Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2153

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
HD 200.121.524_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdelingszaak. Uitleg echtscheidingsconvenant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.121.524/01

arrest van 15 juli 2014

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. Y.K. Kunze te Kerkrade,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.L.M. Martens te Heerlen,

op het bij exploot van dagvaarding van 8 januari 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht gewezen vonnis van 24 oktober 2012 tussen principaal appellant – de man – als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en principaal geïntimeerde – de vrouw – als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 457568/CV EXPL 11-5667)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met producties en eiswijziging;

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties en eiswijziging;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met productie;

- de door mr. Martens overgelegde pleitnota, met producties;

- de door mr. Kunze overgelegde pleitnota, met productie.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories.

4 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.

Partijen zijn op 22 juni 1990 gehuwd in gemeenschap van goederen. Bij beschikking van de rechtbank Maastricht van 20 januari 2010 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 29 januari 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

In deze beschikking is het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant (met als bijlage het ouderschapsplan) opgenomen. In dit echtscheidingsconvenant is – voor zover thans van belang – bepaald:

“(…)

Artikel 5. De echtelijke woning en daarmee verband houdende rechten en lasten

5.1.

Tot de huwelijkse gemeenschap van partijen behoort de onroerende zaak staande en gelegen te ([postcode]) [plaats] aan de [perceel], kadastraal bekend gemeente Margraten sectie [sectieletter] nummer [sectienummer] groot 175 m2.

(…)

5.6.

De in artikel 5.1. omschreven onroerende zaak zal worden verkocht. De woning staat reeds te koop bij makelaar Mergeland Vastgoed B.V. voor een vraagprijs van € 225.000,--. Van de verkoopopbrengst van de woning zullen de hypothecaire geldleningen worden afgelost en de eventuele kosten van de makelaar en de notaris verband houdende met de verkoop van de woning worden voldaan. De restopbrengst zal bij helfte bij het notarieel transport aan partijen worden uitbetaald.

5.7.

De hypothecaire geldleningen betreffen schulden aan de Rabobank met nummers [Rabobanknummer 1] en [Rabobanknummer 2] thans pro resto groot € 42.201,56 en € 8.150,--.

Artikel 6. Verdeling overige vermogensbestanddelen in de huwelijksgemeenschap

6.1.

Partijen nemen als peildatum voor de samenstelling en de waardering van de gemeenschap 1 juli 2009. De waarde stijgingen en/of -dalingen komen vanaf de in dit artikel genoemde peildatum volledig ten goede aan / ten laste van degene aan wie de vermogensbestanddelen worden toegedeeld ingevolge het in dit convenant bepaalde.

(…)

6.2.

De huwelijksgemeenschap was op de peildatum samengesteld als volgt:

Activa

(…)

Saldi op en/of rekening met nr. [rekeningnummer] t.n.v. beide partijen € 7.399,72

(…)

6.3.

Aan de vrouw worden toegedeeld de navolgende activa:

(…)

De helft van het saldi op de en/of rekening € 3.699.86

(…)

6.4.

Aan de man worden toegedeeld de navolgende activa:

(…)

De helft van het saldi op de en/of rekening € 3.699,86

(…)

6.5.

Uit hoofde van de bovenstaande verdeling is de vrouw aan de man een bedrag wegens overbedeling verschuldigd van € 500,--.

6.6.

De vrouw zal het in artikel 6.5. genoemde bedrag voldoen ten tijde van het notarieel transport van de woning van partijen aan derden.

(…)

6.8.

De voorheen gezamenlijke bankrekeningen zijn reeds op 1 juni 2009 gesplitst. Voorafgaand aan de splitsing heeft de man van de gezamenlijke rekening(en) een bedrag opgenomen ad € 7.399,72. De helft van dit bedrag zal hij aan de vrouw voldoen ten tijde van de overdracht van de echtelijke woning aan derden.

(…)

4.1.2.

In bijlage 1 bij het ouderschapsplan is – voor zover thans van belang – bepaald:

“(…)

Bijzondere gebeurtenissen

Kampen (bv sporttoernooi, schoolkamp) vader/moeder in overleg (kosten voor rekening vader)

(…)”

4.1.3.

