Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2235

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
24-07-2014
Zaaknummer
HD 200.135.166_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:90
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg testament

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2014-0111

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.135.166/01

arrest van 22 juli 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats 1],

appellant,

advocaat: mr. M.G. Spijker te Gennep,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde,

advocaat: mr. C.T.E. Verhaeg te Horst,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 21 januari 2014 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/04/118031/HA ZA 12-271 gewezen vonnis van 3 juli 2013.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 21 januari 2014;

- de memorie van antwoord;

- het op 26 juni 2014 gehouden pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

7 De verdere beoordeling

7.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof de incidentele vordering van [appellant] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het incident.

7.2.

De rechtbank heeft in rov. 2 van het bestreden vonnis feiten vastgesteld. Deze door de rechtbank vastgestelde feiten, waartegen geen grieven zijn gericht en die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten.

7.2.1.

Op 23 juni 1999 is in België bij ING een zogenaamde en/of bankrekening (nummer [rekeningnummer 1]) geopend op naam van [appellant] en de oom van [appellant], de heer [erflater]. Bij opening van die bankrekening is in opdracht van [erflater] € 69.482,23 gestort.

7.2.2.

Op 31 mei 2000 heeft [erflater] een concept van een testament laten opmaken. In het op 27 september 2000 verleden (definitieve) testament is [appellant] benoemd tot executeur-testamentair. Hierna zal worden aangegeven in welk (relevant) opzicht het concept verschilt van het op 27 september 2000 verleden testament. In het testament is onder andere het volgende opgenomen:

LEGATEN

Ik legateer niet vrij van rechten en kosten, zonder bijberekening van rente, af te geven binnen zes maanden na mijn overlijden aan:

De Heer [appellant] voornoemd een perceel cultuurgrond met opstallen aan de [straatnaam] te [plaats] kadastraal bekend gemeente [woonplaats 1] sectie [sectieletter 1] nummer [sectienummer A] groot een hectare, achttien are en tweeënzeventig centiare (1.18.72 ha.) alsmede de paarden en/of pony’s, de trailer en alle verdere roerende zaken die gebruikt worden voor het houden van paarden en pony’s.

ERFSTELLING

Onder de last van het vorenstaande benoem ik tot mijn erfgenamen, gezamenlijk en voor gelijke delen mijn zussen:

1. [zus 1] (…)

2. [zus 2] (…) en bij haar vooroverlijden vóór mij benoem ik in haar plaats tezamen en voor gelijke delen:

a. mijn zus [zus 3] (…)

b. mijn zus [zus 4] (…)

c. mijn zus [geïntimeerde] (…)

Ten aanzien van de erfstelling sub 2.a tot en met 2.c. verzoek ik mijn voornoemde zussen van hetgeen zij, na de betaling van het verschuldigde Successierecht overhouden, aan ieder van hun kinderen gelijkelijk te schenken rekening houdend met de schenkingsvrijstellingen.’

In het concept van het testament was nog een passage opgenomen onder het kopje legaten na ‘paarden en pony’s’ dat als volgt luidde: ‘alsmede een bedrag in contanten groot…..’. De puntjes waren niet ingevuld.

7.2.3.

Op 16 mei 2005 is [erflater] (hierna te noemen erflater) overleden. Erflater was een broer van [geïntimeerde], die de hiervoor onder 2c genoemde zus is van erflater.

7.2.4.

De Belgische bankrekening is op 27 juli 2005 opgeheven. Op dat moment bedroeg het saldo van de rekening € 79.557,56. Dit bedrag is overgemaakt naar de bankrekening van [appellant].

7.3.

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] kort gezegd gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld om € 79.557,56 te betalen aan de nalatenschap/gemeenschap van erflater, vermeerderd met rente en kosten. De rechtbank heeft de vordering in hoofdsom toegewezen. De nevenvorderingen zijn deels toegewezen. [appellant] is tijdig van het bestreden vonnis in hoger beroep gekomen en heeft onder aanvoering van zeven grieven geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de afgewezen nevenvorderingen (€ 500,- ter zake buitengerechtelijke incassokosten, kosten van een ingeschakelde derde, een latere dan de gevorderde ingangsdatum ter zake wettelijke rente, waarmerking van het vonnis als Europese executoriale titel), zodat deze vorderingen geen onderdeel uitmaken van het geschil in hoger beroep.

