandering kan plaatsvinden. De vader heeft bij een eerdere poging tot contactherstel door de ambulant gezinsbegeleidster zich niet aan de gemaakte afspraken gehouden waardoor met name bij [zoon 1] het vertrouwen in de vader weg is. De kinderen hebben last van hetgeen in het verleden is gebeurd en zijn op dit moment onder behandeling van een psychologe.

7.2.

De moeder heeft ter zitting in hoger beroep – kort samengevat – het volgende verklaard.

De kinderen zijn op dit moment erg onrustig omdat er bij hen sprake is van angst en boosheid jegens de vader. De kinderen hebben tot februari 2014 begeleiding gehad van een psychologe; deze begeleiding is in afwachting van de uitkomst van dit hoger beroep stopgezet. De moeder is van mening dat de kinderen op dit moment nog niet toe zijn aan contact met de vader. De moeder acht daarom een nieuwe verwijzing naar de module BOR niet in het belang van de kinderen. De moeder wil dat er rust komt voor de kinderen zodat zij de kans krijgen om de gebeurtenissen uit het verleden te verwerken. De moeder sluit contact tussen de kinderen en de vader in de toekomst niet uit, maar de kinderen moeten dit zelf wel willen. De moeder is niet voornemens om de kinderen hiertoe te dwingen.

7.3.

De vader heeft ter zitting in hoger beroep – kort samengevat – het volgende verklaard.

De vader respecteert in beginsel de wens van de kinderen om geen contact met hem te hebben. De vader is echter wel van mening dat Xonar te snel het BOR-traject heeft afgesloten. De vader heeft – desgevraagd – verklaard open te staan voor een nieuwe verwijzing naar de module BOR.

7.4.

De raad heeft ter zitting in hoger beroep – kort samengevat – het volgende verklaard.

Het is belangrijk dat de kinderen contact hebben met beide ouders. Het ontbreken van het contact met de vader is niet goed voor de ontwikkeling van de kinderen, omdat de kinderen zich met hem moeten kunnen identificeren. Het is niet aan de kinderen om te bepalen of er wel of geen contact met de vader plaatsvindt. De raad erkent dat er in het verleden veel tussen de vader en de kinderen is gebeurd, maar dit is inmiddels een aantal jaren geleden. De raad stelt vast dat de kinderen loyaal zijn naar de moeder maar sluit niet uit dat zij ook contact met de vader willen hebben. De raad is van mening dat de module BOR te vrijblijvend is geweest. De raad heeft ter zitting van het hof contact opgenomen met Xonar en gebleken is dat partijen nog naar een intensiever traject van Xonar, genaamd module BOR fase 2, kunnen worden verwezen. De meerwaarde van deze module is dat er een psycholoog bij dit traject is betrokken en dat sprake is van een andere aanpak. De raad adviseert het hof om partijen hiernaar te verwijzen.

7.5.

Het hof overweegt het volgende.

7.5.1.

Het hof stelt voorop dat ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad van 14 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:91) de rechter – kort gezegd – gehouden is alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om omgang tussen een ouder en een kind te realiseren. Deze gehoudenheid berust op de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende verplichting van de nationale autoriteiten, onder wie de rechter, zich zoveel mogelijk in te spannen om het recht op ‘family life’ tussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken (vgl. EHRM 17 april 2012, zaak 805/09).

7.5.2.

Het hof is gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de voortgezette mondelinge behandeling in hoger beroep van oordeel dat in de onderhavige zaak nog niet alle gepaste maatregelen zijn ingezet om contact tussen de vader en de kinderen te realiseren. Het hof is van oordeel dat Xonar het BOR-traject te snel heeft afgesloten nadat de kinderen tijdens de intakegesprekken met de BOR-medewerker hebben verklaard geen contact met de vader te willen. Het hof overweegt daartoe dat het hof wel enige opening ziet om uiteindelijk begeleide omgangscontacten tussen de vader en de kinderen te realiseren. Het hof leidt dit af uit het gegeven dat [zoon 1] tijdens het minderjarigen-verhoor heeft verklaard dat hij nog wel positieve herinneringen aan de vader heeft met betrekking tot activiteiten die zij samen in het verleden hebben ondernomen. [zoon 1] heeft voorts verklaard dat zijn bezwaar tegen contact met de vader wordt ingegeven door angst en boosheid. Het hof heeft er echter vertrouwen in dat onder intensieve deskundige begeleiding deze belemmering kan worden overwonnen. Ten aanzien van [zoon 2] overweegt het hof dat uit het eindverslag van BOR volgt dat [zoon 2] aanvankelijk twijfelde over het contact met de vader en dit contact uiteindelijk niet is gerealiseerd omdat [zoon 1] hem hierbij niet wilde vergezellen. Nu ter zitting van het hof is gebleken dat partijen nog naar een intensiever traject van Xonar, genaamd module BOR fase 2, kunnen worden verwezen ziet het hof in het vorenstaande aanleiding om partijen opnieuw te verwijzen naar Xonar maar dan voor deelname aan de module BOR fase 2.

7.5.3.

Het hof verzoekt Xonar het hof tijdig vóór na te melden pro forma datum schriftelijk te informeren over de resultaten van de begeleide contacten onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de vader, de raadsvrouw van de moeder en de raad.

7.6.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de verdere behandeling van de zaak pro forma aanhouden tot 5 december 2014, in afwachting van de resultaten van de begeleide contacten in het kader van de module BOR fase 2.

8 De beslissing

Het hof:

bepaalt dat de vader en [zoon 1], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats]

en [zoon 2], geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats], gerechtigd zijn tot contact met elkaar in het kader van de module Begeleide Omgangsregeling (BOR) fase 2 van Xonar;

houdt iedere verdere beslissing aan tot 5 december 2014 PRO FORMA, in afwachting van het verloop van de begeleide omgangscontacten;

verzoekt Xonar het hof tijdig vóór bovenstaande pro forma datum schriftelijk te informeren omtrent de resultaten van de begeleide contacten, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de vader, de raadsvrouw van de moeder en de raad;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.Th.M. Raab, O.G.H. Milar en M.J. van Laarhoven en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2014.