Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2143

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
22-07-2014
Zaaknummer
HD 200.098.106_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:1299
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Borg en hoofdelijk medeschuldenaar. Waarschuwings- en onderzoeksplicht

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 850
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2014/311 met annotatie van mr. R.I.V.F. Bertrams
NJF 2013/231

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.098.106/01

arrest van 15 juli 2014

in de zaak van

1 [de vrouw],

2. [de man],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. L.C. van Kasteren te Maastricht,

tegen

1 SNS Bank N.V.,

2. Bouwfonds Limburg II N.V.,

3. BLG Hypotheekbank Holding N.V.,

alle gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. F.P. Richel te Utrecht,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 19 maart 2013 in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht onder zaaknummer 157543/HA ZA 11-8 gewezen vonnis van 14 september 2011.

6 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 19 maart 2013;

- het proces-verbaal van de enquête van 6 juni 2013;

- het proces-verbaal van de contra-enquête van 3 september 2013;

  • -

    de memorie na enquête van de Bank van 5 november 2013 met producties;

  • -

    de memorie na enquête van [appellanten] van 5 november 2013;

  • -

    de akte van [appellanten] van 19 november 2013;

  • -

    de akte van de Bank van 31 december 2013.

Partijen hebben arrest gevraagd.

7 De verdere beoordeling

7.1.

Het hof heeft in voormeld tussenarrest geoordeeld dat de Bank jegens [appellanten] de op haar rustende waarschuwingsplicht heeft geschonden (rov. 4.17. en 4.18). De Bank diende immers [appellanten], die zich feitelijk als borg hebben verbonden (rov. 4.7.) voor de door [zoon appellanten] en zijn (toenmalige) echtgenote [(toenmalige) vrouw van zoon appellanten] (hierna: [(toenmalige) vrouw van zoon appellanten]) aangegane hypothecaire geldlening van € 212.000,00, voorafgaand aan de borgstelling indringend en in niet mis te verstane bewoording te waarschuwen voor het hieraan verbonden risico dat zij, bij niet-nakoming door [zoon appellanten] en [(toenmalige) vrouw van zoon appellanten] van hun betalingsverplichtingen jegens de Bank, als gevolg van de borgstelling voor de gehele hypotheekschuld zouden kunnen worden aangesproken.

Het hof heeft voorts geoordeeld dat indien de tussenpersoon [tussenpersoon] en/of de instrumenterende notaris mr. [notaris 1] voorafgaand aan het aangaan van de geldlenings-overeenkomst, althans aan het passeren van de akte, [appellanten] uitdrukkelijk op voormelde wijze heeft /hebben gewaarschuwd, tot uitgangspunt kan worden genomen dat [appellanten] de overeenkomst ook zouden zijn aangegaan of de akte zouden hebben ondertekend indien de Bank niet in haar waarschuwingsplicht was tekortgeschoten (rov. 4.20.).

7.2.

Het hof heeft de Bank vervolgens toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat [tussenpersoon] en/of de instrumenterende notaris mr. [notaris 1] [appellanten] op indringende en in niet mis te verstane bewoordingen heeft/hebben gewaarschuwd voor het aan de onderhavige geldleningsovereenkomst verbonden risico dat [appellanten] hoofdelijk, althans als borg, aansprakelijk waren voor de gehele hypotheekschuld.

7.3.

De Bank heeft in enquête de notaris mr. [notaris 1] en [medewerker tussenpersoon] als getuige voorgebracht. [appellanten] hebben in contra-enquête mevrouw [appellante sub 1] (appellante sub 1, hierna mevrouw [appellante sub 1]), [appellant sub 2] (appellant sub 2) en hun zoon [zoon appellanten] als getuige doen horen.

7.4.1

Mr. [notaris 1] heeft bij brief van 17 november 2010 uiteengezet hoe op zijn kantoor hoofdelijke aansprakelijkheid met belanghebbenden wordt besproken. Deze brief, die ook reeds is weergegeven in rov. 4.2. sub (vi) van voormeld tussenarrest, houdt onder meer het volgende in:

“Gezien het feit dat niet alle schuldenaren ook de eigenaren van het onderpand zijn, is een aspect dat bij ons op kantoor ten allen tijde uitdrukkelijk bij het ondertekenen van de akte aan de orde komt.

