Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2208

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
HD 200.109.468_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen schending zorgplicht ex art. 7:658 BW van ROC in verband met het struikelen over een scheerlijn van een tent door een van de begeleidende docenten tijdens een introductiekamp voor eerstejaarsstudenten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658, geldigheid: 2014-07-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0664

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.109.468/01

arrest van 22 juli 2014

in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. G.A.M. Verkuijlen te Venray,

tegen

Stichting ROC West-Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in incidenteel appel, appellante in principaal appel,

advocaat: mr. F.A.M. Knűppe te Arnhem,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 28 augustus 2012 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda onder zaaknummer 686020 CV 11-7748 gewezen vonnis van 4 april 2012.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 28 augustus 2012 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 30 oktober 2012;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel met producties;

- de memorie van antwoord in incidenteel appel.

Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memories van grieven.

7 De beoordeling

7.1.

In rov. 3.1 van het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter feiten weergegeven. Gezien de toelichting van ROC bij haar eerste grief in incidenteel appel en de reactie daarop van [appellante] in haar memorie van antwoord in incidenteel appel, zijn partijen het eens dat deze feitenweergave een aantal onjuistheden bevat. Het hof zal de feitenweergave verbeterd weergeven. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. Sinds 1 augustus 2001 is [appellante] krachtens arbeidsovereenkomst met ROC werkzaam op het tot het ROC behorende Cingel College in [vestigingsplaats].

  2. Ten behoeve van de eerstejaarsstudenten van het ROC is gedurende een reeks van jaren een introductiekamp georganiseerd.

  3. De ROC-werknemers [ROC-werknemer 1] en [ROC-werknemer 2] waren in en voor het schooljaar 2009-2010 de feitelijke organisatoren van het introductiekamp en benaderden collega-docenten voor het begeleiden van het introductiekamp.

  4. Het introductiekamp voor het schooljaar 2009-2010 vond plaats op kampeerboerderij De Kiek te [vestigingsplaats].

  5. Het programma stak aldus in elkaar, dat de studenten in twee groepen waren verdeeld, dat de eerste groep bestond uit alle studenten van niveau 2 en de helft van niveau 4 en de tweede groep uit alle studenten van niveau 3 en de andere helft van niveau 4, dat de eerste groep een tweedaags programma had en de overnachting in de nacht van 9 op 10 september en de tweede groep een tweedaags programma en de overnachting in de nacht van 10 op 11 september 2009.

  6. [appellante], die ook al het introductiekamp voor het schooljaar 2008-2009 op dezelfde locatie had begeleid, is door [ROC-werknemer 1] aangezocht voor de begeleiding van de tweede groep in welk kader zij ook ter plaatse zou overnachten.

  7. In de nacht van 10 op 11 september 2009 waren in totaal negen docenten als begeleider aanwezig: drie (onder wie [appellante]) in de kampeerboerderij zelf, waar ook alle ongeveer 80 studenten overnachtten, vijf in een tent aan de rand van het sportveld, dat nabij de kampeerboerderij is gelegen, en een in een camper aan de rand van het sportveld “op de andere hoek”.

  8. Nadat de eigenaresse van de kampeerboerderij die nacht omstreeks 02.30 uur de docenten in de kampeerboerderij had gewaarschuwd, dat een aantal studenten nabij de hooizolder aan het roken was en de docenten in de kampeerboerderij voorzagen, dat zij assistentie nodig hadden om aan deze situatie een einde te maken, is [appellante], die haar collega’s “in het veld” niet telefonisch kon bereiken, in het nachtelijk donker eerst naar de camper en vervolgens naar de tent gelopen.

  9. Bij de terugkeer van de tent naar de kampeerboerderij is [appellante] gestruikeld over een scheerlijn van de bewuste tent en ongelukkig terecht gekomen.

  10. [appellante] is in het Twee Steden Ziekenhuis in Tilburg behandeld aan een wond aan het linkerbeen en aan een gebroken arm.

  11. [appellante] heeft ROC op grond van de artikelen 7:658 BW (en oorspronkelijk ook op grond van 7:611 BW) aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade, onder meer bestaande in een beperking in het strekvermogen van de rechterarm.

  12. Op basis van de ongevallenverzekeringspolis, die ROC ten behoeve van docenten had gesloten, is aan [appellante] een uitkering van € 634,21 gedaan.

  13. De aansprakelijkheidsverzekeraar van ROC heeft geweigerd de aansprakelijkheid van ROC voor het [appellante] overkomen ongeval te erkennen.

