Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:206

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
HD 200.069.147_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgverzekeraar Menzis is geslaagd in bewijslevering dat door bestuurder van taxibusje, WAM-verzekerde van Achmea, plotseling en abrupt en zonder verkeersnoodzaak heeft geremd. Daarmee heeft bestuurder onrechtmatig jegens de verzekerde van Menzis gehandeld, die met zijn bromfiets te kort achter de taxibus reed, met een snelheid van in ieder geval 35 km, niet meer kon remmen, tegen de taxibus is geknald en daarbij ernstig letsel heeft opgelopen (dwarsleasie). Het hof komt – op grond van de bewijslevering - tot een andere weging van de wederzijdse omstandigheden dan de rechtbank en is van oordeel dat het verkeersgedrag van de bromfietser voor 60% en dat van de bestuurder voor 40 % aan het ongeval hebben bijgedragen (rechtbank: 75% en 25%). De rechtbank had het beroep van de verzekeraar op de billijkheidscorrectie afgewezen en de daartegen gerichte grief van Menzis slaagt. Naar het oordeel van het hof komt ook aan de regresnemend verzekeraar een beroep op de billijkheidcorrectie toe. Het hof verhoogt de aansprakelijkheid van Achmea op grond van de billijkheidscorrectie met 25% en Achmea is derhalve gehouden 65% van de kosten die Menzis op grond van de polis dient te vergoeden voor haar rekening te nemen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2014/39 met annotatie van mr. V. Oskam
RAV 2014/42
VR 2015/32

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-Gravenhage

Nevenzittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Afdeling civiel recht

zaaknummer MHD 200.069.147

arrest van 4 februari 2014

in de zaak van

MENZIS ZORGVERZEKERAAR N.V., voorheen ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPIJ MENZIS ZORGVERZEKERAAR U.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat mr. B.T.J.A. [getuige 3.] te Enschede,

tegen

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J. Schep te Amersfoort,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 31 januari 2012 in het hoger beroep van het door de rechtbank Middelburg onder zaaknummer 68083/HA ZA 09-269 gewezen vonnis van 3 maart 2010.

6 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 31 januari 2012;

de processen-verbaal van de enquête van 24 april en 21 juni 2012;

  • -

    het proces-verbaal van de contra-enquête van 13 september 2012;

  • -

    de memorie na enquête van Menzis van 13 november 2012;

  • -

    de antwoordmemorie na enquête van Achmea van 8 januari 2013 [met een productie].

Partijen hebben arrest gevraagd.

7 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

7.1.

Achmea heeft bij haar conclusie na enquête een ongevallenanalyserapport van MVOA d.d. 30 augustus 2012 overgelegd, waarover Menzis zich niet heeft uitgelaten. Menzis had bij memorie van grieven als reactie op het door Achmea in eerste aanleg overgelegde rapport van [adviseur] van 16 mei 2007 een ongevallenanalyse overgelegd van [ongevallenanalist] van 17 september 2010. Naar het oordeel van het hof had van Achmea verwacht mogen worden bij memorie van antwoord dan wel – uiterlijk – voorafgaand aan het gehouden pleidooi een in haar opdracht opgestelde ongevallenanalyse over te leggen. Het eerst bij memorie van antwoord na enquête overleggen van dit rapport is tardief, want in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het hof laat dit rapport daarom buiten beschouwing.

bewijsopdracht

7.2.

In het tussenarrest van 31 januari 2012 is Menzis toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat [chauffeur van het taxibusje] plotseling en abrupt tot (bijna) stilstand heeft geremd zonder dat daartoe een verkeersnoodzaak bestond, zoals overwogen in r.o. 4.5.2 van genoemd tussenarrest. In deze overweging heeft het hof, kort samengevat, overwogen dat gegeven de gemotiveerde betwisting van Achmea Menzis in de eerste plaats het gestelde plotselinge en abrupte remmen door [chauffeur van het taxibusje] dient te bewijzen en daarnaast dat voor het op deze wijze remmen door [chauffeur van het taxibusje] geen verkeersnoodzaak heeft bestaan. Gelet op de specifieke betwisting van Achmea op dit punt dient Menzis in het bijzonder te bewijzen dat kort voorafgaand aan het remmen door [chauffeur van het taxibusje] vóór zijn taxibusje geen auto’s reden.