Het is immers voor de personen zelf ook opvallend dat iemand die niet eigenaar van een woning is toch voor de hypotheekakte dient te ondertekenen. Dat vergt toelichting en de notaris is een van de partijen die die toelichting geeft ().

Daarbij wijzen wij hen natuurlijk op de bijkomende risico’s immers het risico ligt bij meer personen dan de eigenaar zelf.

Zelfs als er bij ons kantoor een echtpaar aan tafel zit voor de ondertekening van de hypotheekakte die beiden eigenaar van het onderpand zijn, wijs ik hen op het hoofdelijke aansprakelijkheidsaspect. Immers ook in die gevallen zijn zij beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schuld(en) waarvoor in de hypotheekakte zekerheid wordt verstrekt.

Voor wat betreft dat aspect (hoofdelijkheid) is de situatie voor de familie [familie] en de handelwijze op ons kantoor in de kern niet anders dan voor een echtpaar en komt dat aspect bij ondertekening van de akte bij ons op kantoor altijd aan de orde.”

7.4.2

Mr. [notaris 1] heeft als getuige verklaard dat hij blijft bij de inhoud van de brief van 17 november 2000. In aanvulling op deze brief heeft de getuige verklaard dat hij ter voorbereiding van dit getuigenverhoor het destijds door hem aangelegde dossier van hypotheekvestiging heeft doorgenomen. In dit dossier bevindt zich een verslag (passeernotities) dat de getuige heeft gemaakt van hetgeen voorafgaand aan en tijdens het passeren van de akte is besproken. De getuige mr. [notaris 1] heeft verklaard dat hij na het passeren van de akte altijd een verslag opmaakt als iets belangrijks aan de orde is geweest of iets afwijkend is voorgevallen. Uit dit verslag blijkt, aldus de getuige, dat voorafgaand aan het passeren van de akte met alle aanwezigen ([appellanten], [zoon appellanten] en [(toenmalige) vrouw van zoon appellanten]) uitvoerig is gesproken over de hoofdelijke aansprakelijkheid van de ouders, wat hoofdelijkheid betekent en dat de bank op iedere hoofdelijk verbonden schuldenaar het gehele geldbedrag kan verhalen, dat hoofdelijke aansprakelijkheid niet tijdelijk is en dat het aan de bank is om te beoordelen of ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid kan plaatsvinden. Uit dit verslag blijkt verder, aldus de getuige mr. [notaris 1], dat de inhoud van de akte met partijen is doorgenomen, dat er iets langer is stilgestaan bij de redenen waarom [appellanten] zouden meetekenen en dat dat was ter meerdere zekerheid voor de bank voor de schulden van de kinderen. Volgens de getuige is van de zijde van [appellanten] of [zoon appellanten] of [(toenmalige) vrouw van zoon appellanten] aan de orde is gesteld of de hoofdelijkheid tijdelijk zou zijn. De getuige heeft daarop, aldus zijn verklaring, nadrukkelijk gezegd dat de hoofdelijkheid van [appellanten] zou voortduren tot het moment dat de bank [appellanten] zou ontslaan uit de hoofdelijkheid. Volgens de getuige moet het [appellanten] absoluut duidelijk zijn geweest wat de risico’s waren die aan de hoofdelijke aansprakelijkheid waren verbonden en wisten [appellanten], [zoon appellanten] en [(toenmalige) vrouw van zoon appellanten] precies waar ze aan toe waren.

