Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2203

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
15-09-2015
Zaaknummer
MHD 200.060.283_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:1058
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:146
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:3569
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aannemingsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector civiel recht

zaaknummer MHD 200.060.283/01

arrest van 22 juli 2014

in de zaak van

Graanhandel [graanhandel] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

advocaat: mr. J. van Arkel,

tegen:

Algemene Onderneming [Construct] Construct N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] (België),

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

advocaat: mr. J.A. Platteeuw,

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 15 april 2014 in het hoger beroep van de door de rechtbank Middelburg onder zaaknummer/rolnummer 53124/HA ZA 06-291 tussen partijen gewezen vonnissen van 6 augustus 2008, 29 oktober 2008 en 28 oktober 2009.

6 Het verdere verloop van het geding

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 15 april 2014;

  • -

    de akte van [appellante] van 13 mei 2014 met een productie;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] van 10 juni 2014.

Partijen hebben arrest gevraagd.

7 De verdere beoordeling

In het principaal appel en in het incidenteel appel

7.1

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof overwogen dat vragen bestaan over de wenselijkheid van toepassing van Belgisch recht en dat onduidelijkheid bestaat over de inhoud daarvan. Om aan deze onduidelijkheid een einde te maken heeft het hof partijen twee mogelijkheden voorgehouden:

- ofwel beide partijen maken alsnog expliciet een keuze voor Nederlands recht (optie 1),

- ofwel het hof vraagt het Internationaal Juridisch Instituut om aan te geven in hoeverre de opvattingen over de inhoud van het Belgisch recht zoals opgenomen in de conclusies van 18 februari 2009 en 13 mei 2009 correct zijn en/of aanvulling behoeven (optie 2).

Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich hierover bij akte uit te laten, waarbij zij zich tevens konden uitlaten over de - eventuele - vraagstelling aan het Internationaal Juridisch Instituut. Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

7.2

In hun aktes hebben partijen zich niet uitgesproken voor optie 1, zodat optie 2 resteert.

[appellante] heeft in haar akte aangevoerd dat de informatie van de door haar ingeschakelde advocaat mr. K. Dehing over de inhoud van het Belgisch recht correcter, namelijk objectiever, is dan de informatie van de door [geïntimeerde] ingeschakelde advocaat mr. A. Gekhiere en dat wat [appellante] betreft volstaan kan worden met de informatie van mr. Dehing. [geïntimeerde] is het daar niet mee eens. Het hof stelt vast dat partijen op dit punt van mening (blijven) verschillen, zodat inschakelen van het Internationaal Juridisch Instituut is aangewezen.

[appellante] heeft in haar akte verder enkele suggesties gedaan voor de vraagstelling aan het Internationaal Juridisch Instituut. [geïntimeerde] kan zich daar niet in vinden, omdat volgens haar - kort gezegd - die suggesties te zeer uitgaan van de juistheid van de standpunten van [appellante] . Het hof acht het raadzaam het Internationaal Juridisch Instituut niet in die discussie te betrekken en zal zich daarom beperken tot de hiervoor aangegeven algemeen geformuleerde vraagstelling. Nader uitlaten over de vraagstelling, zoals [geïntimeerde] suggereert voor het geval daar niet bij zou worden aangesloten, is dan ook niet nodig.

7.3

Het hof heeft mr. dr. R.J. Blauwhoff van het Internationaal Juridisch Instituut bereid gevonden als deskundige op te treden. Het hof zal hem daartoe benoemen. Het hof zal de kosten van dit deskundigenonderzoek voorshands ten laste van beide partijen, ieder voor de helft, brengen.

7.4

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

8 De uitspraak

Het hof:

in het principaal appel en in het incidenteel appel

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de volgende vragen:

  1. kunt u aangeven in hoeverre de opvattingen over de inhoud van het Belgisch recht zoals opgenomen in de conclusies van 18 februari 2009 (met het bij akte van 13 mei 2014 overgelegde advies van mr.K. Dehing van 5 september 2006) en 13 mei 2009 (met de daarbij overgelegde adviezen van mr. A. Gekhiere van 6 en 7 mei 2009) correct zijn en/of aanvulling behoeven, met name maar niet uitsluitend met betrekking tot de kwesties van de fatale termijn, de al dan niet vereiste ingebrekestelling en de buitengerechtelijke ontbinding?

  2. wat acht u verder nog van belang om op te merken?

benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vraag/vragen:

mr. dr. R.J. Blauwhoff,

Internationaal Juridisch Instituut,

[adres] ,

[postcode] [plaats] ,

telefoon [telefoonnummer] ;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige toezendt;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van € 1.482,50, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

bepaalt dat ieder van partijen de helft van genoemd voorschot van € 1.482,50, derhalve € 741,25, binnen 2 weken na heden zal overmaken naar IBAN-rekeningnummer NL53 RBOS 0569 990572 ten name van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch onder vermelding van zaaknummer MHD 200.060.283/01;

verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

benoemt mr. B.A. Meulenbroek tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 18 november 2014 in afwachting van het deskundigenbericht;

bepaalt dat de zaak na ontvangst van het deskundigenbericht naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [appellante] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, B.A. Meulenbroek en M. van Ham en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 juli 2014.