7.3.

Menzis heeft ter voldoening aan deze bewijsopdracht zes getuigen doen horen. De getuigen [getuige 1.] (het slachtoffer), [getuige 2.], [getuige 3.] en [getuige 4.] zijn ook in eerste aanleg in het kader van het voorlopig getuigenverhoor gehoord. [ongevallenanalist], opsteller van eerder genoemde door Menzis overgelegde ongevallenanalyse, en [getuige 5.] (geen familie van [getuige 1.]) zijn in dit hoger beroep voor het eerst gehoord. Achmea heeft in contra-enquête [chauffeur van het taxibusje] en de bij het ongeval betrokken politieambtenaar [politieambtenaar], beiden ook in het kader van het voorlopig getuigenverhoor gehoord, wederom doen horen.

Bij de bewijswaardering neemt het hof niet alleen de thans in hoger beroep afgelegde verklaringen in aanmerking, maar het hof beoordeelt deze verklaringen mede tegen de achtergrond en in samenhang met de eerder tegenover de politie en/of in het kader van het voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen. Het hof verwijst ten aanzien van de eerder afgelegde verklaringen naar de onderdelen 4.4.1 t/m 4.4.5 van het beroepen vonnis. De rechtbank heeft de verklaringen aldaar handzaam samengevat en het hof gaat daarom ook van die samenvatting uit.

eerste gedeelte bewijsopdracht: plotseling en abrupt remmen

7.4.1.

[getuige 1.] verklaart in hoger beroep dat hij de indruk had dat de bus plotseling remde en naar zijn idee plotseling stil stond, maar dat hij niet kan zeggen of de bus nog enige vaart had. Voorts verklaart hij dat de bus niet meerdere malen maar één keer heeft geremd en dat de bus voorafgaand aan het remmen geen waarschuwingstekens heeft gegeven.

[getuige 2.] verklaart in hoger beroep grotendeels in dezelfde zin als in eerste aanleg. Thans verklaart zij dat zij nog heel goed weet dat zij het geluid van remmen heeft gehoord:

Je hoorde een paar seconden: ‘ieieie’ en daarna de knal.”(…) Aan het geluid te horen denk ik dat er abrupt is geremd. Het geluid was namelijk heel hard.”

Ook de verklaring van [getuige 3.] komt overeen met zijn eerdere verklaring. Hij verklaart: “Voorafgaand aan het ongeval heb ik het busje en de brommer aan zien komen rijden. Ik stond op dat moment aan de passagierskant van mijn auto. Ik bleef het busje en de brommer volgen, waarom weet ik niet. Ik zag dat er geremd werd. In mijn ogen gebeurde dat remmen plotseling. U vraagt mij of ik dat remmen als abrupt zou omschrijven. Ik verklaar dat dat zo is. Ik weet zeker dat ik een slippend geluid van hard remmen heb gehoord, piepende banden.”

7.4.2.

[ongevallenanalist], opsteller van het bij memorie van grieven overgelegde rapport van 17 oktober 2010, heeft het ongeval niet zien gebeuren, maar heeft, als getuige gehoord, vanuit zijn deskundigheid, voor zover van belang, het volgende verklaard:

Het piepend geluid bij hard remmen komt ofwel van de remtrommel, de remschijf of de band. Dit geluid duidt erop dat er hard wordt geremd en komt bij het in het normale verkeer remmen niet voor. Een piepend geluid geeft mij dus aanleiding om te denken dat er hard is geremd. Anderzijds hoeft het piepen bij hard remmen niet per se op te treden. (…) Het piepende geluid dat bij remmen kan ontstaan treedt niet op als rustig en normaal wordt geremd. Het piepende geluid zal optreden vanaf ongeveer remmen met vijf meter per seconde kwadraat. Dat is stevig remmen dat je als bestuurder probeert te vermijden.”

7.4.3.

