Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2230

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
24-07-2014
Zaaknummer
HD 200.120.772_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Letselschadezaak. Mishandeling. Aansprakelijkheid. Schadeposten, waaronder kosten ex artikel 6:96 BW voor werkzaamheden raadsman en smartengeld. Proceskostenveroordeling.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2014/125

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.120.772/01

arrest van 22 juli 2014

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. G.J.F.M. Linders te Valkenburg,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.F.G. Bergmans-Jeurissen te Sittard,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 12 maart 2013 in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht onder zaaknummer 162434/HAZA 11-552 gewezen vonnis van 31 oktober 2012.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 12 maart 2013 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 10 april 2013;

- de memorie van grieven met producties en eiswijziging;

- de memorie van antwoord met producties.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

7 De beoordeling

7.1.

De vaststelling van feiten in het vonnis waarvan beroep onder 2 is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Deze vaststelling van feiten wordt hierna sub a) en sub b) weergegeven:

a. a) Op 27 maart 2009 was [appellant] als buschauffeur werkzaam voor [busbedrijf] te [vestigingsplaats]. [busbedrijf] verzorgde op dat moment lijndiensten tussen [plaats 1] en [plaats 2] voor Veolia. Rond 23:00 uur vertrok [appellant] met zijn bus vanuit [plaats 1] richting [plaats 2]. [geïntimeerde] bevond zich op dat moment als passagier in de bus. Omdat het abonnement van [geïntimeerde] volgens [appellant] niet voor de hele rit geldig was, heeft [appellant] [geïntimeerde] bij de halte aan de [bushalte] te [plaats 2] gesommeerd de bus te verlaten. Buiten de bus heeft er vervolgens een gevecht tussen [appellant] en [geïntimeerde] plaatsgevonden.

b) [geïntimeerde] is op 2 februari 2010 door de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van de rechtbank Maastricht veroordeeld voor (o.a.) de mishandeling (bestaande uit slaan en trappen) van [appellant] op 27 maart 2009. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek is er door GZ-psycholoog T. Smits en kinder- en jeugdpsychiater B. Gunnewijk een klinisch multidisciplinair onderzoek naar de geestesvermogens van [geïntimeerde] ingesteld. In het door hen op 3 december 2009 uitgebrachte rapport hebben zij geoordeeld dat [geïntimeerde] lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens die te omschrijven is als een paranoïde persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Daarnaast is hij in cognitieve zin beperkt doordat hij langer dan anderen de tijd nodig heeft overzicht te krijgen op (sociale) situaties. De rechtbank heeft in haar vonnis geoordeeld dat de mishandeling van [appellant] in verminderde mate aan [geïntimeerde] kon worden toegerekend. [geïntimeerde] is voor (o.a.) de mishandeling van [appellant] veroordeeld tot 256 dagen jeugddetentie. Daarnaast heeft de rechtbank aan hem de maatregel voor plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel) opgelegd.

7.2.

In eerste aanleg heeft [appellant], kort gezegd, gevorderd veroordeling van [geïntimeerde], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 11.743,90, met wettelijke rente over € 1.500,00 vanaf 27 maart 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, en over het meerdere vanaf de datum dagvaarding (10 juni 2011) tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van dit geding.

De vordering tot betaling van € 11.743,90 is opgebouwd uit de volgende schadeposten:

  1. materiële schade: nieuwe bril: € 255,00;

  2. medische kosten, bestaande uit opsouperen eigen risico bij CZ: € 155,00 en opvragen medische gegevens bij huisarts: € 37,07;

  3. reiskosten voor (extra) ritten naar advocaat (2x), werkgever, ziekenhuis en huisarts: € 50,00;

  4. (…);

  5. verlies arbeidsvermogen: over 2009 over de periode maart 2009 tot en met december 2009 (tien maanden) € 2.585,60 en over 2010 tot 1 oktober 2010 € 5.286,98;

  6. kosten ex artikel 6:96 BW voor werkzaamheden raadsman: € 1.874,25;

  7. smartengeld: € 1.500,00.

7.3.