7.2.

Bij het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de vordering van [appellante] om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, kort gezegd, voor recht te verklaren dat ROC aansprakelijk is voor alle (materiële en immateriële) door [appellante] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het bedrijfsongeval en ROC te veroordelen deze schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van ROC in de kosten van de procedure, afgewezen. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen, samengevat, dat weliswaar in de zin van artikel 7:658 lid 2 BW gesproken moet worden van een ongeval tijdens de uitoefening van de werkzaamheden (rov. 3.4, slot), maar de conclusie moet luiden dat hier sprake is van een ongeluk dat in de categorie huis-, tuin- en keukenongevallen thuis hoort, ofwel een ongelukkige samenloop van omstandigheden, en dat er van aansprakelijkheid van ROC op grond van schending van de zorgplicht niet kan worden gesproken (rov. 3.10). [appellante] heeft artikel 7:611 BW als grondslag voor haar vorderingen laten vallen (zie rov. 3.2).

7.3.

[appellante] heeft in principaal appel zes grieven aangevoerd. De eerste vijf grieven in principaal appel zijn gericht tegen de conclusie onder rov. 3.10 en de motivering die door de kantonrechter daarvoor is gegeven in rov. 3.7, 3.8 en 3.9. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking als volgt.

7.4.

Bij de beoordeling van de vraag of ROC haar zorgplicht al dan niet is nagekomen, stelt het hof voorop dat de zorgplicht van de werkgever op grond van artikel 7:658 BW een ruime strekking heeft. Weliswaar is, zoals de Hoge Raad bij herhaling in het kader van artikel 7:658 BW heeft uitgesproken, met de zorgplicht van de werkgever niet beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, maar gelet op de ruime strekking van de zorgplicht kan niet snel worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Welke maatregelen op dit punt redelijkerwijs van de werkgever gevergd moeten worden, hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de werkzaamheden, de kenbaarheid van het gevaar, de kans op verwezenlijking daarvan en de ernst van de gevolgen, alsmede de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.

7.5.

Ingevolge artikel 7:658 lid 2 BW is het aan ROC als werkgever om aan te tonen dat zij, zoals zij heeft gesteld, aan haar zorgplicht heeft voldaan. Met inachtneming daarvan en van hetgeen onder rov. 7.4 voorop is gesteld, overweegt het hof dienaangaande het volgende.

7.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat de werkzaamheden waarbij [appellante] het ongeval is overgekomen, bestonden uit het begeleiden van het introductiekamp voor de eerstejaarsstudenten van het ROC. Het hof deelt het standpunt van ROC dat het struikelen over een scheerlijn van de tent aan de rand van het sportveld daarbij geen inherent veiligheidsrisico was.

7.7.

Voorts heeft ROC onbestreden naar voren gebracht dat [appellante] op de hoogte was van de situatie ter plaatse. Zij was in het voorgaande collegejaar ook als begeleider meegegaan met het introductiekamp. Dat vond toen plaats op dezelfde locatie en ook toen heeft zij een nachtdienst gedraaid. Bovendien heeft het ongeval plaatsgevonden gedurende de tweede nacht van het kamp. [appellante] heeft de slaaptent voor de docenten op het terrein zien staan. Zij was ermee bekend dat de tent scheerlijnen had (waarover men kan struikelen).

7.8.

ROC heeft maatregelen getroffen om de kans op verwezenlijking van het gevaar van struikelen over de scheerlijn van de tent ’s avonds of ’s nachts in het donker verkleinen. Ten eerste had ROC zaklampen ter beschikking gesteld (overigens is niet gebleken dat ROC specifiek ter voorkoming van het risico van struikelen over scheerlijnen zaklampen ter beschikking had gesteld; het ligt veeleer voor de hand dat zulks een veel ruimer doel had, te weten het bijlichten in allerlei daarvoor in aanmerking komende situaties, het struikelen over boomwortels, scheerlijnen of andere objecten daaronder begrepen). Ten aanzien van de stelling van [appellante] dat er onvoldoende zaklampen ter beschikking waren gesteld, overweegt het hof het volgende. Beide partijen gaan ervan uit dat [appellante] niet over een zaklamp beschikte toen zij de bewuste nacht na de waarschuwing van de eigenaresse van de kampeerboerderij eerst naar de camper en toen naar de tent is gelopen. Volgens [appellante] hadden enkel de docenten die in de tent liepen een zaklamp. Vast staat echter dat [appellante] is gestruikeld over de scheerlijn toen zij terugliep vanaf de tent. ROC heeft er terecht op gewezen dat [appellante] in de tent een zaklamp had kunnen krijgen voor de terugweg. Hierop stuit het betoog van [appellante] af dat ROC aansprakelijk is voor het feit dat de heer [ROC-werknemer 1] de ter beschikking gestelde zaklampen onjuist heeft gedistribueerd. Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat er onvoldoende zaklampen ter beschikking waren gesteld. Bovendien waren de scheerlijnen van fluorescerend materiaal. Ook was de tent geplaatst op een grondzeil dat zo groot was dat de haringen in het grondzeil waren geslagen zodat degene die de tent naderde kon horen dat hij of zij in de buurt van de tent kwam en dus alert moest zijn op scheerlijnen.