Uit het rapport van [ongevallenanalist] blijkt voorts dat toen [ongevallenanalist] op 1 september 2010 de plaats van het ongeval onderzocht hij met [getuige 5.] heeft gesproken en zij hem toen heeft meegedeeld wat zij van het ongeval wist. Als getuige verklaart [getuige 5.]:

“Ik herinner mij de datum van het ongeval niet exact, maar ik herinner me goed dat het ongeval heeft plaatsgehad. Ik zat op dat moment met mijn man in de woonkamer. Wij hoorden plotseling gerem en daarna de klap van een botsing. Ik herken het geluid van remmen. Wij hebben 17 jaar in het huis aan de kruising gewoond. Er hebben daar veel ongevallen plaatsgehad (…). Ondanks het vele aantal ongevallen herinner ik met zeer goed dit specifieke geval. Ik haal dit niet met andere ongevallen door de war. Ik herinner mij dat ik de telefoon heb gepakt en snel naar buiten ben gegaan, maar daar heb gezien dat er al mensen ter plekke waren en dat er al gebeld was. Ik wilde er niet bij staan blijven kijken, maar heb de plaats van het ongeval vanuit mijn huis, door het bovenraam wel bekeken, samen met mijn man. Ons viel op dat de jongen er raar bij lag. Ik herinner mij verder specifiek dat wij het lang vonden duren voordat de politie ter plaatse was. Ik herinner mij ook dat een vrouwelijke politieagente de jongen heeft verlegd aan zijn broekspijpen, iets wat in mijn ogen niet goed was. (…)

Ik herinner mij met honderd procent zeker dat ik hard gerem heb gehoord. Of dat ook piepend was, het was in ieder geval hard gerem. We hebben een auto bedrijf, dus dan weet ik dat piepen weer met van alles te maken kan hebben. Ik beschouw piepend remmen meer als een uitdrukking voor hard gerem. Daarachter hoorden wij een harde knal.”

7.4.4.

Tegenover deze verklaringen staat de verklaring van [chauffeur van het taxibusje]. Hij verklaart ook in hoger beroep dat hij langzaam heeft geremd, dat dat zacht was, twee of drie keer en dat hij geen piepende remmen heeft gehoord. Zijn verklaring vindt echter geen steun in de verklaringen van de andere getuigen, die anders dan [chauffeur van het taxibusje] allen duidelijk verklaren dat er ‘plotseling en abrupt’ is geremd. Zoals bij gelegenheid van het getuigenverhoor is opgemerkt, betekenen de woorden ‘abrupt’ en ‘plotseling’ beide onverwachts, maar nu de woorden tezamen worden gebruikt, gaat het hof met Achmea ervan uit dat daarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat hard c.q. stevig, althans niet rustig, is geremd. Het hof acht anders dan de rechtbank niet zo van belang of er piepende geluiden zijn gehoord. [ongevallenanalist] verklaart immers dat dat bij hard remmen niet altijd het geval hoeft te zijn. Ook de getuige [getuige 5.], die een autobedrijf heeft en dus weet waar ze het over heeft, verklaart dat zij niet weet of er piepend is geremd, maar dat er in ieder geval hard is geremd. Het hof neemt daarom anders dan de rechtbank ook de in eerste aanleg en in hoger beroep afgelegde verklaringen van [getuige 2.] en [getuige 3.] in aanmerking. Het hof is van oordeel dat op grond van de getuigenverklaringen is bewezen dat [chauffeur van het taxibusje] op de bewuste dag plotseling en abrupt heeft geremd. Dit betekent dat grief 2 van Menzis slaagt.

tweede gedeelte bewijsopdracht: remmen zonder verkeersnoodzaak

7.5.1.

In eerste aanleg is de getuige [getuige 4.] gehoord, die zich bij de politie spontaan als getuige had gemeld omdat hij in de krant had gelezen dat de chauffeur van het taxibusje had verklaard dat hij had moeten remmen voor het verkeer dat voor hem reed. Tegenover de politie heeft [getuige 4.] op 18 oktober 2006 verklaard dat dit niet klopte en in eerste aanleg heeft bij dit ook als getuige verklaard.