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep overwogen, samengevat weergeven, dat het strafvonnis tegen [geïntimeerde] van 2 februari 2010 op grond van artikel 161 Rv dwingend bewijs oplevert van het feit dat [geïntimeerde] [appellant] heeft mishandeld door hem te slaan en dat hiermee vast staat dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de onrechtmatige daad vanwege diens schuld aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend. Ook heeft de rechtbank het verweer van [geïntimeerde] op basis van het relativiteitsvereiste verworpen. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank geconcludeerd dat [geïntimeerde] voor de ontstane schade als gevolg van de onrechtmatige daad aansprakelijk is. Daarna heeft de rechtbank het verweer van [geïntimeerde] met betrekking tot de eigen schuld van [appellant] verworpen.

Vervolgens heeft de rechtbank de afzonderlijke schadeposten beoordeeld. Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank alle schadeposten afgewezen, met uitzondering van het gevorderde smartengeld, welk de rechtbank gedeeltelijk heeft toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, en wel uitvoerbaar bij voorraad. Voorts heeft de rechtbank [appellant] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld, begroot op € 975,00.

7.4.

[appellant] heeft zeven grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd. De eerste zes grieven hebben betrekking op de afwijzing van schadeposten door de rechtbank en de zevende grief betreft de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Voorts heeft [appellant] bij zijn memorie van grieven zijn eis verminderd, in die zin dat hij thans in totaal € 6.201,92 vordert, bestaande uit:

  • -

    opsouperen eigen risico bij CZ: € 155,00;

  • -

    opvragen medische gegevens bij huisarts: € 37,07;

  • -

    reiskosten: € 50,00;

  • -

    verlies arbeidsvermogen: € 2.585,60;

  • -

    kosten ex artikel 6:96 BW voor werkzaamheden raadsman: € 1.874,25;

  • -

    smartengeld: € 1.500,00,

te vermeerderen met de wettelijke rente over het smartengeld vanaf 27 maart 2009, over de € 37,07 vanaf 3 augustus 2010 tot aan de dag der algehele voldoening en, naar het hof begrijpt, over het meerdere vanaf de datum dagvaarding in eerste aanleg (10 juni 2011) tot aan de dag der algehele voldoening.

7.5.

Grief I is gericht tegen de afwijzing van de kosten van [appellant] betreffende het eigen risico van zijn zorgverzekering. Deze grief slaagt voor zover die betrekking heeft op het bedrag van € 22,21. Het hof stelt vast dat de zorgverzekeraar van [appellant] op 3 juni 2009 € 22,21 (productie 2, inleidende dagvaarding) aan kosten van 28 maart 2009 (een dag na de mishandeling) heeft verrekend met zijn eigen risico. Uit het verslag van de huisartsenpost van nachtdienstconsult van 28 maart 2009 (productie 9, inleidende dagvaarding) blijkt dat door de huisarts medicatie aan [appellant] is voorgeschreven (Ibuprofen tablet 600mg). Gelet op dit een en ander kan worden aangenomen dat er causaal verband bestaat tussen de mishandeling en deze kosten. Voor de overige kosten betreffende het eigen risico van zijn zorgverzekering heeft [appellant] het causaal verband onvoldoende onderbouwd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan dit niet worden afgeleid uit de producties 10 en 11, overgelegd bij conclusie van repliek. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat [appellant] klaarblijkelijk in 2009 vóór de mishandeling op 27 maart 2009 (ook) medische behandelingen heeft ondergaan.

7.6.

Grief II is gericht tegen de afwijzing van de reiskosten. Deze grief slaagt gedeeltelijk. [appellant] vordert € 50,00 aan reiskosten. Dit is voor ritten die [appellant], die in [woonplaats] woont, in verband met de mishandeling heeft moeten maken naar zijn advocaat in Valkenburg a/d Geul (driemaal), naar de eerste hulp van het Orbis Medisch Centrum in Sittard in de nacht van 27 op 28 maart 2009 en naar Virenze in [plaats 3] (enkele keren), en terug. In totaal is dit ongeveer 100 kilometer. Volgens de Letselschade Richtlijn Kilometervergoeding was het normbedrag kilometervergoeding in 2009 € 0,24. Gelet daarop acht de hof de gevorderde reiskosten toewijsbaar tot een bedrag van € 24,00.

7.7.

