Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:216

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
HD 200.120.334-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 3:40 lid 2 BW, door hogeschool gevraagde bijdragen in strijd met (strekking) WHW?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 40, geldigheid: 2014-02-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.120.334/01

arrest van 4 februari 2014

in de zaak van

1 [appellante 1.],
wonende te [woonplaats],

2. [appellante 2.],
wonende te [woonplaats],

3. [appellante 3.],
wonende te [woonplaats],

4. [appellant 4.],

wonende te [woonplaats],

5. [appellant 5.],

wonende te [woonplaats],

6. [appellante 6.],

wonende te [woonplaats],

appellanten in principaal appel, tevens geïntimeerden in incidenteel appel,

advocaat: mr. F.H. Barwegen te Utrecht,

tegen

Stichting Hogeschool Zuyd, ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in principaal appel, tevens appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. N.J.A.P.B. Niessen te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 25 juli 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector kanton locatie Heerlen gewezen vonnis van 25 april 2012 tussen appellanten – de studenten – als eisers en geïntimeerde – HZ – als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 380284/CV EXPL 10-4928)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgegane vonnis in incident van 15 december 2010, van welk vonnis bij vonnis van 26 januari 2011 van de kantonrechter tussentijds hoger beroep is opengesteld. Bij arrest van dit hof van 13 december 2011 (zaaknr. HD 200.084.095) is HZ niet ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen voormeld incidenteel vonnis voor zover dit was ingesteld tegen thans appellanten 2, 3 en 5 in principaal appel en is het vonnis in incident van 15 december 2010 ten aanzien van de overige eisers (thans appellanten 1, 4 en 6 in principaal appel) bekrachtigd.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven (met acht grieven en aanvulling grondslag van de eis);

- de memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van eis in het incidenteel appel (met vijf grieven);

- de memorie van antwoord in incidenteel appel (met een productie);

- het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;

- de bij brieven van 21 en 23 oktober 2013 door HZ toegezonden producties (in totaal drie producties) en de bij brief van 28 oktober 2013 door de studenten toegezonden producties (twee producties), die partijen bij het pleidooi in het geding hebben gebracht.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven in het principaal en het incidenteel appel wordt verwezen naar de respectieve memories van grieven.

4 De beoordeling

4.1.1. Het gaat in deze zaak om het volgende:

  1. De studenten (van wie ieder afzonderlijk zal worden aangeduid door toevoeging van het nummer dat in de aanhef van dit arrest voor zijn/haar naam is vermeld) zijn/waren student aan de Hoge Hotelschool Maastricht (verder: HHM). HHM maakt onderdeel uit van HZ. HHM is een door de overheid gefinancierde onderwijsinstelling die valt onder het regime van de Wet op het Hoger Onderwijs en wetenschappelijk Onderzoek (verder: WHW).

  2. In de voor het onderhavige geding relevante jaren was in art. 7.46 van de toenmalige WHW (thans art. 7.50 WHW) bepaald:

    “1. De inschrijving wordt niet afhankelijk gesteld van een andere geldelijke bijdrage dan de in de artikelen 7.43, eerste en tweede lid, 7.44, eerste lid en 7.45, eerste lid bedoelde bedragen.
    2. In afwijking van het eerste lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het instellingsbestuur van een hogeschool met het oog op de inschrijving voor een opleiding als bedoeld in de artikelen 7.26, tweede lid, en 7.26a, eerste lid, een bijdrage mag verlangen in de kosten die rechtstreeks verband houden met het onderwijs. De algemene maatregel van bestuur bepaalt op welke kostensoorten een dergelijke bijdrage betrekking kan hebben en welk bedrag ten hoogste gevorderd kan worden.
    3. Het instellingsbestuur treft voorzieningen tot financiële ondersteuning van degenen voor wie de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, een onoverkomelijke belemmering voor de inschrijving vormt. Het instellingsbestuur stelt nadere regels vast met betrekking tot de toepassing van het tweede lid en met betrekking tot de financiële ondersteuning, bedoeld in de eerste volzin.”
    De in lid 1 genoemde artikelen betreffen - voor zover in dit geval relevant - het door de studenten te betalen collegegeld. Een algemene maatregel van bestuur als vermeld in lid 2 is voor de HHM niet tot stand gekomen.

  3. In een brief van 26 juli 1989 (prod. 15 inl. dagv.) schrijft de minister van onderwijs en wetenschappen, drs. W.J. Deetman, aan de Colleges van Bestuur en de Centrale Directies van de Hogescholen met betrekking tot heffingen van de Hogescholen naast collegegeld:

    “(...) De Wet op het Hoger beroepsonderwijs (W.H.B.O.) gaat er duidelijk van uit dat in principe alle kosten verbonden aan het volgen van hoger beroepsonderwijs door de overheid gesubsidieerd worden. De enige financiële bijdrage van studenten die daar tegenover mag staan is het wettelijk vastgestelde collegegeld. (....)
    Niettemin is het mogelijk dat aan de door u aan studenten op vrijwillige basis aangeboden extra voorzieningen en activiteiten kosten verbonden zijn die in beginsel niet uit de rijksbijdrage betaald worden. Deze kosten kunt u aan studenten doorberekenen indien zij vooraf expliciet te kennen geven, dat zij van die voorzieningen gebruik wensen te maken. Voorbeelden van dergelijke additionele voorzieningen c.q. activiteiten zijn onder andere readers die komen in de plaats van boeken die anders door studenten zouden moeten worden aangeschaft. (...)
    Wat betreft dergelijke extra kosten biedt de W.H.B.O. u geen mogelijkheid die dwingend op te leggen aan studenten die aan uw instelling (gaan) studeren en kan er zeker geen sprake van zijn de inschrijving van een student aan uw instelling direct noch indirect van de betaling van een dergelijke extra bijdrage afhankelijk te stellen.. Evenmin kan een student in een dergelijk geval uitgesloten worden van (bepaalde) aan de inschrijving verbonden rechten. Ik wijs u er nogmaals met nadruk op dat u in uw informatie aan (de ouders van) studenten er op dient te wijzen dat het gaat om een vrijwillige, onverplichte bijdrage van studenten. Ten overvloede wijs ik u op het feit dat u de eventuele kosten voor additionele voorzieningen c.q. activiteiten duidelijk dient te specificeren opdat studenten een weloverwogen keuze kunnen maken of zij van deze voorzieningen al dan niet gebruik wensen te maken. De heffing en inning van het wettelijk vastgestelde collegegeld en de eventuele vrijwillige bijdrage voor additionele voorzieningen c.q. activiteiten dient dan ook volstrekt separaat te gebeuren (...). ”

  4. In een brief van 25 augustus 1994 over eigen bijdragen studenten (prod. 4 concl.v.antw.) schrijft de minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen, dr. ir. J.M.M. Ritzen, aan de colleges van bestuur en centrale directies van de hogescholen en universiteiten:

    “(...) Ik wijs u erop dat het bepaalde in die brief (hof: voormelde brief van 26 juli 1989) ... nog altijd onverkort van toepassing is op al het bekostigde hoger onderwijs dat onder de reikwijdte van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) valt. (....)
    1. Kosten die voortvloeien uit wettelijke verplichtingen die instellingen op grond van de WHH hebben en die derhalve niet mogen worden doorberekend aan studenten.
    (....)
    De kosten verbonden aan het verzorgen van onderwijs verdienen echter enige nuancering. Studenten worden geacht zelf de kosten van een aantal onderwijsbenodigdheden te dragen, zoals de kosten van boeken, materialen en bepaalde kosten verbonden aan praktica. In hoeverre kosten verbonden aan onderwijsvoorzieningen kunnen worden doorberekend is niet eenduidig aan te geven. De aard van de opleiding is hier bepalend of de kosten rechtstreeks voortvloeien uit de wettelijke taak van de instelling, dan wel vallen onder de kosten die kunnen worden doorberekend. (....)
    2. De kosten verbonden aan onderwijsbenodigdheden en bepaalde onderwijsvoorzieningen die mogen worden doorberekend aan studenten.
    Afhankelijk van de aard van de opleiding kunnen bepaalde kosten worden doorberekend doch uitsluitend op vrijwillige basis. De student moet kunnen beslissen of hij zelf bepaalde boeken aanschaft of dat hij deze betrekt van de instelling. (...) Waar bijvoorbeeld excursies, waar kosten aan verbonden zijn, een onderdeel uitmaken van het onderwijsprogramma moet de student een alternatief worden aangeboden. In een enkel uitzonderingsgeval is een alternatief niet mogelijk. Ik denk hierbij aan internaten en voedingspraktica.
    (....)
    3. Kosten verbonden aan extra diensten en voorzieningen die de student worden aangeboden al dan niet tegen betaling.
    Deze kosten houden geen rechtstreeks verband met het onderwijs. De student is vrij om al dan niet van deze diensten gebruik te maken. De instelling is vrij deze diensten al dan niet tegen betaling aan te bieden.
    (....) voorbeelden zijn festiviteiten, fonds studentenbelangen, faciliteitenfonds, gastsprekers, .., introductiedagen, ...
    (....)
    Voor zover eigen bijdragen worden gevraagd dienen de instellingen zorg te dragen voor adequate voorlichting terzake. (...) De heffing en inning dienen dan ook separaat te geschieden van de heffing en inning van het collegegeld. Dit om te voorkomen dat de indruk wordt gewekt dat de inschrijving afhankelijk wordt gesteld van de betaling van een eigen bijdrage. (...)
    (...) In algemene zin dient de hoogte van een bijdrage tezamen met de overige kosten voor leermiddelen in redelijke verhouding te staan tot de normvergoeding in de studiefinanciering. Mochten de kosten deze norm overschrijden dan zal, indien de desbetreffende student niet wenst in te gaan op de vraag om een vrijwillige bijdrage, en er sprake is van een activiteit of voorziening die deel uitmaakt van een verplicht onderdeel van de opleiding, hem een gelijkwaardig alternatief aangeboden moeten worden dat wel bij de desbetreffende norm past. Ook kan door de instelling financiële ondersteuning worden geboden aan studenten (...)”.

  5. In een brief van 3 februari 2009 van minister dr. Ronald H.A. Plasterk aan het College van Bestuur van HZ (prod. 3 bij de productie bij mem.v. antw. in inc. appel) schrijft de minister naar aanleiding van Kamervragen over extra vergoedingen voor voedingspractica en stages onder meer:

    ”(...) Een instelling moet de student na inschrijving alle voorzieningen bieden, waarop hij ingevolge de wet recht heeft (art. 7.34 WHW). (....) De werving van stageplaatsen maakt daarvan deel uit.
    Hoewel de wet duidelijk is over hetgeen tot de verplichtingen van een instelling behoort, wijst de praktijk uit dat het niet altijd mogelijk is een eenduidig antwoord te geven op de vraag welke kosten dan wel in rekening mogen worden gebracht. Ook in het verleden is daarover door enkele van mijn ambtsvoorgangers een uitspraak gedaan. Ik onderschrijf het door hen ingenomen standpunt. Dat behelst het volgende:
    - (...)
    - (...)
    - Als aan een onderdeel van de opleiding kosten zijn verbonden, moet de student een alternatief worden geboden. Slechts in een enkel uitzonderingsgeval kan geen alternatief worden geboden; daarbij gaat het bijvoorbeeld om voedingspractica. Dit betekent voor de door u aangeboden opleiding dat u voor het volgen van voedingspractica een vergoeding aan de studenten kunt vragen;
    - (...)
    De instelling dient elke keer dat men kosten in rekening wil brengen, de afweging te maken om welke soort activiteiten het gaat en of als het een onderdeel van de opleiding betreft, een alternatief geboden kan worden. Als extra kosten in rekening worden gebracht, moeten deze qua hoogte redelijk en billijk zijn en studenten moet desgevraagd financiële ondersteuning geboden worden. (.....).

  6. In een brief van 2 april 2009 (prod. 12 inl. dagv.) van de minister van onderwijs, cultuur en wetenschap, dr. R.H.A. Plasterk, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal naar aanleiding van Kamervragen over de door HZ aan studenten in rekening gebrachte kosten, schrijft de minister:

    “ (...) heb ik het college van bestuur van de hogeschool Zuyd bij brief van 3 februari jl. uiteengezet in welke gevallen een instelling een extra vergoeding kan vragen en onder welke voorwaarden dat kan plaatsvinden. Daarbij ben ik specifiek ingegaan op de voedingspractica, een van de activiteiten waarvoor de instelling wel een vergoeding kan vragen. Het is mogelijk dat ik in mijn antwoorden op de Kamervragen ten onrechte de indruk heb gewekt dat in het geval van voedingspractica ook een alternatief geboden moet worden.
    (...) Graag licht ik de strekking van deze brief hieronder toe.
    Het staand beleid met betrekking tot het vragen van een vergoeding van door de instelling gemaakte kosten, houdt in grote lijnen het volgende in:
    – Voor verrichtingen door de instelling die behoren tot de primaire taken, mag geen extra vergoeding worden gevraagd. Daaronder valt onder andere de werving van stageplaatsen;
    – Studenten worden verondersteld zelf de kosten van een aantal onderwijsbenodigdheden te dragen, zoals boeken en bepaalde kosten verbonden aan practica (bijvoorbeeld een veiligheidsbril);
    – Bepaalde kosten voor onderwijsbenodigdheden kunnen worden doorberekend, doch slechts op basis van vrijwilligheid. Een student moet zelf kunnen beslissen of hij zelf bepaalde boeken en materialen aanschaft of dat hij deze betrekt van de instelling;
    – Als aan een onderdeel van de opleiding extra kosten zijn verbonden, moet de student een alternatief worden geboden. Slechts in een enkel uitzonderingsgeval kan geen alternatief worden geboden; daarbij gaat het bijvoorbeeld om voedingspractica. Daarbij geldt tevens als argument dat het hier gaat om materiaal dat door de studenten wordt verbruikt (genuttigd) in tegenstelling tot andere materialen die worden gebruikt in het kader van een opleiding; de voeding die tijdens een voedingspracticum wordt gemaakt vervangt een maaltijd voor de student;
    – Ingeval van activiteiten en voorzieningen die geen deel uitmaken van de opleiding, vindt deelname daaraan respectievelijk gebruikmaking daarvan plaats op vrijwillige basis. Vanzelfsprekend geldt hetzelfde voor de daaraan verbonden kosten.
    De door de instelling in rekening te brengen extra kosten moeten qua hoogte redelijk en billijk zijn en studenten moet desgevraagd financiële ondersteuning geboden worden. Ook is het de taak van de instelling de (aanstaande) studenten op adequate en tijdige wijze te informeren over de aard en omvang van (mogelijk) extra kosten en de geboden alternatieven. (....).”