7.4.

Kern van het geschil is de vraag hoe het testament van erflater dient te worden verstaan. Evenals de rechtbank (en niet met grieven bestreden) stelt het hof voorop dat nu erflater is overleden na inwerkingtreding op 1 januari 2003 van het huidige erfrecht, de maatstaf voor de uitleg van het testament wordt gegeven door artikel 4:46 BW, dat immers ingevolge artikel 68a Overgangswet Nieuw BW onmiddellijke werking heeft. Ingevolge de in artikel 4:46 BW neergelegde systematiek dient voor de beantwoording van de vraag of de bewoordingen van een uiterste wil duidelijk zijn, dat wil zeggen als verklaring van hetgeen de erflater wil dat na zijn dood met zijn vermogen zal geschieden een duidelijke zin hebben, mede te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Daden of verklaringen van erflater buiten de uiterste wil mogen slechts dan voor uitleg van de uiterste wil worden gebruikt indien deze zonder deze verklaringen geen duidelijke zin hebben. Dit betekent dat eerst indien de bewoordingen van een testament - gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt - onduidelijk zijn doordat ze geen duidelijke zin hebben, de bedoeling van de erflater mag en moet worden achterhaald.

7.5.

In zijn toelichting op grief I betoogt [appellant] dat onder ‘roerende zaken’, zoals vermeld in het legaat uit het testament, ook kan, en in dit geval moet, worden verstaan het geld dat op de bankrekening stond. [appellant] stelt onder verwijzing naar artikel 3:3 BW dat roerende zaken alle zaken zijn, die niet onroerend zijn en volgens hem valt daaronder ook geld.

7.6.

De grief faalt omdat ‘geld op een bankrekening’ geen (roerende) zaak is, maar een vermogensrecht, te weten een vorderingsrecht op de bank. Omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat in het onderhavige geval door de instrumenterende notaris een vergissing is begaan worden niet gesteld en zijn niet gebleken. Dat de notaris het verschil tussen een ‘goed’ en een ‘zaak’ overeenkomstig de wettelijke definities van Boek 3 BW (goed) heeft toegepast blijkt ook uit pagina 1 van het testament waarin [appellant] het recht van inbezitneming van alle ‘goederen’ wordt gegeven. Aangenomen moet dan worden dat met ‘zaak’ in de legaatsbepaling niet ‘goed’ wordt bedoeld.

7.7.

Uit de toelichting op de grieven grief II en III blijkt dat [appellant] van mening is dat erflater de bedoeling had om [appellant], naast hetgeen in het legaat wordt genoemd, tevens een geldbedrag na te laten ter verzorging van de paarden en pony’s en het onderhoud van de trailer, het perceel en de opstallen. [appellant] leidt dat af uit het concept-testament van 31 december 2000.

7.8.

Het hof verwerpt ook deze grieven, omdat in het concept-testament was vermeld ‘alsmede een bedrag in contanten groot…..’, terwijl die zinsnede in het definitieve testament is vervallen. Het hof kan daaruit niet anders dan concluderen dat het juist niet de wil van erflater is geweest om nog een geldbedrag aan [appellant] te legateren. Niet valt in te zien waarom erflater deze zinsnede anders heeft (doen) verwijderen. [appellant] geeft ook geen verklaring.

7.9.

