Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2096

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
F200.145.581_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

GESLOTEN UITHUISPLAATSING

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 3 juli 2014

Zaaknummer : F 200.145.581/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/275876 / JE RK 14/361MZ14

in de zaak in hoger beroep van:

[minderjarige],

thans opgenomen en verblijvende in de accommodatie voor gesloten jeugdzorg Icarus te [vestigingsplaats],

appellant,

hierna te noemen: [minderjarige],

advocaat: mr. T.K. van Wezel,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Eindhoven,

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

Als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt:

- mevrouw [de moeder] (hierna te noemen: de moeder);

- de heer [de stiefvader] (hierna te noemen: de stiefvader).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 7 april 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 april 2014, heeft [minderjarige] verzocht om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie dient te worden afgewezen, subsidiair dat de machtiging wordt verleend voor een kortere periode.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 mei 2014, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van [minderjarige] af te wijzen en de beschikking waarvan beroep in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 juni 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [minderjarige], bijgestaan door mr. W. Kolmans, waarnemend voor mr. Van Wezel;

- de moeder en de stiefvader.

2.3.1.

De stichting en de heer [de vader] (hierna te noemen: de vader) zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De Raad voor de Kinderbescherming is, met bericht van verhindering, eveneens niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 31 maart 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren.

De moeder oefent het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 11 februari 2013 onder toezicht van de stichting. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 11 februari 2015.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank machtiging verleend aan de stichting om [minderjarige] met ingang van 7 april 2014 tot uiterlijk 11 februari 2015 uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.

Sinds 8 april 2014 verblijft [minderjarige] in de accommodatie voor gesloten jeugdzorg Icarus te [vestigingsplaats].

3.4.

[minderjarige] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

[minderjarige] voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan. Aan de wettelijke vereisten voor een machtiging gesloten uithuisplaatsing is niet voldaan dan wel is een dergelijke machtiging in deze zaak anderszins niet passend of noodzakelijk. Met name is niet voldaan aan het vereiste dat opname in een gesloten behandelsetting noodzakelijk is om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Nadat [minderjarige] kennis had genomen van het inleidende verzoek van de stichting, is bij hem het roer omgegaan. [minderjarige] wil een laatste kans om zich te bewijzen. De moeder erkent thans wel dat er zorgen zijn en zij staat open voor hulpverlening.

[minderjarige] heeft ter zitting verklaard dat hij in de gesloten groep goede vorderingen heeft gemaakt en al veel vrijheden geniet. Zo is hij op eigen gelegenheid met het openbaar vervoer naar de zitting van het hof gekomen. [minderjarige] ziet thans in dat hij aan zijn problemen moet werken en staat open voor systeemtherapie in de thuissituatie. Ook is hij nu wel bereid medicatie tegen ADHD in te nemen. [minderjarige] zou graag na de zomervakantie van dit jaar willen beginnen met een opleiding voor automonteur op het ROC. Er is inmiddels een psychologisch onderzoek bij [minderjarige] afgenomen.

Ook de moeder en de stiefvader zijn thans gemotiveerd voor systeemtherapie en intensieve begeleiding in de thuissituatie.

3.6.

De stichting voert in het verweerschrift - kort samengevat - aan dat in haar visie voldaan is aan de wettelijke vereisten voor een machtiging tot een gesloten uithuisplaatsing en dat een zodanige plaatsing de enige passende maatregel is die de zeer ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] zou kunnen afwenden. Ook nadat de stichting haar inleidende verzoek had ingediend, is [minderjarige] voortgegaan met zijn problematische gedrag.

Op 24 maart 2014 heeft er een heftig conflict op school plaatsgevonden. [minderjarige] was op school zeer opstandig en liep daar vaak weg. Verder heeft er in april 2014 een incident met een winkelier plaatsgevonden. In maart 2014 heeft [minderjarige] een verbod voor het zwembad gekregen. Anders dan [minderjarige] heeft aangevoerd was er derhalve geen sprake van een positieve wending in zijn gedrag na kennisname van het inleidende verzoek van de stichting.

Op 8 april 2014 is [minderjarige] geplaatst in de accommodatie voor gesloten jeugdzorg Icarus te [vestigingsplaats]. [minderjarige] werkt mee aan zijn behandeling. Tijdens de observatieperiode wordt gezien dat [minderjarige] weinig tot geen probleemoplossend vermogen heeft, moeite met gezag heeft, sfeergevoelig is en zich inhoudt. Icarus zal [minderjarige] nog door een psycholoog laten onderzoeken. Het is ongewis hoe lang de behandeling van [minderjarige] zal gaan duren, ook omdat [minderjarige] zijn ware gezicht nog niet heeft laten zien. In dat licht is de stichting van mening dat de termijn van de gesloten uithuisplaatsing niet dient te worden verkort.

De moeder en de stiefvader hebben aan de gezinsvoogd kenbaar gemaakt dat zij niet willen meewerken aan systeemtherapie. Ook staan zij niet open voor intensieve hulpverlening in de thuissituatie. De gezinsvoogd heeft van de moeder en de stiefvader vernomen dat zij achter de gesloten uithuisplaatsing van [minderjarige] staan. Het lukt hen niet om [minderjarige] te sturen.