  7. In antwoord op Kamervragen verwijst staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart voorts op 16 april 2010 (prod. 5 bij de productie bij mem.v.antw. inc. appel) naar (onder meer) voormelde brief van 2 april 2009 en schrijft zij: “ (...) Daarin heb ik duidelijk aangegeven welke soorten kosten naar mijn mening aan de studenten doorberekend zouden mogen worden. Als de hotelschool zich daar niet aan houdt vind ik dat niet acceptabel, ongeacht de hoogte van de in rekening gebrachte extra kosten. Ik was op de hoogte van het feit dat de instelling studenten een bijdrage vraagt voor voedingspractica. Zoals in mijn brief aan uw Kamer van 2 april 2009 verwoord, vormt het voedingspracticum één van de uitzonderingen op de regel dat indien extra kosten in rekening worden gebracht, de instelling de student daarvoor een alternatief moet bieden. (...)”.

  8. De HHM bracht naast het collegegeld extra bijdragen in rekening voor:
    - de introductieweek en excursies in het eerste jaar resp. € 125,= en € 100,=),
    - het Four Seasons Restaurant in alle jaren (1e jaar € 660,= voor internen en € 330,= voor externen, 2e en 4e jaar € 165,= en 3e jaar € 330,=),
    - de praktijkstage in het tweede jaar en in het vierde jaar (2x € 275,=),
    - excursie derde jaar € 315,=).
    Voormelde gegevens zijn door HZ vermeld op haar website in een gespecificeerd overzicht van alle kosten voor de verschillende studiejaren (prod. 12 concl.v.antw.).

  9. HZ bracht de extra kosten bij afzonderlijke facturen aan de studenten in rekening (prod. 1 inl. dagv.). De studenten verklaarden zich bij een door hen ondertekende schriftelijke overeenkomst akkoord met de in het kostenoverzicht vermelde kosten en de bij factuur in rekening te brengen extra kosten (prod. 4 concl.v.dupliek, een door student 5 op 15-07-2005 ondertekende akkoordverklaring voor de extra kosten van het 1e studiejaar).

  10. Bij de eerste nota voor de vaste studentenbijdragen voor de HHM werd een toelichtende brief meegestuurd (prod. 2 inl. dagv.). In een brief d.d. december 2007 (voormelde productie) is onder meer vermeld:

    Vaste bijdrage practica

    (...) Tot de voorbereiding behoort een uitgebreid verplicht voedingspracticum. Dit is inherent aan de aard van de opleiding. Ten aanzien van aangeboden diensten wordt in beginsel de rechtsverhouding tussen een student en de Hoge Hotelschool Maastricht beheerst door regels van privaatrecht. Dat betekent dat daar naar keuze wel of niet gebruik van kan worden gemaakt. De voormalige Minister van Onderwijs en Wetenschappen Ritzen heeft echter bepaald dat in uitzonderingsgevallen, lees voedingspractica, geen alternatief kan worden aangeboden. Derhalve worden de kosten van de aangeboden dienst aan studenten in rekening gebracht. Uit deze bijdrage wordt o.a. de keukeninfrastructuur gefinancierd voor de bereiding van maaltijden voor en door studenten van de Hoge Hotelschool Maastricht. (....).”

  11. In een brief van 1 juni 2007 (prod. 3 inl. dagv.) schrijft de directeur van de HHM aan een student: “(...) Iedere student, behalve diegenen die op stage zijn, moet de vaste practica betalen. Iedere student betaalt dus zijn aandeel in de indirecte kosten en bij een maaltijdverstrekking betaalt de student alleen voor de foodcost. Het argument voor het meedragen door studenten aan de dekking van de indirecte kosten is dat bij onderbezetting op de indirecte kosten dit verschil doorberekend moet worden aan de maaltijdverstrekking deelnemende studenten dan wel gekort dient te worden op de uitgaven van het initiële onderwijs. (...).”

  12. Naar aanleiding van een brief d.d. 10 september 2007 van de studenten [student 1.] en [appellant 5.] over de vraag of de HHM wel practicumbijdragen en stagebijdragen aan de studenten in rekening mag brengen heeft het College van Bestuur van HZ hierover de mening van haar Ombudsman gevraagd. Deze heeft medio mei 2008 een rapportage uitgebracht over haar bevindingen gerapporteerd. In het rapport (prod. 7 inl. dagv.) is onder meer het volgende vermeld:

    “Bevindingen. In bijlage1 staat een overzicht van alle kosten die aan de studenten in rekening gebracht worden voor het studiejaar 2007/2008 uit de studiegids HHM. Aankomende studenten dienen een overeenkomst te ondertekenen dat zij akkoord gaan met de genoemde betalingsverplichtingen. Vervolgens worden ze per factuur geïnd. (...) Over blijft dan: 1. Vaste bijdragen voedingspractica 2. Excursies 3. Stagebijdragen voor praktijkstage en managementstage 4. Diversen zoals introductieweek en Funda uitreiking incl. verklaring Sociale Hygiëne.
    (...)
    Conclusies mbt de rechtmatigheid van de gevraagde betalingen (..)
    1. De vaste bijdragen voor voedingspractica, die zoals gezegd, bedoeld zijn om de voorzieningen om het voedingspracticum mogelijk te maken mogen niet worden doorberekend aan de student. Alleen kosten voor materialen die voor eigen gebruik zijn zoals messenset, speciale kleding en de inkoopkosten van de ingrediënten van de maaltijden die ze zelf gebruiken zijn voor rekening van de student. Zij kunnen niet verplicht worden deze via de school te betrekken.
    2. Kosten voor excursies mogen alleen worden doorberekend aan de studenten op vrijwillige basis. De opleiding wordt geadviseerd deze kosten op vrijwillige basis door te berekenen aan de studenten en een alternatief aan te bieden voor studenten die deze kosten niet vrijwillig willen betalen. (..)
    3. Kosten doorberekenen die bedoeld zijn voor de totstandkoming en instandhouding van reguliere onderdelen van een opleiding zoals de stage is niet toegestaan. Daarvoor dient de overheidsbekostiging. Wel kunnen bijkomende diensten zoals het aanvragen van een visum, het regelen van beurzen in rekening gebracht worden, op vrijwillige basis.
    (...).”

4.1.2. De studenten hebben in eerste aanleg teruggave gevorderd van door hen betaalde vaste bijdragen voor voedingspractica, stagebijdragen, excursies en kosten introductieweek en Funda uitreiking. Zij stelden dat zij de desbetreffende bedragen onverschuldigd hebben betaald. Zij hebben zich daartoe beroepen op de nietigheid dan wel vernietigbaarheid van hun akkoordverklaring met die bijdragen op grond van art. 3:40 lid 1 of lid 2 BW dan wel de vernietigbaarheid van de desbetreffende overeenkomsten op grond van dwaling als voorzien in art. 6:228 lid 1 sub a en sub c BW.

4.1.3. De kantonrechter heeft het beroep van de studenten op vernietigbaarheid op grond van art. 3:40 lid 2 BW gegrond bevonden ten aanzien van de overeengekomen kosten voor het voedingspracticum. De kantonrechter achtte de vorderingen van de studenten, voor zover die bijdragen betreffende gegrond doch achtte de gevorderde bedragen slechts toewijsbaar voor zover betaald in een periode van drie jaren vóór de dagvaarding in eerste aanleg. Voor het eerder betaalde achtte de kantonrechter het beroep op verjaring van HZ gegrond. De kantonrechter verwierp het verweer van HZ dat die vorderingen dienden te worden verrekend met een aan HZ toekomende vergoeding voor het genot dat de studenten van de door HZ geleverde diensten hebben gehad.

