Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2108

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2014
Datum publicatie
11-07-2014
Zaaknummer
F 200.133.804_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:2111
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:2110
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Meerderjarigenbewind. Beloning bewindvoerder. Art. 1:447 BW.

Met de goedkeuring van de rekening en verantwoording over het jaar 2009 is in casu ook de daarin opgenomen bewindvoerdersbeloning door de kantonrechter goedgekeurd.

De kantonrechter mocht in het onderhavige geval niet bij een latere beslissing terugkomen op die eerder verleende goedkeuring. Omstandigheden die dit anders zouden kunnen maken, heeft de kantonrechter niet in zijn overwegingen betrokken, noch is het hof daarvan gebleken. De verzochte bewindvoerdersbeloning kan ook niet als bovenmatig worden beschouwd. Nu verder is gebleken dat de door de bewindvoerder voor bewindvoerdersbeloning ten laste van het vermogen van de rechthebbende gebrachte bedragen zien op kosten en werkzaamheden in de maand januari 2009 die in het belang van het bewind zijn gemaakt dan wel verricht, is alsnog aan de bewindvoerder de door hem verzochte machtiging verleend.

Het hof heeft in de zaken met navolgende zaaknummers inhoudelijk gelijkluidend beslist:

F 200.133.817/01 (februari 2009), F 200.133.832/01 (maart 2009), F 200.133.833/01 (april 2009), F 200.133.836/01 (mei 2009), F 200.133.839/01 (juni 2009), F 200.133.843/01 (juli 2009), F 200.133.845/01 (augustus 2009), F 200.133.847/01 (september 2009),

F 200.133.849/01 (oktober 2009), F 200.133.851/01 (november 2009), F 200.133.852/01 (december 2009), F 200.133.870/01 (januari 2010), F 200.133.871/01 (februari 2010),

F 200.133.872/01 (maart 2010), F 200.133.875/01 (april 2010), F 200.133.876/01 (mei 2010),

F 200.133.878/01 (juli 2010), F 200.133.879/01 (augustus en september 2010),

F 200.133.880/01 (oktober 2010) en F 200.133.881/01 (november en december 2010).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 447, geldigheid: 2014-07-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0191

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 10 juli 2014

Zaaknummer: F 200.133.804/01

Zaaknummer eerste aanleg: 737372 / 11-501

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te “The Tulips”, [adres], [woonplaats ], Co. Limerick, Ierland,

appellant,

hierna te noemen: de bewindvoerder,

advocaat: mr. J.N.A. Kilian.

Als belanghebbenden in de onderhavige zaak kunnen worden aangemerkt:

[belanghebbende],

overleden op 12 december 2013,

bij leven laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats ],

hierna te noemen: de rechthebbende,

alsmede de erfgenamen van de rechthebbende, te weten:

[erfgenaam 1 van de rechthebbende],

wonende te [woonplaats ], Californië (Verenigde Staten),

[erfgenaam 2 van de rechthebbende],

wonende te [woonplaats ], Californië (Verenigde Staten),

[erfgenaam 3 van de rechthebbende],

wonende op een aan het hof onbekend adres,

[erfgenaam 4 van de rechthebbende],

wonende te [woonplaats ],

tot het moment van overlijden van de rechthebbende tevens haar mentor,

hierna te noemen: de voormalige mentor,

hierna tezamen te noemen: de erfgenamen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, kanton Eindhoven (hierna te noemen: de kantonrechter) van 17 juni 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 17 september 2013, heeft de bewindvoerder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende aan hem een machtiging te verlenen voor het opnemen van een bedrag van € 3.075,09 (exclusief value-added tax, hierna: VAT) ten laste van het vermogen van de rechthebbende, ter zake van door hem verrichte werkzaamheden (het hof begrijpt: verrichte werkzaamheden en gemaakte kosten, derhalve bewindvoerdersbeloning) in januari 2009.

2.2.

Ter griffie van het hof zijn geen verweerschriften ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 en 11 juni 2014. Bij die gelegenheid is de bewindvoerder gehoord, bijgestaan door zijn advocaat.

2.3.1.