Partijen hebben daarnaast een overeenkomst gedateerd 12 maart 2009 ondertekend (productie 4 bij inleidende dagvaarding), waarin het volgende is opgenomen:

“Caravan in de Eifel blijft in bezit van [de vrouw]. Evenals tent en toebehoren.

[de man] maakt hier op geen enkele wijze aanspraak op.

[de vrouw] en de kinderen blijven gebruik maken van caravan, tent en toebehoren zolang als mogelijk is voor hun.

Huur van camping wordt in overleg betaald eventueel beiden de helft of [de man] hele bedrag als zijnde vakantie voor de kinderen.

In volle besef en zonder dwang ondertekend”

4.1.4.

In eerste aanleg heeft de vrouw in conventie gevorderd de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.590,87, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2011 tot de dag van algehele voldoening, onder verwijzing van de man in de kosten van dit geding. Ter onderbouwing van haar vordering heeft de vrouw aangevoerd dat de man op grond van het echtscheidingsconvenant, het ouderschapsplan en de overeenkomst van 12 maart 2009 aan haar per saldo een bedrag van 1.590,87 verschuldigd is.

De man heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd de vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.613,19 en de overeenkomst ter zake de campinghuur te vernietigen.

4.1.5.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van de vrouw in conventie afgewezen. in reconventie heeft de kantonrechter de vrouw veroordeeld om aan de man te betalen een bedrag van € 528,50 en het meer of anders gevorderde afgewezen.

4.2.

Partijen kunnen zich met dit vonnis niet verenigen en zijn hiervan in appel, respectievelijk incidenteel appel gekomen. Partijen hebben beiden in hoger beroep hun eis gewijzigd. Nu partijen over en weer geen bezwaar hebben gemaakt tegen de wijziging van eis zal het hof op de gewijzigde eis recht doen.

4.3.

De grieven van de man betreffen – zakelijk weergegeven – :

- het bedrag ad € 3.699,86 dat de man uit hoofde van artikel 6.8. van het echtscheidingsconvenant aan de vrouw moet voldoen (grief 1);

- de overeenkomst betreffende de campinghuur (grief 2);

- het bedrag ad € 532,50 ter zake de schoolkosten, waaronder excursies en kampen (grief 3).

4.4.

De grieven van de vrouw betreffen – zakelijk weergegeven - :

- afwijzing van het gevorderde bedrag ad € 1.743,11 (incidentele grief 1);

- de kosten van gas, water en elektriciteit op de camping (incidentele grief 2);

- de wettelijke rente (incidentele grief 3).

4.5.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

Grief 1 principaal appel en eiswijziging: artikel 6.8 echtscheidingsconvenant

4.6.

In zijn eerste grief stelt de man dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat hij uit hoofde van het bepaalde in artikel 6.8 van het echtscheidingsconvenant € 3.699,86 aan de vrouw verschuldigd is.

De man stelt dat het op de weg van de vrouw ligt aan te tonen dat de man daadwerkelijk het bedrag van de bankrekening heeft afgeschreven en aldus aan de huwelijksgemeenschap heeft onttrokken.

De man stelt verder dat niet alleen gekeken moet worden naar de grammaticale uitleg van de tekst van het convenant, maar dat aan de hand van de Haviltex-maatstaf de vraag beantwoord dient te worden of de man gehouden is uit hoofde van het bepaalde in artikel 6.8. van het convenant een bedrag ad € 3.699,86 aan de vrouw te betalen.

De man doet voorts een beroep op partiële vernietiging van het convenant, zulks voor zover het artikel 6.8. betreft, waarbij hij zich primair beroept op dwaling, subsidiair op onrechtmatige daad en meer subsidiair op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