7.4.3

De getuige [getuige 2], die de hypotheekaanvrage heeft verzorgd en [zoon appellanten] en [(toenmalige) vrouw van zoon appellanten] heeft geadviseerd, heeft eveneens verklaard dat hij [appellanten], [zoon appellanten] en [(toenmalige) vrouw van zoon appellanten] heeft uitgelegd wat hoofdelijke aansprakelijkheid inhield. De getuige heeft ter zake verklaard dat het 100% standaard is dat tijdens de bespreking van de offerte, waarbij ouders zich hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de geldlening van hun kinderen, wordt uitgelegd dat iedereen hoofdelijk aansprakelijk is voor de schuld en dat de bank eenieder kan aanspreken voor haar vordering en dat degene die wordt aangesproken dan zelf naderhand onderling moet verrekenen. De getuige heeft verklaard dat hij zich dan ook niet kan voorstellen dat de offerte niet met de ouders van [zoon appellanten] is besproken en dat hij hen niet op de risico’s van hoofdelijke aansprakelijkheid heeft gewezen. De getuige heeft verklaard dat hij voor 99% zeker weet dat hij met [zoon appellanten], [(toenmalige) vrouw van zoon appellanten] en de ouders van [zoon appellanten] de offerte heeft besproken. De reden dat de getuige voor 1% twijfel heeft, heeft, aldus de getuige [getuige 2], ermee te maken dat hij zich de ouders van [zoon appellanten] niet meer voor de geest kan halen. De getuige heeft ten aanzien van de duur van de hoofdelijke aansprakelijkheid verklaard dat hij in het gesprek met [zoon appellanten], [(toenmalige) vrouw van zoon appellanten] en de ouders van [zoon appellanten] heeft voorgesteld de woning te financieren op basis van tijdelijke hoofdelijke aansprakelijkheid. De getuige [getuige 2] heeft, aldus zijn verklaring, in het gesprek aangegeven dat hij periodiek zou toetsen of ontslag uit de hoofdelijkheid kon plaatsvinden. De getuige heeft verder verklaard dat hij niet weet of hij in dit gesprek heeft gezegd dat het aan de bank is om te beoordelen of ontslag uit de hoofdelijkheid kan plaatsvinden, maar dat het wel gebruikelijk is dat hij aan betrokkenen vertelt dat het de bank is die dat beoordeelt.

7.4.4

[zoon appellanten], mevrouw [appellante sub 1] en [appellant sub 2] hebben als getuige verklaard dat [appellant sub 2] niet aanwezig was tijdens het gesprek met [getuige 2]. Volgens de getuige [zoon appellanten] heeft [getuige 2] in het gesprek, waarbij mevrouw [appellante sub 1] aanwezig was, wel kort uitgelegd wat een borgstelling inhield en gezegd dat het hier om een tijdelijke aangelegenheid ging, namelijk tot het moment waarop [(toenmalige) vrouw van zoon appellanten] een vaste baan zou krijgen. Volgens de getuige mevrouw [appellante sub 1] heeft [getuige 2] wel gezegd dat borgstelling tijdelijk was, maar niet uitgelegd dat iedereen hoofdelijk aansprakelijk was voor de hypotheekschuld. Ook de notaris heeft volgens deze drie getuigen gezegd dat de borgstelling tijdelijk was. De notaris heeft volgens de getuige [zoon appellanten] de akte in hoofdlijnen doorgenomen. De getuige mevrouw [appellante sub 1] heeft verklaard dat de notaris de akte niet heeft besproken, ook niet hoofdlijnen. De getuige [appellant sub 2] heeft op dit punt niets verklaard.

7.4.5

De verklaringen van de getuigen [zoon appellanten], mevrouw [appellante sub 1] en [appellant sub 2] staan lijnrecht tegenover de verklaringen van de getuigen mr. [notaris 1] en [getuige 2] ten aanzien van de vraag of [appellanten] uitdrukkelijk zijn gewaarschuwd voor de aan de borgstelling verbonden risico’s.

Het hof kent echter doorslaggevende betekenis toe aan de verklaring van de getuige mr. [notaris 1]. Mr. [notaris 1] heeft niet alleen in zijn algemeenheid verklaard dat op zijn kantoor in gevallen als de onderhavige nadrukkelijk wordt stilgestaan bij de betekenis van hoofdelijke aansprakelijkheid. Mr. [notaris 1] heeft, naar volgt uit zijn getuigenverklaring, van het voorgevallene voorts een verslag opgemaakt waaruit blijkt dat over het onderwerp hoofdelijkheid uitvoerig is gesproken, wat hoofdelijke aansprakelijkheid betekent en dat de bank op iedere hoofdelijk verbonden schuldenaar het gehele geldbedrag kan verhalen. Volgens de getuige mr. [notaris 1] moet het [appellanten] absoluut duidelijk zijn geweest wat de risico’s waren die aan de hoofdelijke aansprakelijkheid waren verbonden.