Ter zitting van het hof zijn geen belanghebbenden verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 17 december 2012;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de bewindvoerder d.d. 9 mei 2014;

  • -

    de brief met één bijlage van de advocaat van de bewindvoerder d.d. 12 mei 2014;

  • -

    de brief met één bijlage van de advocaat van de bewindvoerder d.d. 26 mei 2014;

  • -

    het faxbericht van mr. [notaris], notaris, d.d. 30 mei 2014;

  • -

    het faxbericht van de advocaat van de bewindvoerder d.d. 6 juni 2014, met bijlagen, te weten brieven met bijlagen van de bewindvoerder aan de kantonrechter d.d. 5 januari 2009, 25 januari 2010, 10 januari 2011 en 9 januari 2012;

  • -

    de ter zitting door (de advocaat van) de bewindvoerder overgelegde stukken, te weten:

- een brief van de rechthebbende aan de bewindvoerder d.d. 12 juni 2003;

- een brief van de bewindvoerder aan de rechthebbende d.d. 12 juni 2006;

- een stuk getiteld ‘Protocol bewindvoeringen’ van [bewindvoerderskantoor] Bewindvoerderskantoor;

- de in het procesdossier ontbrekende pagina’s van het stuk getiteld ‘Onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen, Uitleg en instructie ten behoeve van de bewindvoerders, Samenstelling 25 april 2005’;

- een zestal specificaties van door de bewindvoerder in het kader van het bewind gewerkte uren over de periode van 3 juli 2006 tot en met 31 december 2011;

- de ter griffie van het hof op 11 juni 2014 door de advocaat van de bewindvoerder gedeponeerde brief met bijlagen (‘overzicht + mutaties 2006’, ‘overzicht + mutaties 2007’, ‘overzicht + mutaties 2008’, ‘overzicht + mutaties 2009’, ‘overzicht + mutaties 2010’, ‘overzicht + mutaties 2011’ en ‘aansluiting facturen’), zoals door het hof ter zitting op 10 juni 2014 was verzocht.

3 De beoordeling

3.1.

De feiten

3.1.1.

Bij beschikking d.d. 3 juli 2006 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven (thans rechtbank Oost-Brabant, kanton Eindhoven), over alle goederen die aan de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, een bewind ingesteld en de heer [appellant] tot bewindvoerder benoemd.

3.1.2.

Bij brief d.d. 7 september 2006 heeft de bewindvoerder – zakelijk weergeven en voor zover hier van belang – aan de kantonrechter verzocht om een machtiging voor het verrichten van extra, buiten het standaard vermogens- en inkomensbeheer vallende werkzaamheden van 1 à 2 uur per maand. Voorts heeft de bewindvoerder verzocht de bewindvoerdersbeloning vast te stellen op € 70,- per uur en de reiskostenvergoeding op € 0,37 per kilometer.
De bewindvoerder heeft in dit kader een opgave gedaan van door hem te verrichten 'extra' werkzaamheden met betrekking tot onder meer onroerend goed van de rechthebbende, gelegen in Spanje, Portugal en Ierland. Tevens heeft de bewindvoerder erop gewezen dat in Ierland, waar hij woonachtig is, de kosten voor levensonderhoud over het algemeen aanzienlijk hoger zijn dan in Nederland.

3.1.3.

Bij brief d.d. 18 september 2006 heeft een medewerker van de kantonrechter aan de bewindvoerder bericht dat – voor zover hier van belang – hij conform de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind (hierna: de Aanbevelingen) van het LOVCK (voorheen: LOK), jaarlijks zonder machtiging van de kantonrechter een bedrag van € 500,- mag declareren. Ook "voor de overige condities ter zake de beloning" van de bewindvoerder wordt in deze brief verwezen naar de Aanbevelingen, waarbij het uurloon van de bewindvoerder "bij deze door de kantonrechter" is vastgesteld op € 40,- exclusief BTW. Voorts heeft de kantonrechter, mede gelet op het feit dat de bewindvoerder reeds jaren de belangen van de rechthebbende had behartigd, geen redenen aanwezig geacht om een vergoeding toe te kennen voor intake-kosten.