De man stelt dat hij zich gelet op de emotionele perikelen rondom de echtscheiding niet bewust was van de inhoud van de tussen partijen overeengekomen bepalingen in het convenant, in het bijzonder 6.8. van het convenant, en dat hij te dien aanzien heeft gedwaald. Nu hij niet heeft gedwaald omtrent enige waarde van een vermogensbestanddeel, zoals is vereist in artikel 1:196 BW, doch ten aanzien van de inhoud van een bepaling, stelt de man dat hij zich – anders dan in (naar het hof begrijpt) artikel 3:199 BW is gesteld – kan beroepen op de algemene dwalingsgrond van artikel 6:228 lid 1 sub c BW, nu sprake is van wederzijdse dwaling daar zowel de man als de vrouw blijkens het convenant ten onrechte zijn uitgegaan van een onttrekking aan de huwelijksgemeenschap zijdens de man van een bedrag van € 7.399,72. Daarenboven zouden partijen bij een juiste voorstelling van zaken een dergelijke bepaling niet zijn overeengekomen, zulks temeer gelet op het feit dat uit de door de man overgelegde bankafschriften geenszins blijkt van enige onttrekking van gelden aan de huwelijksgemeenschap. Evenmin mocht de vrouw erop vertrouwen dat de man bij een juiste voorstelling van zaken het bepaalde in artikel 6.8. van het convenant was overeengekomen.

Voor zover het hof zou oordelen dat het beroep op dwaling niet opgaat, beroept de man zich subsidiair op het feit dat de vrouw onrechtmatig jegens de man handelt door hem aan het bepaalde in artikel 6.8. van het convenant te houden.

Indien het hof van oordeel is dat het beroep op onrechtmatige daad niet opgaat, beroept de man zich op de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheerst en die zich ertegen verzet dat de vrouw hem houdt aan het bepaalde in artikel 6.8.

4.6.1.

In appel heeft de man zijn eis gewijzigd in die zin dat hij zich, voor het geval het hof van oordeel zou zijn dat zijn eerste grief faalt, op het standpunt stelt dat sprake is van onverschuldigde betaling door de man en ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw, uit hoofde waarvan de vrouw gehouden is de schade aan de man te vergoeden. De man heeft gevorderd voor recht te verklaren dat het bepaalde in artikel 6.8. van het convenant leidt tot een ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw ten koste van de man en de vrouw gehouden is tot vergoeding van het bedrag tot aan de verrijking en te verklaren voor recht dat het bepaalde in artikel 6.8. van het convenant leidt tot een onverschuldigde betaling door de man en de vrouw gehouden is tot vergoeding.

4.6.2.

De vrouw heeft inhoudelijk de grief van de man en de gewijzigde eis gemotiveerd bestreden.

4.6.3.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat het bij de uitleg van het echtscheidingsconvenant aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen uit het convenant mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mocht verwachten (de Haviltex-maatstaf). Bij hantering van deze maatstaf dient de uitleg van een schriftelijk contract - en dus ook van dit echtscheidingsconvenant - niet plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld, maar in praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang. Naar het oordeel van het hof hebben partijen aan de bepaling van art. 6.8 redelijkerwijze geen andere betekenis mogen toekennen, dan dat de man van de gezamenlijke bankrekening(en) van partijen een bedrag van € 7.399,72 heeft opgenomen en dat hij aan de vrouw de helft van dit bedrag zal voldoen. De man heeft onvoldoende omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden.

Met betrekking tot het beroep op dwaling overweegt het hof dat de man, onvoldoende heeft onderbouwd dat en waarom hij bij het aangaan van de overeenkomst een onjuiste voorstelling van zaken heeft gehad met betrekking tot dit bedrag van € 7.399,72. Zijn stelling dat hij geen bedragen aan de huwelijksgemeenschap heeft onttrokken en de in dit verband door hem overgelegde bankafschriften (productie 5 bij memorie van grieven) zijn, nog daargelaten dat deze bankafschriften slechts een beperkte periode omvatten, in dit opzicht ontoereikend nu in artikel 6.8. van het convenant slechts staat vermeld dat de man een bedrag van € 7.399,72 van de gezamenlijke bankrekening “heeft opgenomen”, hetgeen - zoals kan worden afgeleid uit art. 6.2. van het convenant - het totale saldo van de gezamenlijke rekening betrof. Nu de man aldus niet begrijpelijk heeft onderbouwd dat bij hem sprake is geweest van een onjuiste voorstelling van zaken bij het aangaan van de overeenkomst, dient het beroep op dwaling reeds daarom te falen. Ook de stelling van de man dat hij zich vanwege zijn emotionele gesteldheid onvoldoende bewust is geweest van de inhoud van het convenant heeft hij, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet nader onderbouwd, nog daargelaten dat hij niet heeft gesteld welke conclusie daaraan dient te worden verbonden. Deze stelling wordt dan ook gepassee

Onrechtmatige daad

De man heeft, mede in het licht van hetgeen in het voorgaande reeds is overwogen in het kader van het beroep op dwaling, op geen enkele wijze onderbouwd dat sprake is van onrechtmatig handelen van de vrouw jegens de man door het opnemen van artikel 6.8. in het convenant, althans doordat de vrouw de man aan het bepaalde in artikel 6.8. houdt. Het beroep op onrechtmatige daad wordt dan ook afgewezen.