Het vonnis waarvan beroep resulteerde erin dat werd toegewezen: aan student 1 een bedrag van € 480,=, aan student 2 een bedrag van € 545,70, aan student 3 een bedrag van € 645,= en aan student 4 een bedrag van € 322,50.

4.1.4. De studenten hebben in principaal appel tegen de beslissing van de kantonrechter acht grieven aangevoerd en aan hun vorderingen aanvullend ten grondslag gelegd dat HZ jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld en op die grond de gevorderde bedragen bij wege van schadevergoeding verschuldigd is.

4.1.5. HZ heeft ten aanzien van de studenten 2, 3 en 5 in de eerste plaats aangevoerd dat zij in hun hoger beroep niet ontvankelijk dienen te worden verklaard nu hun vorderingen lager zijn dan het voor de appellabiliteit van de beslissing in eerste aanleg vereiste beloop van de vordering van € 1.750,= (art. 332 Rv). HZ heeft de vorderingen van de studenten ook voor wat betreft de in hoger beroep geponeerde aanvullende grondslag gemotiveerd betwist. Zij heeft verder in incidenteel appel vijf grieven tegen het vonnis van de kantonrechter van 25 april 2012 aangevoerd.

4.2.1. Het beroep van HZ op de niet ontvankelijkheid van de studenten 2, 3 en 5 is gegrond. Het hof zal het principaal en het incidenteel appel verder alleen bespreken voor zover dit de andere studenten betreft. Het hof gaat er daarbij vanuit dat HZ het incidenteel appel ook alleen heeft willen richten tegen de in het principaal appel ontvankelijke appellanten, de studenten 1, 4 en 6.

4.2.2. Het hof zal de grieven in het principaal en het incidenteel appel hieronder ten dele gezamenlijk behandelen.

4.3.1. Het hof stelt voorop dat het enkele sluiten van een privaatrechtelijke overeenkomst tussen HZ en de studenten waarbij de studenten instemmen met het betalen van een vergoeding voor van HZ/HHM af te nemen diensten of activiteiten als zodanig niet in strijd is met het bepaalde in art. 7.46 (oud) WHW. Een dergelijke overeenkomst kan wel naar haar strekking in strijd komen met voormelde wettelijke bepaling indien daarbij betalingen door studenten worden overeengekomen voor zaken waarvoor de vergoeding in het collegegeld begrepen moet worden geacht en/of indien de inschrijving voor de HHM van het aangaan van een dergelijke overeenkomst afhankelijk wordt gesteld.

4.3.2. HZ heeft gemotiveerd betwist dat zij de inschrijving voor de HHM afhankelijk heeft gesteld van ondertekening door de studenten van een akkoordverklaring met de jaarlijks te betalen bedragen. De studenten hebben hier tegenover geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat dit wel het geval is geweest. De studenten hebben dienaangaande niet meer gesteld dan dat die indruk bij hen is gewekt en dat HZ hen er nimmer uitdrukkelijk op heeft gewezen dat het hun vrijstond de aan hen voorgelegde akkoordverklaring met de voor enig jaar door HHM in rekening te brengen kosten - naast het collegegeld een aantal bij separate facturen aan de studenten in rekening te brengen bedragen - al dan niet te ondertekenen. Dat is echter onvoldoende voor de conclusie dat HZ de inschrijving wel, in strijd met art. 7.46 (oud) WHW, van enige andere geldelijke bijdrage afhankelijk heeft gesteld, naar de studenten overigens zelf ook concluderen op p. 6 van de conclusie van repliek.

In het navolgende zal het hof het beroep van de studenten op de vernietigbaarheid van de overeenkomsten van akkoordverklaring op grond van art. 3:40 lid 2 BW verder beoordelen in verband met de vraag of en in hoeverre in die overeenkomsten bijdragen zijn overeengekomen die in strijd met de strekking van art. 46 WHW moeten worden geacht.

4.3.3. Het hof overweegt dat tussen partijen niet ter discussie staat dat, indien en voor zover enige overgekomen bijdrage strijdig mocht zijn met de strekking van art. 7.46 (oud) WHW, dit voor de studenten een grond voor vernietiging van de overeenkomst oplevert als voorzien in art 3:40 lid 2 BW.

4.3.4. In r.o. 8 van het beroepen eindvonnis van 25 april 2012 formuleert de kantonrechter - voor het geval van een vernietigingsgrond ex artikel 3:40 BW - het juiste uitgangspunt voor de verjaring van een vordering tot vernietiging van een rechtshandeling: drie jaren nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen, aan degene aan wie deze bevoegdheid toekomt, ten dienste is komen te staan (art. 3:52 lid 1 onder d BW). Met HZ is het hof van oordeel dat de verjaringstermijn voor een beroep op nietigheid/ vernietigbaarheid van een overeenkomst op grond van art. 3:40 lid 2 BW een aanvang neemt op het moment dat de overeenkomst is aangegaan. Vanaf dat moment staat het middel ten dienste aan degene die daarop een beroep kan doen. Het gaat hier niet om een vordering tot schadevergoeding, voor de aanvang waarvan bij de gerechtigde (daadwerkelijke) bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon is vereist, zodat de verwijzing door de studenten naar rechtspraak daarover niet relevant is. Overigens merkt de kantonrechter bij haar verwijzing naar een van die arresten (NJ 2012, 193) terecht op dat de Hoge Raad in dat - wel op schadevergoeding betrekking hebbende - arrest eveneens overweegt dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn daadwerkelijke bekendheid van de benadeelde met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden niet is vereist.

4.3.5. Het hof verwerpt het in hoger beroep door de studenten gevoerde verweer dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht dat het beroep van HZ op verjaring wordt geaccepteerd. Het hof stelt daarbij voorop dat bij een buiten toepassing laten van een wettelijke regel grote terughoudendheid moet worden betracht. Dit geldt temeer indien het gaat om wettelijke bepalingen waarbij maatstaven van redelijkheid en billijkheid al een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van die bepalingen, zoals bij de wettelijke bepalingen inzake verjarings- en vervaltermijnen. Bij dergelijke termijnen is enerzijds meegewogen het belang van de rechtszekerheid, het belang dat op enig moment kan worden uitgegaan van hetgeen in het verleden zijn beslag heeft gekregen, en anderzijds het belang van een betrokkenen bij een voldoende lange termijn om een rechtshandeling wegens onregelmatigheden te kunnen aantasten. Een dergelijke terughoudendheid is, mede gelet op het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad (NJ 2012, 193), te meer geboden in een geval als het onderhavige waarin de studenten zich ten gevolge van rechtsdwaling niet eerder op de vernietigingsgrond van art. 3:40 lid 2 BW hebben beroepen.

