Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2166

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
17-07-2014
Zaaknummer
HD 200.143.094_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering in conventie tot schorsing relatiebeding. Vordering in reconventie strekkende tot verzwaring relatiebeding met dwangsomveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0647
AR 2014/511

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.143.094/01

arrest van 15 juli 2014

in de zaak van

[Notarissen 1] Notarissen [vestigingsnaam] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. J.E. Jansen,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. S.M. Diepeveen-Goldhoorn,

op het bij exploot van dagvaarding van 3 maart 2014 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, in kort geding gewezen vonnis van 24 februari 2014 tussen appellante – hierna: [appellante] – als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, en geïntimeerde – hierna: [geïntimeerde] – als eiser in conventie en verweerder in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-\rolnummer 2691823 \ CV EXPL 14-415)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

- de memorie van antwoord.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

In hoger beroep kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

4.1.1.

[geïntimeerde], geboren op [geboortedatum] 1968, is krachtens een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op 15 juni 2006 in dienst getreden in de functie van notarisklerk bij De Novitaris B.V., waarin wijlen notaris mr. [wijlen notaris] zijn notarispraktijk uitoefende. Na het overlijden van mr. [wijlen notaris] in oktober 2012 is de praktijk met ingang van 1 januari 2013 overgenomen door [appellante].

4.1.2.

[appellante] is met [geïntimeerde] in januari 2013 een nieuwe arbeidsovereenkomst aangegaan (hierna: de arbeidsovereenkomst).

4.1.3.

De arbeidsovereenkomst bevat het volgende beding (hierna: het relatiebeding):

“Artikel 15 – Relatiebeding

Het is de werknemer verboden direct danwel indirect al dan niet tegen betaling werkzaamheden te verrichten voor cliënten van de werkgever gedurende een termijn van één jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Tijdens het dienstverband is het de werknemer verboden voor eigen rekening werkzaamheden te verrichten bij of indirect door tussenkomst van derden een belang te hebben bij relaties en cliënten van de werkgever zonder tussenkomst of afspraken met de werkgever.

Onder relaties in de zin van dit beding worden aangemerkt alle bedrijven en rechtspersonen die in de twee voorafgaande jaren tot de datum van het einde dienstverband of het tijdstip van een overtreding van dit beding tijdens het dienstverband met de werknemer of diens directe collega’s zakelijke contacten hebben onderhouden.

Bij overtreding van bovenstaand omschreven verbod verbeurt de werknemer ten behoeve van de werkgever een dadelijk opvorderbare boete van € 2.500,-- per overtreding en € 250,-- voor elke dag, dat de overtreding voortduurt, onverminderd zijn gehoudenheid tot betaling aan de werkgever van een volledige schadevergoeding te dezer zake, indien deze meer dan gemeld boetebedrag mocht belopen. In tegenstelling tot het in artikel 7:650 lid 3 BW bepaalde, komt de boete geheel ten goede aan de werkgever.”

4.1.4.

[geïntimeerde] heeft de arbeidsovereenkomst bij brief van 11 december 2013 tegen 1 maart 2014 opgezegd. Per die datum is [geïntimeerde] in dienst getreden van [Notarissen 2] Notarissen B.V. (hierna: [Notarissen 2]) te [vestigingsplaats], welk kantoor op 2,5 km afstand van het kantoor van [appellante] is gevestigd.

4.1.5.

Bij e-mailbericht van 18 december 2013 heeft [appellante] zich met een beroep op het relatiebeding verzet tegen de voorgenomen indiensttreding van [geïntimeerde] bij [Notarissen 2].

4.2.1.

[geïntimeerde] vordert in dit geding de werking van het relatiebeding met ingang van 1 maart 2014 te schorsen (en dus het beding te matigen) in dier voege dat het beding zich niet uitstrekt tot cliënten – zoals gemeenten, bank- en hypotheekinstellingen – van [appellante] die vóór 1 maart 20114 ook al cliënt zijn van [Notarissen 2] en dus in het verleden ook al niet exclusief door [appellante] werden bediend, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

4.2.2.

[appellante] heeft tegen deze vordering gemotiveerd verweer gevoerd. In reconventie vordert zij [geïntimeerde] te verbieden om gedurende de periode van 1 maart 2014 tot 1 maart 2015 op enigerlei wijze werkzaam te zijn voor cliënten van [appellante], zoals vermeld op de lijst welke als productie 4 door [appellante] is overgelegd, met uitzondering van de in de akte van [appellante] van 14 februari 2014 vermelde (rechts)personen, onder verbeurte van een aan [appellante] te betalen dwangsom van € 2.500,-- per overtreding en/of per dag of dagdeel dat de overtreding voortduurt, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.

