Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2116

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2014
Datum publicatie
11-07-2014
Zaaknummer
HV 200.135.302_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 10 juli 2014

Zaaknummer: F 200.135.302/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/263234 / FA RK 13-2595

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E.M. Annema,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.C.E. Wilschut.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 12 juli 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 oktober 2013, heeft de moeder verzocht bij beschikking - uitvoerbaar bij voorraad - voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de uitbreiding van de contactregeling door de week, de verdeling van de kerstdagen en de zomervakantie en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de vader tot uitbreiding van de contactregeling af te wijzen en ten aanzien van de kerstdagen te bepalen dat de hierna nader te noemen kinderen van partijen afwisselend ieder jaar één van de kerstdagen omgang met de vader en de moeder hebben, waarbij ze in 2013 op eerste kerstdag omgang hebben met de moeder en op tweede kerstdag met de vader, alsmede dat de kinderen in de zomervakantie in de even jaren de eerste twee weken van de zomervakantie bij de vader verblijven en in de oneven jaren in de laatste twee weken van de zomervakantie.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 november 2013, heeft de vader verzocht bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar appel, althans dit appel af te wijzen als ongegrond dan wel onbewezen en de beschikking waarvan beroep inzake wijziging zorg- en contactregeling te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 januari 2014. Bij die

gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Annema;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Wilschut;

  • -

    de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw E.A.P. van den Dam.

Van deze mondelinge behandeling is een verkort proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief van de raad van 12 november 2013 met de mededeling dat de onderhavige zaak niet bekend is bij de raad en er derhalve geen rapportages zijn;

- de door de advocaat van de moeder ter zitting overgelegde pleitaantekeningen.

2.5.

Op de zitting van 14 januari 2014 is de raad verzocht om een onderzoek in te stellen en te rapporteren en adviseren omtrent de vraag welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken het meest in het belang wordt geacht van de hierna nader te noemen minderjarigen [zoon 1], [zoon 2] en [zoon 3] en omtrent de vraag of partijen bij de uitvoering daarvan hulp nodig hebben en, zo ja, hoe die hulp kan worden gerealiseerd. De verdere behandeling van de zaak is pro forma aangehouden tot 15 mei 2014 teneinde de resultaten van het onderzoek en het advies van de raad af te wachten.

2.6.

Nadien heeft het hof kennis genomen van de inhoud van:

- het rapport van de raad van 22 april 2014;

- de brief van de advocaat van de moeder van 12 mei 2014;

- de brief van de advocaat van de vader van 12 mei 2014.

2.7.

Geen van de partijen heeft het hof bij voormelde brieven te kennen gegeven een nadere mondelinge behandeling te wensen. Het hof heeft vervolgens besloten de zaak op de stukken af te doen en uitspraak bepaald op heden.

3 De beoordeling

3.1.

Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en het toepasselijk recht. Het hof verwijst hiervoor naar de daaraan gewijde overwegingen van de rechtbank waartegen geen grieven zijn gericht en die het hof onderschrijft. De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe met betrekking tot het onderhavige verzoek en daarop is Nederlands recht van toepassing.

3.2.

Partijen zijn op 1 april 2006 met elkaar gehuwd.

Uit hun voorhuwelijkse relatie is geboren:

- [zoon 1] (hierna ook: [zoon 1]), op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats].

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

  • -

    [zoon 2] (hierna ook: [zoon 2]), op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats],

  • -

    [zoon 3](hierna ook: [zoon 3]), op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats].

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de moeder.

3.3.

Bij beschikking van 31 augustus 2012 heeft de rechtbank ‘s-Hertogenbosch tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 25 september 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, het tussen partijen overeengekomen ouderschapsplan, in welk ouderschapsplan onder meer een zorg- en contactregeling is vastgelegd, opgenomen in de beschikking.

3.4.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, met wijziging in zoverre van de onder 3.2 vermelde echtscheidingsbeschikking en het tussen partijen overeengekomen ouderschapsplan, een zorgregeling vastgesteld zoals in die beschikking is weergegeven, met afwijzing van het zelfstandige verzoek van de moeder te bepalen dat de kinderen afwisselend ieder jaar een van de kerstdagen contact hebben met de vader en de moeder.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissingen niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat niets aan uitbreiding van de contactregeling in de weg staat. Partijen moeten zich eerst richten op een betere uitvoering van de voorheen geldende regeling. De communicatie tussen partijen verloopt nog steeds moeizaam en met name de wisselmomenten leveren veel stress op. Daarbij komt dat de kinderen - en met name [zoon 1] - veel last hebben gehad van de scheiding en behoefte hebben aan structuur en regelmaat.

