Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2053

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-07-2014
Datum publicatie
07-07-2014
Zaaknummer
20-003443-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Terugwijzing Hoge Raad. Artikel 6 WVW 1994. Verkeersongeval met dodelijke afloop. Verdachte reed, met een veel te hoge snelheid en met een alcoholgehalte in zijn bloed van meer dan zes keer de toegestane hoeveelheid, in zijn auto en raakte in botsing met een fietsster.

Anders dan het hof in 2012 heeft geoordeeld, acht het hof thans de ten laste roekeloosheid niet bewezen. Wel komt het hof tot een bewezen verklaring van in hoge mate onvoorzichtig en onachtzaam rijden en veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 1395 dagen en een rijontzegging van 6 jaar.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 6, geldigheid: 2014-07-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2014/376

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003443-13

Uitspraak : 7 juli 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen, na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van

16 augustus 2011, parketnummer 02-800457-11 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] [in 1989],

wonende te [adres].

Verloop van de procedure

Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van

1.

primair: doodslag en

2.

overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994: verlaten van de plaats van het ongeval)

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is aan hem de bevoegdheid ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs is ingevorderd geweest.

Tot slot heeft de rechtbank de in beslag genomen personenauto van verdachte verbeurd verklaard.

De officier van justitie en de verdachte hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 3 april 2012 (parketnummer 20-003368-11) heeft dit gerechtshof

verdachte

vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde doodslag, en

bewezen verklaard

het onder 1 subsidiair (artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW 1994): het veroorzaken van een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval, bestaande die schuld in roekeloosheid, met dodelijke afloop, terwijl verdachte reed onder invloed van alcohol) en

het onder 2 ten laste gelegde

en verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. Tevens heeft het hof aan verdachte de bevoegdheid ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs is ingevorderd geweest en de in beslaggenomen personenauto van verdachte verbeurd verklaard.

Tegen dit arrest is namens verdachte onbeperkt beroep in cassatie ingesteld. Dit beroep in cassatie is vervolgens bij akte ingetrokken voor zover het betreft de vrijspraak van de onder 1 primair tenlastegelegde doodslag.

Bij arrest van 15 oktober 2013 (nr. S 12/01937) heeft de Hoge Raad voormeld arrest van het hof, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en de zaak teruggewezen naar dit hof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. De Hoge Raad achtte het middel dat de bewijsvoering te kort schiet voor de door het hof bewezenverklaarde ‘roekeloosheid’ gegrond.

Omvang van de beoordeling door het hof na de terugwijzing door de Hoge Raad

Door de intrekking van het cassatieberoep voor zover het betreft de vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde – waardoor dit onderdeel van het arrest van het hof van 3 april 2012 niet meer aan het oordeel van de Hoge Raad is onderworpen – is deze door het hof in zijn arrest van 3 april 2012 gegeven vrijspraak onherroepelijk geworden, zodat deze thans niet meer aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Het hof zal thans in hoger beroep een oordeel moeten geven over het onder 1 subsidiair (artikel 6 WVW 1994) en het onder 2 (artikel 7 WVW 1994) ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank

zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 subsidiair (bestaande de schuld in roekeloosheid) en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest, en een rijontzegging voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van verdachte is ingevorderd geweest.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het gerechtshof de in beslaggenomen auto zal verbeurdverklaren.

De verdediging heeft bepleit dat verdachte van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde schuldvorm “roekeloosheid” zal worden vrijgesproken, maar dat het onder 1 subsidiair ten laste gelegde voor het overige bewezen kan worden verklaard.
Voorts heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:

1.

subsidiair

hij op of omstreeks 24 april 2011 te Breda als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg (Crogtdijk/ Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en of onnadenkend en/of ondeskundig

terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank, althans (kort) na het inwendig gebruik van een (te grote) hoeveelheid alcohol en/of

terwijl hij, verdachte, pas sinds relatief korte tijd bevoegd was een personenauto te besturen (en derhalve is aan te merken als beginnend bestuurder),

met dat door hem bestuurde motorrijtuig over die Crogtdijk/Terheijdenseweg/ Nieuwe Kadijk te rijden

- met een (zeer) hoge snelheid, althans een snelheid van ongeveer 112 tot 130 kilometer per uur, althans een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan en/of gelet op de verkeerssituatie passend was en/of