[appellant] verwijst in de toelichting op deze grieven naar een schriftelijke verklaring van [getuige 1] en een schriftelijke verklaring van [getuige 2], waarin wordt vermeld hetgeen erflater zou hebben verklaard tegen deze personen. Kort gezegd komen die verklaringen erop neer dat erflater tegen hen heeft gezegd dat hij geld op een bankrekening in België zou zetten of had gezet waarmee [appellant] na erflaters overlijden de gemeenschappelijke hobby van erflater en [appellant] (pony’s) zou kunnen bekostigen en dat erflater ook heeft gezegd dat zijn zusters geen cent van hem zouden krijgen. Naar het oordeel van het hof kunnen deze verklaring niet bijdragen aan de juistheid de stellingen van [appellant], omdat verklaringen van een erflater buiten de uiterste wil slechts dan voor uitleg van de uiterste wil mogen worden gebruikt indien deze zonder deze verklaringen - gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt - geen duidelijke zin heeft. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat het testament helder is. Het legaat omvat slechts roerende zaken, dus niet het geld op de bankrekening en daaraan is, anders dan in het concept, niet de passage toegevoegd dat het legaat ook een bedrag in geld omvat. Voor zover [appellant] bedoelt te betogen dat uit deze verklaringen volgt wat de omstandigheden zijn geweest waaronder erflater het testament heeft gemaakt, faalt de grief eveneens. Voor zover al uit de stellingen van [appellant] volgt dat hij bedoelt dat de omstandigheden zodanig waren dat het testament aldus dient te worden opgevat dat het de bedoeling was van erflater dat het geld op de bankrekening onder het legaat zou vallen om daarmee de hobby van erflater te bekostigen, dan valt niet in te zien waarom tijdens het leven van erflater van die bankrekening geen enkele uitgave is gedaan ten behoeve van die hobby. Tegen hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen (rov. 4.3.2.) zijn geen grieven gericht en de stelling van [appellant] ter gelegenheid van het pleidooi dat de rechtbank daarvan uit is gegaan, berust op een verkeerde lezing van het bestreden vonnis. Voorts is in dit verband van belang dat de inhoud van de verklaringen op het onderdeel dat de zusters geen cent zouden krijgen, niet strookt met het testament (ook niet met het concept). Erflater heeft immers zijn zusters indirect, te weten via zijn vooroverleden zuster [zus 2] ([zus 2]) benoemd tot erfgenamen. De stelling van [appellant] dat uit hetgeen is vermeld na punt 2c in het testament (zie citaat onder 7.2.2.) blijkt dat het de bedoeling was van erflater dat de door hem genoemde drie zussen zelfstandig niets zouden erven, betekent niet dat zij onterfd zijn, hetgeen evengoed mogelijk zou zijn geweest, maar niet in het testament tot uitdrukking is gebracht. Bedoelde passage betreft overigens slechts een verzoek aan en niet een verplichting van genoemde drie zussen om een schenking te doen aan hun kinderen.

Het hof voegt hieraan toe dat in het concept-testament de puntjes niet zijn ingevuld. De door [appellant] getrokken conclusie dat hem het hele saldo van de Belgische bankrekening toekomt kan daaruit niet worden getrokken. Juist omdat het bedrag niet was ingevuld, dient ervan te worden uitgegaan dat [appellant] in dat concept (nog) geen bedrag is toegedacht, hetgeen overeenkomt met het definitieve testament.

7.10.

Grief IV bouwt voort op het hiervoor onder rov. 7.5 weergegeven onjuiste uitgangspunt en faalt daarmee eveneens.

7.11.

Grief V is (klaarblijkelijk) gericht tegen het volgende oordeel van de rechtbank: ‘Niet valt in te zien op welke wijze maatstaven van redelijkheid en billijkheid ertoe zouden moeten leiden dat de gevolgen van deze handelwijze van [appellant] op de erfgenamen zouden moeten worden afgewenteld’ (rov. 4.5.1). Met deze overweging heeft de rechtbank gerespondeerd op een door [appellant] gedaan beroep op de redelijkheid en billijkheid.

7.12.

Volgens artikel 6:2 lid 1 BW dienen schuldeiser en schuldenaar zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid en volgens lid 2 van die bepaling is een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. [appellant] stelt niet op welk lid van deze bepaling hij het oog heeft. Het hof kan dat ook niet uit de stellingen van [appellant] opmaken, omdat [appellant] die stellingen daartoe onvoldoende heeft toegelicht.

