Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:221

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
HD 200.128.251_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hennep.

Energiefraude.

Onverschuldigde betaling van energienota door verhuurder?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2014/90

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.128.251/01

arrest van 4 februari 2014

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.W. Pieters te Geleen, gemeente Sittard-Geleen,

tegen

Enexis B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. G.E.M.C. Reinartz te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 23 mei 2013 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Heerlen, gewezen tussenvonnis van 19 september 2012 en eindvonnis van 17 april 2013 tussen appellant – hierna [appellant] – als eiser en geïntimeerde – hierna Enexis – als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. 458236 CV EXPL 12-81)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met drie producties;

- de memorie van antwoord met producties;

- het pleidooi op 5 december 2013, en de door mr. J.W. Pieters overgelegde pleitnota.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1.

[appellant] is eigenaar van een woon/winkelpand aan de[pand 1.]/[pand 2.] te [plaats 1.] (hierna: het pand).

4.1.2.

Op 28 januari 2010 is een hennepkwekerij ontdekt in het pand. Bij de exploitatie van de hennepkwekerij is met de elektriciteitsmeter gefraudeerd.

4.1.3.

Bij brief van 19 februari 2010 heeft Enexis aan [appellant] bericht dat er geen energieleverancier bekend is op het adres [pand 2.], [plaats 1.]. In de brief staat onder meer:

“Op 28-01-2010 stuurden wij naar bovenstaand adres een brief. Hierin verzochten wij de nieuwe bewoner(s), zo spoedig mogelijk contact op te nemen met een energieleverancier om afsluiting van de energietoevoer te voorkomen. Tot op heden hebben wij geen reactie op deze brief ontvangen. Wij gaan er daarom vanuit dat het pand (nog) niet wordt bewoond. Volgens onze gegevens bent u eigenaar van bovengenoemd pand. (..)

Indien u op dit adres geen energietoevoer wilt, hoeft u niet te reageren. Als u wel energie wilt blijven afnemen, neem dan contact op met een energieleverancier. De energieleverancier zal uw gegevens aan ons kenbaar maken. Zonder bericht van een energieleverancier gaan wij na twintig dagen over tot het afsluiten van de energietoevoer. (..)

Voor vragen over een (nieuwe) leveringsovereenkomst neemt u contact op met de klantenservice van uw energieleverancier. (..) ”

4.1.4.

Enexis heeft aan [appellant] op 2 maart 2010 een factuur gestuurd voor een bedrag van € 6.159,70 ter zake van door haar geleden schade, waaronder een bedrag van € 5.405,88 aan verbruik elektriciteit.

4.1.5.

Bij brief aan Enexis van 6 maart 2010 heeft [appellant] aansprakelijkheid voor de in rekening gebrachte schade betwist en daartoe aangevoerd dat niet hij maar zijn huurder heeft gefraudeerd. Bij brief aan Enexis van 24 maart 2010 heeft de advocaat van [appellant] nogmaals erop gewezen dat het pand is verhuurd aan de heer[huurder] en dat het deze huurder is die klaarblijkelijk heeft gefraudeerd.

4.1.6.

Na afsluiting van de energietoevoer door Enexis heeft [appellant] het bedrag van € 6.159,70 op 25 maart 2010 aan Enexis voldaan.

4.1.7.

Bij vonnis van 19 oktober 2011 is [appellant] door de politierechter te Maastricht vrijgesproken van de hem in verband met de in zijn pand aangetroffen illegale hennepteelt ten laste gelegde feiten. Hij heeft onweersproken gesteld dat deze feiten betrekking hadden op (het medeplegen van of de medeplichtigheid aan) hennep kweken, het voorhanden hebben van hennepplanten en diefstal van elektriciteit.

4.1.8.

De advocaat van [appellant] heeft Enexis bij brief van 14 november 2011 gesommeerd tot terugbetaling van het bedrag van € 6.159,70. Enexis heeft niet aan deze sommatie voldaan.

4.2.1.