4.3.6. De studenten stellen, kort samengevat, dat het beroep van HZ op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht omdat hun rechtsdwaling is veroorzaakt doordat HZ haar informatieplicht heeft verzaakt en aan hen bewust misleidende informatie heeft verstrekt. Nog afgezien van de vraag of een dergelijke omstandigheid in het geval van rechtsdwaling voldoende zwaarwegend kan worden geacht om het beroep op verjaring van HZ naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten, hebben de studenten naar het oordeel van het hof onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan tot enige bewuste misleiding van de studenten door HZ kan worden geconcludeerd. Anders dan in de uitspraak van de kantonrechter Den Haag in een tegen de Hogere Hotelschool Den Haag ingestelde procedure waarnaar door de studenten wordt verwezen - waarin de inschrijving aan de school, althans volgens de tekst van het Studentenstatuut, afhankelijk werd gesteld van de ondertekening door de studenten van een instituutsverklaring waarin zij zich verplichtten tot betaling van additionele kosten - heeft HZ een dergelijke koppeling niet aangebracht. HZ heeft ten behoeve van de door haar gevraagde extra bijdragen privaatrechtelijke overeenkomsten met de studenten gesloten en, zoals in de brieven van de ministers van 1989 en 1984 geadviseerd, de heffing en inning van de extra bijdragen separaat gedaan ‘om te voorkomen dat de indruk wordt gewekt dat de inschrijving afhankelijk wordt gesteld van de betaling van een eigen bijdrage’. Door HZ is voorts duidelijk aangegeven voor welke activiteiten zij welke bijdragen vroeg. Door de studenten is niet, althans onvoldoende, gesteld dat HZ bijdragen zou hebben gevraagd waarvan zij wist dat zij deze niet boven het collegegeld van de studenten mocht vragen. Uit het verweer van HZ blijkt daarentegen dat zij van alle door haar - via de privaatrechtelijke overeenkomst - gevraagde extra bijdragen ervan is uitgegaan dat zij deze kon vragen omdat het ofwel bijdragen waren voor extra, niet verplicht af te nemen, voorzieningen ofwel kosten voor wel verplicht af te nemen voorzieningen die mogen worden doorberekend aan de student omdat een alternatief daarvoor niet goed mogelijk is. Voor zover een of meer van de extra bijdragen in strijd met de strekking van art 7.46 (oud) WHW moet(en) worden geacht, is onvoldoende gesteld en niet gebleken dat HZ dat heeft geweten of moeten weten en bewust voor de studenten heeft verzwegen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat, zoals blijkt uit de verschillende brieven van de ministers over dit onderwerp, de vraag welke kosten wel of niet aan studenten mogen worden doorberekend niet altijd eenvoudig te beantwoorden is. Een aan de studenten bewust onthouden zijn van essentiële informatie en/of misleiding door HZ is naar het oordeel van het hof dan ook onvoldoende gesteld of gebleken.

4.3.7. Op grond van het voorgaande heeft de kantonrechter ten aanzien van het beroep op artikel 3:40 BW terecht geoordeeld dat de vorderingen van de studenten ten dele zijn verjaard. In zoverre faalt grief 8 in het principaal appel. De kantonrechter is weliswaar, naar HZ in grief 4 in het incidenteel appel terecht heeft opgemerkt, ten onrechte uitgegaan van de betalingsdata als aanvang van de verjaringstermijnen doch nu HZ in incidenteel appel aan haar grief geen concrete andere data heeft verbonden waarvan zou moeten worden uitgegaan in plaats van de door de kantonrechter tot uitgangspunt genomen data, zal het hof ook van deze data uitgaan.

4.4.1. In grief 1 in het principaal appel betwisten de studenten het oordeel van de kantonrechter dat zij de overeenkomsten ter zake de verschillende bijdragen vrijwillig hebben ondertekend. Deze grief faalt, zoals het hof in r.o. 4.3.2 al heeft overwogen.

Aan de vrijwilligheid van de ondertekening doet niet af dat de studenten de overeenkomsten mogelijk hebben ondertekend in de veronderstelling dat het HZ vrij stond om de desbetreffende bedragen aan hen in rekening te brengen. Indien en voor zover zij de overeenkomsten vanuit een onjuiste veronderstelling zijn aangegaan, brengt dit hooguit mee dat zij zich op een vernietigbaarheid van de overeenkomsten op grond van dwaling kunnen beroepen of van HZ, indien haar ter zake onrechtmatig handelen kan worden verweten, schadevergoeding kunnen vorderen zoals zij in hoger beroep nader hebben gedaan.

Aan hun vordering op deze laatste grondslag hebben de studenten overigens geen andere feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd dan aan hun beroep op de vernietigbaarheid van de overeenkomsten op grond van art. 3:40 lid 2 BW en/of wegens dwaling.

4.4.2. Daarmee resteert de vraag of HZ, gezien de inhoud van de brieven van de ministers van 1989 en 1994, de studenten in voldoende mate heeft geïnformeerd dat ‘het gaat om een vrijwillige bijdrage’. Naar het oordeel van het hof dient de hiervoor gerelateerde opmerking in de brieven van de ministers te worden gezien in verband met het onderscheid wettelijk verplicht collegegeld enerzijds en extra bijdragen die hogescholen alleen met instemming van de studenten door middel van een private overeenkomst met de studenten overeen kunnen komen. De vrijwilligheid en onverplichtheid van de bijdragen doelt op de afhankelijkheid van instemming van de studenten met afname van de voorzieningen en/of activiteiten waarvoor de hogeschool de extra bijdragen vraagt. Door de studenten is niet gesteld dat zij de desbetreffende voorzieningen en/of activiteiten niet zouden hebben willen afnemen, zij stellen alleen dat zij voor die voorzieningen en/of activiteiten niet de verschuldigdheid van een extra bijdrage zouden hebben geaccepteerd voor zover die extra bijdrage in strijd met de strekking van art.7.46 (oud) WHW moet worden geacht. In zoverre hebben de vorderingen van de studenten op grond van (rechts)dwaling dan wel onrechtmatig handelen van HZ naast het beroep op de vernietigbaarheid van de overeenkomst op grond van art. 3:40 lid 2 BW geen zelfstandige betekenis. Indien en voor zover het door HZ vragen van die bijdragen in strijd was met de strekking van de WHW, is de overeenkomst vernietigbaar op grond van art. 3:40 lid 2 BW en is het beroep op dwaling dan wel onrechtmatig handelen van HZ verder niet relevant.

4.4.3. Gezien het voorgaande faalt grief 2 in het principaal appel. De vraag of HZ duidelijker informatie had moeten en kunnen verstrekken over het vrijwillige karakter van - tegen extra bijdragen af te nemen - extra voorzieningen, is voor het beroep van de studenten op de vernietigbaarheid van de overeenkomsten niet relevant, nu het beroep op dwaling van de studenten - het geaccepteerd hebben van bijdragen die zij niet zouden hebben geaccepteerd als hun erop zou zijn gewezen dat zij op grond van de WHW niet tot die bijdragen verplicht waren - een omstandigheid betreft (het overeengekomen zijn van een bijdrage in strijd met de WHH) waarvoor in art. 3:40 lid 2 BW een grond voor vernietigbaarheid is gegeven.

4.5.1. De bijdragen waarvan de studenten stellen dat HZ deze in strijd met de strekking van de WHW aan hen in rekening heeft gebracht en waarvan zij de terugbetaling vorderen op grond van onverschuldigde betaling (met een beroep op de vernietigbaarheid van de overeenkomsten ten aanzien van deze bijdragen) betreffen, voor zover in het principaal en incidenteel hoger beroep nog van belang, de volgende:

- studente 1: practicabijdragen (3x € 160) en stagebijdrage 4e jaar (€ 275)

- student 4: practicabijdragen (€ 160 en € 162,50), excursie module 10 (€ 295,9
praktijkstage en managementstage (2x € 275)

De vordering van studente 6 in eerste aanleg bevatte, naar de kantonrechter kennelijk over het hoofd heeft gezien, mede een voor een factuur d.d. 25-10-2007 betaald bedrag voor de Funda uitreiking incl. SHV-verklaring (€ 77,92), van welke factuur mag worden aangenomen dat de betalingsdatum na de factuurdatum en derhalve na 20 mei 2007 heeft gelegen. Nu tegen het oordeel van de kantonrechter, dat alle vorderingen van studente 6 zijn verjaard, op dit punt geen afzonderlijke grief is aangevoerd en evenmin is gegriefd tegen het feit dat de kantonrechter zich omtrent kosten van deze aard niet heeft uitgelaten, acht het hof de vordering van voormeld bedrag en de grondslag van die vordering in hoger beroep niet meer aan de orde. Het hof zal de grieven in het principaal en het incidenteel appel hierna alleen nog bespreken ten aanzien voormelde practicabijdragen en stagebijdragen en de excursie module 10.