3.1.4.

De bewindvoerder heeft in een brief aan het kantongerecht te Eindhoven d.d. 26 oktober 2006 uiteengezet waarom het door de kantonrechter vastgestelde tarief voor hem “niet adequaat” was. De bewindvoerder heeft in dit kader – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hij bereid was om als bewindvoerder op te treden omdat niemand anders daartoe bereid was, hij voor de rechthebbende aanvaardbaar was en haar vertrouwen had en hij, gelet op de financiële problemen in met name Ierland en Portugal, in de gelegenheid was “deze zaken aan te pakken”. Volgens de bewindvoerder konden zijn werkzaamheden niet als een vrijwilligersactiviteit worden gezien. De bewindvoerder heeft verder verwezen naar de inhoud van voormelde brief d.d. 7 september 2006 en nogmaals gewezen op de problemen in de (financiële) situatie van de rechthebbende. De bewindvoerder heeft tot slot het volgende opgemerkt: “Mocht u echter van mening zijn dat een professionele bewindvoerder de belangen van [de rechthebbende] beter en/of goedkoper kan verrichten dan draag ik mijn verantwoordelijkheid ter zake gaarne over.

3.1.5.

Bij brief d.d. 21 mei 2007 heeft een medewerker van de kantonrechter de bewindvoerder als volgt bericht: “Namens de Kantonrechter kan ik u mededelen dat er alsnog akkoord wordt gegaan met uw verzoek “vergoeding Bewindvoering” (€ 70,--/uur), op voorwaarde dat u ons specificaties toestuurt van de extra werkzaamheden. Indien het bedrag hoger zal zijn dan € 1.000,-, moet ik u verzoeken om hiervoor schriftelijk om een machtiging te verzoeken bij de Kantonrechter te Eindhoven. Wat betreft het verzoek “reiskosten vergoeding”(€ 0,37/km), met dezelfde voorwaarde als hierboven vermeld.

3.1.6.

Bij brief d.d. 5 januari 2009 met bijlagen, gericht aan de kantonrechter, heeft de bewindvoerder de rekening en verantwoording over de periode van 3 juli 2006 tot en met 31 december 2008 ingediend. In deze brief heeft de bewindvoerder de kantonrechter bericht dat de vergoeding voor zijn werkzaamheden (inclusief VAT) in die periode in totaal € 40.802,40 en de onkosten in deze periode voor reis- en verblijfkosten, etc., in totaal € 12.042,97 bedragen.

3.1.7.

Bij brief d.d. 25 januari 2010 met bijlagen, gericht aan de kantonrechter, heeft de bewindvoerder de rekening en verantwoording over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 ingediend. In deze brief heeft de bewindvoerder de kantonrechter bericht dat de vergoeding voor zijn werkzaamheden (exclusief VAT) in deze periode in totaal € 8.480,- en de onkosten in deze periode voor reis- en verblijfkosten etc., in totaal € 2.704,- bedragen. De door de bewindvoerder namens de rechthebbende betaalde schulden en overige kosten, bedragen volgens de rekening en verantwoording in die periode in totaal € 25.447,-.

3.1.8.

Bij brief d.d. 10 januari 2011 met bijlagen, gericht aan de kantonrechter, heeft de bewindvoerder de rekening en verantwoording over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 ingediend. In deze brief heeft de bewindvoerder de kantonrechter bericht dat de vergoeding voor zijn werkzaamheden (inclusief VAT) in deze periode in totaal € 5.082,- en de onkosten in deze periode voor reis- en verblijfkosten etc., in totaal € 731,- bedragen. Het bedrag aan vergoeding voor namens de rechthebbende betaalde schulden, bedraagt volgens de rekening en verantwoording in die periode € 731,06. Ter zitting van het hof heeft de bewindvoerder – op vragen van het hof omtrent een in de kantlijn van die brief gemaakt aantekening – verklaard dat hij daarnaast namens de rechthebbende een bedrag aan de Portugese belastingdienst heeft voldaan van € 576,-.

3.1.9.