In hoger beroep licht hij een en ander nader toe en verklaart hij:

“Ik wist dat nog zo goed, omdat ik in dezelfde richting als het busje reed, naast het busje. Ik had dus hetzelfde zicht als het busje en ik weet dat daar geen auto reed. Of daar nu drie, twee of een auto reed, die zou ik gezien hebben. Toen het ongeval gebeurde, had ik mijn fietslicht aan. Het was al oktober, dus gewoon donker. Of het helemaal donker was of schemer, weet ik niet meer zo goed. (…) Desgevraagd verklaar ik daarbij dat ik voordat ik omkeek op de weg heb gekeken. Ik blijf bij mijn verklaring van destijds, dat ik met honderd procent zekerheid kan zeggen dat ik geen auto heb zien rijden voor de taxibus op de [A-straat] te [plaats].”

7.5.2.

De politieambtenaar [politieambtenaar] acht deze verklaring van [getuige 4.] zeer aannemelijk, zo blijkt uit zijn verklaring:

“Ik herinner mij dat wij later nog een getuige hebben gevonden. Deze getuige heeft één kruising eerder de bus en de brommer de weg op zien gaan en heeft niet gezien dat er verkeer voor de bus reed. Omdat er tussen die kruising en de kruising waar het ongeval gebeurde geen zijwegen zijn en dus geen verkeer kan invoegen voor de bus, vind ik het zeer aannemelijk dat het verkeer voor de bus, waarover de bestuurder van de bus verklaarde, er niet is geweest.”

7.5.3.

De verklaring van [getuige 4.] komt voorts overeen met de verklaring van [getuige 1.]. Hem is als getuige gevraagd wat hij heeft waargenomen toen hij met zijn brommer van het bromfietspad de rijbaan op is gegaan en hij verklaart dat hij naar links heeft gekeken en daar een bus aan zag komen rijden. Hij verklaart verder:

Voor het busje reed geen auto. Ik heb ook naar rechts gekeken in de richting waarin ik zou gaan rijden. Daar heb ik geen verkeer gezien. Als daar twee of drie auto’s zouden hebben gereden, dan zou ik dit hebben gezien. Vanuit het punt waar ik stond, kon ik de hele weg overzien in de richting waarin ik zou gaan rijden.”

7.4.4.

Tegenover deze duidelijke en heldere verklaringen staat de verklaring van [chauffeur van het taxibusje]. Hij verklaart in hoger beroep: “Ik moest remmen voor het verkeer voor mij.”

[chauffeur van het taxibusje] heeft ook in hoger beroep nagelaten zijn verklaring op dit punt nader toe te lichten. [chauffeur van het taxibusje] staat derhalve geheel alleen in zijn verklaring. Het hof twijfelt daarom aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring. Zo ook politieambtenaar [politieambtenaar]. Hij verklaart namelijk:

“We hadden sterk de indruk dat de verklaring van de bestuurder met betrekking tot verkeer voor hem niet klopte, ook omdat er nog een getuigenverklaring was van iemand in een auto die tegemoet kwam, die ook geen verkeer voor de bus had gezien.

Ik herinner mij dat wij de bestuurder van de bus vervolgens nog eens hebben gehoord. Hij kreeg toen een kans om toe te geven dat er geen verkeer was voor zijn bus, maar hij hield het vol. Ik heb stellig de overtuiging dat dit verkeer voor de bus er niet is geweest. Mijn indruk is dat de bestuurder van de bus bij de kruising waar het ongeval plaatsvond, heeft geremd met de bedoeling om rechtsaf te slaan. Het is een behoorlijk haakse bocht. Daarom moet je bijna stilstaan om die bocht te nemen. Dat is nu juist de reden dat het niet is toegestaan om rechtsaf te slaan. Die indruk wordt versterkt door het feit dat hij heeft verklaard op weg te zijn naar de [B-straat] en als je op dit punt rechtsaf slaat, is dat een kortere route.”

