Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2202

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
HD 200.082.970_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:3585
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:1291
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:2405
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:3063
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

brandverzekering; merkelijke schuld of opzet? ; deskundigenrapporten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.082.970/01

arrest van 22 juli 2014

in de zaak van

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.F.J.J.M. Tijssen te Roermond,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 18 september 2012, 26 februari 2013, 19 maart 2013, 14 mei 2013 en 16 juli 2013 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda onder zaaknummer 207999/HA ZA 09-1547 gewezen vonnis van 2 februari 2011.

23 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 16 juli 2013;

- het deskundigenbericht van ing. M.P. de Feijter (werkzaam bij Efectis Nederland BV) van augustus 2013 (hierna: deskundigenrapport 1);

- het deskundigenbericht van drs. J.N. Hendrikse (werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut) van 20 september 2013 (hierna: deskundigenrapport 2);

- de memorie na deskundigenbericht van Achmea;

- de antwoordmemorie na deskundigenbericht tevens houdende akte producties van [geïntimeerde].

Partijen hebben arrest gevraagd.

24 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

24.1.

Bij genoemd tussenarrest van 16 juli 2013 is bepaald dat een deskundigenonderzoek dient te worden verricht ter beantwoording van de in rechtsoverweging 21.4. van dat arrest (nogmaals) vermelde vragen, zoals eerder al geformuleerd als vragen 4 en 5 in het tussenarrest van 26 februari 2013 (r.o. 12.6.3.). Ter beantwoording van genoemde vragen 4 en 5 heeft het hof drs J.N. Hendrikse (werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut) benoemd tot deskundige.

24.2.

Genoemde vragen 4 en 5 luiden:

4. Kunt u in het bijzonder uw deskundige visie geven over het rapport van [expertise 2] en de daarin gehanteerde onderzoeksmethode?

5. a) Kunt u gemotiveerd aangeven of naar uw deskundige visie [expertise 2] op basis van het door haar verrichte onderzoek tot de bevindingen onder het kopje “Resultaat van het onderzoek” heeft kunnen komen?

b) Hebt u overigens nog opmerkingen die voor deze zaak van belang zijn?

24.3.

Eerder was al in het tussenarrest van 26 februari 2013 ing. M.P. de Feijter (werkzaam bij Efectis Nederland BV) als deskundige benoemd, ter beantwoording van de in dat arrest (r.o. 12.6.3.) geformuleerde vragen 1 tot en met 3 en 6 tot en met 11.

24.4.

Die vragen 1 tot en met 3 en 6 tot en met 11 luiden:

1. Kunt u op basis van alle op dit moment (nog) beschikbare gegevens uw deskundige visie geven op het rapport van [expertise 1], waarbij u tevens uw visie geeft op de gehanteerde onderzoeksmethode?



2. Kunt u gemotiveerd aangeven welke bevindingen in het rapport, weergegeven onder “5. Samenvatting en conclusie”, u wel deelt en welke niet?



3. Kunt u beoordelen in hoeverre de onderzoekers van [expertise 1] voldoende deskundigheid bezitten voor het door hen verrichte onderzoek en zo ja, wat is uw visie op dit punt?

6. Ten aanzien van de door [expertise 1] genomen (en door [expertise 2] onderzochte) brandmonsters:

a) Zou het naar de destijds geldende professionele standaard bij brandonderzoek gebruikelijk zijn geweest als er ten aanzien van de monstername meer specifiek was vermeld welke FT-normen in acht zouden zijn genomen? Wat is daarvan de relevantie voor deze zaak?

b) Zou het naar de destijds geldende professionele standaard bij brandonderzoek gebruikelijk zijn geweest indien er een identificatie- en reconstructiewaarde van de genomen monsters was vermeld? Wat is daarvan de relevantie voor deze zaak?

c) Acht u het mogelijk dat deze monsters gecontamineerd zijn door de schoonmaakwerkzaamheden die hebben plaatsgevonden in de woning vóór het nemen van de monsters?

Voor zover u daar bij beantwoording van de vorige vragen nog geen antwoord op heeft gegeven:

7. Wat is in uw deskundige visie de oorzaak van de brand en waarop baseert u dit?

a) met welke mate van zekerheid komt u tot deze conclusie?