Bij brief d.d. 31 januari 2011 heeft een medewerker van de kantonrechter aan de bewindvoerder bericht dat de kantonrechter de door hem ingediende periodieke rekening en verantwoording over de periode van 3 juli 2006 tot en met 31 december 2008 alleen voor gezien in het dossier heeft gevoegd “in verband met een verschil van € 4.861,-”. Dit verschil kan volgens de kantonrechter zijn veroorzaakt “doordat bepaalde inkomsten of uitgaven niet vermeld zijn of door waarde vermindering van effecten en/of aandelen”.

De rekening en verantwoording over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 en die over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 zijn door de kantonrechter voor gezien en goedgekeurd in het dossier gevoegd.
Tevens is de bewindvoerder opgedragen de rekening en verantwoording over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011, vóór 31 januari 2012 ter griffie van de kantonrechter in te dienen.

3.1.10.

Bij brief d.d. 9 januari 2012 met bijlagen, heeft de bewindvoerder de rekening en verantwoording over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 ingediend. In deze brief heeft de bewindvoerder de kantonrechter bericht dat de vergoeding voor zijn werkzaamheden (inclusief VAT) in deze periode in totaal € 3.665,-, inclusief een bedrag van € 200,- voor in deze periode gemaakte reis- en verblijfkosten etc., bedraagt.

3.1.11.

Vervolgens heeft de kantonrechter een zitting bepaald, die heeft plaatsgevonden op 17 december 2012. Ter zitting heeft de kantonrechter als volgt beslist: “De kantonrechter verzoekt de bewindvoerder om rekening en verantwoording vanaf het jaar 2006 tot en met december 2011 in te dienen, vergezeld van onderliggende stukken als nota’s met betrekking tot in rekening gebrachte onkosten, zoals tickets. Voorts wordt de bewindvoerder verzocht om een opgave van schulden in te dienen vergezeld van verificatoire bescheiden en de ingediende declaraties te specificeren. Een en ander in te dienen voor 10 januari 2013.”

3.1.12.

Bij brief d.d. 9 januari 2013 heeft de bewindvoerder de door de kantonrechter ter zitting van 17 december 2012 verzochte rekening en verantwoording en nadere verzochte stukken overgelegd, met de mededeling dat “de cijfers en gegevens niet wezenlijk [afwijken] van hetgeen eerder is ingediend”.

3.1.13.

De rechthebbende is op 12 december 2013 overleden. Het bewind over de goederen van de rechthebbende (en de taak van de bewindvoerder) is (zijn) op die datum van rechtswege geëindigd.

3.1.14.

Bij brief d.d. 27 januari 2014 heeft het hof een brief, gericht aan de erfgenamen, naar het adres van de voormalige mentor van de rechthebbende gezonden, waarin de erfgenamen is verzocht om aan het hof de personalia van alle erfgenamen te verstrekken. Tevens is daarbij verzocht het hof te informeren of en zo ja welke erfgenaam de belangen van de overige erfgenamen zal behartigen in de bij het hof aanhangige procedures.
Het hof heeft op deze brief geen reactie van de voormalige mentor of overige erfgenamen ontvangen.

3.1.15.

Het hof heeft vervolgens aan de heer mr. [notaris], die als notaris betrokken is bij de afwikkeling van de nalatenschap van de rechthebbende, verzocht de hiervoor onder 3.1.14. bedoelde gegevens aan het hof te verstrekken.

3.1.16.

Bij voormelde brief d.d. 30 mei 2014 heeft mr. [notaris] deze gegevens verstrekt en het hof bericht dat de erfgenamen hebben aangegeven dat zij zich niet in dit geding wensen te voegen en dat geen van hen de behoefte voelt om zijn of haar visie te geven op hetgeen in de onderhavige procedures aan de orde is. De erfgenamen beschouwen de bewindvoering als afgedaan. Het is in de visie van de erfgenamen ook nooit het initiatief van de rechthebbende geweest dat heeft geleid tot de onderhavige procedures.

3.2.

Het geschil

3.2.1.

Het gaat in deze zaak – kort gezegd – om de bewindvoerdersbeloning voor verrichte werkzaamheden en gemaakte kosten in de maand januari 2009, welke beloning de bewindvoerder reeds ten laste van het vermogen van de rechthebbende heeft gebracht.

