Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2241

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
HD 200.137.631_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenwerkingsovereenkomst. Bevoegdheid tot opzegging dan wel ontbinding van de overeenkomst. Uitleg bepalingen samenwerkingsovereenkomst. Niet voor eenzijdige tussentijdse beëindiging vatbaar. Redelijkheid en billijkheid. Onvoorziene omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.137.631/01

arrest van 22 juli 2014

in de zaak van

Vieya Projecten B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

hierna aan te duiden als Vieya Projecten,

advocaat: mr. C.E. Schouten te Amsterdam,

tegen

Berghenbos B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Berghenbos,

in hoger beroep niet verschenen,

als vervolg op het door het hof gewezen arrest van 21 januari 2014 gewezen in het incident ex artikel 235 Rv en 351 Rv in het hoger beroep van de door de rechtbank Breda onder zaaknummer 238522/HA ZA 11-1228 gewezen vonnissen van 25 januari 2012, 13 juni 2012 en 5 juni 2013.

5 Het verdere verloop van de procedure

Bij voormeld arrest heeft het hof beslist op de incidentele vorderingen van Vieya Projecten, waarbij het hof de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van 5 juni 2013 heeft afgewezen en de incidentele vordering tot zekerheidstelling heeft toegewezen en de beslissing over de proceskosten in het incident heeft aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. Voorts heeft het hof de hoofdzaak naar de rol van 8 april 2014 verwezen voor het wijzen van arrest en in de hoofdzaak iedere verdere beslissing aangehouden. De uitspraak van dit arrest is nader bepaald op heden.

6 Het geding in hoger beroep

Voor het verloop van de procedure wordt verwezen naar de onder 2 in voormeld arrest vermelde stukken. Het hof doet recht op deze stukken en de stukken van de eerste aanleg.

7 De verdere beoordeling

7.1.

De vaststelling van feiten in het vonnis waarvan beroep van 13 juni 2012 onder rov. 4.1 tot en met 4.8 is niet bestreden. Deze vaststelling van feiten wordt hierna voor zover relevant sub a) tot en met f) weergegeven en aangevuld. In dit hoger beroep gaat het hof derhalve uit van de volgende feiten.

a. a) Vieya Wooncorporatie is een zogeheten toegelaten instelling zoals bedoeld in artikel 70 van de Woningwet. Zij - toen nog “Vereniging DWV Woningcorporatie” geheten - heeft (als koper) op 7 juni 2007 een koopovereenkomst gesloten met de heer [broer van de directeur en enig aandeelhouder van Berghenbos] (broer van de directeur en enig aandeelhouder van Berghenbos: de heer [directeur en enig aandeelhouder van Berghenbos]) met betrekking tot het perceel grond met opstal aan de [perceel 1] te [plaats] (kadastraal bekend sectie [sectieletter] [sectienummer 1]). In de schriftelijke koopovereenkomst wordt als koopsom € 995.000,= k.k. genoemd; levering vond plaats op 2 juli 2007.

b) Vieya Wooncorporatie heeft op 2 juli 2007 ook (als koper) een koopovereenkomst gesloten met [broer van de directeur en enig aandeelhouder van Berghenbos] met betrekking tot de gronden met opstallen gelegen aan de [perceel 2] te [plaats] (kadastraal bekend sectie [sectieletter] nummers [sectienummer 2], [sectienummer 3] en [sectienummer 4]). In de door partijen hiervan opgemaakte onderhandse koopakte staat een koopsom vermeld van € 2.005.000,= k.k. Levering heeft nog niet plaatsgevonden; wèl voldeed Vieya

Wooncorporatie als koopsom € 2.005.000,= aan [broer van de directeur en enig aandeelhouder van Berghenbos].