[appellant] vordert in dit geding veroordeling van Enexis tot betaling van het bedrag van € 6.159,70 te vermeerderen met wettelijke rente en tot vergoeding van de proceskosten. Hij stelt dat hij dit bedrag onverschuldigd aan Enexis heeft betaald en heeft daartoe onder meer aangevoerd dat hij het pand had verhuurd en dat hij niet wist dat er door de huurder een hennepplantage was aangelegd. Hij heeft in dat verband gewezen op de vrijspraak als vermeld hiervoor in 4.1.7.

4.2.2.

Enexis heeft zich tegen de vordering verweerd. Zij heeft onder meer de echtheid van de huurovereenkomst betwist. Voorts heeft zij gesteld dat [appellant] niet heeft gedaan wat van een normaal en voorzichtig verhuurder verwacht mocht worden. Enexis heeft daartoe aangevoerd dat [appellant] de identiteit van de huurder onvoldoende heeft gecontroleerd en dat [appellant] bij het sluiten van een nieuwe huurovereenkomst extra zorgvuldig had moeten zijn, nu gebleken is dat er een keer eerder sprake is geweest van een hennepkwekerij in het pand. Het feit dat [appellant] is vrijgesproken betekent voorts niet dat [appellant] niet onrechtmatig jegens Enexis heeft gehandeld. Enexis heeft betwist dat [appellant] geen betrokkenheid heeft gehad met de hennepkwekerij.

4.2.3.

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 19 september 2012 op grond van ernstige twijfels omtrent het bestaan van de door [appellant] gestelde huurovereenkomst met[huurder] voorshands afdoende bewezen geacht dat [appellant] geen huurovereenkomst heeft gesloten en [appellant] toegelaten tot tegenbewijs. Na op 7 december 2012 [appellant] en zijn vrouw gehoord te hebben als getuigen heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 17 april 2013 geoordeeld dat [appellant] het bewijs niet (voldoende) heeft geleverd en de vordering afgewezen.

4.3.1.

Grief 1 is gericht tegen het oordeel dat de kantonrechter in het beroepen tussenvonnis voorshands bewezen achtte dat [appellant] geen huurovereenkomst heeft gesloten met [huurder].

Grief 2 is gericht tegen het oordeel in het beroepen eindvonnis dat [appellant] niet in de hem gegeven opdracht tot het leveren van tegenbewijs is geslaagd.

4.3.2.

[appellant] heeft gesteld dat hij met ingang van 1 oktober 2009 het pand had verhuurd aan[huurder]. Een kopie van de huurovereenkomst is door hem overgelegd als productie 1 bij conclusie van repliek. Enexis heeft twijfels geuit met betrekking tot de echtheid van dit stuk. Zij heeft erop gewezen dat de eerste pagina in een ander format/lettertype is opgesteld dan de overige pagina’s, dat de getypte datum onderaan het stuk is veranderd van 26 september 2010 in 26 september 2009, dat de verwijzing in artikel 1 naar artikel 15 inhoudelijk niet klopt en dat de handtekening van [huurder] onderaan de overeenkomst niet correspondeert met de handtekening op de overgelegde kopie van zijn paspoort.

4.3.3.

Uit de verklaringen van [appellant] en zijn vrouw tijdens het getuigenverhoor op 7 december 2012 volgt dat zowel van de zijde van de huurder als door [appellant] een huurcontract was opgesteld, dat van die twee contracten door hen één contract is gemaakt en dat dit contract ongeveer een week later bij [hotel] in [plaats 2.] is ondertekend. Het hof ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze verklaringen, die op dit punt niet door Enexis zijn betwist, te twijfelen. Ter zitting bij het hof heeft [appellant] voorts verklaard dat de huurder eind september 2009 twee tot drie keer bij [appellant] is geweest en dat [appellant], hoewel hij het pand eigenlijk liever wilde verkopen, uiteindelijk akkoord is gegaan met verhuur. Op welk moment de huurder zijn concept contract (met daarop de vermelding van plaats en datum van ondertekening) precies aan [appellant] heeft overhandigd, is naar het oordeel van het hof verder niet relevant. De getuigenverklaring van [appellant] sluit niet uit dat – anders dan waarvan Enexis kennelijk uitgaat - over de mogelijkheid van verhuur overleg is gevoerd voordat de huurder zijn concept contract meebracht. Duidelijk is in ieder geval dat op enig moment is afgesproken dat ondertekening zou plaatsvinden op 26 september 2009 te [plaats 2.], en niet, zoals in het contract staat vermeld en kennelijk dus aanvankelijk de bedoeling was, te [plaats 1.].