De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid

De man heeft evenmin feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan het hof tot het oordeel zou moeten komen dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aan (artikel 6.8.) van het convenant gehouden kan worden. Het door de man gestelde, namelijk dat partijen ruim 19 jaren gehuwd zijn geweest en dat de man aanzienlijk in het huwelijk heeft geïnvesteerd, is daartoe onvoldoende. Het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW wordt dan ook verworpen

Onverschuldigde betaling / ongerechtvaardigde verrijking

Het beroep op onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking, zoals de man dat bij eiswijziging heeft geformuleerd, gaat reeds niet op omdat, nu – zoals hiervoor is overwogen – het beroep op dwaling faalt, hetgeen meebrengt dat een rechtsgrond c.q. een redelijke grond – te weten het echtscheidingsconvenant - aanwezig was voor de betalin

De eerste grief van de man faalt derhalve.

Grief 2 principaal appel: overeenkomst campinghuur

4.7.

De man stelt in zijn tweede grief dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de man gehouden is een bedrag van € 620,-- te voldoen aan de vrouw ter zake de overeenkomst betreffende de campinghuur. De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat de buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst ter zake de campingkosten niet rechtsgeldig is, daar gewijzigde omstandigheden geen grondslag bieden voor vernietiging van de overeenkomst.

De man voert aan dat, hoewel gewijzigde omstandigheden ingevolge de wet op zichzelf geen zelfstandige grond vormen om een overeenkomst buitengerechtelijk te vernietigen, hij zich primair beroept op artikel 3:44 lid 4 BW, stellende dat de vrouw misbruik van omstandigheden heeft gemaakt en de man zich niet bewust was van de consequenties van het aangaan van de bedoelde overeenkomst, zodat sprake is van een wilsgebrek bij de man.

Subsidiair stelt de man dat hij bij het aangaan van de overeenkomst een onjuiste voorstelling van zaken had, nu hij nimmer de intentie had een betalingsverplichting voor onbepaalde tijd aan te gaan ter zake de campingkosten. Nu misbruik van omstandigheden, althans een wilsgebrek, wel een grond vormt voor de buitengerechtelijke vernietiging, stelt de man dat de overeenkomst geacht wordt buitengerechtelijk te zijn vernietigd.

Voor zover het hof zou oordelen dat de buitengerechtelijke vernietiging bij schrijven van 23 februari 2012 niet rechtsgeldig is, stelt de man dat partijen ten tijde van het opstellen van de overeenkomst ter zake de campinghuur voor ogen hadden de gevolgen van de echtscheiding zo veel mogelijk te beperken voor de kinderen en dat deze overeenkomst ook aan de hand van het Haviltex-criterium dient te worden uitgelegd.

Tenslotte stelt de man dat hij er op mocht vertrouwen dat het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant in de plaats trad van de separate overeenkomst met betrekking tot de campinghuur.

4.7.1.

De vrouw voert verweer.

4.7.2.

Het hof is van oordeel dat de kantonrechter op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, tot het oordeel is gekomen dat het er voor gehouden moet worden dat partijen met het sluiten van de overeenkomst voor ogen hebben gehad dat, bij voldoende draagkracht aan de zijde van de man, hij ten minste de helft zou bijdragen aan de kosten van de campinghuur. Ook in hoger beroep heeft de man geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geconcludeerd zou kunnen worden dat partijen een andere bedoeling hadden met de overeenkomst

Het beroep op misbruik van omstandigheden, dan wel dwaling, althans een wilsgebrek, wordt verworpen, nu de man, in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw, onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat aan de vereisten voor een beroep op deze wilsgebreken is voldaan.