Over het tijdstip van levering staat in het koopcontract vermeld onder artikel 2.3 “De

feitelijke levering van de onroerende zaken, welke door koper in het voorgenomen

bouwplan zullen worden verkaveld, zal geschieden middels een of meerdere zogenaamde

ABC-akte(n), waarvan verkoper verklaart zijn medewerking te zullen verlenen, zodra alle

kavels aan derde(n) verkocht zijn”.

c) Vieya Projecten is een 100% dochter van Vieya Wooncorporatie; zij - destijds

nog “DWV Projecten BV” geheten - heeft op 2 juli 2007 met Berghenbos een samenwerkingsovereenkomst gesloten. Doel van deze samenwerking tussen beiden was de

ontwikkeling en realisatie van woningbouw op de gronden die Vieya Wooncorporatie van [broer van de directeur en enig aandeelhouder van Berghenbos] had gekocht. De samenwerking is aangegaan voor gezamenlijke rekening en risico met een kostenverdeling van 50/50.

In de considerans van de overeenkomst staat onder meer vermeld “Partijen realiseren zich dat er ten aanzien de ontwikkeling en daadwerkelijke realisatie van het bouwplan op het perceel en het te behalen rendement nog diverse onzekerheden bestaan. Het eindresultaat van de samenwerking zal, na aftrek cq verrekening van de door de betreffende partijen betaalde kosten en toekomende vergoedingen, tussen partijen bij positief resultaat bij helfte worden verdeeld en bij negatief resultaat bij helfte worden gedragen”.

In artikel 2 wordt afgesproken dat de overeenkomst wordt

aangegaan vanaf de datum van ondertekening, te weten 2 juli 2007, tot aan het moment dat

alle op het perceel gerealiseerde bouwkavels cq lofts aan derde(n) zijn verkocht en geleverd.

Indien de relevante omstandigheden daartoe aanleiding geven, zo luidt letterlijk dit artikel, kan de looptijd van deze overeenkomst worden gewijzigd; die wijziging is enkel geldig indien partijen het schriftelijk hebben vastgelegd.

Artikel 9 van de overeenkomst bepaalt, voorzover hier van belang, dat de overeenkomst

tussentijds kan eindigen wanneer partijen beëindiging overeenkomen.

Artikel 10 luidt: “indien de omstandigheden waaronder deze overeenkomst is gesloten

zodanige wijzigingen ondergaan dat van partijen of een der partijen in redelijkheid niet

meer gevergd kan worden dat deze de overeenkomst geheel of gedeeltelijk nakomt of deze

overeenkomst niet meer kan nakomen, heeft de meest gerede partij het recht van de andere

partij te verlangen dat tussen partijen een nadere samenwerkingsovereenkomst wordt

gesloten.

d) Vanaf de aanvang van de samenwerkingsovereenkomst hebben Vieya Projecten

en Berghenbos geprobeerd om in nauw overleg en samenwerking met de gemeente

Dongen, te komen tot een voor alle betrokkenen acceptabele ontwikkeling en realisatie van

woningbouw. Tot dusver zonder succes. In de loop der jaren hebben diverse

stedenbouwkundige bureaus, architecten en een makelaar projectplannen en markt-rapporten

gemaakt ten behoeve van het door partijen gewenste doel.

e) Op 10 augustus 2010 heeft Vieya Projecten aan Berghenbos te kennen

gegeven, dat zij de samenwerking wenste te beëindigen; zij heeft vervolgens een opstelling

gemaakt van gemaakte kosten en bij brief van 24 december 2010 de helft er van in rekening

gebracht bij Berghenbos BV.

f) Op 31 mei 2011 hebben Berghenbos en Van Kerkhof een rapport met een

haalbaarheidsonderzoek afkomstig van Estate for You aan Vieya Projecten en Vieya

Wooncorporatie gepresenteerd; als reactie op deze presentatie gaven Vieya Projecten en

Vieya Wooncorporatie bij brief van 27 juni 2011 te kennen in dat rapport onvoldoende basis

te zien voor realisatie van het gemeenschappelijk doel; in die brief werd tevens - voor zover

nog nodig - de samenwerkingsovereenkomst opgezegd dan wel ontbonden.

7.2.1.

In eerste aanleg heeft Vieya Projecten, in conventie, gevorderd om Berghenbos te veroordelen om aan Vieya Projecten te betalen een bedrag van € 227.437,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente berekend vanaf 24 december 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

7.2.2.