3.2.2.

De kantonrechter heeft bij de bestreden beschikking de bewindvoerder (achteraf) een machtiging verleend voor het opnemen van € 2.451,99 (exclusief VAT) ten laste van het vermogen van de rechthebbende, ter zake “werkzaamheden” in bovengenoemde maand en het meer of anders verzochte afgewezen. Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat de bewindvoerder de te veel in rekening gebrachte vergoeding dient terug te betalen en het bewijsstuk van de terugbetaling ter griffie van de kantonrechter dient in te dienen.

3.2.3.

De bewindvoerder kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.3.

De beoordeling

3.3.1.

Ingevolge het hier toepasselijke artikel 1:445 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals dat luidde vóór de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap (Stb. 2013, 414), legt de bewindvoerder, tenzij andere tijdstippen zijn bepaald, jaarlijks en aan het einde van het bewind rekening en verantwoording af aan de rechthebbende, alsmede aan het einde van zijn taak aan zijn opvolger. De rekening en verantwoording wordt afgelegd ten overstaan van de kantonrechter.

3.3.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:447 lid 1 BW komt, tenzij de beloning bij de instelling van het bewind anders is geregeld, de bewindvoerder vijf ten honderd der netto-opbrengst van de onder bewind staande goederen toe. Op grond van bijzondere omstandigheden kan de kantonrechter, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de bewindvoerder of van de rechthebbende, voor bepaalde of onbepaalde tijd de beloning anders regelen dan bij de instelling of door de wet is aangegeven. Uit vaste rechtspraak volgt dat een ingewikkelde en tijdrovende bewindvoering een zodanige bijzondere omstandigheid kan zijn (onder meer HR 15 januari 1988, NJ 1988/888).

3.3.3.

Ingevolge de hier van toepassing zijnde Aanbevelingen, onder C (aanbevelingen inzake de beloning van de bewindvoerder), kan een bewindvoerder de kosten die in het belang van het bewind gemaakt moeten worden in rekening brengen.

3.3.4.

Het hof overweegt dat de medewerker van de kantonrechter in voornoemde brief d.d. 31 januari 2011 aan de bewindvoerder heeft medegedeeld dat de kantonrechter de rekeningen en verantwoordingen over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010, overgelegd bij voormelde brieven d.d. 25 januari 2010 en 10 januari 2011 voor gezien én goedgekeurd in het dossier heeft gevoegd. De kantonrechter heeft hiermee eveneens goedkeuring verleend aan de door de bewindvoerder in die rekeningen en verantwoordingen opgenomen bewindvoerdersbeloning. Dat de bewindvoerdersbeloning is opgenomen in voornoemde rekeningen en verantwoordingen blijkt uit het gegeven dat de bewindvoerder deze beloning in voormelde brieven d.d. 25 januari 2010 en 10 januari 2011, zoals hiervoor is overwogen onder 3.1.7. en 3.1.8., uitdrukkelijk bij de kantonrechter aan de orde heeft gesteld onder overlegging van een kopie van de ‘invoices’ waaruit per maand de gefactureerde bewindvoerdersbeloning blijkt, alsmede overzichten van inkomsten en uitgaven en balansen, waarin de bewindvoerdersbeloning eveneens is opgenomen.

3.3.5.

Het hof is van oordeel dat de kantonrechter niet na een tijdsverloop van bijna tweeënhalf jaar na de bedoelde brief van 31 januari 2011 (en overigens bijna drieënhalf jaar respectievelijk tweeënhalf jaar na het indienen van de rekeningen en verantwoordingen bij de kantonrechter, op 25 januari 2010 respectievelijk 10 januari 2011), bij de bestreden beschikking d.d. 17 juni 2013 nog had mogen terugkomen op de aldus verleende goedkeuring van de rekening en verantwoording over voornoemde periode. Omstandigheden die dit anders zouden kunnen maken, heeft de kantonrechter niet in zijn overwegingen betrokken, noch is het hof daarvan gebleken.

3.3.6.