4.2.3.

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep de werking van het relatiebeding met ingang van 1 maart 2014 geschorst in die zin dat het beding zich niet uitstrekt tot cliënten/relaties van [appellante] die voor 1 januari 2014 reeds cliënten/relaties zijn/waren van [Notarissen 2]. De kantonrechter oordeelde na belangenafweging voorshands dat [geïntimeerde] in verhouding tot het te beschermen belang van [appellante] door het relatiebeding onbillijk wordt benadeeld. Door de werking van het relatiebeding te schorsen als voormeld worden de belangen van [appellante] naar het voorshands oordeel van de kantonrechter niet benadeeld nu de schorsing cliënten/relaties betreft die reeds vóór indiensttreding van [geïntimeerde] door [Notarissen 2] worden bediend. De kantonrechter is bij zijn beoordeling veronderstellende wijs uitgegaan van de door [appellante] aan het relatiebeding gegeven uitleg, te weten dat onder de term “cliënten” verstaan dienen te worden alle bedrijven en rechtspersonen die in de twee voorafgaande jaren tot de datum van einde dienstverband met de werknemer of diens directe collega’s zakelijke contacten hebben onderhouden. De door [appellante] in reconventie gevorderde dwangsomveroordeling wees de kantonrechter af op de grond dat [geïntimeerde] reeds een boete verbeurt bij overtreding van het relatiebeding en [appellante] niet gemotiveerd heeft waarom óók een dwangsom opgelegd dient te worden. De kantonrechter heeft [appellante] veroordeeld in de proceskosten.

4.3.

[appellante] is van het vonnis (tijdig) in hoger beroep gekomen onder aanvoering van vier grieven. Grief 1 is gericht tegen het voorshands oordeel dat in verhouding tot het te beschermen belang van [appellante], [geïntimeerde] door het relatiebeding onbillijk wordt benadeeld. Grief 2 is gericht tegen de afwijzing van de door [appellante] gevorderde dwangsomveroordeling. Grieven 3 en 4 zijn gericht tegen achtereenvolgens de veroordeling van [appellante] in de proceskosten en, onder meer, de toewijzing van de gevorderde schorsing van het relatiebeding.

4.4.

Het hof is van oordeel dat partijen nog steeds een spoedeisend belang hebben bij de door hen gevraagde voorzieningen, welk belang aan de zijde van [geïntimeerde] erin is gelegen in het kader van zijn beroepsuitoefening op korte termijn duidelijkheid te verkrijgen over de gelding van het relatiebeding, en welk belang aan de zijde van [appellante] bestaat in het ter bescherming van haar bedrijfsdebiet voorkomen van schendingen van het relatiebeding door [geïntimeerde].

4.5.

Beoordeeld dient te worden of voldoende aannemelijk is dat de vorderingen van partijen in een eventuele bodemprocedure zullen worden toegewezen althans een zodanige kans van slagen hebben dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van voorzieningen zoals gevorderd.

Daarbij zal het hof partijen niet toelaten tot bewijslevering. Voor nader onderzoek naar de feiten is in deze kortgedingprocedure geen plaats. Dit dient zonodig te gebeuren in een eventuele bodemprocedure.

4.6.

Het hof stelt voorop dat op het onderhavige relatiebeding artikel 7:653 BW van toepassing is en dat de vordering van [geïntimeerde], zoals die in hoger beroep nog aan de orde is, dient te worden getoetst aan de maatstaf van het bepaalde in lid 2 van dat artikel. Ingevolge artikel 7:653 lid 2 BW kan de rechter het (rechtsgeldig overeengekomen) beding geheel of gedeeltelijk vernietigen op de grond dat, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld. In het kader van de belangenafweging van genoemd artikel dient enerzijds te worden afgewogen het belang dat de werkgever heeft bij handhaving van het beding tegen anderzijds het belang van de werknemer, in dier voege dat de werknemer door het beding niet onbillijk mag worden benadeeld. Het rechtens te respecteren belang van een werkgever bij een relatiebeding is het voorkomen van verlies van klanten bij beëindiging van de arbeidsrelatie met een werknemer en het voorkomen dat een werknemer door de kennis van de klanten of het klantenbestand van de ex-werkgever zichzelf (of zijn nieuwe werkgever) een positie verschaft waarbij sprake is van ongerechtvaardigd voordeel in het concurrerend handelen. Voorts geldt dat bij een relatiebeding de werknemer in beginsel niet wordt getroffen in zijn mogelijkheden om zijn functie (bij een andere werkgever) uit te oefenen zodat er, gelet op voormeld belang van de werkgever, in het algemeen minder snel aanleiding bestaat om een relatiebeding buiten toepassing te laten. De werknemer die zich beroept op onbillijke schending van zijn belangen bij handhaving van het relatiebeding zal dan ook gemotiveerd feiten en omstandigheden dienen te stellen die gehele of gedeeltelijke vernietiging van het beding rechtvaardigen.