Aan deze vordering heeft Vieya Projecten, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Vieya Projecten stelt primair dat de samenwerkingsovereenkomst tussen Vieya Projecten en Berghenbos in augustus 2010 met wederzijds goedvinden is beëindigd. Subsidiair stelt zij dat Vieya Projecten bij brief van 27 juni 2011, voor zover rechtens vereist, de samenwerkingsovereenkomst aan Berghenbos (en ook aan Van Kerkhof) heeft opgezegd, althans deze heeft ontbonden. Partijen dienen conform hetgeen in de samenwerkingsovereenkomst daarover is opgenomen tot afrekening te komen. Het gevorderde bedrag betreft de helft van de in totaal gemaakte kosten, aldus Vieya Projecten.

7.2.3.

Berghenbos heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Berghenbos heeft onder meer aangevoerd dat de samenwerkingsovereenkomst niet is beëindigd.

7.3.1.

In reconventie heeft Berghenbos gevorderd om voor recht te verklaren dat Vieya Projecten toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verbintenissen voortvloeiend uit de samenwerkingsovereenkomst en Vieya Projecten te veroordelen om de schade die Berghenbos dientengevolge heeft geleden en nog zal lijden aan Berghenbos te vergoeden, zulks nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Voorts heeft Berghenbos gevorderd om Vieya Projecten te veroordelen de verplichtingen uit de samenwerkingsovereenkomst verder na te komen, onder verbeurte van een dwangsom.

7.3.2.

Aan deze vorderingen heeft Berghenbos, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Toen op 10 augustus 2010 (en ook nadien) bleek dat Vieya Projecten niet meer bereid was de samenwerkingsovereenkomst verder na te komen (en zich zelfs op het standpunt stelde dat de samenwerkingsovereenkomst zou zijn beëindigd) is Vieya Projecten toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de samenwerkingsovereenkomst. Hierdoor lijdt Berghenbos aanzienlijke schade, ten eerste bestaande uit gederfde winst en ten tweede is niet uitgesloten dat Berghenbos door derde(n) wordt aangesproken vanwege het niet realiseren van het bouwplan. Voorts heeft Berghenbos nog steeds vertrouwen in de realisatie van het project, en daardoor heeft zij tevens belang bij een veroordeling van Vieya Projecten tot verdere nakoming van de samenwerkingsovereenkomst, aldus Berghenbos.

7.3.3.

Vieya Projecten heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft onder meer aangevoerd dat de samenwerkingsovereenkomst is beëindigd.

7.4.1.

In het vonnis waarvan beroep van 25 januari 2012 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling. De comparitie is gehouden op 24 april 2012. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal hebben partijen de rechtbank inlichtingen gegeven en hebben zij geen schikking bereikt.

7.4.2.

In het tussenvonnis van 13 juni 2012 heeft de rechtbank in conventie Vieya Projecten toegelaten te bewijzen dat partijen op 10 augustus 2010 in onderling overleg de samenwerkingsovereenkomst hebben beëindigd. Voor het geval ten processe niet komt vast te staan dat partijen in onderling overleg de samenwerking hebben beëindigd, heeft de rechtbank in dit vonnis, onder rov. 4.12, reeds overwogen dat de samenwerkingsovereenkomst niet op een later moment is geëindigd of ontbonden. De rechtbank deelde niet de opvatting van Vieya Projecten dat haar brief van 27 juni 2011 het effect van einde of ontbinding van het contract heeft betekend.

7.4.3.

In het eindvonnis van 5 juni 2013 heeft de rechtbank Vieya Projecten niet in de bewijslevering geslaagd geacht.

Op grond daarvan heeft de rechtbank in conventie de vordering van Vieya Projecten afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld. In reconventie heeft de rechtbank Vieya Projecten veroordeeld tot nakoming van haar verbintenissen die voortvloeien uit de samenwerkingsovereenkomst, de proceskosten gecompenseerd en het door Berghenbos meer of anders gevorderde afgewezen.

7.5.