Indien en voor zover bij [appellanten] naar aanleiding van het gesprek met [getuige 2] de indruk is ontstaan dat de borgstelling (op dat moment aangeduid als hoofdelijke aansprakelijkheid) slechts tijdelijk en voor korte duur was en er zonder meer ontslag door de Bank zou plaatsvinden, is naar het oordeel van het hof die indruk in ieder geval weggenomen door mr. [notaris 1]. De getuige mr. [notaris 1] heeft immers verklaard dat door [appellanten] of [zoon appellanten] of [(toenmalige) vrouw van zoon appellanten] aan de orde is gesteld de vraag of de hoofdelijkheid tijdelijk was. Mr. [notaris 1] heeft hierop, aldus zijn verklaring, gezegd dat de hoofdelijke aansprakelijkheid niet tijdelijk was en zou voortduren zolang [appellanten] niet door de bank uit de hoofdelijkheid zouden zijn ontslagen, dat zulks ter beoordeling was van de bank, en dat [appellanten] precies wisten waar ze aan toe waren.

Het hof acht de verklaring van de getuige mr. [notaris 1] geloofwaardig en consistent en in overeenstemming met zijn eerdere brief van 17 november 2010 en het door mr. [notaris 1] opgemaakte verslag (passeernotities) die bij memorie na enquête (prod. 7) zijdens de Bank is overgelegd. Zoals het hof reeds in rov. 4.10.1. van het tussenarrest heeft geoordeeld blijkt uit de eerste offerte van 19 december 2002 noch uit de tweede offerte van 5 maart 2003 dat [appellanten] zich slechts tijdelijk borg stelden, terwijl in de door [appellanten] ondertekende hypotheekakte duidelijk is vermeld dat [appellanten] zich hoofdelijk en voor onbepaalde tijd hebben verbonden voor de hypotheekschuld.

7.4.6

De conclusie luidt dat de Bank het verlangde bewijs heeft geleverd. De verklaringen van [zoon appellanten], mevrouw [appellante sub 1] en [appellant sub 2] leggen onvoldoende gewicht in de schaal om het geleverde bewijs te ontkrachten. De door de Bank overgelegde, bij notariële akte opgemaakte, verklaring van [getuige 1] (prod. 6 memorie na enquête ), waarvan de juistheid door [appellanten] is weersproken, behoeft mitsdien geen bespreking.

7.5.

Nu in rechte vaststaat dat mr. [notaris 1] voorafgaand aan het passeren van de akte [appellanten] uitdrukkelijk op voormelde wijze heeft gewaarschuwd voor de aan de borgstelling/hoofdelijke aansprakelijkheid verbonden risico’s en [appellanten] ondanks deze waarschuwing de akte hebben ondertekend, dient tot uitgangspunt te worden genomen (zie rov. 7.1. ) dat [appellanten] de akte ook zouden hebben ondertekend indien de Bank niet in haar waarschuwingsplicht was tekortgeschoten.

7.6.

In het tussenarrest (rov. 4.23) heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld inlichtingen te verstrekken.

De Bank diende de destijds in 2003 toepasselijke (gedrags-)regels en (bank-)voorwaarden over te leggen die zij in acht moest nemen en hanteerde in een geval als het onderhavige waarbij ouders zich als medegeldnemer hoofdelijk verbonden voor de gehele hypothecaire schuld van hun kind, althans zich hiervoor borg stelden. De Bank diende daarbij aan te geven in hoeverre zij deze (gedrags-)regels en voorwaarden heeft gevolgd.

[appellanten] dienden een met bescheiden onderbouwde berekening over te leggen van hun stelling dat zij destijds niet financieel draagkrachtig waren om naast de verplichtingen uit een reeds bestaande hypotheek van [appellanten] tevens de verplichtingen uit de tweede hypothecaire geldlening te dragen.