De uitbreiding van de contactregeling is niet in het belang van de kinderen, omdat de vader veel werkt en zelden in staat is om de kinderen op te halen en tijd met hen door te brengen. Dit is in de praktijk ook gebleken in de periode nadat de beschikking waarvan beroep is gegeven.

De moeder heeft bovendien nog steeds zorgen over de veiligheid van de kinderen gezien het alcohol- en drugsverleden van de vader. Ook uit het rapport van de Stichting De Oosterpoort blijkt niet dat de vader zijn alcoholprobleem onder controle heeft.

De rechtbank heeft voorts ten onrechte geoordeeld dat het de moeder zelf is die problemen heeft met uitbreiding van de regeling. Volgens de moeder zijn haar bezwaren ingegeven door het belang van de kinderen.

Ook heeft de rechtbank ten onrechte bepaald dat de kinderen in de zomervakantie drie aaneengesloten weken bij de vader zullen doorbrengen. De vader heeft onvoldoende redenen aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van de afspraak in het ouderschapsplan dat de kinderen ieder jaar in de bouwvakantie twee aaneengesloten weken bij de vader zullen doorbrengen. Drie aaneengesloten weken is te lang voor de kinderen.

Ten slotte heeft de rechtbank op onbegrijpelijke gronden het zelfstandige verzoek van de moeder met betrekking tot de kerstdagen afgewezen. Vanwege haar katholieke achtergrond hecht de moeder eraan om in ieder geval één van de kerstdagen met de kinderen door te brengen. Het is voor de moeder financieel niet meer mogelijk om tijdens de Kerstdagen met vakantie naar Polen te gaan.

Ter zitting heeft de moeder verklaard dat de school zich kennelijk ook zorgen maakt over de kinderen en inmiddels het Bureau Jeugdzorg heeft ingeschakeld.

3.7.

De vader brengt daar, kort samengevat, het volgende tegen in. De vader erkent dat de communicatie tussen partijen moeizaam verloopt, maar hij stelt dat het hem niet lukt om via de telefoon of de mail in contact te komen met de moeder. Op sms-berichten reageert de moeder slechts bij uitzondering. Volgens de vader frustreert de moeder een gestructureerde

contactregeling en belast zij de kinderen met haar emoties. De strijd tussen partijen duurt nog

steeds voort en de kinderen gaan daar zeer onder gebukt. De moeder werkt op geen enkele wijze mee aan pogingen om de communicatie tussen partijen te verbeteren.

De vader betwist met klem dat hij de kinderen zelden van school ophaalt. Slechts bij uitzondering gebeurt dit door de ouders van de vader. De vader ontkent ook dat de kinderen veel tijd bij anderen doorbrengen.

De vader betwist voorts uitdrukkelijk dat hij zijn alcohol- en drugsprobleem niet onder

controle heeft, zoals de moeder heeft aangevoerd. Het tegendeel blijkt uit het rapport van de Stichting De Oosterpoort.

In de afgelopen periode - na de beschikking van de rechtbank - hebben de kinderen op geen enkele wijze aangegeven dat zij de huidige regeling niet aankunnen. Wisselmomenten waarbij zowel de vader als de moeder betrokken zijn, zijn er nauwelijks. De wisselmomenten vinden bijna allemaal op school plaats.

Met betrekking tot de zomervakanties stelt de vader dat de kinderen flexibel genoeg zijn om

drie weken bij de vader door te brengen. Dit is ook gebleken in de zomervakantie van 2013.

Ten slotte stelt de vader dat de rechtbank op goede gronden het zelfstandige verzoek van de moeder met betrekking tot de kerstdagen heeft afgewezen. De moeder maakt in deze het belang van de kinderen ondergeschikt aan haar eigen belang.

3.8.

De raad heeft ter zitting verklaard zich zorgen te maken over het welzijn van de kinderen. De kinderen zitten klem tussen de ouders. De ouders zouden in het belang van de kinderen onder deskundige leiding met elkaar in gesprek moeten gaan.

3.9.

Op verzoek van het hof heeft de raad onderzoek gedaan naar de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de moeder en de vader. De raad heeft op 22 april 2014 rapport uitgebracht.

Uit dit rapport komt het volgende naar voren. De sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen wordt bedreigd. Vooral [zoon 1] en [zoon 2] worden ernstig belast door de onderlinge problematiek van de ouders. De raad maakt zich ernstig zorgen om (mogelijk al aanwezige) loyaliteitsproblematiek. De meest passende maatregel is een ondertoezichtstelling.