Vieya Projecten heeft in hoger beroep uitsluitend een grief aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank onder rov. 4.12 van het vonnis van 13 juni 2012 dat de samenwerkingsovereenkomst niet na 10 augustus 2010 is geëindigd of ontbonden. Vieya Projecten heeft zich, mede gezien de inhoud van de afgelegde getuigenverklaringen, neergelegd bij het oordeel van de rechtbank dat de samenwerkingsovereenkomst niet op 10 augustus 2010 in onderling overleg is beëindigd (memorie van grieven, randnummer 1.2). Vieya Projecten heeft geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen in conventie en tot het afwijzen van de vorderingen van Berghenbos in reconventie. Tegen het tussenvonnis van 25 januari 2012 is geen grief gericht, zodat Vieya Projecten in het beroep daarvan niet-ontvankelijk is.

7.6.

Het hof stelt voorop dat ondanks verstekverlening tegen Berghenbos, ambtshalve dient te worden beoordeeld of de aangevoerde grief meebrengt dat de vonnissen waarvan beroep moeten worden vernietigd. Voorts moet ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep mede acht worden geslagen op hetgeen zij in eerste aanleg als verweer heeft aangevoerd.

7.7.

Volgens de toelichting bij de grief van Vieya Projecten heeft zij de samenwerkingsovereenkomst bij brief van 27 juni 2011 opgezegd en is er daardoor een einde gekomen aan de samenwerkingsovereenkomst. De opzegging, althans ontbinding bij deze brief was wegens onvoldoende vertrouwen in het rapport van Estate For You (zie hiervoor, rov. 7.1 sub f).

Bij randnummer 2.28 van de memorie van grieven heeft Vieya Projecten vermeld dat zij bij brief van 14 september 2011 de samenwerkingsovereenkomst voor zover nodig heeft ontbonden (zie de als productie 1 bij de memorie van grieven overgelegde brief). Dit na de faxbrief van de (toenmalige) raadsman van Berghenbos dat er binnen Berghenbos geen verhaalsmogelijkheden aanwezig zijn.

Bij randnummer 2.41 van de memorie van grieven heeft Vieya Projecten vermeld dat zij bij de brief van 11 juni 2013 de samenwerkingsovereenkomst (nogmaals en voor zover rechtens vereist) per direct heeft ontbonden (zie de als productie 2 bij de memorie van grieven overgelegde brief). Dit naar aanleiding van gesprekken over de voortgang van de samenwerking die volgens Vieya Projecten hebben plaatsgevonden tussen Vieya Projecten en Berghenbos op 7 mei en 5 juni 2013. Gesteld wordt dat uit deze gesprekken is gebleken dat Berghenbos niet bereid is om op redelijke verzoeken van Vieya Projecten in te gaan en dat Berghenbos tijdens deze gesprekken mededelingen heeft gedaan die zij later weer ontkent, waardoor zij het vertrouwen van Vieya Projecten heeft geschonden.

7.8.

Berghenbos heeft zich in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat de samenwerkingsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, te weten vanaf het moment van ondertekening tot het moment dat alle op het perceel gerealiseerde bouwkavels c.q. lofts aan derden zijn verkocht en geleverd (zie artikel 2 van de samenwerkingsovereenkomst) en dat de overeenkomst slechts tussentijds kan eindigen, voor zover hier van belang, als partijen daartoe gezamenlijk besluiten (zie artikel 9 van de samenwerkingsovereenkomst). Omdat partijen een dergelijk besluit niet hebben genomen, duurt de overeenkomst volgens Berghenbos nog voort.

7.9.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of Vieya Projecten in de gegeven omstandigheden bevoegd was om de samenwerkingsovereenkomst op te zeggen dan wel te ontbinden bij de brief van 27 juni 2011, althans te ontbinden bij de brief van 14 september 2011, althans te ontbinden bij de brief van 11 juni 2013.

7.10.1

Bij de uitleg van de relevante bepalingen van de samenwerkingsovereenkomst, te weten het bepaalde in de artikelen 2, 9 en 10 (zie hiervoor rov. 7.1 sub c), komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

7.10.2.