De stelling van de man dat het echtscheidingsconvenant in de plaats zou zijn getreden van de overeenkomst ten aanzien van de campinghuur acht het hof, nu over dit onderwerp niets is opgenomen in het convenant, niet aannemelijk en gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd.

De tweede grief van de man faalt derhalve.

Grief 3 principaal appel: schoolkosten waaronder excursies en kampen

4.8.

In zijn derde grief stelt de man dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de man een bedrag ad € 532,50 ter zake de schoolkosten, waaronder excursies en kampen, aan de vrouw verschuldigd is.

De man stelt hiertoe dat het bedrag ad € 350,-- per kind per maand (ter zake kinderalimentatie) was gebaseerd op zijn volledige aandeel in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Omdat de man ten tijde van de echtscheiding en ten tijde van het opstellen van het convenant en ouderschapsplan de kinderen niet tekort wilde doen, is hij - gelet op de door hem te ontvangen bonussen en dergelijke - destijds akkoord gegaan met betaling van de extra kosten zoals genoemd in de bijlage van het ouderschapsplan. Partijen spraken in dit kader af dat zij de extra kosten zo veel mogelijk bij helfte zouden verdelen, voor zover het inkomen dit zou toelaten. De vrouw vordert nu de volledige kosten van de man.

Daar komt bij dat de verdiencapaciteit van de man thans aanzienlijk is verminderd, zodat hij reeds om die reden niet aan het bepaalde op pagina 8 van de bijlage bij het ouderschapsplan gehouden kan worden. De man verwijst hiervoor naar de beschikking van dit hof van 14 juni 2012 in de alimentatieprocedure.

4.8.1.

De vrouw voert verweer.

4.8.2.

Het hof is van oordeel dat de kantonrechter terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de man deze kosten op grond van pagina 8 van de bijlage van het ouderschapsplan verschuldigd is en dat de door hem gestelde wijziging in zijn draagkracht pas een rol speelt ná 15 juni 2012, terwijl de betreffende kosten van ruim daarvoor dateren.

De derde grief van de man faalt mitsdien.

4.9.

Het hof passeert het aan het slot van de memorie van grieven gedane bewijsaanbod van de man nu de man zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, waardoor aan bewijslevering niet wordt toegekomen

Grief 1 incidenteel appel: herinrichtingskosten

4.10.

In haar eerste grief in incidenteel appel stelt de vrouw dat de kantonrechter ten onrechte het door haar gevorderde bedrag van € 1.743,11 niet heeft toegewezen. De vrouw baseert haar vordering op de bijlage bij het ouderschapsplan waarin staat dat de kosten voor de inrichting van het appartement van de man ad € 1.743,11 (die zijn betaald van de gemeenschappelijke rekening van partijen) worden verrekend met de opbrengst uit de verkoop van het huis in de [perceel] te [plaats]. Dit is volgens de vrouw niet gebeurd. Blijkens de als productie 3 bij conclusie van antwoord overgelegde opstelling van de man, erkent hij ook dit bedrag aan de vrouw schuldig te zijn.

4.10.1.

De man voert verweer en stelt dat de vrouw bedragen door elkaar haalt, namelijk herinrichtingskosten en extra kosten ten behoeve van de kinderen. De man betwist voorts dat hij heeft erkend het bedrag ad € 1.743,11 aan de vrouw verschuldigd te zijn. Hij wijst er op dat het bedrag ad € 1.743,11 ter zake de herinrichtingskosten reeds is betrokken in de verdeling van de huwelijksgemeenschap en de verrekening van de verscheidene posten daarvan, hetgeen blijkt uit productie 3 bij conclusie van antwoord. Toewijzing van de vordering van de vrouw zou er volgens de man toe leiden dat hij het bedrag ad € 1.743,11 tweemaal aan de vrouw betaalt.

4.10.2.

Het hof overweegt als volgt.

De vrouw heeft inmiddels door het overleggen van de bijlage bij het ouderschapsplan (bijlage 2 bij pleitnota van mr. Martens) aangetoond dat aan de kosten voor het inrichten van het nieuwe appartement van de man uit gemeenschappelijke gelden een bedrag van € 1.743,11 is voldaan en dat partijen zijn overeengekomen dat zij dit zouden verrekenen bij de verkoop van de gemeenschappelijke woning.