De raad is voorts van mening dat de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders in stand gehouden dient te worden. Uit het onderzoek komen geen aanwijzingen naar voren dat de huidige regeling niet in het belang zou zijn van de kinderen. De kinderen hebben anderhalf jaar na de scheiding nog steeds veel hinder van de spanningsvolle situatie die er tussen de ouders bestaat. De kinderen worden met name belast door de hevige emoties van de moeder, waarbij gemis van de kinderen en negativiteit jegens de vader centraal staan. De raad vindt het juist in het belang van de kinderen dat de vader zich betrokken toont bij hun ontwikkeling en opvoeding en dat de kinderen hun eigen tijd hebben met de vader. De kinderen geven zelf aan de huidige regeling als prettig te ervaren. De kinderen krijgen zo een meer evenwichtige band met de vader en een kans om een eigen beeld van de vader te vormen, los van de emoties van de moeder.

De raad ziet momenteel geen draagvlak om de huidige regeling te wijzigen. Er dient rust te komen in de situatie door de inzet van hulpverlening. Het is op de eerste plaats van belang dat de ouders met hun onderlinge communicatie aan de slag gaan en de moeder met haar emotieregulatie. Vervolgens dient de gezinsvoogd goed te kijken naar de loyaliteitssituatie, de weerbaarheid van de kinderen, de opvoedingssituatie bij beide ouders en hun mogelijkheden tot samenwerking. In het kader van de ondertoezichtstelling kan dan nader bezien worden of de huidige regeling het meest tegemoet blijft komen aan de belangen van

de kinderen.

De vakanties dienen bij helfte verdeeld te worden.

3.10.

De moeder heeft in de hiervoor genoemde brief van 12 mei 2014 kenbaar gemaakt dat zij zich niet kan verenigen met het advies van de raad. De moeder is van mening dat de huidige contactregeling te onrustig is voor de kinderen en dat zij gebaat zijn bij de eerdere tussen partijen afgesproken regeling.

3.11.

De vader heeft in de hierboven genoemde brief van 12 mei 2014 laten weten dat hij geen nader commentaar op het raadsrapport heeft.

3.12.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.12.2.

Vast staat dat na het tussen partijen gesloten ouderschapsplan, dat is opgenomen in de beschikking van 31 augustus 2012, sprake is van een wijziging van omstandigheden. Verder is het het hof ambtshalve bekend dat de kinderen inmiddels onder toezicht zijn gesteld.

Het hof overweegt dat in het rapport van de raad van 22 april 2014 wordt gesteld dat er geen aanwijzingen uit het onderzoek naar voren komen dat de huidige contactregeling niet in het belang van de kinderen zou zijn. De raad is van mening dat de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de moeder en de vader in stand dient te blijven. Het hof onderschrijft de bevindingen van de raad. Niet gebleken is dat de huidige contactregeling qua frequentie en inhoud niet goed aansluit bij de behoeftes en mogelijkheden van de kinderen of anderszins in strijd is met de belangen van de kinderen. Daarbij hebben de kinderen ook zelf tegenover de raad kenbaar gemaakt dat zij de huidige regeling als prettig ervaren. De stellingen van de moeder ten aanzien van het middelengebruik van de vader en het opvangen van de kinderen door anderen dan de vader zijn, na betwisting door de vader, naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd en niet komen vast te staan.

Uit meergemeld rapport van de raad blijkt voorts dat de kinderen veel hinder ondervinden van de spanningsvolle situatie die er tussen de ouders bestaat en dat de moeder zelf degene lijkt te zijn die hinder ondervindt van de huidige zorgregeling. Met de raad acht het hof het van belang dat de ouders aan de verbetering van hun onderlinge communicatie gaan werken en dat de moeder zich tot de hulpverlening wendt om aan de slag te gaan met haar emotieregulatie. Wat betreft de zorgregeling in de zomervakanties is het hof met de rechtbank en de raad van oordeel dat deze bij helfte dienen te worden verdeeld, waarbij elk van partijen een aaneengesloten periode van drie weken met de kinderen kan doorbrengen. Het hof acht het van belang voor de kinderen dat zij gedurende een langere periode bij beide ouders verblijven, nu dit voor hen rust creëert en zij de mogelijkheid krijgen om gedurende langere aaneengesloten tijd ook bij de vader te zijn. Ook wat betreft de kerstvakanties volgt het hof het oordeel van de rechtbank. Evenals de rechtbank acht het hof het wisselen tijdens de kerstdagen niet in het belang van de kinderen, omdat dit een nieuw wisselmoment en daardoor onrust met zich meebrengt.

Het hof ziet derhalve geen gronden om de huidige zorgregeling te wijzigen en terug te gaan naar een meer beperkte zorgregeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan. Het hof gaat er verder vanuit dat de gezinsvoogd de relevante ontwikkelingen volgt en zo nodig de geëigende maatregelen neemt.

3.13.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van

12 juli 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, C.D.M. Lamers en W.Th.M. Raab en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2014.