Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2055

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-07-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
F200.138.457_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

KINDERALIMENTATIE

Kinderalimentatie, verdeling draagkracht over verschillende onderhoudsplichtigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 3 juli 2014

Zaaknummer: F 200.138.457/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/175817 / FA RK 12-1224

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te

[woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. W.N. Sardjoe,

tegen

[de vrouw],

wonende te

[woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.E.A.H. Verstraelen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 9 september 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 december 2013, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de afwijzing van zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie ten behoeve van de hierna nader te noemen minderjarige [dochter 2] en, opnieuw rechtdoende, dit bedrag op nihil te stellen, althans op een bedrag dat het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 februari 2014, heeft de vrouw verzocht het hoger beroep van de man als zijnde niet-ontvankelijk of ongegrond

af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 mei 2014. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaat, gehoord.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 4 september 2013;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 9 mei 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 23 mei 2003 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren:

- [dochter 1] (hierna: [dochter 1]) geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats];

- [dochter 2] (hierna: [dochter 2]), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] (België).

Bij beschikking van voornoemde rechtbank van 15 januari 2013 is het hoofdverblijf van [dochter 1] bij de man bepaald.

[dochter 2] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2.

Uit het huwelijk van de vrouw met de heer [stiefvader] (hierna: de stiefvader) in oktober 2009 zijn geboren:

  • -

    [zoon 1] (hierna: [zoon 1]), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats];

  • -

    [zoon 2] (hierna: [zoon 2]), op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats].

3.3.

Bij beschikking van 28 juni 2006 heeft de rechtbank Middelburg (thans rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg) tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 11 oktober 2006 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking is voorts, voor zover thans van belang, de hoofdverblijfplaats van [dochter 2] en [dochter 1] bij de vrouw bepaald en is de onderhoudsbijdrage ten behoeve van hen vastgesteld op een bedrag van € 200,- per kind per maand, overeenkomstig hetgeen partijen hierover ter zitting in eerste aanleg zijn overeengekomen.

Tevens heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgelegd waarbij de man en de kinderen gedurende twee dagen per veertien dagen contact met elkaar hebben.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man de kinderalimentatie ten aanzien van [dochter 2] op nihil te stellen met ingang van 1 november 2012, afgewezen.

3.5.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. De grieven van de man betreffen:

  • -

    de draagkracht van de man;

  • -

    de draagkracht van de vrouw;

  • -

    de onderhoudsplicht en draagkracht van de stiefvader.

3.6.

In de eerste plaats is de vraag aan de orde of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Dat [dochter 1] sinds 15 januari 2013 haar hoofdverblijfplaats bij de man heeft, de vrouw in 2007 en 2008 met haar huidige partner twee kinderen heeft gekregen, met deze partner in 2009 is gehuwd ten gevolge waarvan de partner jegens [dochter 2] onderhoudsplichtig is geworden, zijn naar het oordeel van het hof relevante wijzigingen van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW die een hernieuwde beoordeling van de behoefte van [dochter 2] en de draagkracht van partijen rechtvaardigen. Eveneens dient daarbij de draagkracht van de stiefvader van [dochter 2] beoordeeld te worden, nu ook hij met ingang van de datum waarop hij en de vrouw zijn gehuwd onderhoudsplichtig is geworden voor [dochter 2], die tot zijn gezin behoort. Door de vrouw is onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat sprake zou zijn van zodanige bijzondere omstandigheden dat dient te worden afgeweken van de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat in beginsel ouders en stiefouders in de kosten van verzorging en opvoeding van de tot het gezin behorende minderjarige kinderen dienen bij te dragen naar rato van ieders draagkracht.

3.6.1.

Het hof overweegt dat alle thans beschikbare (financiële) gegevens en omstandigheden in hoger beroep opnieuw worden beoordeeld, vanwege de herstellende werking van het hoger beroep. De grieven van de man ten aanzien van de schending van het grondbeginsel van behoorlijke rechtspleging behoeven derhalve geen bespreking meer.

Ingangsdatum

3.7.

De ingangsdatum van de wijziging van de eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage, zijnde 1 november 2012, is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangspunt zal nemen.

Behoefte [dochter 2]

3.8.

De rechtbank is er in de bestreden beschikking vanuit gegaan dat de behoefte van [dochter 2] in 2006 € 200,= per maand bedroeg, en na indexering € 230,-- per maand, hetgeen in hoger beroep geen onderwerp van geschil is tussen partijen.