Voor zover u daar bij beantwoording van vraag 7 nog geen antwoord op heeft gegeven en/of voor zover u op vraag 7 geen eenduidig antwoord heeft kunnen geven:

8. Acht u het mogelijk dat de brand is veroorzaakt door een technische oorzaak (buiten toedoen van [geïntimeerde] of een onbekende derde)?

a) Zo ja, door welke oorzaak en waarop baseert u dit?

b) Met welke mate van zekerheid komt u tot deze conclusie?

c) In hoeverre acht u het, gelet op alle beschikbare gegevens mogelijk dat de oorzaak van de brand samenhangt met de gaskachel?

d) In hoeverre acht u het, gelet op alle beschikbare gegevens mogelijk dat de door het schoonmaakbedrijf veilig gestelde elektronische apparaten een rol hebben gespeeld bij de brand?



9.Acht u het mogelijk dat de brand is veroorzaakt door een onbekende derde?

a) Zo ja, waarop baseert u dit?

b) Met welke mate van zekerheid komt u tot deze conclusie?

c) Hoe heeft deze derde volgens u de woning kunnen betreden?


10.Acht u het mogelijk dat de brand is veroorzaakt door [geïntimeerde]?

a) Zo ja, hoe heeft hij dat volgens u (eventueel) gedaan?

b) Waarop baseert u dit?

c) Met welke mate van zekerheid komt u tot deze conclusie?



11.Hebt u overigens nog opmerkingen die voor deze zaak van belang zijn?


24.5. Deskundige De Feijter (hierna: deskundige 1) vermeldt op p. 5 dat hij de werkwijze zoals omschreven in de internationaal gebruikte richtlijn NFPA 921 heeft gehanteerd. Naar het oordeel van het hof blijkt voorts uit deskundigenrapport 1 dat deskundige 1 alle hem ter beschikking staande informatie heeft onderzocht en de vragen duidelijk, gemotiveerd, consistent en overtuigend heeft beantwoord. Weliswaar plaatsen beide partijen kanttekeningen bij enkele antwoorden in deskundigenrapport 1 en/of zijn zij het met enkele antwoorden niet eens maar geen van beide partijen brengt algemene bezwaren tegen het rapport naar voren. Op grond van het voorgaande acht het hof deskundigenrapport 1 in beginsel bruikbaar als deskundigenrapport bij de beoordeling van het geschil. Hieronder volgt eerst een bespreking van de inhoud van deskundigenrapport 1, voor zover relevant (24.6.1. tot en met 24.6.7.), waarna een verdere beoordeling door het hof volgt (24.7.1. en 24.7.2.).

24.6.

Deskundige 1 komt, kort weergegeven, in deskundigenrapport 1 tot onder meer de volgende antwoorden en conclusies voor zover hier relevant.

24.6.1.

Ten aanzien van de vragen 1 en 3:

De door [expertise 1] gekozen onderzoeksmethode is niet duidelijk omschreven. De volgorde van onderzoek zoals die uit het rapport van [expertise 1] blijkt, lijkt niet correct. De indruk wordt gewekt dat conclusies al getrokken zijn voordat alle informatie verzameld en geanalyseerd is en dat conclusies niet gebaseerd zijn op feiten. De onderzoekers van [expertise 1] doen niets met de informatie dat de politie zaken uit de woning in beslag heeft genomen. Volgens

deskundige 1 mag van de onderzoekers van [expertise 1] voldoende deskundigheid verwacht worden. Hij kan echter niet beoordelen in hoeverre de onderzoekers van [expertise 1] hun kennis en kunde hebben bijgehouden.

24.6.2.

Deskundige 1 waardeert de methodologische kwaliteit van het rapport van [expertise 1] middels een door TNO ontwikkelde validiteits- en betrouwbaarheidstest als onvoldoende (zie deskundigenrapport 1 onder nr. 2., p. 11: 4,5 punten op een schaal van 10 voor de validiteit en 3,5 punten op een schaal van 10 voor de betrouwbaarheid).

24.6.3.

Ten aanzien van vraag 2:

Deskundige 1 deelt de conclusies van [expertise 1] dat zowel op de begane grond van de woning als op de eerste verdieping brand heeft gewoed en dat die brand op beide plaatsen beperkt is gebleven.

Volgens deskundige 1 is het brandverloop niet specifiek kenmerkend voor een op de vloer uitgegoten of gevloeide vloeistof.