Daar komt bij dat ook [getuige 2.] en [getuige 3.] in hoger beroep hebben verklaard dat zij niet hebben gezien dat er verkeer voor de taxibus reed. [getuige 2.] verklaart:

“Ik heb er niet op gelet of er andere verkeer voor het busje aan kwam rijden voordat het ongeval had plaatsgehad. Ik weet dat toen ik naar het ongeval toerende, ik geen andere auto’s heb gezien. Als ik die gezien zou hebben, zou ik dat weten, denk ik. Het is mij op dat moment niet opgevallen. Ik lette meer op wat er was gebeurd, op de scooter. U houdt mij voor dat de bestuurder van het busje heeft verklaard dat er twee tot drie auto’s voor hem reden. Dat heb ik niet gezien.”

En [getuige 3.]:

Ik blijf bij mijn verklaring dat ik geen ander verkeer gezien heb, maar ik lette op het ongeval, of het er niet is geweest kan ik niet zeggen.”

Dat [getuige 2.] en [getuige 3.] op dit punt niet zo stellig verklaren, doet er niet aan af dat op grond van de duidelijke en zeer overtuigende verklaring van [getuige 4.] tezamen met de verklaring van [getuige 1.] is bewezen dat er kort voorafgaand aan het remmen door [chauffeur van het taxibusje] voor zijn taxibus geen auto’s reden. Daarmee staat vast dat [chauffeur van het taxibusje] zonder verkeersnoodzaak heeft geremd. Derhalve falen de incidentele grieven 1 t/m 3.

tussenconclusie

7.6.

Dit leidt ertoe dat thans in hoger beroep bij de verdere beoordeling uitgangspunt is dat [chauffeur van het taxibusje] op 11 oktober 2006 plotseling en abrupt en zonder verkeersnoodzaak heeft geremd. Dit is [chauffeur van het taxibusje] toe te rekenen. Daarmee heeft [chauffeur van het taxibusje] een verkeersfout gemaakt, want door dit gedrag heeft [chauffeur van het taxibusje] een gevaarlijke situatie in het leven geroepen. [chauffeur van het taxibusje] heeft daarmee onrechtmatig jegens [getuige 1.] gehandeld. Om die reden falen ook de incidentele grieven 4 en 5 van Achmea.

artikel 6:101 BW

7.7.

Het hof komt thans toe aan de beoordeling van de omstandigheden aan de zijde van [chauffeur van het taxibusje] en de omstandigheden aan de zijde van [getuige 1.] zelf die tot het ongeval hebben bijgedragen. De grieven 3 t/m 6 van Menzis hebben hier op betrekking.

omstandigheden aan de zijde van [chauffeur van het taxibusje]

7.8.

Wat het verkeersgedrag van [chauffeur van het taxibusje] betreft, is de rechtbank als niet betwist ervan uitgegaan dat [getuige 1.] voor [chauffeur van het taxibusje] tijdens het afremmen niet zichtbaar was. In dit hoger beroep, dat mede dient tot herstel van fouten in eerste aanleg, betwist Menzis met grief 3 dat [getuige 1.] voor [chauffeur van het taxibusje] tijdens het afremmen niet zichtbaar was. Grief 3 klaagt er voorts over dat de rechtbank deze omstandigheid ten nadele van [getuige 1.] heeft laten meewegen.

7.8.1.