Het hof is van oordeel dat de bewindvoerdersbeloning zoals blijkend uit de door de kantonrechter goedgekeurde rekeningen en verantwoordingen tot en met 2010 geenszins als bovenmatig kan worden beschouwd. Het hof neemt hierbij het volgende in aanmerking.

3.3.7.

Op grond van de inhoud van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof genoegzaam gebleken dat het in het onderhavige geval niet gaat om een “standaard”-meerderjarigenbewind, maar om een ingewikkeld en tijdrovend bewind.

Zo was in dit bewind onder meer sprake van een omvangrijk vermogen, waartoe onroerend goed gelegen in Ierland en Portugal behoorde, bankrekeningen in Ierland, Portugal en Nederland, alsmede een waardevolle kunstcollectie. Daarnaast had de rechthebbende reeds voorafgaand aan het bewind onroerend goed in Spanje gekocht, waarvoor zij ten tijde van het instellen van het bewind reeds de koopovereenkomst had ondertekend en een aanbetaling van € 60.000,- had voldaan. Tevens was sprake van een aanzienlijke schuldenlast (bij de aanvang van het bewind ongeveer € 110.000,-). Naar het hof is gebleken, diende het onroerend goed in Ierland en Portugal te worden verkocht, teneinde een deel van het vermogen liquide te maken zodat schulden konden worden afgelost en een gedwongen executoriale verkoop van de woning in Ierland kon worden afgewend en bovendien de aankoop van het onroerend goed in Spanje gefinancierd kon worden. Met de verkoop van het onroerend goed in Portugal en Ierland waren voor de bewindvoerder vele werkzaamheden gemoeid, hetgeen het hof begrijpelijk acht ook gelet op de economische crisis en de problematische situatie op de huizenmarkt.

3.3.8.

Naar het hof heeft begrepen, was voorts sprake van een verslechterende gezondheid van de rechthebbende.
De bewindvoerder hield om die reden, mede op verzoek van de voormalige mentor, na de instelling van het meerderjarigenbewind en voorafgaand aan de instelling van het mentorschap ‘een oogje in het zeil’ door regelmatig bij de rechthebbende langs te gaan en contact met de buurvrouw van de rechthebbende te onderhouden.
Bovendien kon de voorgenomen verhuizing naar Spanje door de gezondheidstoestand van de rechthebbende niet worden gerealiseerd. Ten gevolge van deze omstandigheid diende de bewindvoerder ervoor te zorgen dat de koopovereenkomst werd ontbonden en de rechthebbende van de aankoopverplichting werd ontheven en daarmee van de verplichting tot betaling van de resterende koopsom van € 550.000,- en de rente over de vervallen bouwtermijnen van € 8.000,-.

3.3.9.

De omvang van het bewind blijkt bovendien uit de verklaring van de bewindvoerder ter zitting van het hof dat hij in de eerste drie jaren van het bewind ongeveer vijfhonderd bankmutaties heeft verricht.

3.3.10.

Het hof leidt uit de brief van de medewerker van het Bewindsbureau Eindhoven d.d. 21 mei 2007 af dat de kantonrechter de omvang en de complexiteit van het bewind ook heeft onderkend aangezien hij, kennelijk op grond van de door de bewindvoerder in zijn brieven d.d. 7 september 2006 en 26 oktober 2006 aangevoerde argumenten, alsnog akkoord is gegaan met het verzoek van de bewindvoerder om de beloning vast te stellen op een uurtarief van € 70,-, welke uurvergoeding aanzienlijk hoger is dan de uurvergoeding die is opgenomen in de Aanbevelingen.

3.3.11.

Het hof acht het – gelet op al het vorenoverwogene – gerechtvaardigd dat de bewindvoerder alleen al voor de maandelijkse archivering van een dergelijke omvangrijke administratie, zijnde de ‘standaard’ werkzaamheden, twee uur in plaats van de in de Aanbevelingen genoemde 1,25 uur per maand in rekening heeft gebracht en daarnaast ‘extra’ werkzaamheden in rekening heeft gebracht. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat uit de urenspecificaties over het jaar 2009, die de bewindvoerder ook aan de kantonrechter heeft overgelegd, blijkt dat de bewindvoerder een aanzienlijk aantal in het kader van het bewind van de rechthebbende gewerkte uren, niet in rekening heeft gebracht.