7.9.

In de geschetste omstandigheden kon in redelijkheid van ROC niet worden gevergd dat zij er toezicht op hield dat [appellante] op het bewuste moment alert(er) zou zijn op de aanwezigheid van de scheerlijnen of dat zij gebruik zou maken van een van de ter beschikking gestelde zaklampen. Zoals ROC heeft opgemerkt, zal over het algemeen de schade bij het struikelen over een scheerlijn niet ernstig zijn. [appellante] heeft niets concreets aangevoerd dat kan leiden tot het oordeel dat dit gelet op de situatie ter plaatse in dit geval anders te verwachten was.

7.10.

Voorts is het hof van oordeel dat van ROC in redelijkheid geen verdergaande maatregelen konden worden gevergd. Het behoort onder de bijzondere omstandigheden van dit geval niet tot de verplichting van ROC om ervoor zorg te dragen het kampeerterrein zodanig te verlichten dat ’s nachts de tent niet in het donker hoefde te staan, zoals door [appellante] betoogd. De hoeveelheid in de boerderij gehuisveste studenten, te weten 80, doet aan dit oordeel niet af. [appellante] heeft aangevoerd dat meer begeleiders hadden moeten worden ingezet, telefoonlijsten hadden moeten worden verspreid en communicatiemiddelen hadden moeten worden verstrekt door ROC. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt echter niet in te zien dat daardoor op het bewuste moment het ongeval zou zijn voorkomen. Voor zover [appellante] beoogt te betogen dat ROC het introductiekamp in redelijkheid zo had moeten organiseren dat zij ’s nachts in het geheel niet over het terrein had hoeven lopen, volgt het hof [appellante] niet in dat betoog. Overigens acht het hof het aantal van negen begeleiders in dit geval op zichzelf niet onvoldoende om toezicht te houden op de 80 studenten. Tot slot behoorde het onder de bijzondere omstandigheden van dit geval naar het oordeel van het hof niet tot de verplichting van ROC om ervoor zorg te dragen dat, zoals door [appellante] is betoogd, als aanvullende maatregelen (naast de fluorescerende scheerlijnen en het uitstekende grondzeil) de scheerlijnen ook nog werden gemarkeerd of afgezet of dat daarvoor werd gewaarschuwd.

7.11.

Het vorenstaande rechtvaardigt naar het oordeel van het hof de conclusie dat op basis van de door partijen aangedragen feiten ROC genoegzaam heeft aangetoond dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Gelet op het al hetgeen hiervoor is overwogen is van schending van enige andere wettelijke, ongeschreven of in de samenleving algemeen aanvaarde norm door ROC geen sprake. Dat brengt mee dat de eerste vijf grieven in principaal appel falen. De zesde grief in principaal appel heeft geen zelfstandige betekenis. Dit betekent dat de grieven in incidenteel appel geen bespreking behoeven.

7.12.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] worden veroordeeld in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep aan de zijde van ROC. De kosten van het incidenteel hoger beroep zullen worden begroot op nihil.

8 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda onder zaaknummer 686020 CV 11-7748 gewezen vonnis van 4 april 2012;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep, aan de zijde van ROC tot op heden begroot op € 666,-- aan vast recht en € 894,-- aan salaris advocaat, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit arrest en (voor het geval voldoening niet binnen 14 dagen na dagtekening van dit arrest plaatsvindt), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na dagtekening van dit arrest tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [appellante] in de nakosten ad € 131,-- dan wel, indien betekening van het arrest plaatsvindt ad € 199,-- en de eventuele verdere executiekosten;

verklaart de voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, A.P. Zweers-van Vollenhoven en J.P. de Haan en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 juli 2014.