Deze grief slaagt. Naar het oordeel van het hof is niet relevant of [chauffeur van het taxibusje] kort voordat hij afremde [getuige 1.] heeft gezien. [chauffeur van het taxibusje] moet [getuige 1.] namelijk eerder hebben gezien, toen hij hem passeerde op het moment dat [getuige 1.] bij het einde van het bromfietspad stond te wachten om op de rijbaan te gaan rijden. Gelet op de afstand tussen die plaats en de plaats van het ongeval – ongeveer 500 meter – moet [chauffeur van het taxibusje] in ieder geval hebben bemerkt dat [getuige 1.] achter hem reed. Zoals van iedere chauffeur mocht ook van [chauffeur van het taxibusje] worden verwacht dat hij met het achter hem rijdende verkeer rekening hield op het moment dat hij wilde gaan remmen. Dat geldt in dit geval eens te meer daar [chauffeur van het taxibusje] wist dat zijn zichtmogelijkheden naar achteren gelet op de constructie van de taxibus beperkt waren. Zo verklaart [chauffeur van het taxibusje] als getuige in hoger beroep dat hij de weg achter hem door zijn binnenspiegel niet kon zien. Als professioneel chauffeur diende [chauffeur van het taxibusje] rekening te houden met deze dode hoek en van hem mocht op dit punt extra alertheid worden verwacht. Vaststaat echter dat [chauffeur van het taxibusje] dat niet heeft gedaan. Het hof neemt ten aanzien van het verkeersgedrag van [chauffeur van het taxibusje] naast het abrupt en plotseling zonder verkeersnoodzaak remmen ook deze omstandigheid in aanmerking.

eigen schuld [getuige 1.]

7.9.

De rechtbank heeft eigen schuld van [getuige 1.] aangenomen, meer in het bijzonder heeft de rechtbank aangenomen dat [getuige 1.] te dicht op de bus reed (volgens zijn eigen verklaring was de afstand 5 à 6 meter), dat hij in elk geval 35 km/u en mogelijk harder reed en dat hij niet steeds op het busje voor hem lette (hij heeft tot twee keer toe op de kilometerteller gekeken). De grieven 4, 5 en 6 zijn tegen deze oordelen gericht.

7.9.1.

Het hof overweegt als volgt. Dat een bestuurder van een motorvoertuig zicht op zijn snelheid moet houden, zoals Menzis terecht stelt, doet er niet aan af een bestuurder ook zicht dient te houden op het verkeer, meer in het bijzonder op het voor hem rijdende verkeer. Een bestuurder, en dus ook [getuige 1.], dient voorts te allen tijde voldoende afstand te houden ten opzichte van het voor hem rijdende verkeer. Aangezien [getuige 1.] zelf heeft verklaard dat hij ongeveer 5 à 6 meter achter de taxibus reed, heeft hij onvoldoende afstand gehouden. Dit geldt in dit geval eens te meer omdat [getuige 1.] een kruispunt naderde en hij daarom juist rekening diende te houden met de mogelijkheid dat het voor hem rijdende verkeer zou afremmen. Net als iedere verkeersdeelnemer diende ook [getuige 1.] bovendien rekening te houden met fouten van andere weggebruikers, zoals in casu het abrupt en plotseling en zonder verkeersnoodzaak remmen van [chauffeur van het taxibusje]. [getuige 1.] diende zijn verkeersgedrag daar in redelijke mate op af te stemmen. Nu op grond van de eigen verklaring van [getuige 1.] tevens vaststaat dat hij in ieder geval 35 km/u reed, leidt de combinatie van genoemde omstandigheden ertoe dat [getuige 1.] niet in staat was, toen de taxibus remde, ook zelf zodanig af te remmen dat een botsing werd voorkomen. [getuige 1.] verklaart zelf dat hij niet eens meer heeft kunnen remmen. [getuige 1.] heeft derhalve de verkeersregel van artikel 19 RVV overtreden, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen. Genoemde gedragingen zijn [getuige 1.] toe te rekenen.

7.9.2.

De rechtbank heeft dan ook terecht eigen schuld van [getuige 1.] aangenomen.

Derhalve falen de grieven 4 t/m 6.

weging wederzijdse omstandigheden

7.10.