7.7

De Bank heeft gesteld dat in 2003 nog geen interne regels golden die de Bank in acht diende te nemen in het geval waarbij de ouders zich als medegeldnemer hoofdelijk verbonden voor de hypothecaire schuld van hun kind(eren). De bank hanteerde destijds wel een interne leidraad voor acceptaties (prod. 5 memorie na enquête Bank). In deze leidraad onder het kopje ‘borgstelling’ is vermeld dat de aanvrager(s) en de hoofdelijk medeschuldenaar(s) de woonlasten (van de hoofdschuldenaars) volledig samen moeten kunnen opbrengen, dat rekening dient te worden gehouden met de eigen woonlasten van de borgen en dat een BKR-toets wordt verricht. Volgens de Bank is de hypotheekaanvraag overeenkomstig de leidraad behandeld.

Het inkomen van [zoon appellanten] en het tijdelijke inkomen van [(toenmalige) vrouw van zoon appellanten] was, aldus de Bank, op zichzelf al voldoende voor de verlangde hypothecaire lening. De eerste kredietaanvrage werd echter afgewezen in verband met de BKR-melding vanwege de Comfort Card. Uit de door [tussenpersoon] bij [appellanten] ingewonnen en aan de Bank bij faxbericht van 21 januari 2003 verstrekte gegevens (prod. 4 memorie na enquête Bank) blijkt, aldus de Bank, dat een BKR-toets is verricht, dat de woning van [appellanten] bijna vrij was van hypotheek en dat zij destijds dus beperkte woonlasten hadden. De bij dit faxbericht gevoegde inkomensgegevens op basis van de aangifte IB 2002 (uit de overgelegde aangifte IB blijkt dat het gaat om IB 2001, hof) gaven aan dat sprake was van een gezamenlijk inkomen van [appellanten] van circa € 35.000,00 en dat de eigen woonlasten € 3.953,00 (bruto) per jaar bedroegen, zodat zij de verplichtingen konden dragen. Volgens de Bank was, gelet op de financiële positie van [appellanten], de borgstelling derhalve niet onverantwoord. De aanvrage voldeed bovendien aan de interne leidraad, aldus de Bank.

De Bank heeft voorts erop gewezen dat in 2003 in de rechtspraak noch op andere wijze ten aanzien van een particuliere borg een onderzoeksplicht werd aangenomen naar de financiële draagkracht van de borg. De uiteindelijke beslissing of een borgtocht al dan niet verantwoord is, dient aan de borg zelf overgelaten te worden, aldus de Bank.

7.8

De vraag of de Bank (destijds) gehouden was een onderzoek te verrichten naar de financiële draagkracht van een borg behoeft geen beantwoording. Het hof overweegt het volgende.

De Bank heeft blijkens de door haar op 5 maart 2003 aan [zoon appellanten] en [(toenmalige) vrouw van zoon appellanten] uitgebrachte hypotheekofferte als voorwaarde voor de hypotheekverlening verlangd dat [appellanten] hoofdelijk aansprakelijk zouden zijn voor de gehele hypotheekschuld. In de notariële akte van 21 maart 2003 zijn [appellanten] bovendien als geldnemers aangemerkt die samen met de andere geldnemers ([zoon appellanten] en [(toenmalige) vrouw van zoon appellanten]) hoofdelijk aansprakelijk zouden zijn voor deze hypotheekschuld. In een dergelijk geval kan de Bank, die kennelijk heeft beoogd [appellanten] tot hoofdelijk medeschuldenaren te maken, zich bezwaarlijk erop beroepen dat de uiteindelijke beslissing of een borgtocht al dan niet verantwoord is aan de borg ([appellanten]) zelf overgelaten dient te worden en op de Bank aldus geen onderzoeksplicht rust naar de draagkracht van de door haar als hoofdelijk medeschuldenaren aangemerkte personen. Ook uit de door de Bank in 2003 gehanteerde leidraad blijkt dat indien sprake was van een hoofdelijk medeschuldenaar er door de Bank onderzoek werd gedaan naar de draagkracht van die hoofdelijk medeschuldenaar. De Bank was derhalve gehouden onderzoek te doen naar de kredietwaardigheid van [appellanten] teneinde te voorkomen dat zij financiële lasten op zich zouden nemen die gelet op hun draagkracht onverantwoord zouden zijn.

7.9.

[appellanten] hebben in de memorie na enquête (blz. 13) verwezen naar door de Bank overgelegde ‘Acceptatienormen en voorwaarden hypothecaire geldleningen voor particulieren’. [appellanten] stellen dat uitgaande van de ‘Acceptatienormen en voorwaarden hypothecaire geldleningen voor particulieren’ het inkomen van [appellanten] reeds in 2001 ontoereikend was voor de totale financieringslast.