7.13.

De stelling van [appellant] dat hij het geld aan pony’s heeft besteed teneinde uitvoering te geven aan het testament van erflater, is niet voldoende toegelicht nu hij geen enkel document in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat hij het geld aan de pony’s heeft besteed. Overigens valt die stelling niet te rijmen met het verzwijgen van het bestaan van de bankrekening voor de erfgenamen. Ten slotte is het hof van oordeel dat, zoal juist zou zijn dat [appellant] het gehele banksaldo aan de pony’s zou hebben besteed, dit feit niet rechtvaardigt dat [geïntimeerde] haar vordering ontzegt moet worden. Daarvoor is reeds redengevend dat [appellant] de bankrekening voor [geïntimeerde] heeft verzwegen en de uitgaven derhalve zou hebben gedaan zonder overleg of instemming met [geïntimeerde]. Onder die omstandigheid kan [appellant] zijn eigen handelwijze niet aan [geïntimeerde] tegenwerpen.

7.14.

De grondslag van de vorderingen van [geïntimeerde] is onrechtmatige daad. Op die grondslag zijn de vorderingen toegewezen. De stelling van [appellant] dat hij strafrechtelijk is vrijgesproken leidt niet tot het oordeel dat geen sprake is of kan zijn van onrechtmatigheid. Het feit dat [appellant] is vrijgesproken van (kennelijk) verduistering (dat wil zeggen dat de feiten voor de kwalificatie verduistering strafrechtelijk niet bewezen werden geacht), wil niet zeggen dat hij geen inbreuk heeft gemaakt op een recht van [geïntimeerde] als erfgenaam, noch dat [appellant] het saldo van de Belgische bankrekening zou toekomen. Ook deze grief faalt dus.

7.15.

Grief VI heeft betrekking op de ingangsdatum van de wettelijke rente. Volgens [appellant] kan de wettelijke rente niet eerder ingaan dan de datum van het bestreden vonnis. Daartoe heeft hij hetzelfde argument aangevoerd als met grief V, te weten dat hij slechts uitvoering heeft willen geven aan het testament en daaromtrent te goeder trouw is geweest. Dit betoog faalt om de hiervoor reeds genoemde redenen. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het verzuim op grond van artikel 6:83 sub b BW op 27 juli 2005 is ingetreden om de in rov. 4.8 van het bestreden vonnis genoemde redenen.

Voor zover in de (toelichting op de) grief een beroep op artikel 6:204 BW moet worden gelezen, zodat [appellant] het opnemen van het banksaldo niet kan worden toegerekend, zodat hij ook niet schadeplichtig is (ook niet de schade in de vorm van wettelijke rente), faalt dit beroep. Dat [appellant] niet te goeder trouw handelde volgt reeds uit het feit dat hij geld opnam zonder dat het testament hem daartoe recht gaf, maar ook uit het feit dat hij direct na het overlijden van erflater eigenmachtig, zonder overleg met de erfgenamen, het geld opnam en hen zelfs voor hield (in strijd met de waarheid) dat er geen banksaldo bestond. Artikel 6:205 BW bepaalt voor dat geval dat wettelijke rente verschuldigd is vanaf het moment waarop het geld werd opgenomen (al aannemende dat deze handelwijze als een onverschuldigde betaling kan worden aangemerkt) en zonder ingebrekestelling.

7.16.

Met grief VII komt [appellant] op tegen de proceskostenveroordeling. Uit het voorgaande volgt dat het hof ook deze grief verwerpt.

7.17.

De slotsom luidt dat alle grieven falen en dat het hof het vonnis zal bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep en de veroordeling daartoe, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Het door [appellant] gedane bewijsaanbod is niet ter zake dienend, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

8 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 683,- aan verschotten en op € 4.893,- aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, M. van Ham en J. van der Steenhoven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 juli 2014.