Het hof is van oordeel dat, de gedragingen van [chauffeur van het taxibusje] en van [getuige 1.] als oorzaken van de aanrijding tegen elkaar afwegend, het ongeval meer aan de gedragingen van [getuige 1.] dan aan de gedragingen van [chauffeur van het taxibusje] is toe te rekenen. Het onvoldoende afstand houden, het niet goed opletten op het voorliggend verkeer in combinatie met een snelheid van in ieder geval 35 km/u, heeft ook naar het oordeel van het hof meer het gevaar van een aanrijding in het leven geroepen dan het plotseling en abrupt zonder verkeersnoodzaak remmen door [chauffeur van het taxibusje], ook indien daarbij in aanmerking wordt genomen dat [chauffeur van het taxibusje] wist dat [getuige 1.] achter hem reed. Het hof komt evenwel tot een andere causaliteitsverdeling dan de rechtbank – die 25% voor [chauffeur van het taxibusje] en 75% voor [getuige 1.] heeft aangenomen - aangezien het hof [chauffeur van het taxibusje] meer verwijt dan enkel het zonder verkeersnoodzaak remmen. Het hof is van oordeel dat het verkeersgedrag van [getuige 1.] voor 60% en dat van [chauffeur van het taxibusje] voor 40% aan het ongeval hebben bijgedragen.

Hieruit volgt reeds dat ook grief 7 van [getuige 1.] faalt. Anders dan [getuige 1.] betoogt, is het ongeval immers niet enkel toe te rekenen aan [chauffeur van het taxibusje].

7.11.

Dit betekent dat in beginsel [chauffeur van het taxibusje], althans zijn verzekeraar Achmea, verplicht is de schade van [getuige 1.] voor 40% te vergoeden en dat 60% voor rekening van Menzis, de zorgverzekeraar van [getuige 1.], dient te blijven.

billijkheidscorrectie

7.12.

De rechtbank heeft in deze zaak in de relatie tussen [getuige 1.] en Achmea de billijkheidscorrectie toegepast en op grond van art. 6:101 lid 1 (slot) BW geoordeeld dat de billijkheid een andere verdeling van de schade eiste. Dienaangaande heeft de rechtbank geoordeeld dat [getuige 1.] als bromfietser een veel groter risico op aanzienlijke schade liep dan [chauffeur van het taxibusje] als bestuurder van een taxibusje, dat de schade van [getuige 1.] ook aanzienlijk is en hem persoonlijk betreft aangezien hij voor de rest van zijn leven rolstoelafhankelijk zal zijn. Mede gelet op zijn jonge leeftijd ten tijde van het ongeval is [getuige 1.] daardoor zwaar getroffen. Onder die omstandigheden, en in aanmerking nemend dat zowel [chauffeur van het taxibusje] als [getuige 1.] een verkeersfout heeft gemaakt, vordert volgens de rechtbank de billijkheid dat de vastgestelde schadeverdeling van 25% voor [chauffeur van het taxibusje] tegenover 75% voor [getuige 1.] wordt gecorrigeerd en wel zo dat [getuige 1.] en [chauffeur van het taxibusje] – en dus Achmea – ieder daarvan 50% dragen. Ten aanzien van de vordering van Menzis – een regresnemer – overweegt de rechtbank dat de billijkheidscorrectie slechts tot een bijstelling van beperkte omvang kan leiden en dat de genoemde omstandigheden de rechtbank niet tot die correctie brengen. Ten aanzien van Menzis liet de rechtbank mitsdien de verdeling 25% - 75% in stand. Volgens grief 8 van Menzis is dit oordeel niet juist.

7.12.1.

Het hof stelt voorop dat [getuige 1.] in de onderhavige zaak geen partij is. Dit betekent dat het hof bij de beantwoording van de vraag of Menzis een beroep op de billijkheidscorrectie toekomt, uit dient te gaan van de door rechtbank ten opzichte van [getuige 1.] in aanmerking genomen omstandigheden, die op zichzelf door Achmea niet zijn bestreden. Dienaangaande oordeelt het hof als volgt.

7.12.2.

Menzis beroept zich in dit verband op HR 2 juni 1995, NJ 1997, 700-702 en HR 5 december 1997, NJ 1998, 400. Op grond van deze vaste jurisprudentie geldt dat ook een regresnemend verzekeraar een beroep kan doen op de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW. Daarbij moeten alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, zowel aan de zijde van de bestuurder als aan de zijde van het verkeersslachtoffer. Menzis is van oordeel dat de door de rechtbank ten opzichte van [getuige 1.] in aanmerking genomen omstandigheden ook ten opzichte van haar tot toepassing van de billijkheidscorrectie moeten leiden.

7.12.3.