Grief III is gericht tegen de afwijzing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten conform artikel 6:96 lid 2 onder b en c BW. Deze grief slaagt. Het gaat om vergoeding van de werkzaamheden van de raadsman van [appellant]. [appellant] heeft daarvan een gespecificeerd overzicht overgelegd (productie 8, inleidende dagvaarding). De werkzaamheden beslaan de periode 14 april 2009 tot en met 23 mei 2011 en beginnen op 14 april 2009, dus enkele weken na de mishandeling, met een telefoongesprek met [appellant]. Uit het overzicht blijkt dat de raadsman ook meermalen contact heeft gehad met het openbaar ministerie en met de rechtbank, onder meer, naar het hof veronderstelt, voor het vonnis in de strafzaak tegen [geïntimeerde]. Volgens het overzicht heeft de raadsman in totaal 718 minuten aan de zaak besteed. Het hof stelt vast dat daarop in totaal 113 minuten in mindering moeten worden gebracht, omdat [appellant] geen vergoeding van de werkzaamheden van zijn raadsman vanaf 28 maart 2011 (opstellen dagvaarding) kan vorderen aangezien vanaf dan de (forfaitaire) regels betreffende proceskosten van toepassing zijn. De vordering bedraagt in totaal: € 1.874,25, bestaande uit 10 uur à € 150,- per uur, vermeerderd met dossierkosten en BTW). [geïntimeerde] heeft niet betwist dat de raadsman van [appellant] de in het overzicht gespecificeerde werkzaamheden heeft verricht in verband met schadevergoeding voor de mishandeling van [appellant] door [geïntimeerde]. Het hof is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden de kosten redelijk zijn en de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk om schadevergoeding te krijgen. Daarbij is in aanmerking genomen dat gelet op de aard en inhoud van de zaak het door de raadsman van [appellant] gehanteerde uurtarief van € 150,- per uur redelijk is. [geïntimeerde] heeft de gevorderde dossierkosten en BTW niet weersproken. De onderhavige vordering komt dan ook geheel voor toewijzing in aanmerking.

7.8.

Grief IV is gericht tegen de afwijzing van de kosten voor opvragen medische gegevens bij de huisarts (€ 37,07). De grief slaagt. Als productie 1 bij de memorie van grieven heeft [appellant] de desbetreffende nota overgelegd, in aanvulling op de brief van de huisarts van 13 juni 2010 (productie 10, inleidende dagvaarding). Aangenomen kan worden dat [appellant] aldus schade heeft geleden die ingevolge artikel 6:96 lid 2 onder b BW voor vergoeding in aanmerking komt. Het hof gaat voorbij aan de stelling van [geïntimeerde] dat de huisarts op grond van het Besluit kostenvergoeding rechten betrokkene WBP voor het verstrekken van de afschriften slechts € 0,46 in rekening had mogen brengen. [geïntimeerde] heeft geen, althans onvoldoende duidelijk, rechtsgevolgen aan deze stelling verbonden. Niet betwist is dat het gevorderde bedrag aan [appellant] in rekening is gebracht en dat [appellant] het bedrag van € 37,07 aan schade heeft geleden.

7.9.

Grief V is gericht tegen de afwijzing van de door [appellant] zelf berekende inkomensschade (over 2009). Dienaangaande overweegt het hof het volgende. [appellant] vordert wegens verlies arbeidsvermogen (gemis onregelmatigheidstoeslag) voor maart tot en met december 2009 gemiddeld € 258,60 per maand, in totaal € 2.585,60. [appellant] heeft een door hem zelf opgesteld overzicht overgelegd met betrekking tot zijn verlies van arbeidsvermogen (productie 6, inleidende dagvaarding). Het overzicht betreft een vergelijking van zijn inkomen bij zijn werkgever [busbedrijf] over de maanden juni 2008 tot en met februari 2009 met zijn inkomen over de maanden maart tot en met december 2009. In hoger beroep heeft hij ter onderbouwing van de onderhavige vordering salarisstroken overgelegd van augustus 2008 tot en met december 2009 overgelegd (productie 2, memorie van grieven). [geïntimeerde] heeft de vordering bestreden. Naar het oordeel van het hof kan uit de overgelegde producties, ook niet als die onderling verband en samenhang worden bezien, niet worden afgeleid dat als gevolg van de mishandeling het inkomen van [appellant] is gedaald, en zeker niet met gemiddeld € 258,60 per maand. Evenmin volgt daaruit dat, zoals hij heeft gesteld (inleidende dagvaarding, randnummer 9 onder E), hij als gevolg van de mishandeling in maart 2009 de onregelmatigheidstoeslag is misgelopen. Daarbij is ook van belang dat die onregelmatigheidstoeslag (ORT) op iedere loonstrook is vermeld. Grief V is derhalve tevergeefs voorgesteld.