- vervolgens (met (nagenoeg) onverminderde snelheid) het kruispunt Crogtdijk/Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk op te rijden en/of (vervolgens) in botsing te komen met [slachtoffer] en/of haar fiets, althans tegen [slachtoffer] en/of haar fiets aan te rijden, (mede) waardoor die [slachtoffer] is gedood,

zulks terwijl aan verdachte op 15 juli 2008, althans voor het eerst op of na 30 maart 2002, een rijbewijs was afgegeven en sedert de datum van eerste afgifte van het rijbewijs nog geen vijf jaren zijn verstreken, en verdachte derhalve is te kwalificeren als beginnend bestuurder en/of

zulks terwijl verdachte toen daar dat motorrijtuig (personenauto) heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed, althans van hem verdachte, bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,26 milligram, in ieder geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

2.
hij op of omstreeks 24 april 2011 te Breda als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op/nabij de kruising Crogtdijk/Terheijdenseweg/ Nieuwe Kadijk, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden een ander (te weten [slachtoffer]) is gedood, althans aan voornoemde [slachtoffer] letsel en/of schade was toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 24 april 2011 te Breda als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg (Crogtdijk/Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in hoge mate onvoorzichtig en onachtzaam

terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank en

terwijl hij, verdachte, is aan te merken als beginnend bestuurder,

met dat door hem bestuurde motorrijtuig over die Nieuwe Kadijk te rijden

- met een snelheid van ongeveer 112 tot 130 kilometer per uur, een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan en gelet op de verkeerssituatie passend was en

- vervolgens met onverminderde snelheid het kruispunt Crogtdijk/Terheijdenseweg/ Nieuwe Kadijk op te rijden en vervolgens in botsing te komen met [slachtoffer] en haar fiets waardoor die [slachtoffer] is gedood,

zulks terwijl aan verdachte op 15 juli 2008 een rijbewijs was afgegeven en sedert de datum van eerste afgifte van het rijbewijs nog geen vijf jaren zijn verstreken, en verdachte derhalve is te kwalificeren als beginnend bestuurder en

zulks terwijl verdachte toen daar dat motorrijtuig (personenauto) heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,26 milligram (hoger dan 0,2 milligram) alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

2.
hij op 24 april 2011 te Breda als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de kruising Crogtdijk/Terheijdenseweg/ Nieuwe Kadijk, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden een ander, te weten [slachtoffer], is gedood.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De advocaat-generaal heeft ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde bewezenverklaring van roekeloosheid bepleit.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde roekeloosheid en naar voren gebracht dat voor het overige tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.

Het hof overweegt het volgende.

Het hof stelt voorop dat van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zal zijn. Zoals de Hoge Raad in de onderhavige zaak heeft overwogen (rechtsoverweging 3.5) moeten, om tot het oordeel te komen dat in het in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Verdachte heeft verklaard dat hij op de avond van 23 april 2011 eerst drie glazen alcoholhoudende drank bij zijn neef heeft gedronken in Oosterhout en dat hij daarna naar Tilburg is gereden. Vervolgens heeft hij in Tilburg in een loungecafé nog eens vijf glazen alcoholhoudende drank gedronken, waarna hij naar Oosterhout is gereden om [naam] op te halen. Verdachte is daarna naar België gereden, waar hij op 24 april 2011, omstreeks 00.15 uur, in discotheek Highstreet was. Volgens verdachte zelf heeft hij daar, samen met [naam], een fles Bacardi gedronken. Op enig moment is verdachte met zijn Volkswagen Golf vanuit België naar Breda gereden (verklaring verdachte, dossierpagina: 159-162).

Verdachte heeft verklaard dat hij na het ongeval – dat plaats vond op 24 april 2011 omstreeks 05:11 uur – geen alcohol meer heeft gedronken. Diezelfde dag om 09:11 uur is van verdachte bloed afgenomen. Het resultaat van de analyse van dit bloed bedroeg 1,26 milligram ethanol per milliliter bloed. Dit was vier uur na het ongeval. Gelet op de natuurlijke afbraak in de tijd van ethanol in bloed moet het ethanol-bloed-gehalte ten tijde van het ongeval aanzienlijk hoger zijn geweest.