Deskundige 1 heeft op de foto’s geen braakschade kunnen ontdekken en is van mening dat de woning niet via de gebroken keukenruiten binnengedrongen kan zijn. Deskundige 1 wijst er op, dat de achterdeur van de woning open bleek te zijn en dat die informatie ontbreekt in de conclusies van [expertise 1].

Deskundige 1 deelt niet de conclusie van [expertise 1] dat de brand opzettelijk is aangestoken; hij acht opzet niet aangetoond. Deskundige 1 is van mening dat menselijk handelen niet uit te sluiten is.

Hij concludeert dat een technische oorzaak het schadebeeld op de beschikbare foto’s niet kan verklaren.

Deskundige 1 onderschrijft de conclusie van [expertise 1], dat niet is vast komen te staan hoe de brand ontstoken is.

24.6.4.

Ten aanzien van vraag 7:

Deskundige 1 merkt op dat hij slechts op basis van foto’s en documenten kan bepalen wat de mogelijke oorzaak van de brand is. Op basis van deze relatief beperkte informatie sluit deskundige 1 een technische oorzaak, een natuurlijke oorzaak, een ongeval met de pan en zelfontbranding uit. Deze oorzaken verklaren volgens de deskundige niet de aangetroffen brandsporen en het daarbij behorende brandverloop. Voorts concludeert deskundige 1 (p. 15):

“De brand is vermoedelijk op twee plaatsen ontstaan. De volgorde en wijze van ontsteking is niet vast komen te staan. Het gebruik van een brandversnellend middel is niet uit te sluiten, maar op basis van de mogelijke vervuiling van sporen ook niet vast te stellen. Het door mensen bijbrengen van vuur kan niet uitgesloten worden. Opzet is niet aangetoond.”

24.6.5.

Ten aanzien van vragen 7a) en 8 a) tot en met d):

Deskundige 1 merkt nogmaals op dat hij slechts conclusies kan trekken op basis van zeer beperkte informatie en dat hij geen onderzoek ter plaatse heeft verricht. Beter gefundeerde conclusies hadden volgens deskundige 1 getrokken kunnen worden, indien in het rapport van [expertise 1] duidelijk was gemaakt wat de situatie na de brand en vóór het politie-onderzoek en de schoonmaak was.

Deskundige 1 acht het op basis van de beschikbaar gestelde informatie “waarschijnlijker dat de brand ontstaan is op twee verschillende plaatsen door het bijbrengen van vuur dan door een technische oorzaak” respectievelijk “door een technische oorzaak in de elektronische apparaten” (antwoorden op vragen 8a) respectievelijk 8d)).

Voorts acht deskundige 1 het “veel waarschijnlijker dat de brand is ontstaan op twee verschillende plaatsen door het bijbrengen van vuur dan door een oorzaak in of aan de gaskachel.“ (antwoord op vraag 8 c))

Deskundige 1 wijst er bij beantwoording van vraag 7 a) op dat, zoals [geïntimeerde] ook heeft aangevoerd, volgens de richtlijn NFPA 921 (zie ook hierboven 24.5.) een oorzaak die als “waarschijnlijk” wordt betiteld moet leiden tot de conclusie dat de oorzaak van de brand formeel niet is komen vast te staan.

24.6.6.

Ten aanzien van vraag 9:

Deskundige 1 vermeldt nogmaals dat de woning ten tijde van de brand niet afgesloten was, zodat een derde de woning zou hebben kunnen betreden. Verder merkt hij op dat [geïntimeerde] zelf gewond is geraakt door de brand en dus in de hal op de begane grond of de verdieping aanwezig moet zijn geweest. Hij concludeert daaruit dat [geïntimeerde] een derde dan ook gezien zou moeten hebben. Tevens merkt hij op dat het niet is uit te sluiten dat [geïntimeerde] zich hier niets van kan herinneren. Afsluitend concludeert deskundige 1 dat enige mate van zekerheid over de betrokkenheid van een derde niet gegeven kan worden.

24.6.7.

Ten aanzien van vraag 10 a) tot en met c):

Deskundige 1 concludeert dat de brand door [geïntimeerde] veroorzaakt kan zijn. Het is volgens deskundige 1 niet uit te sluiten dat [geïntimeerde] een licht ontvlambare vloeistof heeft uitgegoten of geknoeid en deze vloeistof op enige manier ontstoken heeft. Deskundige 1 merkt verder op dat damp van motorbenzine niet per ongeluk door middel van een sigaret ontstoken kan worden. Dit moet gebeuren middels een open vlam.