3.3.12.

Naar het oordeel van het hof bracht de omstandigheid dat een deel van het vermogen van de rechthebbende bestond uit in het buitenland gelegen onroerend goed mee dat de bewindvoerder reis- en verblijfkosten diende te maken voor onder meer gesprekken met makelaars en banken ter plaatse, welke kosten hij terecht ten laste van het vermogen van de rechthebbende heeft gebracht. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat uit de stukken blijkt dat de bewindvoerder de reis- en verblijfkosten heeft getracht tot een minimum te beperken, onder meer door een bezoek aan de rechthebbende te combineren met andere in de woonplaats van de rechthebbende te verrichten werkzaamheden, zoals voornoemde bezoeken aan banken en makelaars.

3.3.13.

Het hof heeft de bewindvoerder tijdens de mondelinge behandeling van 10 juni 2014 verzocht aan het hof nadere stukken te verstrekken waaruit valt af te leiden dat de door de bewindvoerder in de rekeningen en verantwoordingen over de jaren 2006 tot en met 2011 opgenomen bewindvoerdersbeloning aansluit op de maandelijkse ‘invoices’. De bewindvoerder heeft aan dit verzoek voldaan en voorafgaand aan de voortzetting van de mondelinge behandeling op 11 juni 2014 deze stukken ter griffie van het hof gedeponeerd. De bewindvoerder heeft de overzichten van inkomsten en uitgaven en de balansen overgelegd die hij destijds jaarlijks (voor het eerst bij brief van 5 januari 2009) bij de rekeningen en verantwoordingen heeft overgelegd. Uit het document getiteld ‘aansluiting facturen’ blijkt dat de door de bewindvoerder per maand in rekening gebrachte bedragen, die blijken uit de ‘invoices’ en de balansen, overeenkomen met de daadwerkelijk ten laste van het vermogen van de rechthebbende gebrachte bedragen, die vermeld staan op de overzichten van inkomsten en uitgaven.

3.4.

Nu het hof uit de processtukken voorts is gebleken dat de door de bewindvoerder voor bewindvoerdersbeloning ten laste van het vermogen van de rechthebbende gebrachte bedragen zien op kosten en werkzaamheden die in het belang van het bewind zijn gemaakt dan wel verricht, zal het hof alsnog aan de bewindvoerder de door hem verzochte machtiging verlenen voor het opnemen van deze bedragen ten laste van het vermogen van de rechthebbende.

3.5.

Het hof neemt daarbij tevens in aanmerking dat uit de informatie en de (geding)stukken die de bewindvoerder (desgevraagd) aan het hof heeft verschaft, blijkt dat de bewindvoerder een inzichtelijke en deugdelijke financiële administratie heeft gevoerd.
Het hof wijst er overigens op dat uit voormeld faxbericht van mr. [notaris] d.d. 30 mei 2014 blijkt dat de erfgenamen het meerderjarigenbewind als afgedaan en de financiële afwikkeling daarvan als een geschil tussen de bewindvoerder en de (kanton)rechter beschouwen. Hieruit maakt het hof op dat de erfgenamen geen bezwaren hebben tegen de door de bewindvoerder ten laste van het vermogen van de rechthebbende opgenomen bedragen voor de door hem verrichte werkzaamheden en door hem gemaakte kosten.

3.6.

Het hof concludeert op grond van al het voorgaande dat de grieven van de bewindvoerder slagen. Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en het verzoek van de bewindvoerder in hoger beroep alsnog zal toewijzen.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, kanton Eindhoven, van 17 juni 2013;

en opnieuw rechtdoende:

verleent de bewindvoerder alsnog machtiging voor het opnemen van een bedrag van € 3.075,09 (exclusief VAT) ten laste van het vermogen van de rechthebbende, ter zake bewindvoerdersbeloning in de maand januari 2009;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, M.C. Bijleveld-van der Slikke en A.J. van de Rakt en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2014.