4.7.

Het hof gaat ervan uit dat het relatiebeding rechtsgeldig is overeengekomen als bedoeld in artikel 7:653 lid 1 BW. [geïntimeerde] heeft gesteld dat hij is afgegaan op de uitleg die hem door de heer [voormalig kantoormanager bij Notarissen 1], destijds kantoormanager bij [appellante], bij het aangaan van het relatiebeding is gegeven en dat, waar die uitleg nu door [appellante] wordt betwist, het de vraag is of het beding wel rechtsgeldig is overeengekomen. In deze stellingen leest het hof niet een beroep op ongeldigheid of vernietigbaarheid van het beding in verband met de wijze van totstandkoming daarvan. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van een zodanig beroep in elk geval onvoldoende aangevoerd.

4.8.

In hoger beroep is niet bestreden de overweging van de kantonrechter in r.o. 5.5 dat partijen overeenstemming hebben over 1 januari 2014 als de in het kader van de gevorderde schorsing te hanteren peildatum. Daarmee is tussen partijen in hoger beroep in geschil of het in het relatiebeding neergelegde verbod tot het verrichten van werkzaamheden voor cliënten ook strekt tot bescherming van cliënten van [appellante] die vóór 1 januari 2014 ook al cliënt waren van [Notarissen 2] en dus in het verleden niet exclusief door [appellante] werden bediend, hierna ook: “gemeenschappelijke” of “niet-exclusieve cliënten”.

4.8.1.

De stelling van [geïntimeerde] dat hem destijds, door de heer [voormalig kantoormanager bij Notarissen 1], is meegedeeld dat het beding er alleen op bedoelde te zien dat hij niet actief cliënten van [appellante] zou mogen benaderen, laat het hof in het midden. Ook [geïntimeerde] gaat immers ervan uit dat het beding een ruimere strekking heeft en zich ertegen verzet dat [geïntimeerde] gedurende een termijn van één jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst werkzaamheden zal verrichten voor cliënten van [appellante], behoudens echter voor zover die cliënten (vóór 1 januari 2014) ook reeds cliënt waren bij [Notarissen 2] en in het verleden dus niet exclusief door [appellante] werden bediend. Daarbij heeft [geïntimeerde] gesteld dat hij geen enkele bedoeling heeft om bij [Notarissen 2] werkzaam te zijn ten behoeve van (exclusieve) cliënten van [appellante] (vgl. inl. dagv. onder IV.2).

4.8.2.

Met betrekking tot de vraag wat onder het begrip “cliënten” dient te worden verstaan, in het bijzonder of, zoals [appellante] stelt doch [geïntimeerde] betwist, daaronder zijn begrepen “relaties” als gedefinieerd in het relatiebeding, overweegt het hof als volgt. Door [geïntimeerde] is bij gelegenheid van het pleidooi in eerste aanleg (pleitnotities onder 1.1) alsmede in hoger beroep (mva onder IV.2) aangevoerd dat voor niet-ambtelijke handelingen de cliënt gelijkgesteld zal kunnen worden aan de opdrachtgever (degene die het kantoor kiest en de rekening gepresenteerd krijgt), en dat bij ambtelijke handelingen de notaris de belangen van beide partijen (bijvoorbeeld: koper/verkoper/ hypotheekinstelling) dient te behartigen en het begrip cliënt dus breder is en – kort gezegd – iedereen omvat die in een akte wordt vermeld, ook dus degenen (zoals banken, gemeenten en hypotheekinstellingen) die niet zelf de keuze van het kantoor bepalen. Het hof acht dit voorshands een redelijke uitleg van het begrip “cliënten”. Nu van de zijde van [appellante] voorts niet gemotiveerd is gesteld welke bedrijven en rechtspersonen, uitgaande van de door [geïntimeerde] voorgestane uitleg, in haar visie dan ten onrechte niet onder het in het relatiebeding, 1e alinea, neergelegde verbod vallen, zal het hof bij de verdere beoordeling dan ook uitgaan van bedoelde, door [geïntimeerde] bepleite uitleg.