Artikel 1 van de huurovereenkomst vermeldt als huurprijs € 1.000,-- per maand exclusief gas, water, stroom en kabelaansluiting, “behoudens het bepaalde onder artikel 15”. In artikel 15 is vervolgens de mogelijkheid van jaarlijkse huurprijsverhoging opgenomen. Dat, zoals Enexis stelt, deze verwijzing inhoudelijk niet klopt, valt niet in te zien.

De door Enexis gestelde verschillen tussen de handtekening onder de overeenkomst en de handtekening op het paspoort van [huurder] (waarvan een kopie door [appellant] samen met de huurovereenkomst is overgelegd) acht het hof tenslotte niet zodanig om aan de juistheid van de handtekening onder de overeenkomst te moeten twijfelen.

4.3.4.

Dat [appellant] de voorkeur gaf aan één huurder (in plaats van aan drie) en dat hij de overeenkomst niet door een deskundige heeft laten opstellen, acht het hof, anders dan Enexis aanvoert, niet ongeloofwaardig. Het is zeer begrijpelijk dat een verhuurder, zoals [appellant] ter zitting van het hof heeft verklaard, belang hecht aan het hebben van één aanspreekpunt. Voorts is niet vreemd of ongebruikelijk dat een particuliere verhuurder zonder deskundige hulp een huurcontract opstelt aan de hand van standaardmodellen. Enexis heeft geen andere feiten of omstandigheden gesteld die ertoe nopen de echtheid van de huurovereenkomst te betwijfelen.

4.3.5.

Het voorgaande leidt ertoe dat grief 1 slaagt. Grief 2 behoeft in verband daarmee geen behandeling.

4.4.

De vordering van [appellant] ligt in hoger beroep opnieuw ter beoordeling voor. Het hof zal de in eerste aanleg verworpen en/of niet behandelde verweren van Enexis die in hoger beroep niet zijn prijsgegeven in zijn beoordeling betrekken.

4.5.

Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat niet ervan kan worden uitgegaan dat tussen [appellant] en Enexis een contractuele relatie bestond in de periode waarop de in rekening gebrachte energieschade betrekking heeft. Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep is door [appellant] verklaard dat hij eind september 2009 telefonisch aan Essent heeft doorgegeven dat de elektriciteitsaansluiting niet langer op zijn naam diende te staan en dat hij toen tevens de meterstanden heeft doorgegeven. De juistheid van deze verklaring is tijdens de zitting niet door Enexis betwist. Mr. Reinartz heeft ter zitting bij het hof verklaard niet te weten wie ten aanzien van het pand de contractspartij van Enexis of de energieleverancier is en niet te beschikken over de betreffende (contract)gegevens. Enexis heeft geen op het bestaan van een contractuele relatie gericht bewijsaanbod gedaan. De verklaring van mr. Reinartz ter zitting dat hij achter de gegevens zou kunnen komen, is daartoe in elk geval onvoldoende.

4.6.1.

Daarmee ligt ter beantwoording voor de vraag of [appellant] op grond van onrechtmatig handelen jegens Enexis aansprakelijk is voor de in rekening gebrachte (energie)schade. Het hof overweegt te dien aanzien het volgende.

4.6.2.