Dienaangaande overweegt het hof dat, nu doel van de samenwerking tussen Vieya Projecten en Berghenbos was de ontwikkeling en realisatie van woningbouw op de gronden die Vieya Wooncorporatie van [broer van de directeur en enig aandeelhouder van Berghenbos] had gekocht, en in artikel 2 is opgenomen dat de samenwerkingsovereenkomst is aangegaan tot aan het moment dat alle op het perceel gerealiseerde bouwkavels c.q. lofts aan derde(n) zijn verkocht en geleverd, de overeenkomst is aangegaan voor het bereiken van een bepaald resultaat. Anders dan Vieya Projecten betoogt, is de samenwerkingsovereenkomst dus niet aangegaan voor onbepaalde tijd, maar voor bepaalde tijd. De door partijen gedachte einddatum (het moment dat alle op het perceel gerealiseerde bouwkavels cq lofts aan derde(n) zijn verkocht en geleverd) is objectief bepaalbaar. Dat het bereiken van het resultaat mede afhankelijk is van de wil en het toedoen van partijen, maakt dat niet anders. In dit geval is geen sprake van een arbeidsrechtelijke relatie waarvoor het gesloten stelsel van het ontslagrecht heeft te gelden, zodat de vergelijking met de jurisprudentie waarnaar Vieya Projecten heeft verwezen niet op gaat.

Gelet op het voorgaande en op artikel 9, waarin is vermeld, voorzover hier van belang, dat de overeenkomst tussentijds kan eindigen wanneer partijen beëindiging overeenkomen, mocht Berghenbos erop vertrouwen dat de samenwerkingsovereenkomst niet voor eenzijdige tussentijdse beëindiging vatbaar is.

Deze uitleg is in overeenstemming met de bewoordingen van het bepaalde in de artikelen 2 en 9 van de samenwerkingsovereenkomst. Er zijn geen, althans onvoldoende, aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel. Gesteld noch gebleken is dat Vieya Projecten uit gedragingen/verklaringen van Berghenbos heeft afgeleid of heeft mogen afleiden dat de samenwerkingsovereenkomst wel voor eenzijdige tussentijdse beëindiging vatbaar is.

7.10.3.

Het beroep van Berghenbos op de artikelen 2 en 9 van de samenwerkingsovereenkomst zou kunnen afstuiten op artikel 6:258 BW en artikel 6:248 lid 2 BW. Daarbij moet er echter rekening mee worden gehouden dat partijen met artikel 10 van de samenwerkingsovereenkomst zijn overeengekomen dat, kort gezegd, bij gewijzigde omstandigheden of indien van een der partijen in redelijkheid nakoming niet

meer gevergd kan worden, de meest gerede partij het recht heeft van de andere

partij te verlangen dat tussen partijen een nadere samenwerkingsovereenkomst wordt

gesloten.

Naar het oordeel van het hof dient deze bepaling, gezien de bewoordingen daarvan, aldus te worden uitgelegd dat partijen de mogelijkheid van onvoorziene omstandigheden en de werking van de redelijkheid en billijkheid bij aanvang van de samenwerking hebben voorzien en reeds toen voor alsdan zijn overeengekomen dat de samenwerkingsovereenkomst niet zonder meer eenzijdig tussentijds kan worden beëindigd, maar dat desgewenst een nadere samenwerkingsovereenkomst zal worden gesloten. Voor een andere uitleg zijn geen, althans onvoldoende, aanwijzingen gebleken.