4.5.2. Het hof vat ten aanzien van de vergoedingen die al dan niet van de studenten naast het collegegeld mogen worden verlangd samen:

1) geen vergoeding van kosten mag worden gevraagd voor verplichtingen die de school heeft op grond van de WHW; welke wettelijke verplichtingen een school heeft hangt mede afhangen van de aard van het onderwijs (bij een hotelschool hoort een keukenvoorziening). Wel voor rekening van de student komen de kosten van een aantal onderwijsbenodigdheden als boeken, materialen en bepaalde kosten verbonden aan practica.
2) kosten voor onderwijsbenodigdheden en bepaalde onderwijsvoorzieningen die mogen worden doorberekend aan de studenten:

( i) de onder 1 bedoelde benodigdheden indien de school die aanbiedt, doch de school mag de student niet verplichten tot afname via de school
(ii) tenzij het gaat om zaken waarvoor een buiten de school om door de student aan te schaffen alternatief niet goed mogelijk is (kosten voor internaten en voedingspractica).

3) wel kan een vergoeding worden gevraagd voor extra faciliteiten en activiteiten die door de school worden aangeboden, maar alleen als het gaat om niet verplicht af te nemen voorzieningen en activiteiten.

4.5.3. Het geschil tussen de studenten en HZ over bijdragen die HZ wel of niet - via een privaatrechtelijke overeenkomst - naast het collegegeld van de studenten mag vragen is in belangrijke mate te herleiden tot een verschillende uitleg die door elk van hen wordt gegeven aan de uiteenzettingen van de ministers van onderwijs hierover in de in r.o. 4.1.1 gerelateerde brieven van 1989, 1994 en 2009. Dat die uiteenzettingen ruimte laten voor verschillende interpretaties, komt ook tot uitdrukking in het rapport van de Ombudsman van HZ. Op p. 7 van dat rapport vermeldt de Ombudsman dat in de brief van de minister van 25 augustus 1994 de werving van stageplaatsen wordt genoemd onder de kosten van categorie 1) maar dat men ook zou kunnen aanvoeren dat zij vallen onder categorie 2) aangezien daar het rijtje ‘excursies, werkweken, stages’ wordt genoemd.

4.5.4. De studenten lijken bij hun benadering ervan uit te gaan dat, indien enige activiteit een verplicht onderdeel van de studie is, daarmee is gegeven dat die activiteit tot de wettelijke verplichtingen van de school behoort en de school daarom voor die activiteit geen extra bijdrage van de studenten mag vragen. Naar het oordeel van het hof gaat die benadering er echter aan voorbij dat een onderwijsinstelling ook in verband met wettelijke verplichte onderdelen van een studie een student meer aan voorzieningen kan bieden dan waartoe zij wettelijk is gehouden en waarvoor de rijksbijdrage een vergoeding insluit. Naar het oordeel van het hof gaat het bij de onder 2) geformuleerde kosten om dergelijke voorzieningen, te weten voorzieningen waartoe de school niet wettelijk verplicht is die te bieden (en waarvoor zij de rijksbijdrage ontvangt) maar die zij wel biedt en die onderdeel uitmaken van haar onderwijsconcept en die niet, zoals de extra faciliteiten en activiteiten van categorie 3) losstaan van het onderwijs.

4.5.5. Het is ten aanzien van de hiervoor in r.o. 4.5.2 onder 1) en 2) geformuleerde kosten dat in de brief van 25 augustus 1994 door de minister van onderwijs is overwogen: “In algemene zin dient de hoogte van een bijdrage tezamen met de overige kosten voor leermiddelen in redelijke verhouding te staan tot de normvergoeding in de studiefinanciering. Mochten de kosten deze norm overschrijden dan zal, indien de desbetreffende student niet wenst in te gaan op de vraag om een vrijwillige bijdrage, en er sprake is van een activiteit of voorziening die deel uitmaakt van een verplicht onderdeel van de opleiding, hem een gelijkwaardig alternatief aangeboden moeten worden dat wel bij de desbetreffende norm past. Ook kan door de instelling financiële ondersteuning worden geboden aan studenten.”. Het hof begrijpt hieruit dat in de ogen van de minister niet alleen onderwijsbenodigdheden maar ook bepaalde onderwijsvoorzieningen voor rekening van de studenten kunnen worden gebracht en dat deze zaken niet vallen onder de zaken waarvoor het in rekening brengen aan de student in strijd met de strekking van de WHW zou moeten worden geacht. Wel zal, voor het geval een student niet vrijwillig wil bijdragen voor een verplicht gestelde activiteit of voorziening, hem een gelijkwaardig alternatief of financiële steun dienen te worden geboden.

4.5.6. Gelet op het voorgaande heeft naar het oordeel van het hof het volgende te gelden:

- moet het bieden van een voorziening gerekend worden tot de wettelijke verplichtingen van de instellingen, dan mag voor die voorziening geen extra bijdrage langs privaatrechtelijke weg worden gevraagd;

- voor de vraag of enige voorziening tot de wettelijke verplichtingen van een onderwijsinstelling moet worden gerekend, kan een aanwijzing worden gevonden in de specificatie van de rijksbijdrage;

- indien de activiteit of voorziening onderdeel uitmaakt van een verplicht onderdeel van de opleiding en de student niet vrijwillig instemt met de daarvoor gevraagde bijdrage, moet de student een gelijkwaardig alternatief worden geboden of moet hem financiële ondersteuning worden geboden voor de bijdrage.

Het hof zal het geschil tussen partijen over de practicabijdragen en stagebijdragen in het licht van het voorgaande beoordelen.

4.6.1. De practicabijdragen. De studenten stellen terecht dat HZ voor deze bijdragen op twee gedachten lijkt te hinken. Enerzijds stelt zij zich op het standpunt dat het hier gaat om een extra voorziening. Volgens HZ behoort de instructiekeuken tot de voor een hotelschool verplicht te verstrekken voorzieningen maar is het Four Seasons Restaurant een extra in haar onderwijsconcept. Anderzijds voert HZ voor de bijdrage voor het - in haar onderwijsconcept verplicht gestelde - Four Seasons Restaurant aan dat het hier gaat om een voor rekening van de studenten te brengen voorziening waarvoor geen alternatief mogelijk is, waarmee zij die kosten schaart onder kosten als in r.o. 4.5.2 vermeld in categorie 2), te weten kosten voor onderwijsbenodigdheden en bepaalde onderwijsvoorzieningen die studenten geacht mogen worden voor eigen rekening te nemen.