4.8.3.

Het hof neemt in aanmerking dat het relatiebeding geen onderscheid maakt tussen exclusieve en niet-exclusieve (gemeenschappelijke) cliënten en daarmee dus de mogelijkheid openlaat dat ook niet-exclusieve cliënten onder bedoeld verbod vallen. Het hof gaat dan ook voorshands ervan uit dat het relatiebeding ook ziet op de in r.o. 4.8.2 bedoelde cliënten voor zover zij vóór 1 januari 2014 reeds door [Notarissen 2] en dus niet exclusief door [appellante] werden bediend, en dat juist daarin het belang van [geïntimeerde] bij zijn vordering is gelegen.

4.8.4.

Het hof overweegt ten aanzien van de gevorderde schorsing als volgt.

Volgens [geïntimeerde] heeft [appellante] geen rechtens te respecteren belang erbij om het relatiebeding ook te betrekken op gemeenschappelijke cliënten, zoals gemeenten, hypotheekverstrekkers, bankinstellingen en makelaars. Hij heeft daartoe aangevoerd dat deze cliënten bij allerlei verschillende notariskantoren in de regio voorkomen en vaak niet zelf de keuze voor een bepaald notariskantoor maken nu het meestal de koper/hypotheekgever is die die keuze maakt. Dit laatste is op zichzelf niet door [appellante] weersproken.

[appellante] heeft haar belang bij handhaving van het relatiebeding ook ten aanzien van gemeenschappelijke cliënten onderbouwd met een beroep op de directe concurrentie die zij van het nabijgelegen kantoor van [Notarissen 2] ondervindt en de reële vrees voor benadeling indien [geïntimeerde] zijn eerder bij (de rechtsvoorgangster van) [appellante] opgedane kennis en ervaring zal gaan inzetten ten behoeve van deze gemeenschappelijke cliënten bij [Notarissen 2]. Gelet op de hiervoor in r.o. 4.6 vermelde strekking van het relatiebeding is het hof voorshands van oordeel dat deze omstandigheden niet meebrengen dat het relatiebeding in de door [appellante] voorgestane zin moet worden gehandhaafd. Anders dan geldt ten aanzien van exclusieve cliënten kunnen gemeenschappelijke cliënten, bij gebreke van een door deze instellingen of ondernemingen gemaakte specifieke keuze voor een bepaald kantoor, niet zonder meer tot het te beschermen bedrijfsdebiet van de onderneming van de voormalig werkgever worden gerekend. Feiten of omstandigheden waaruit volgt dat deze cliënten (of een aantal daarvan) niettemin geacht moeten worden zich in het bijzonder te richten op de praktijk van [appellante] of dat daartoe in het verleden ook specifiek daarop gerichte acquisitie inspanningen zijn verricht, zijn in de onderhavige zaak niet gesteld of gebleken. Bij die stand van zaken valt niet in te zien welk redelijk doel is gediend met handhaving van het relatiebeding ten aanzien van die cliënten die vóór 1 januari 2014 ook reeds door [Notarissen 2] werden bediend. Dat de indiensttreding van [geïntimeerde] bij [Notarissen 2] ertoe kan leiden dat er mogelijk meer notariële zaken door (oorspronkelijk) gemeenschappelijke cliënten bij dat kantoor worden aangebracht, is naar het oordeel van het hof een normaal gevolg van vrije concurrentie waartegen het relatiebeding geen bescherming biedt of behoort te bieden. Dat [geïntimeerde] zichzelf of [Notarissen 2] een positie verschaft waarbij sprake is van ongerechtvaardigd voordeel in het concurrerend handelen, kan ten aanzien van het werken voor gemeenschappelijke cliënten in het onderhavige geval niet worden aangenomen.