Deskundige 1 beantwoordt vraag 10 b) als volgt (p. 17):

“Het bovenstaande is slechts een hypothese. Om aan te tonen of de heer [geïntimeerde] daadwerkelijke de hand heeft gehad in het ontstaan van de brand had zijn kleding onderzocht moeten worden op de aanwezigheid van brandversnellende middelen en had vastgesteld moeten worden of hij een ontstekingsmechanische zoals bijvoorbeeld een aansteker voorhanden had.(…)”

Op vraag 10 c) antwoordt deskundige 1 dat er geen conclusie is getrokken maar slechts een hypothese is gesteld die niet bevestigd kan worden.

24.7.

Het hof overweegt over het bovenstaande als volgt.

24.7.1.

Naar het oordeel van het hof is de conclusie van deskundige 1 dat de methodologische kwaliteit van het rapport van [expertise 1] onvoldoende is, overtuigend. [geïntimeerde] onderschrijft deze conclusie en Achmea heeft tegen genoemde conclusie geen, althans geen onderbouwde bezwaren ingebracht. Aldus neemt het hof deze conclusie van deskundige 1 over en maakt deze tot de zijne. Tegen die achtergrond en gelet op de overtuigende beantwoording van onder meer vraag 2 (24.6.3.), neemt het hof ook de conclusie van deskundige 1 over dat opzet niet is aangetoond en dat niet is komen vast te staan hoe de brand ontstoken is.

24.7.2.

Voorts overweegt het hof als volgt. Uit bovenstaande beantwoording van de vragen in deskundigenrapport 1 komen wel aanwijzingen van brandstichting naar voren (zie met name 24.6.5). Echter, nog daargelaten de betwisting van die aanwijzingen door [geïntimeerde], geldt dat het hof de twee overtuigende conclusies van deskundige 1 overneemt dat: (i) de oorzaak van de brand formeel niet is komen vast te staan (24.6.5.) en (ii) onderzocht had moeten worden of op de kleding van [geïntimeerde] brandversnellende middelen aanwezig waren en of [geïntimeerde] over een ontstekingsmechanisme (bijvoorbeeld een aansteker) beschikte (24.6.7.). Dit punt (ii) acht het hof in het bijzonder relevant omdat het daarbij gaat om onderzoek naar de betrokkenheid van [geïntimeerde] bij een eventuele brandstichting. Dit geldt te meer, nu als onvoldoende onderbouwd betwist door Achmea vaststaat dat er in 2006 en 2007 in de regio [regio] diverse branden zijn gesticht (zie onder meer prod. 17 bij conclusie van repliek) en nu ook vaststaat dat de achterdeur van de woning tijdens de brand niet afgesloten was. Dat, zoals deskundige 1 concludeert, [geïntimeerde] een eventuele derde/brandstichter moet hebben gezien, staat naar het oordeel van het hof niet vast. In dat verband neemt het hof ook het geheugenverlies van [geïntimeerde] in aanmerking (zie tussenarrest van 18 september 2012, r.o. 8.12.1.).

Achmea heeft in haar memorie na deskundigenbericht niet betwist dat voornoemd onderzoek inzake de kleding van [geïntimeerde] en het beschikken over een ontstekingsmechanisme had moeten plaatsvinden om betrokkenheid van [geïntimeerde] vast te stellen. In de (deels door [expertise 1] opgestelde) reactie van Achmea op het concept-deskundigenbericht (bijlage C bij deskundigenrapport 1) heeft [expertise 1] opgemerkt dat: (a) dat voor een (technische) onderbouwing van de betrokkenheid van [geïntimeerde] inderdaad genoemd onderzoek (kleding, ontstekingsmechanisme) had moeten worden verricht, (b) dit direct na de brand had moeten gebeuren, (c) de politie daarvoor verantwoordelijk is en (d) dat niet bekend is of de politie dit ook heeft gedaan. In haar memorie van grieven heeft Achmea wel een algemeen bewijsaanbod gedaan. Echter, zij heeft noch in die memorie noch in haar memorie na deskundigenbericht specifiek te bewijzen aangeboden dat op de kleding van [geïntimeerde] brandversnellende middelen aanwezig waren en/of dat hij een ontstekingsmechanisme voorhanden had. Dit had gezien het voorgaande wel op haar weg gelegen.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat er sprake is van merkelijke schuld of opzet van [geïntimeerde] en dat aan verdere bewijslevering niet wordt toegekomen. Het risico dat aldus onbewezen blijft dat de brand door merkelijke schuld of opzet van [geïntimeerde] is ontstaan, rust op Achmea (zie ook r.o. 8.7.3. van het tussenarrest van 18 september 2012).