7.10

Grief VI houdt in dat de rechtbank de gevorderde immateriële schade ten onrechte heeft beperkt tot € 750,00 in plaats van de gevorderde € 1.500,00 toe te wijzen. Deze grief treft doel. Met het verslag van de huisartsenpost van nachtdienstconsult van 28 maart 2009 (productie 9, inleidende dagvaarding) heeft [appellant] genoegzaam aangetoond dat hij direct na de mishandeling veel pijn heeft ondervonden. [geïntimeerde] heeft [appellant] geslagen en getrapt. Daarbij heeft [appellant] klappen op de linkerslaap gekregen. [appellant] heeft ernstige hoofdpijn en nekpijn gehad door de mishandeling. Bij de begroting van de schade houdt het hof daarmee rekening. Bovendien houdt het hof rekening met de psychische klachten die [appellant] gelet op brief van 2 november 2011 van de GZ-psycholoog en psychotherapeut [GZ-psycholoog en psychotherapeut] van Virenze [plaats 3] (productie 12, conclusie van repliek) nog ruim twee jaar na de mishandeling heeft gehad. Uit deze brief komt naar voren dat na de mishandeling [appellant] symptomen had van een posttraumatische stressstoornis en dat hij daarvoor behandeld is door deze GZ-psycholoog en psychotherapeut. Daarbij speelt een rol dat volgens [appellant] [geïntimeerde] heeft gezegd ‘Ik maak je dood’ en [appellant] daar ook bang voor was en dat volgens [appellant] [geïntimeerde] hem gericht tegen de slaap heeft gestompt en heeft geprobeerd hem daar met de knie te raken. In het bijzonder houdt het hof er rekening mee dat de mishandeling zich op het werk van [appellant] heeft voorgedaan en [appellant] daar verder bij de uitoefening van zijn werkzaamheden als buschauffeur last van heeft gehad, nu hij blijkens de brief van de GZ-psycholoog en psychotherapeut sinds de mishandeling confrontaties vermijdt en passagiers meer hun gang laat gaan. Tot slot houdt het hof rekening met de bedragen die door Nederlandse rechter in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, zoals dit blijkt uit Smartengeldgids, 19e druk 2014. Al met al acht het hof de gevorderde € 1.500,00 aan smartengeld op zijn plaats.

7.11.

Volgens grief VII heeft de rechtbank [appellant] ten onrechte in de proceskosten in eerste aanleg veroordeeld. In de toelichting bij deze grief heeft [appellant] naar voren gebracht dat de raadsman van [geïntimeerde] buiten rechte iedere aansprakelijkheid voor de procedure heeft afgewezen, waardoor [appellant] niets anders restte dan [geïntimeerde] in rechte te betrekken. Het hof overweegt dat [geïntimeerde] in eerste aanleg gemotiveerd betwist dat hij aansprakelijk is voor door de mishandeling ontstane schade. De rechtbank heeft dit geschilpunt in het nadeel van [geïntimeerde] beslist. In hoger beroep is de aansprakelijkheid – bij gebreke van daartegen gerichte (incidentele) grieven – niet meer aan de orde. Nu de aansprakelijkheid een belangrijk geschilpunt was tussen partijen en dit in het nadeel van [geïntimeerde] is beslist, acht het hof [geïntimeerde] de overwegend in het ongelijk gestelde partij in eerste aanleg. Daarom zal het hof [geïntimeerde] in de proceskosten in eerste aanleg veroordelen. Grief VII slaagt dus.

7.12.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd en dat dient te worden beslist als hierna in het dictum vermeld. Daarbij zijn de rentevorderingen als onweersproken en op de wet gegrond toewijsbaar. Nu partijen in hoger beroep over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.

8 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] tegen bewijs van kwijting te betalen:

€ 22,21;

€ 37,07;

€ 1.874,25;

€ 24,00;

€ 1.500,00,

te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 1.500,00 vanaf 27 maart 2009, over het bedrag van € 37,07 vanaf 3 augustus 2010 tot aan de dag der algehele voldoening en over het meerdere (€ 22,21, € 1.874,25 en € 24,00) vanaf de datum dagvaarding in eerste aanleg (10 juni 2011) tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 71,00 aan griffierecht, € 97,80 aan explootkosten en € 904,00 aan salaris advocaat;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, H.A.W. Vermeulen en J.P. de Haan en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 juli 2014.