7.11. In het licht van hetgeen hiervoor in rov. 7.10.1, 7.10.2 en 7.10.3 is overwogen, acht het hof de bij de brief van 27 juni 2011 gegeven reden om de samenwerkingsovereenkomst op te zeggen althans te ontbinden, te weten onvoldoende vertrouwen in het rapport van Estate For You, niet toereikend. Tussen partijen is niet in geschil dat Vieya Projecten bij het ontwikkelen van een voor alle betrokkenen aanvaardbaar bouwplan leidend is, in de zin dat Berghenbos zich dient te conformeren aan het standpunt van Vieya Projecten over de stedenbouwkundige visie, de bebouwing naar vorm en massa, de inrichting van het openbare terrein en de ruimtelijke onderbouwing betreffende het bouwplan. Gesteld noch gebleken is dat Berghenbos met het rapport van Estate For You en/of de presentatie daarvan op 31 mei 2011 (zie hiervoor rov. 7.1 sub f) is tekortgeschoten in de nakoming van enige verplichting op grond van de samenwerkingsovereenkomst. Dat, zoals Vieya Projecten stelt, partijen er, ondanks alle daartoe geleverde inspanningen, niet in zijn geslaagd een voor alle betrokkenen aanvaardbaar bouwplan te ontwikkelen, geeft Vieya Projecten op zichzelf niet de bevoegdheid de samenwerkingsovereenkomst eenzijdig tussentijds te beëindigen. Daar komt bij dat Vieya Projecten, zoals blijkt uit haar eigen stellingen (inleidende dagvaarding, randnummer 1.19), er zelf debet aan was dat de samenwerking tot stilstand is gekomen omdat zij zich op het standpunt stelde dat partijen op 10 augustus 2010 in onderling overleg de samenwerkingsovereenkomst hebben beëindigd. Voor zover Vieya Projecten zich in dit verband beroept op artikel 6:258 BW en artikel 6:248 lid 2 BW acht het hof dit gelet op artikel 10 van de samenwerkingsovereenkomst – waarin partijen zich immers in geval van onvoorziene omstandigheden ertoe verbinden een nadere overeenkomst tot stand te brengen - onvoldoende concreet onderbouwd. In het bijzonder volgt uit de stellingen van Vieya Projecten niet althans onvoldoende dat de ontwikkeling van een bouwplan technisch, financieel of procedureel niet langer haalbaar moest worden geacht (vgl. art. 1 overeenkomst) of dat Berghenbos zich in het kader van de samenwerking niet coöperatief zou hebben opgesteld (vgl. ook rov. 7.14 hierna).

7.12.

Aan de stelling dat Vieya Projecten de samenwerkingsovereenkomst bij brief van 14 september 2011 heeft ontbonden op de grond dat binnen Berghenbos geen verhaalsmogelijkheden aanwezig zijn, ligt de redenering ten grondslag dat de samenwerkingsovereenkomst alleen uitgevoerd kan worden als ook Berghenbos investeringen doet en gelden besteed. Nu Berghenbos zelf aangeeft dat zij niet over financiële middelen beschikt, staat vast dat Berghenbos de verplichtingen die uit de samenwerkingsovereenkomst voortvloeien niet kan nakomen, aldus Vieya Projecten. Het hof volgt Vieya Projecten niet in deze redenering. Uit de samenwerkingsovereenkomst blijkt niet dat Berghenbos ter uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst (vooraf) investeringen moet doen en gelden moet besteden. Volgens de eigen stelling van Vieya Projecten hebben partijen bij aanvang van de samenwerking in 2007 afgesproken dat Vieya Projecten alle kosten die in het kader van de samenwerking gemaakt moeten worden voor moet financieren (memorie van grieven, randnummer 3.12). Van een tekortkoming in de nakoming van enige verplichting op grond van de samenwerkingsovereenkomst door Berghenbos is dan ook geen sprake. Dat de omstandigheid dat binnen Berghenbos geen verhaalsmogelijkheden aanwezig zijn grond voor eenzijdige tussentijdse beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst kan zijn, blijkt ook niet uit de overeenkomst.


7.13. Vieya Projecten heeft aangevoerd dat het als gevolg van de gewijzigde marktomstandigheden sinds 2007 redelijk is van Berghenbos te verwachten dat zij op enigerlei wijze zekerheid stelt voor haar deel van de kosten, maar dat Berghenbos niet bereid is op redelijke verzoeken daartoe van haar in te gaan. Vieya Projecten heeft, zoals hiervoor in rov. 7.12 al is overwogen, echter zelf gesteld dat is afgesproken zij alle kosten zou voorfinancieren. Dat Berghenbos niet op bedoelde verzoeken ingaat, kan dan ook niet zonder meer grond vormen voor eenzijdige tussentijdse beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst.