Ter zitting heeft het hof vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de behoefte van [zoon 1] en [zoon 2] eveneens € 230,-- per maand bedraagt.

Draagkracht van de man

3.9.1.

De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de in 2006 vastgestelde en geïndexeerde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter 2] van thans

€ 230,-- per maand te voldoen.

De vrouw voert verweer en stelt dat de draagkracht van de man juist is toegenomen, omdat de kinderalimentatie ten behoeve van [dochter 1] is vervallen nu zij thans bij de man woonachtig is.

3.9.2.

Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens. Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

A. Inkomen van de man

Het fiscaal jaarinkomen van de man bedraagt volgens de jaaropgave over 2012 € 44.749,--, inclusief de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

B. Lasten van de man

Wwb-normbedrag

Het hof houdt rekening met het op de Wet werk en bijstand (Wwb) gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende alleenstaande, inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

Woonlasten

Het hof houdt rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

- € 225,-- € 225,-- aan huur, zijnde de helft van de met mevrouw [partner van de man], de partner van de man gedeelde woonlast;

Het hof gaat voorbij aan de grief van de man dat hij op termijn een grotere en duurdere, particuliere woning zal moeten gaan huren, aangezien het hof thans geen rekening kan houden met eventuele toekomstige wijzigingen in de situatie van de man. Om dezelfde reden zal het hof geen rekening houden met een jaarlijkse huurverhoging van 6%. Daar komt bij dat de man geacht wordt de huurverhogingen gelijkelijk met zijn partner te delen.

Kosten van [dochter 1]

De man voert aan dat hij alle kosten voor [dochter 1] voldoet en dat hiermee bij de bepaling van zijn draagkracht rekening dient te worden gehouden.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw erkend dat de behoefte van [dochter 1] eveneens

€ 230,-- per maand bedraagt en dat de man dit bedrag geheel voor zijn rekening neemt. Het hof zal bij de te berekenen draagkracht van de man met dit bedrag rekening houden.

Ziektekosten

Het hof houdt rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

- een bedrag van € 105,60 aan basispremie Zorgverzekeringswet (ZVW), alsmede € 40,60 aan aanvullende premie,

minus € 49,-- zijnde het in het Wwb-normbedrag begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande.

Reiskosten zorgregeling

De man stelt dat rekening dient te worden gehouden met de reiskosten die hij maakt in het kader van de contactregeling met [dochter 2], nu hij haar van [woonplaats moeder] naar [woonplaats vader] vice versa dient te vervoeren. Echter ter zitting is gebleken dat beide ouders deze reiskosten maken ten behoeve van de contactregeling, zodat het hof bij de berekening van de draagkracht met deze kosten van de man geen rekening zal houden.

Kosten zorgregeling

Het hof houdt wel rekening met de kosten die de man maakt in het kader van de contactregeling met [dochter 2]. [dochter 2] verblijft eenmaal per twee weken een weekend van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de man. Tijdens de vakanties verblijft [dochter 2] in beginsel de helft daarvan bij ieder van de ouders, zij het dat de man [dochter 2] in de zomervakantie geen drie maar twee weken bij zich heeft. De overige vakanties van meer dan één week worden door de ouders gelijkelijk verdeeld en tijdens de vakanties van één week verblijft [dochter 2] om en om bij de man en de vrouw. Het hof houdt rekening met een bedrag van € 5,-- per dag hetgeen neerkomt op een totaalbedrag van gemiddeld € 45,-- per maand, waarmee bij de berekening van de draagkracht van de man rekening zal worden gehouden.

Rente en aflossing schulden

De man voert aan dat hij nog aflost op een gezamenlijke huwelijkse schuld en dat hiermee rekening dient te worden gehouden bij de berekening van zijn draagkracht, hetgeen de vrouw heeft betwist. Ter zitting van het hof heeft de man toegelicht dat hij thans slechts rente over de gezamenlijke schuld betaalt, maar dat hij ook circa € 100,-- op deze schuld moet gaan aflossen, zodat de maandelijkse kosten met betrekking tot deze schuld ongeveer € 404,-- per maand zullen gaan bedragen. De vrouw heeft niet betwist dat de schuld een gezamenlijke schuld betreft die ook moet worden afgelost, zodat het hof bij de berekening van de draagkracht van de man met deze post rekening zal houden.

Vaststelling van de alimentatie

3.9.3.

Bovengenoemd inkomen van de man resulteert in een netto besteedbaar inkomen van ongeveer € 2.357,-- per maand, waarbij met de hiervoor genoemde toepasselijke heffingskortingen rekening is gehouden.