4.6.2. HZ heeft het Four Seasons Restaurant als voorziening voor haar onderwijs verplicht gesteld, zodat het te dezen gaat om een bijdrage voor kosten als genoemd in categorie 2). Het hof deelt de conclusie van de Ombudsman van HZ (zie r.o. 4.1.1 onder l) dat de in de brief van minister Ritzen van 25 augustus 1994 genoemde uitzondering - dat voor voedingpractica een bijdrage verplicht kan worden gesteld hoewel daarvoor geen alternatief wordt en kan worden aangeboden - in het bijzonder ziet op kosten die aan een student persoonlijk zijn toe te rekenen zoals bijvoorbeeld de kosten voor door hem te gebruiken ingrediënten voor maaltijden die hij vervolgens zelf kan nuttigen. Gelet op het feit dat categorie 2) niet alleen betrekking heeft ‘onderwijsbenodigdheden’ maar ook op ‘bepaalde onderwijsvoorzieningen’ die mogen worden doorberekend aan studenten, acht het hof de van studenten in het geval van voedingspractica te vragen bijdragen niet noodzakelijkerwijze beperkt tot voor de practica vereiste benodigdheden. Het hof sluit niet uit dat ook bepaalde voorzieningen een redelijk te achten bijdrage kunnen rechtvaardigen. Tot zodanige bijdrage kan echter zonder nadere, door HZ niet gegeven, toelichting niet worden gerekend een los van het individuele gebruik door de student staande bijdrage in de kosten van onder andere de keukeninfrastructuur. Het hof acht met de Ombudsman en de kantonrechter het in rekening brengen van een bijdrage onder die noemer in strijd met de strekking van de WHW.

4.6.3. Het voorgaande betekent dat, hoewel een aan de studenten in rekening te brengen bijdrage voor bepaalde kosten van de voedingspractica mogelijk zou zijn geweest, de in het geding zijnde bijdragen niet voldoen aan de aan zodanige bijdragen te stellen eisen. De grieven 1 t/m 3 in het incidenteel appel die ertoe strekken dat die bijdragen niet strijdig met de strekking van de WHW moeten worden geacht, kunnen geen doel treffen.

4.7.1. De stagebijdragen. Ten aanzien van deze bijdragen - tweemaal € 275,- voor de stages in een tweetal studiejaren - stelt HZ dat zij op stagegebied meer biedt dan waartoe zij wettelijk is gehouden (en waarvoor een vergoeding in de rijksbijdrage begrepen moet worden geacht) en dat zij daarom een extra bijdrage van de studenten mag vragen. Volgens HZ bestaat er voor de studenten een alternatief, zij kunnen zelf een stageplek regelen en zijn dan niet de hiervoor genoemde bijdrage verschuldigd. Bovendien kunnen studenten een beroep op het Noodfonds doen. Uit de brochure stagebijdragen van de HHM van februari 2012 (prod. 5 bij dupliek) blijkt verder dat in leerjaar 4 de managementstage ook in Nederland kan worden gelopen.

4.7.2. Het hof stelt voorop dat uit onder meer de in r.o. 4.1.1 onder e geciteerde brief van minister Plasterk van 3 februari 2009 moet worden geconcludeerd dat de werving van stageplaatsen deel uitmaakt van de door de HHM te leveren voorzieningen. Ook de Ombudsman hanteert dat uitgangspunt in haar rapport. Zij voegt daaraan toe dat de HHM voor de bekostiging is ingedeeld in een zogenaamde ‘hoog’ profielgroep, hetgeen inhoudt een bekostiging door de overheid met een verhoging van factor 0,28 per student. Die indeling betreft in het algemeen opleidingen die praktijkcomponenten hebben en daardoor extra kosten met zich brengen. Een nadere specificatie voor de aanwending van de verhoogde bekostiging wordt in de regeling niet gegeven, opleidingen zijn in principe vrij het geld naar eigen inzicht te besteden, aldus de Ombudsman onder verwijzing naar de website van cfi (rapport p. 5).

4.7.3. Het feit dat de werving van stageplaatsen moeten worden gerekend tot de kosten die zijn verbonden aan het door HHM te verzorgen onderwijs (kosten categorie 1) sluit echter, zoals hiervoor in r.o. 4.5.4 al is overwogen, niet uit dat de HHM op stagegebied meer voorzieningen biedt dat waartoe zij wettelijk is gehouden. In zoverre zijn die voorzieningen dan te scharen onder de kosten van categorie 2). Het gaat dan om voorzieningen waarvoor geen vergoeding in de rijksbijdrage besloten kan worden geacht en waarvoor HZ langs privaatrechtelijke weg aan de studenten een bijdrage kan vragen. Voor zover de kosten zijn te scharen onder de kosten van categorie 2) mag HZ van de studenten daarvoor alleen op vrijwillige basis een bijdrage mag vragen. Indien het gaat om een activiteit of voorziening die deel uitmaakt van een verplicht onderdeel van de opleiding, geldt daarvoor bovendien de in r.o. 4.5.5 geciteerde passage uit de brief van minister Ritzen.

4.7.4. De Ombudsman kenschetst de door HZ gevraagde bijdrage van € 275,= per stage als een soort uniforme bijdrage aan het stagefonds van de HHM. In het rapport van de Ombudsman is te lezen dat ten tijde van het onderzoek van de Ombudsman op de website van de HHM voor de gevraagde bijdrage de volgende toelichting werd gegeven: “(...) Hiervoor brengen wij een bijdrage in rekening, die de vele extra kosten dekken die het stagebureau maakt ondermeer t.b.v. de acquisitie en het instandhouden van een goed stagerelatienetwerk en het regelen van de visa. (....)”.

In de door HZ overgelegde uitleg d.d. februari 2012 van de HHM over de voor de stages gevraagde bijdrage (prod. 5 dupliek) worden als activiteiten waarvoor die bijdragen een vergoeding vormen onder meer vermeld: stagebezoek voor alle studenten zowel in binnen- als buitenland, acquisitie voor nieuwe stagebedrijven, ontwikkelen van nieuwe stageregio’s, visa en werkvergunningbemiddeling, aanvraag Erasmusbeurs. In voormeld stuk zijn als bestaande regio’s naast Nederland en een aantal Europese landen ook verder weg gelegen gebieden genoemd als Verenigde Staten, Zuid-Afrika, Maleisië, Thailand, Verenigde Arabische Emiraten en China.

In de uitleg d.d. februari 2012 is verder toegelicht dat studenten die hun managementstage in Nederland doen door de HHM worden geplaatst en dat aan hen daarvoor geen bijdrage wordt gevraagd. Het zelf zoeken van een stageplaats is aan hen niet toegestaan. De bijdrage wordt, zo is in de uitleg te lezen, alleen gevraagd voor de praktijkstage in het buitenland en voor de managementstage in het buitenland. De bijdrage wordt alleen gevraagd van diegenen die van het bestand van de HHM gebruik willen maken, niet van diegenen die zelf een stageplaats zoeken.

In het door HZ bij het pleidooi in hoger beroep overgelegde rapport van de NQA (Netherlands Quality Agency) betreffende een visitatie van de HHM op 6 en 7 oktober 2005 is uitgebreid ingegaan op de (internationale) stage als bijzonder kwaliteitskenmerk van de HHM. Geconstateerd wordt dat het overzicht van de stagebedrijven tal van gerenommeerde bedrijven bevat met een sterk internationale spreiding. Geconcludeerd wordt dat het kenmerk - de (internationale) stage - tot een bijzondere kwaliteit van het onderwijs leidt.

4.7.5. Het hof acht door het voorgaande het - door de studenten overigens niet gemotiveerd betwiste - standpunt van HZ bevestigd dat door de HHM voor de (internationale) stages aanmerkelijk uitgebreidere voorzieningen worden geboden dan waartoe zij wettelijk verplicht is en waarvoor zij een rijksbijdrage krijgt. Het hof verwerpt het standpunt van de studenten bij het pleidooi in hoger beroep dat, als HZ uitgebreidere voorzieningen wil bieden, zij ervoor zou moeten kiezen af te zien van haar openbare karakter en een privé-instituut zou moeten worden. Het staat een openbare hogeschool vrij om het door haar verzorgde onderwijs te verrijken met extra voorzieningen en zij kan daarvoor op vrijwillige basis een bijdrage van de studenten vragen. De eis is alleen dat die bijdrage wordt gevraagd voor voorzieningen waarvan de kosten als kosten van categorie 2) kunnen worden bestempeld en dat de bijdrage voldoet aan de eisen die in de brief van minister Ritzen van 25 augustus 1994 daaraan worden gesteld.