Op grond van hetgeen met betrekking tot grief 1 is overwogen, kan ervan worden uitgegaan dat [appellant] het pand met ingang van 1 oktober 2009 had verhuurd. De door [appellant] overgelegde stortingsbewijzen (cvr, prod. 2, waaruit blijkt dat telkens een bedrag van € 1.000,-- is gestort, welk bedrag overeenkomt met de maandelijkse huur) ondersteunen zijn stelling dat de huurtermijnen contant zijn betaald. Dat uit de stortingsbewijzen zelf niet is af te leiden dat deze betrekking hebben op ontvangen huurtermijnen, doet hieraan, in het licht van het voorgaande, niet af. Dat geldt ook voor het feit dat [appellant] twee jaar later niet (meer) zeker weet of de stortingsbewijzen betrekking hebben op de huurbetalingen. De stelling van Enexis (mva onder 45) dat in de hennepwereld sprake is van veel contant geld en dat dit een verklaring zou kunnen zijn voor de stortingen, is pure speculatie en vormt een ontoereikende betwisting van bedoelde stelling van [appellant] dat hij, zoals hij ook tijdens het getuigenverhoor in eerste aanleg en voorts ter zitting van het hof heeft verklaard, de huurtermijnen contant heeft ontvangen.

4.6.3.

Zoals door de kantonrechter in r.o. 3.2 van het tussenvonnis onbestreden is overwogen, brengt de omstandigheid dat [appellant] is vrijgesproken van de eerder hem ten laste gelegde feiten niet mee dat van onrechtmatig handelen geen sprake is. Het oordeel van de strafrechter dat een bepaald feit niet bewezen wordt verklaard, bindt de civiele rechter niet. Evenwel heeft Enexis de stelling van [appellant] dat hij geen betrokkenheid heeft gehad bij de hennepkwekerij naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd betwist.

Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] vóór de verhuur van het pand aan [huurder] een winkeltje heeft gehad en in dat verband halfedelstenen bewerkte, hetgeen de nodige geluidsoverlast veroorzaakte. Ter zitting heeft [appellant] verklaard dat hij zijn buren medio 2008 heeft gesproken in verband met deze geluidsoverlast. Enexis heeft haar stelling dat [appellant] in september 2009 omwonenden heeft gewaarschuwd voor eventuele geluidsoverlast en warmte in het pand, ter zitting niet nader toegelicht en evenmin heeft zij verwezen naar stukken waaruit de juistheid van deze stelling blijkt. Uit deze enkele door Enexis gestelde waarschuwing kan geen vermoeden van betrokkenheid bij een voorgenomen hennepteelt worden afgeleid, te meer niet nu door Enexis niet is weersproken dat [appellant] eerst eind september 2009 in contact is gekomen met [huurder] en door Enexis niet is gesteld wanneer de waarschuwing precies zou zijn gedaan.

4.6.4.

Ter zitting bij het hof is door [appellant] verklaard dat hij bij gelegenheid van de ondertekening van de huurovereenkomst de kopie van het paspoort heeft gecontroleerd aan de hand van het hem getoonde origineel van het paspoort van [huurder]. De juistheid van deze verklaring is ter zitting niet door Enexis betwist. Dat [appellant] verder onderzoek had moeten doen naar de identiteit van de huurder is door Enexis niet gesteld.

4.6.5.