Het hof acht daarbij verder van belang dat [geïntimeerde] in september 2013 zelf door [appellante] is aangeraden om in verband met de onzekere financiële positie van het kantoor uit te kijken naar een andere baan. Met betrekking tot de omstandigheden waaronder het beding is tot stand gekomen, is daarnaast in aanmerking te nemen dat er geen relatiebeding heeft gegolden gedurende de periode dat [geïntimeerde] werkzaam was voor De Notaris B.V. en dat het beding eerst in het kader van de overname van deze praktijk door [appellante] is bedongen en slechts korte tijd heeft gegolden in verhouding tot het aantal jaren dat [geïntimeerde] bij de rechtsvoorgangster van [appellante] werkzaam is geweest. Ten slotte is tussen partijen niet in geschil dat [geïntimeerde] zonder de gevorderde schorsing bij zijn huidige werkgever een groot aantal (regionale) klanten niet zal kunnen bedienen en dat hij daardoor in de uitoefening van zijn functie van notarisklerk bij [Notarissen 2] in belangrijke mate wordt belemmerd.

Op grond van het voorgaande is het hof dan ook voorshands van oordeel dat bij gebreke van een voldoende rechtens te respecteren belang van [appellante] [geïntimeerde] onbillijk door het relatiebeding wordt benadeeld voor zover het hem op grond van dit beding niet is toegestaan gedurende een jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij [Notarissen 2] werkzaam te zijn voor cliënten van [appellante] die vóór 1 januari 2014 ook al door [Notarissen 2] werden bediend. De overige door [appellante] nog aangevoerde omstandigheden, waaronder dat [geïntimeerde] voldoende mogelijkheden heeft om buiten het werkgebied van Peel en Maas werkzaam te zijn en dat aan [geïntimeerde] de mogelijkheid is geboden bij een andere vestiging van [appellante] werkzaam te zijn (vgl. e-mailbericht van 18 december 2013, vermeld hiervoor in rov. 4.1.5), zijn onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

4.9.

Het voren overwogene betekent dat grief 1 faalt. Ook grief 4 faalt, voor zover gericht tegen de schorsing van het relatiebeding.

4.10.

Ter onderbouwing van haar vordering tot het verbinden van een dwangsomveroordeling aan schending van het relatiebeding heeft [appellante] in hoger beroep aangevoerd dat zij een dubbele prikkel tot nakoming wenst te creëren om zo te bewerkstelligen dat het relatiebeding door [geïntimeerde] daadwerkelijk wordt nageleefd.

Het hof neemt in aanmerking dat op overtreding van het relatiebeding een boete is gesteld. Dat het relatiebeding ondanks deze boete reeds is overtreden, is niet gesteld en ook niet gebleken. [appellante] heeft verder onvoldoende gesteld om aan te nemen dat er sprake is van een reële kans dat [geïntimeerde] het relatiebeding zal overtreden. De enkele verwijzing naar het standpunt van [geïntimeerde] in de onderhavige procedure (vgl. eis in reconventie, p. 3) is daartoe in elk geval onvoldoende. Dat de contractuele boete een onvoldoende prikkel is tot nakoming kan dus niet worden aangenomen. Voor een extra prikkel door middel van oplegging van de gevorderde dwangsomveroordeling bestaat bij deze stand van zaken naar het voorshands oordeel van het hof dan ook geen grond.

Dit betekent dat grief 2 faalt.

4.11.

Het falen van de grieven 1 en 2 brengt mee dat ook grieven 3 en 4, gericht tegen (onder meer) de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, falen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen met verbetering van gronden, in die zin dat de daarin uitgesproken schorsing dus geldt ten aanzien van cliënten (als bedoeld in de hiervoor in r.o. 4.8.2 aangenomen uitleg) van [appellante], die vóór 1 januari 2014 reeds cliënten zijn/waren van [Notarissen 2]. Nu het verbod, neergelegd in (de eerste alinea van) het relatiebeding, naar het voorshands oordeel van het hof dus niet geldt voor bedrijven of rechtspersonen die niet vallen onder het begrip cliënten als bedoeld in de hiervoor in r.o. 4.8.2 aangenomen uitleg, heeft de door de kantonrechter uitgesproken schorsing ten aanzien van relaties verder geen zelfstandige betekenis. Het hof zal [appellante] veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, te vermeerderen met de nakosten.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, met verbetering van gronden op de wijze als vermeld hiervoor in r.o. 4.11;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 308,-- aan vast recht en op

€ 894,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep, en voor wat betreft de nakosten op

€ 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Aarts, W.H.B. den Hartog Jager en C.E.C.J. Ponsioen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 juli 2014.