7.10.

Het hof overweegt als volgt. De acceptatienormen waarop [appellanten] zich beroepen zijn door de Bank noch door [appellanten] overgelegd en betreffen kennelijk andere normen dan die zijn genoemd in de door de Bank overgelegde, door haar in 2003 gehanteerde, leidraad. Gesteld noch gebleken is dat de Bank in 2003 gehouden was de door [appellanten] bedoelde acceptatienormen in acht te nemen bij de onderhavige hypotheekaanvraag van [zoon appellanten] en [(toenmalige) vrouw van zoon appellanten], waarbij [appellanten] als borg zouden fungeren. Zoals het hof reeds in voormeld tussenarrest heeft geoordeeld (rov. 4.15.) zijn eerst in de gedragscode van 2007 regels opgenomen ter voorkoming van overkreditering. Ook artikel 4:34 Wft, waarin is bepaald dat ter voorkoming van overkreditering van de consument de aanbieder van krediet in het belang van de consument informatie dient in te winnen over diens financiële positie, is pas in 2007 in werking getreden.

7.11.

Naar het oordeel van het hof mocht de Bank zich er in 2003 toe beperken aan de hand van haar (interne) leidraad te toetsen of het verantwoord was dat [appellanten] zich als borg verbonden voor de hypothecaire schuld van [zoon appellanten] en [(toenmalige) vrouw van zoon appellanten].

[appellanten] hebben niet betwist dat volgens de destijds toepasselijke leidraad van de Bank de aanvrager(s) ([zoon appellanten] en [(toenmalige) vrouw van zoon appellanten]) en de borgen ([appellanten]) samen volledig de woonlasten (van de aanvrager(s)) moesten kunnen opbrengen en dat het inkomen van [zoon appellanten] en het tijdelijke inkomen van [(toenmalige) vrouw van zoon appellanten] reeds voldoende was om de maandelijkse last uit hoofde van de aan hen verstrekte hypothecaire geldlening van € 212.000,00 te betalen. Uit de destijds door de Bank gehanteerde leidraad blijkt bovendien, gelijk de Bank stelt, niet dat de woonlasten uit beide hypotheken uit het inkomen van [appellanten] moesten kunnen worden opgebracht.

Uit de door [appellanten] gemaakte berekening (blz. 13 memorie na enquête [appellanten]) blijkt overigens dat het gezamenlijk inkomen van [appellanten] zowel in 2001 als in 2003 toereikend was voor de betaling van de eigen woonlasten en dat er bovendien nog ruimte was voor een extra financieringslast van € 4.824,28 respectievelijk € 5.261,07.

Uit al het voorgaande volgt dat [appellanten] onvoldoende hebben onderbouwd dat het gezien hun financiële positie voor hen onverantwoord was dat zij zich als borg verbonden voor de hypothecaire geldlening van [zoon appellanten] en [(toenmalige) vrouw van zoon appellanten]. De vraag of de Bank al dan niet een onderzoek heeft verricht naar de financiële positie van [appellanten], zoals [appellanten] betwisten, behoeft, gelet op voormelde uitkomst, geen behandeling.

7.12.

In rechte staat aldus vast dat [appellanten] voorafgaande aan het ondertekenen van de akte uitdrukkelijk zijn gewaarschuwd voor de aan de borgstelling (hoofdelijke aansprakelijkheid) verbonden risico’s en dat het, gezien de financiële positie van [appellanten], in 2003 niet onverantwoord was dat zij zich als borg verbonden voor de hypotheekschuld van [zoon appellanten] en [(toenmalige) vrouw van zoon appellanten]. De vordering voor zover gegrond op artikel 6:162 BW dient derhalve te worden afgewezen.

7.13.

Nu alle grieven falen, zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. [appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld (3 punten tarief II).

8 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Maastricht van 14 september 2011;

veroordeelt [appellanten] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van de Bank worden begroot op € 2.619,00 aan verschotten (inclusief taxe getuigen) en op € 2.682,00 aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, S. Riemens en P.M. Arnoldus-Smit en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 juli 2014.