4.7.6. De stagebijdragen worden weliswaar niet voor enkele voorzieningen specifiek gevraagd maar dat neemt naar het oordeel van het hof niet weg dat het karakter van de bijdrage - een bijdrage voor hetgeen de HHM ‘extra’ biedt - tot uitdrukking wordt gebracht door het forfaitaire karakter daarvan, een bijdrage aan het stagefonds ten behoeve van onder meer de instandhouding van een uitgebreider scala aan stagevoorzieningen en bemiddeling bij stages dan wettelijk is vereist. Dit karakter wordt voorts onderstreept door het feit dat voor stages in Nederland de bijdrage niet wordt gevraagd. Naar het oordeel van het hof kunnen voormelde forfaitaire stagebijdragen voor de buitenlandstages daarmee gerekend worden onder de bijdragen voor voorzieningen van categorie 2) en heeft de kantonrechter de legitimiteit van die bijdragen terecht beoordeeld aan de hand van de aan dergelijke bijdragen te stellen eisen.

4.7.7. In dat kader heeft de kantonrechter terecht vastgesteld dat er voor studenten die deze verplichting niet wilden aangaan een alternatief bestond, te weten het zelf regelen van een stageplaats, waarvoor zij verder van de HHM de door de HHM wettelijk te bieden begeleiding mochten verlangen. In grief 5 betwisten de studenten dit niet. In die grief beroepen zij zich alleen nogmaals op de nietigheid van de bijdrage op grond van hun stelling dat zij over de vrijwilligheid van de bijdrage en het alternatief onvoldoende zijn geïnformeerd. Hierop is het hof bij grief 2 al ingegaan.

4.7.8. De studenten hebben voorts niet aangevoerd dat de door HZ gevraagde bijdragen niet aan de gestelde eisen zouden beantwoorden omdat de hoogte van die bijdragen disproportioneel zou zijn. Zij hebben in grief 4 geen concrete bezwaren aangevoerd tegen de overweging van de kantonrechter dat de gevraagde bijdragen de kantonrechter redelijk voorkwamen. In verband met grief 4 beroepen de studenten zich andermaal op hun stelling dat door HZ niet duidelijk kenbaar is gemaakt dat het om een vrijwillige bijdrage ging en dat een alternatief voorhanden was, welke stelling, zoals reeds overwogen, voor het beroep op vernietigbaarheid van de overeenkomsten op grond van art. 3:40 lid 2 BW niet relevant is..

4.7.9. In grief 3 stellen de studenten op zichzelf terecht dat, indien HZ langs privaatrechtelijke weg enige voorziening voor rekening van de studenten wil brengen, het op haar weg ligt om inzichtelijk en aannemelijk te maken dat het gaat om een voorziening waarvoor de kosten niet in de rijksbijdrage begrepen zijn. Dat neemt niet weg dat de mate waarin van HZ een adstructie van haar stellingen mag worden verlangd mede afhangt van de al dan niet gemotiveerde betwisting van die stellingen door de studenten. Nu het hof op grond van de door HZ overgelegde producties de stelling van HZ inzake ‘het extra’ van de stagevoorzieningen aannemelijk heeft geacht, leidt ook deze grief niet tot een ander oordeel.

Hetzelfde geldt voor grief 6 voor welke grief de studenten naar de voorgaande grieven verwijzen.

4.7.10. Gelet op het voorgaande komt het hof ten aanzien van de stagebijdragen derhalve niet tot een ander oordeel dan de kantonrechter. Het nadere beroep van de studenten op onrechtmatig handelen van HZ leidt - daargelaten de vraag òf HZ onrechtmatig handelen kan worden verweten - niet tot een ander oordeel nu de studenten daarvoor geen andere feiten en omstandigheden hebben aangevoerd dan zij aan hun beroep op de vernietigbaarheid van de overeenkomsten ten grondslag hebben gelegd. Zij stellen wel dat HZ - tot februari 2012 - onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat zij niet gehouden waren zich bij overeenkomst tot de gevraagde bijdragen te verbinden doch hebben niets, althans onvoldoende gesteld met betrekking tot enig causaal verband tussen dat gestelde onzorgvuldig handelen van HZ en de gevorderde schade (ter hoogte van de betaalde bijdragen). Zij hebben bijvoorbeeld niet gesteld dat zij de overeenkomsten voor de stagevoorzieningen niet zouden zijn aangegaan als HZ hen duidelijker had gewezen op het feit dat zij niet verplicht waren van die voorzieningen gebruik te maken noch dat en waarom de schade zou bestaan in het bedrag van de betaalde bijdragen. Dit had wel op hun weg gelegen gezien de stelling van HZ dat aan de door HZ geboden voorzieningen aanmerkelijke voordelen zijn verbonden en het zelf regelen van een stageplaats voor de student ook de nodige kosten met zich brengt.

4.7.11. De excursiebijdragen. Deze zijn naar het oordeel van het hof te rekenen tot de kosten van voorzieningen die aan de student in rekening mogen worden gebracht. HZ heeft langs privaatrechtelijke weg daarvoor een bijdrage met de studenten kunnen overeenkomen. De overeenkomst daartoe komt niet in strijd met de strekking van de WHW. Ook ten aanzien van deze bijdrage is het beroep op vernietigbaarheid van de overeenkomst op de voet van artikel 3:40 lid 2 BW ongegrond. De studenten c.q. student 4 hebben hun stelling dat voor de desbetreffende excursies een onredelijk hoge bijdrage zou zijn gevraagd op geen enkele wijze onderbouwd, zodat aan die stelling daarom voorbij wordt gegaan.

4.8.1. Gezien het hiervoor overwogene falen alle grieven in het principaal appel. Uit het voorgaande vloeit voor wat betreft de grieven in het incidenteel appel verder voort dat weliswaar grief 4 slaagt maar niet tot een ander oordeel leidt (zie r.o. 4.3.6) en de overige grieven falen. Dit betekent dat het vonnis waarvan beroep, onder aanvulling en verbetering van gronden, zal worden bekrachtigd.

4.8.2. De studenten zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het principaal appel worden verwezen. In het incidenteel appel zal HZ als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen. Het hof zal de kosten van de pleidooien voor de helft meetellen in het principaal appel en voor de helft in het incidenteel appel. Op vordering van beide partijen zullen de veroordelingen in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en het incidenteel appel:

verklaart de appellanten 2, 3 en 5 in principaal appel ([appellante 2.], [appellante 3.] en [appellant 5.]) niet ontvankelijk in het door hen ingestelde hoger beroep;

bekrachtigt ten aanzien van de andere appellanten in principaal appel en HZ het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt de studenten in de proceskosten van het principaal appel, welke kosten tot op heden aan de zijde van HZ worden begroot op € 666,= aan verschotten en op € 1.788,= aan salaris advocaat;

veroordeelt HZ in de proceskosten van het incidenteel appel, welke kosten tot op heden aan de zijde van de studenten worden begroot op € 894,= aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, D.A.E.M. Hulskes en J.W. van der Velden en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 februari 2014.