3.7.

De moeder en de stiefvader hebben ter zitting - kort samengevat - verklaard dat zij niet goed op de hoogte zijn van de inhoud van systeemtherapie. Zij staan open voor gezinsbegeleiding thuis.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge artikel 29a lid 2 van de Wet op de Jeugdzorg (Wjz) is de minderjarige bekwaam om in rechte op te treden. Op die grond komt aan [minderjarige] een zelfstandig recht van hoger beroep toe.

3.8.2.

Gelet op artikel 29b lid 1 Wjz staat ter beoordeling de vraag of er bij [minderjarige] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

3.8.3.

Het hof is van oordeel dat ten tijde van de bestreden beschikking aan de wettelijke criteria voor uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg was voldaan.

Het hof overweegt daartoe dat uit de - in zoverre - niet weersproken stukken van de stichting blijkt dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling werd bedreigd. [minderjarige] is gediagnosticeerd met ADHD, een verstandelijke beperking en een gedragsstoornis. Voorts is er sprake van dyslexie en een taalachterstand. [minderjarige] is zeer beïnvloedbaar. Hij ging om met jongeren die een slechte invloed op hem hadden. [minderjarige] is door de kinderrechter veroordeeld voor medeplichtigheid aan diefstal. Op school gedroeg [minderjarige] zich fysiek en verbaal agressief ten opzichte van leerkrachten en leerlingen.

In de thuissituatie kreeg [minderjarige] onvoldoende sturing van de moeder en de stiefvader. Hij onttrok zich aan het gezag van de moeder en vertoonde zelfbepalend gedrag. De moeder en de stiefvader stonden niet open voor hulpverlening.

Uit de stukken blijkt dat een eerdere orthopedagogische behandeling bij La Salle in oktober 2013 werd beëindigd, omdat [minderjarige] zich onbehandelbaar opstelde. Er was sprake van fysieke en verbale agressie naar groepsleiding en groepsgenoten. Ook liep [minderjarige] vaak weg.

Met de stichting is het hof van oordeel dat gelet op het voorgaande een plaatsing van [minderjarige] in de gesloten jeugdzorg geïndiceerd was.

3.8.4.

Thans ligt de vraag voor of nog steeds wordt voldaan aan de wettelijke criteria voor een gesloten uithuisplaatsing. Daarbij zij vooropgesteld dat plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg een zwaar middel is dat, mede gelet op het vrijheidsbenemende karakter en de parlementaire geschiedenis, met grote terughoudendheid dient te worden toegepast.

[minderjarige] heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij in de gesloten groep van Icarus goede vorderingen heeft gemaakt. Om te kunnen oordelen of er ook thans nog is voldaan aan de wettelijke gronden voor een gesloten uithuisplaatsing dient het hof in ieder geval te beschikken over recente informatie omtrent de jeugdige. Recente rapportage vanuit de instelling betreffende het verloop van de gesloten plaatsing van [minderjarige] ontbreekt geheel. De enkele informatie in het verweerschrift van de stichting van 14 mei 2014 en de enkele mededeling van [minderjarige] dat het beter met hem gaat acht het hof onvoldoende. De stichting is evenmin ter zitting van het hof verschenen om het hof in kennis te stellen van de huidige situatie van [minderjarige] binnen de gesloten setting.

Het hof acht zich thans niet in staat de stelling van [minderjarige] dat het goed met hem gaat en dat hij vorderingen maakt adequaat te verifiëren. Op dit moment kan een toewijzing van het hoger beroep echter niet aan de orde zijn, omdat de gestelde verbetering in het gedrag van [minderjarige] hoe dan ook nog erg pril is en, gezien de ernst van de opgroei- en opvoedingsproblemen die speelden, [minderjarige] langere tijd zal moeten worden behandeld en geobserveerd voordat de gesloten plaatsing kan worden beëindigd. Daar komt bij dat een geschikt alternatief ontbreekt en een einde van de machtiging op dit moment de persoonlijke ontwikkeling van [minderjarige] zou schaden, mede omdat eerst de mogelijkheid van hulpverlening in de thuissituatie onderzocht, en zo mogelijk opgestart, dient te worden. In de gegeven omstandigheden zal het hof de beschikking waarvan beroep tot 1 september 2014 bekrachtigen. Het hof gaat ervan uit dat, wanneer de stichting verlenging van de gesloten uithuisplaatsing na deze datum noodzakelijk acht, de rechtbank Limburg het verzoek daartoe adequaat zal kunnen beoordelen aan de hand van behoorlijke stukken. De periode tot 1 september 2014 kan de stichting gebruiken om de moeder en de stiefvader nader voor te lichten over de inhoud van eventueel in te zetten systeemtherapie en over hetgeen in dat kader van hen verwacht wordt.

3.9.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt met ingang van 1 september 2014 de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 7 april 2014,

en in zoverre opnieuw recht doende:

wijst met ingang van 1 september 2014 alsnog af het inleidend verzoek van de stichting d.d. 26 februari 2014;

bekrachtigt de genoemde beschikking voor wat betreft de periode van 7 april 2014 tot 1 september 2014;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. van Dijkhuizen, C.D.M. Lamers en O.G.H. Milar en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2014.