Uit de nota van afrekening van de notaris (bijlage 3 bij pleitnota van mr. Martens) en het overzicht van bijschrijving op de rekening van de vrouw (bijlage 4 bij pleitnota mr. Martens) blijkt voorts dat de vrouw de helft van de overwaarde van de woning op haar rekening gestort heeft gekregen.

Gelet op het voorgaande heeft de man, in het kader van zijn betwisting van de vordering van de vrouw van het bedrag van € 1.743,11, onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dat het bedrag ad € 1.743,11 ter zake inrichtingskosten reeds verrekend zou zijn. De enkele verwijzing naar het als productie 3 bij conclusie van antwoord in het geding gebrachte overzicht van de man is daartoe onvoldoende.

De eerste incidentele grief van de vrouw slaagt.

Grief 2 incidenteel appel: kosten gas, water en licht camping

4.11.

De tweede incidentele grief van de vrouw ziet op de afwijzing door de kantonrechter van de vordering met betrekking tot de kosten van gas, water en elektriciteit op de camping.

De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat uit de overeenkomst betreffende de campinghuur niet afgeleid kan worden dat de man die kosten verschuldigd is aan de vrouw.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat, nu de bedoeling van partijen bij het sluiten van de betreffende overeenkomst was het mogelijk te blijven maken dat de kinderen ook na de feitelijke scheiding vakantie konden vieren op dezelfde camping, niet anders dan geconcludeerd kan worden dat deze kosten onderdeel uitmaken van de overeenkomst. Immers, de kosten van gas, water en elektriciteit maken een substantieel deel uit van de totale campingkosten en de vrouw beschikt niet over de financiële middelen om deze kosten te dragen. De vrouw heeft derhalve haar eis vermeerderd met een bedrag van € 839,89, te betalen binnen 14 dagen na 6 augustus 2013, bij gebreke waarvan zij aanspraak maakt op de wettelijke rente.

4.11.1.

De man voert verweer.

4.11.2.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is van oordeel dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat uit de overeenkomst niet valt af te leiden dat de man de (helft van) de kosten van gas, water en licht op de camping aan de vrouw dient te betalen. In de overeenkomst wordt gesproken van de huur van de camping. Hier vallen de (bijkomende) kosten voor gas, water en licht niet onder. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw, in het licht van de tussen partijen gesloten overeenkomst, dan ook onvoldoende gesteld dat tot de conclusie kan leiden dat partijen de bedoeling hebben gehad ook de feitelijke gebruikskosten, zoals de kosten van gas, water en licht onder de overeenkomst te laten vallen. De tweede incidentele grief van de vrouw faalt derhalve en de in verband daarmee vermeerderde eis wordt afgewe

Grief 3 incidenteel appel: wettelijke rente

4.12.

De derde incidentele grief van de vrouw heeft betrekking op het afwijzen van de wettelijke rente.

Het hof zal deze vordering van de vrouw afwijzen, nu is gesteld noch gebleken dat op enig moment verzuim is ingetreden door ingebrekestelling.

Conclusie

4.13.

Alle grieven van de man in principaal appel falen. In incidenteel appel slaagt de eerste grief van de vrouw. Dit resulteert er in dat de man aan de vrouw een bedrag ad € 1.743,11 dient te voldoen. In eerste aanleg is de vrouw veroordeeld om aan de man een bedrag ad € 528,20 te voldoen. Het hof zal derhalve het vonnis van de rechtbank Maastricht, sector kanton, zowel in conventie als in reconventie vernietigen en de man veroordelen om aan de vrouw te voldoen een bedrag ad (1.743,11 -/- € 528,20 =) € 1.214,91.

Proceskosten

4.14.

Het hof zal de proceskosten zowel in het principaal als in het incidenteel appel compenseren nu partijen gewezen echtgenoten zijn..

5 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

in conventie en in reconventie;

vernietigt het vonnis van de rechtbank Maastricht, sector kanton, van 24 oktober 2012, behoudens voor wat betreft de proceskostencompensatie;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen een bedrag ad € 1.214,91;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor wat betreft de compensatie van de proceskosten;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.D.M. Lamers, M.J. van Laarhoven en J.H.H. Theuws, en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 juli 2014.