De stelling van Vieya Projecten dat Berghenbos tijdens de gesprekken op 7 mei en 5 juni 2013 met Vieya Projecten mededelingen heeft gedaan - hetgeen gelet op de inhoud van de brief van 11 juni 2013 klaarblijkelijk de herhaalde mededeling van Berghenbos is dat mr. Holtackers niet meer haar advocaat is - die zij later weer ontkent, is eveneens onvoldoende om de samenwerkingsovereenkomst eenzijdig tussentijds te kunnen beëindigen. Een en ander leidt naar het oordeel van het hof niet tot een zodanige schending van vertrouwen dat van Vieya Projecten in redelijkheid geen nakoming van de samenwerkingsovereenkomst kan worden gevergd.

7.14.

Voor zover Vieya Projecten stelt dat zij tijdens de gesprekken op 7 mei en 5 juni 2013 heeft getracht op grond van artikel 10 van de samenwerkingsovereenkomst een nadere samenwerkingsovereenkomst te sluiten, maar dit door de onvoldoende coöperatieve opstelling van Berghenbos – bestaande in het niet willen stellen van zekerheid van de kosten van voorfinanciering - niet is gelukt, overweegt het hof als volgt. Nu partijen bij aanvang van de samenwerking in 2007 hebben afgesproken dat Vieya Projecten alle kosten die in het kader van de samenwerking gemaakt moeten worden voor moet financieren, acht het hof het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de overeenkomst zonder zekerheidsstelling wordt voortgezet. De verzoeken van Vieya Projecten aan Berghenbos om zekerheid te stellen zijn gezien randnummer 3.12 van de memorie van grieven mede ingegeven door de gedachte dat als gevolg van de gewijzigde marktomstandigheden het zeker niet uitgesloten is dat het project geen winst opbrengt en mogelijk zelfs tot verlies zou kunnen leiden. Dit leidt echter niet tot een ander oordeel. Bij aanvang van de samenwerking hebben partijen er immers rekening mee gehouden dat er ook ten aanzien van het te behalen rendement nog diverse onzekerheden bestaan en dat het project verlieslatend zou kunnen zijn (zie het hiervoor in rov. 7.1 sub c weergegeven gedeelte van de considerans van de samenwerkingsovereenkomst). Voor zover Vieya Projecten heeft beoogt te betogen dat de marktomstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat sprake is van onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW, heeft zij dit betoog onvoldoende concreet onderbouwd. Uit de stellingen van Vieya Projecten volgt niet althans onvoldoende dat door die gewijzigde omstandigheden de ontwikkeling en realisatie van een bouwplan inmiddels technisch, financieel of procedureel niet haalbaar moet worden geacht. Voorts is gesteld noch gebleken dat Vieya Projecten (door die marktomstandigheden) zelf niet meer in staat zou zijn de nodige investeringen te doen ter uitvoering van de overeenkomst.

7.15.

Op grond van al het voorgaande is het hof van oordeel dat de samenwerkingsovereenkomst niet rechtsgeldig door Vieya Projecten is ontbonden of anderszins eenzijdig tussentijds is beëindigd.

7.16.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de grief van Vieya Projecten faalt en dat de vonnissen waarvan beroep van 13 juni 2012 en 5 juni 2013 dienen te worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Vieya Projecten worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep, zowel in het incident als in de hoofdzaak, welke tot op heden op nihil zullen worden begroot omdat Berghenbos in hoger beroep, in het incident noch in de hoofdzaak, is verschenen.

8 De uitspraak

Het hof:

verklaart Vieya Projecten niet-ontvankelijk in haar beroep van het vonnis waarvan beroep van 25 januari 2011;

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep van 13 juni 2012 en 5 juni 2013 ;

veroordeelt Vieya Projecten in de proceskosten in hoger beroep, zowel in het incident als in de hoofdzaak, aan de zijde van Berghenbos tot op heden begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, J.P. de Haan en C.E.C.J. Ponsioen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 juli 2014.