24.7.3.

Aan bovenstaand oordeel kan het antwoord op de vragen 4 en 5 niet afdoen. Deze vragen hebben betrekking op de bevinding van [expertise 2] dat in twee uit de woning genomen monsters (delen van de parketvloer en een deel van een houten kast en de stenen plint nabij de kast) motorbenzine aanwezig was. Ook indien het antwoord van deskundige 2 op vraag 5a zou luiden dat [expertise 2] tot die bevindingen heeft kunnen komen, dan zegt dat niets over de door Achmea gestelde betrokkenheid van [geïntimeerde] bij de eventuele brandstichting. Dit betekent dat de beantwoording van genoemde vragen niet langer relevant is voor de beoordeling van dit geschil.

24.7.4.

Ten overvloede overweegt het hof nog als volgt. Deskundige drs J.N. Hendrikse van het NFI (hierna: deskundige 2) heeft in deskundigenrapport 2 bij de beantwoording van vraag 5 b) te kennen gegeven dat het NFI in 2007 in opdracht van het Openbaar Ministerie diverse andere brandmonsters dan bovengenoemde monsters heeft onderzocht op de aanwezigheid van een brandversnellend middel. Deskundige 2 was daarbij betrokken als rapporteur over de uitkomst van dit laboratoriumonderzoek. Zij is van mening dat dit niet van invloed is op haar deskundigenonderzoek in het onderhavige civielrechtelijke geding omdat het gaat om andere monsters en omdat zij een onafhankelijke en onpartijdige positie inneemt als NFI-deskundige. Zij betrekt daarbij tevens de uitkomst van het strafrechtelijk traject.

Zoals ook uit deskundigenrapport 2 blijkt, heeft [geïntimeerde] in zijn reactie op het concept van deskundigenrapport 2 kenbaar gemaakt dat deze eerdere betrokkenheid van deskundige 2 in de weg staat aan objectieve, onvooringenomen, onpartijdige/onafhankelijke rapportage. In de antwoordmemorie na deskundigenbericht herhaalt [geïntimeerde] dit standpunt. Het hof acht deze twijfel van [geïntimeerde] aan de onpartijdigheid van deskundige 2 gerechtvaardigd. Een eerdere betrokkenheid van deskundige 2 bij sporenonderzoek in deze brand kan immers in de weg staan aan een onbevangen onderzoek en kan leiden tot bijvoorbeeld enige vooringenomenheid. Bovendien ging het in 2007 kennelijk om een vergelijkbaar onderzoek als het onderhavige. Blijkbaar beschikt deskundige 2 nog over de uitkomsten van dat onderzoek.

Gelet op het voorgaande, overweegt het hof voor alle duidelijkheid dat niet alleen de beantwoording van de vragen 4 en 5 niet langer relevant is maar dat het hof de inhoud van deskundigenbericht 2 geheel buiten beschouwing heeft gelaten en niet ten grondslag heeft gelegd aan de beoordeling van dit geschil.

24.8.

Op grond van al het bovenstaande, is Interpolis terecht veroordeeld om aan [geïntimeerde] conform de verzekeringsovereenkomst de schade te vergoeden die [geïntimeerde] heeft geleden door de brand en heeft de rechtbank ook terecht de daarop gerichte verklaring voor recht gegeven. De grieven 1 tot en met 7 in het principaal appel falen of kunnen niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.

24.9.