[appellant] heeft ter zitting bij het hof voorts onweersproken verklaard dat hij de bovenwoning boven zijn winkel in 2008 had verhuurd en dat hij de bewuste huurder uit het pand heeft gezet toen bleek dat in de bovenwoning een aanvang was gemaakt met het opzetten van een hennepteelt. [appellant] heeft dit geconstateerd toen hij in zijn winkel water door het plafond zag komen en vervolgens op de bovenverdieping is gaan kijken wat de oorzaak van de lekkage was. Dat deze eerdere ervaring [appellant] tot meer alertheid of zorgvuldigheid bij het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst had moeten nopen dan hij aan de dag heeft gelegd, kan, anders dan Enexis stelt, niet worden aangenomen, nog daargelaten dat door Enexis niet is gesteld of toegelicht wat van [appellant] dan precies werd verwacht, anders dan de controle van de identiteit van de huurder. Door Enexis is evenmin duidelijk gemaakt in welk opzicht [appellant] ná de totstandkoming van de huurovereenkomst met [huurder] onvoldoende zorgvuldig jegens Enexis heeft gehandeld. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] ervan is uitgegaan dat het pand zou worden gebruikt voor een telefoonwinkeltje en dat de bovenverdieping zou worden gebruikt als woning. De omstandigheden dat [appellant] bij zijn bezoeken aan het pand geen activiteiten in de winkel heeft waargenomen en de huurtermijnen contant betaald kreeg, zijn, anders dan Enexis heeft betoogd, naar het oordeel van het hof onvoldoende om aan te nemen dat [appellant] bedacht had dienen te zijn op illegale praktijken in het pand. Het hof acht hiertoe van belang dat met het opstarten van een winkel enige tijd gemoeid kan zijn en dat [appellant], zoals hij ter zitting onweersproken heeft verklaard, doorgaans niet verder kwam dan de voordeur van het pand en slechts een enkele keer in de benedenruimte is ontvangen en op die momenten niets heeft waargenomen dat kon duiden op illegale hennepteelt. Gelet op het vrij korte tijdsbestek tussen de ingangsdatum van de verhuur op 1 oktober 2009 en het moment van ontdekking van de hennepteelt door de politie op 28 januari 2010 valt, bij gebreke van aanwijzingen voor illegale activiteiten in het pand, niet in te zien in welk opzicht [appellant] jegens Enexis onzorgvuldig heeft gehandeld. Door Enexis is ook niet gesteld welke concrete maatregelen [appellant] had dienen te nemen om te voorkomen dat vanuit het pand illegaal elektriciteit werd afgenomen. Dat [appellant] jegens Enexis gehouden was de werkelijke bedoelingen van [huurder] met het pand te onderzoeken of het pand regelmatig te bezoeken, is evenmin door Enexis gesteld en kan in de gegeven omstandigheden ook niet worden aangenomen.

4.6.6.

Enexis heeft geen andere voor de beoordeling relevante stellingen ingenomen. Wanneer en hoe [appellant] precies van de illegale hennepteelt op de hoogte is geraakt, kan verder in het midden blijven. Tussen partijen is immers niet in geschil dat [appellant] later dan Enexis, namelijk pas eind februari 2010 (te weten ná de brief van Enexis van 19 februari 2010, vermeld hiervoor in 4.1.3), kennis heeft genomen van de ontdekking van hennepteelt. De door Enexis ingenomen stellingen geven verder geen aanleiding de in eerste aanleg door [appellant] gedeponeerde stukken uit het strafdossier in hoger beroep alsnog te doen overleggen.

4.6.7.

Nu tussen partijen vaststaat dat de in 4.1.4 vermelde factuur ziet op door Enexis geleden schade als gevolg van de illegale afname van elektriciteit in het pand, brengt het vorenoverwogene mee dat de betaling van de factuur onverschuldigd door [appellant] is geschied. Zijn vordering tot terugbetaling van het bedrag van € 6.159,70 zal dan ook worden toegewezen. De door [appellant] gevorderde wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf 22 november 2011, nu Enexis bij brief van 14 november 2011 door de advocaat van [appellant] in gebreke is gesteld en daarin aan Enexis een betalingstermijn van acht dagen is gegeven.

4.6.8.

Het hof zal de beroepen vonnissen vernietigen, de vordering van [appellant] alsnog toewijzen, behoudens ten aanzien van een deel van de gevorderde wettelijke rente, en Enexis veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt de beroepen vonnissen;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Enexis tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 6.159,70, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 november 2011 tot de dag der voldoening;

veroordeelt Enexis in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] worden begroot op € 163,81 aan verschotten en op € 1.000,-- aan salaris gemachtigde in eerste aanleg en op € 391,82 aan verschotten en op € 1.896,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.Th. Gründemann, P.M.A. de Groot-van Dijken en C.E.C.J. Ponsioen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 februari 2014.