3.9.4.

Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de man een draagkrachtruimte van € 863,-- per maand. Daarvan is 70% beschikbaar voor de betaling van een onderhoudsbijdrage, te weten € 604,-- per maand. Het hof brengt op dit de kosten voor [dochter 1] van € 230,-- in mindering, waarna voor [dochter 2] een draagkracht resteert van € 374,-- per maand.

De draagkracht van de vrouw

A. Inkomen van de vrouw

Het fiscaal jaarinkomen van de vrouw bedraagt volgens de jaaropgave over 2012 € 15.097,-- inclusief de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

De vrouw heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

B. Lasten van de vrouw

Wwb-normbedrag

Het hof houdt rekening met het op de Wet werk en bijstand (Wwb) gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende alleenstaande, inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

Woonlasten

Het hof houdt rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

- € 350,-- € 350,-- aan hypotheeklasten, zijnde de helft van de met de echtgenoot van de vrouw gedeelde woonlast;

Ziektekosten

Het hof houdt rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

- € 133,36 € 133,36 aan premie Zorgverzekeringswet (ZVW);

minus € 49,00 zijnde het in het Wwb-normbedrag begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande.

Vaststelling van de alimentatie

3.9.6.

Bovengenoemd inkomen van de vrouw resulteert in een netto besteedbaar inkomen van ongeveer € 1.115,-- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende fiscale aspecten:

- de hiervoor genoemde toepasselijke heffingskortingen;

- de helft van het eigenwoningforfait, welk forfait het hof becijfert op totaal € 738,-- per jaar;

- de helft van de hypotheekrente betreffende de woning van de vrouw en de stiefvader.

3.9.7.

Op grond van hetgeen hierboven is overwogen en rekening houdend met alle relevante fiscale aspecten is het hof van oordeel dat de vrouw niet de draagkracht heeft om enig bedrag te betalen ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter 2].

De draagkracht van de stiefvader

A. Inkomen van de stiefvader

Het fiscaal jaarinkomen van de stiefvader bedraagt volgens de jaaropgave over 2012 € 49.481,-- inclusief de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

De stiefvader heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

B. Lasten van de stiefvader

Wwb-normbedrag

Het hof houdt rekening met het op de Wet werk en bijstand (Wwb) gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende alleenstaande, inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

Woonlasten

Het hof houdt rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

- € 350,-- € 350,-- aan hypotheeklasten, zijnde de helft van de met de vrouw gedeelde woonlast;

Ziektekosten

Het hof houdt rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

- € 103,78 € 103,78 aan basispremie Zorgverzekeringswet (ZVW);

minus € 49,00 zijnde het in het Wwb-normbedrag begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande.

Andere door de stiefvader te betalen rechtens relevante lasten zijn gesteld noch gebleken.

Vaststelling van de alimentatie

3.9.8.

Bovengenoemd inkomen van de stiefvader resulteert in een netto besteedbaar inkomen van ongeveer € 2.690,-- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende fiscale aspecten:

- de hiervoor genoemde toepasselijke heffingskortingen;

- de helft van het eigenwoningforfait, welk forfait het hof becijfert op een totaalbedrag van

€ 738,-- per jaar;

- de helft van de hypotheekrente betreffende de woning van de stiefvader en de vrouw.

3.9.9.

Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de stiefvader een draagkrachtruimte van € 1.516,-- per maand. Daarvan is 70% beschikbaar voor de betaling van een onderhoudsbijdrage, te weten € 1.061,-- per maand. De draagkracht van de stiefvader dient verdeeld te worden over drie kinderen. Er resteert dan voor [dochter 2] een draagkracht van € 354,-- per maand.

Zowel de vader als de stiefvader hebben de draagkracht om in de volledige behoefte van [dochter 2] te voorzien. Het hof zal de behoefte van [dochter 2] over de man en stiefvader naar rato van ieders draagkracht verdelen, aldus dat de stiefvader maandelijks geacht wordt voor

€ 112,-- in de behoefte van [dochter 2] te voorzien en de onderhoudsbijdrage ten laste van de vader wordt vastgesteld op € 118,-- per maand.

3.10.

De beschikking waarvan beroep, dient gelet op het voorgaande te worden vernietigd.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 9 september 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van 28 juni 2006 van de rechtbank Middelburg;

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter 2], geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] (België), zal voldoen een bedrag van € 118,-- per maand met ingang van 1 november 2012, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, O.G.H. Milar en H.M.A.W. Erven en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2014.