Ten aanzien van de wettelijke rente overweegt het hof als volgt. Uit de brief van Interpolis van 12 september 2007 (prod. 6 bij memorie van grieven in incidenteel appel) kan (nog) niet worden afgeleid dat Interpolis geen dekking zal verlenen. Zij vraagt in die brief immers om argumenten waaruit blijkt dat zij haar standpunt niet kan handhaven. Echter, naar het oordeel van het hof stelt [geïntimeerde] terecht dat hij uit de brief van Interpolis van 26 november 2007 (prod. 6 bij memorie van grieven in het incidenteel appel) heeft moeten afleiden dat Interpolis (definitief) geen dekking zou verlenen en aldus in de nakoming van de verzekeringsovereenkomst tekort zou schieten. Interpolis schrijft in die brief immers onder meer “(…) Uw brief van 30 oktober geeft geen aanleiding het ingenomen standpunt te herzien. (…)Wij menen op grond hiervan dat wij terecht een beroep doen op merkelijke schuld van onze verzekerd.(…)” Aldus is het verzuim ingevolge artikel 6:83 aanhef en onder c) BW op 27 november 2007 (de door [geïntimeerde] gestelde en door Achmea niet betwiste dag van ontvangst van bovengenoemde brief) zonder ingebrekestelling ingetreden. Dat de raadsman van [geïntimeerde] nadien toch een ingebrekestelling heeft verstuurd, kan hier niet aan afdoen. Grief 8 in het principaal appel faalt en de grieven 2 en 3 in incidenteel appel slagen. De wettelijke rente over de door Achmea uit te keren vergoeding zal worden toegewezen vanaf 27 november 2007.

24.10.

Het hof is, anders dan Achmea, van oordeel dat de door [geïntimeerde] bij vermeerdering van eis in hoger beroep gevorderde, door [X] gedeclareerde kosten ad € 2.500,-- in aanmerking komen voor toewijzing als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (artikel 6:96 lid 2 BW). Daarbij acht het hof niet relevant dat de factuur van [X] van 25 mei 2011 (prod. 9 bij memorie van grieven in het incidenteel appel tevens houdende akte vermeerdering van eis) aan de raadsman van [geïntimeerde] is geadresseerd, nog daargelaten dat [geïntimeerde] niet heeft kunnen reageren op de stellingen van Achmea op dit punt.

De gevorderde wettelijke rente over voornoemd bedrag zal worden toegewezen vanaf de datum van de memorie van grieven in het incidenteel appel (28 februari 2012), aangezien [geïntimeerde] niets heeft gesteld over een eerdere ingangsdatum.

24.11.

Tenslotte zullen de door [geïntimeerde] gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. [geïntimeerde] heeft niet onderbouwd dat er van zijn kant kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De door [geïntimeerde] gevorderde buitengerechtelijke kosten moeten dan ook worden aangemerkt als kosten die betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskosten een vergoeding plegen in te houden.

24.12.

De slotsom van al het bovenstaande luidt als volgt.

De grieven in het principaal appel falen of kunnen niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. Grief 1 in het incidenteel appel behoeft geen inhoudelijke behandeling meer en de grieven 2 en 3 in incidenteel appel slagen.

Het hof zal de vermelding over de wettelijke rente “met ingang van 10 december 2007” in nummer 4.2. van het dictum van het bestreden vonnis vernietigen, en zelf rechtdoende bepalen dat deze vermelding in nummer 4.2. van het dictum luidt: “met ingang van 27 november 2007”. Voorts zal het hof zelf rechtdoende oordelen dat nummer 4.2. van het dictum wordt als volgt wordt aangevuld: “veroordeelt Interpolis voorts om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 2.500,-- (declaratie [X] van 25 mei 2011), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 februari 2012”. Voor het overige zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd.

24.13.

Als de in hoger beroep zowel in principaal als in incidenteel appel overwegend in het ongelijk gestelde partij, wordt Achmea veroordeeld in de proceskosten in het principaal en in het incidenteel hoger beroep.

25 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt in nummer 4.2. van het dictum van het bestreden vonnis van de rechtbank Breda van 2 februari 2011 de vermelding (over de wettelijke rente) “met ingang van 10 december 2007”;

en zelf rechtdoende:

  • -

    oordeelt dat genoemde vermelding in nummer 4.2. van het dictum luidt: “met ingang van 27 november 2007”;

  • -

    oordeelt dat nummer 4.2. van het dictum van het bestreden vonnis als volgt wordt aangevuld: “veroordeelt Interpolis (Achmea) voorts om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 2.500,-- (declaratie [X] van 25 mei 2011), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 februari 2012”.

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

veroordeelt Achmea in de proceskosten van het hoger beroep in principaal appel en incidenteel appel, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 284,-- aan verschotten en op € 4.893,-- aan salaris advocaat (principaal appel) en € 815,50 aan salaris advocaat (incidenteel appel);

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. T. Rothuizen-van Dijk, L.R. van Harinxma thoe Slooten en P.M. Arnoldus-Smit en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 juli 2014.