Voor alle duidelijkheid merkt het hof op dat het in deze zaak niet gaat om de zogenaamde 50 c.q. 100% regel die geldt ingeval van een aanrijding van een voetganger respectievelijk een kind jonger dan 14 jaar. Voor die gevallen heeft de Hoge Raad uitdrukkelijk geoordeeld dat voor deze standaardisering bij regresvorderingen van verzekeraars geen plaats is.

Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 5 december 1997, NJ 1998, 400, waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de billijkheidscorrectie ook bij een regresvordering mogelijk is en niet is beperkt tot bijzondere omstandigheden, is er naar het oordeel van het hof gelet op de omstandigheden aan de kant van [getuige 1.] hier geen aanleiding om de billijkheidscorrectie ten aanzien van Menzis niet toe te passen. Anders dan Achmea stelt, kan uit HR 24 september 2004, NJ 2005, 466 niet worden afgeleid dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen het slachtoffer zelf en zijn ziektekostenverzekeraar. In die zaak was in cassatie namelijk niet geklaagd over het niet toepassen door het hof van de billijkheidscorrectie ten opzichte van de ziektekostenverzekeraar. De Hoge Raad heeft zich daarover in dat arrest dan ook niet uitgelaten.

Menzis heeft derhalve terecht een beroep gedaan op de subjectieve omstandigheden aan de zijde van [getuige 1.], te weten de ernst van het letsel ten gevolge waarvan hij zijn hele leven rolstoelafhankelijk zal zijn, waardoor [getuige 1.] gelet op zijn jeugdige leeftijd zwaar is getroffen. Het hof past ten aanzien van Menzis dezelfde correctie toe als de rechtbank ten aanzien van [getuige 1.] heeft toegepast, dus 25%. Dit betekent dat 65% (40% + 25 %) van de schade voor rekening van [chauffeur van het taxibusje], dus Achmea, komt en 35% ten laste van Menzis blijft.

In zoverre slaagt de grief.

7.12.4.

Voor zover de grief betoogt dat het hof naast de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden tevens in aanmerking dient te nemen dat [getuige 1.] een kwetsbare verkeersdeelnemer is, faalt de grief. Dit is immers al verdisconteerd in de omstandigheid dat [getuige 1.] als bromfietser een veel groter risico liep op aanzienlijke schade, dus kort gezegd de ernst van het letsel.

Slotsom

7.13.

Dit alles leidt ertoe dat het vonnis van de rechtbank, voor zover gewezen tussen Menzis en Achmea, wordt vernietigd. Opnieuw rechtdoende wordt voor recht verklaard dat Achmea aansprakelijk is voor de schade van [getuige 1.] en dat Achmea gehouden is om de door Menzis op grond van de polis betaalde kosten voor 65% te vergoeden. Dat leidt evenwel niet tot een andere proceskostenverdeling van de eerste aanleg aangezien Achmea in eerste aanleg terecht in de kosten is veroordeeld. Het hof rekent vanwege het feit dat [getuige 1.] en Menzis in eerste aanleg samen en met één advocaat de procedure hebben gevoerd alle kosten toe aan Menzis. Het hof gaat daarom van dezelfde kosten als de rechtbank uit. Achmea wordt als grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het principaal appel en als geheel in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel.

7.14.

De raadsheer-commissaris die de getuigen heeft gehoord is niet langer werkzaam bij dit hof en heeft daarom dit arrest niet mee gewezen.

8 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover het is gewezen tussen Menzis en Achmea,

en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat Achmea aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval van 11 oktober 2006;

verklaart voor recht dat Achmea gehouden is om de door Menzis op grond van de polis betaalde kosten voor 65% te vergoeden;

veroordeelt Achmea in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Menzis worden begroot op € 347,85 aan verschotten en op € 4.000,00 aan salaris advocaat in eerste aanleg en in hoger beroep op € 1362,49 aan verschotten en op € 2.862,00 aan salaris advocaat in principaal appel en op € 1.341,00 aan salaris advocaat in incidenteel appel;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, H.A.W. Vermeulen en C.N.M. Antens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 februari 2014.