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] reden op 24 april 2011, omstreeks 05.10 uur, na hun dienst in een privévoertuig in Oosterhout en waren onderweg naar Breda. Zij werden in de bebouwde kom van Oosterhout waar een maximum snelheid van 50 kilometer geldt, met zeer hoge snelheid rechts over de fietsstrook ingehaald door een Volkswagen Golf. Naar later bleek was dit de Volkswagen Golf waarmee verdachte korte tijd later het verkeersongeval heeft veroorzaakt. Hierop heeft verbalisant [verbalisant 2] de Gemeenschappelijke Meldkamer, onder vermelding van het kentekennummer van de Volkswagen Golf, op de hoogte gesteld van het rijgedrag en zijn ze achter de Volkswagen Golf aangereden, steeds onder mededeling van hun positie aan de meldkamer. Ze reden op een gegeven moment 130 kilometer per uur en liepen toch niet in op de Volkswagen. Toen de verdachte de bebouwde kom van Teteringen inreed, zijn verbalisanten het zicht op de Volkswagen verloren en zijn ze rustig gaan rijden. Op het moment dat bij de kruising Nieuwe Kadijk, Terheijdenseweg, Crogtdijk arriveerden, zagen ze de gevolgen van een zojuist plaatsgevonden ernstig verkeersongeluk met een dodelijk slachtoffer, naar later bleek [slachtoffer] (proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1], dossierpagina 35-37 en van verbalisant [verbalisant 2], dossierpagina 38-40).

[slachtoffer] stak samen met twee vrienden en een vriendin met haar fiets de weg over op het kruispunt Crogtdijk/Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk in Breda, waarbij zij voorop reed. Verdachte naderde deze kruising op datzelfde moment met zijn auto en is op de kruising in botsing gekomen met de overstekende [slachtoffer] en haar fiets. [slachtoffer] is ongeveer 53 meter verderop op het wegdek terechtgekomen en, als gevolg van een schedelbasisfractuur, overleden.

Op de weg waarover verdachte reed richting voornoemde kruising was de maximaal toegestane snelheid 70 km/u. Uit technisch onderzoek is gebleken dat verdachte kort voor de botsing met een snelheid van ongeveer 112 tot 130 kilometer per uur heeft gereden en dat hij met onverminderde snelheid het kruispunt Crogtdijk/Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk is opgereden.

Uit technisch onderzoek en verklaringen van getuigen is voorts gebleken dat [slachtoffer] met haar fiets is begonnen met oversteken terwijl het fietserslicht voor haar groen was. Op dat moment was het licht voor verdachte rood. Gebleken is dat verdachte tussen de 72 en 66 meter voor het voor hem bestemde verkeerslicht groen licht kreeg.

In het rapport (p. 19) van ir. A.C.E. Spek (NFI) “Snelheidsbepaling naar aanleiding van een verkeersongeval in Breda op 24 april 2011” wordt het volgende geconcludeerd: “Als de auto de kruising tegen het einde van het rood licht een snelheid had van ongeveer 120 km/u of minder, en als de bestuurder op het moment waarop het licht (nu) groen werd een zeer krachtige remming in had gezet, dan zou de auto nog op of voor de stropstreep tot stilstand hebben kunnen komen.”

In het proces-verbaal verkeersongevallenanalyse d.d. 20 juli 2011, p. 40 wordt het volgende geconcludeerd: Doordat [slachtoffer] niet aanstonds toen het licht voor haar op groen sprong, maar ongeveer 2,5 seconden daarna begon met oversteken, bevond zij zich op het wegdeel na de middenberm toen het verkeerslicht voor haar rijrichting inmiddels weer op rood was gegaan. Het hof merkt op dat op de middenberm geen fietsersverkeerslicht stond. Door de veel te hoge snelheid van de auto van verdachte had [slachtoffer] onvoldoende tijd om aan de overzijde van de weg te komen en is een botsing tussen beide ontstaan.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat ten tijde van het ongeval het kruispunt overzichtelijk was, dat de straatverlichting werkte en dat de verkeersregeling geen gebreken vertoonde.

Kort voor het ongeval heeft de verdachte een tweetal agenten van politie rechts over de fietsstrook ingehaald. Ook toen reed verdachte met een voor de daar geldende omstandigheden te hoge snelheid, maar ondanks het voorafgaande gebruik van een zeer grote hoeveelheid alcohol was hij klaarblijkelijk in staat om een dergelijke manoeuvre uit te voeren. Het hof concludeert dat verdachte, gelet op de bijzondere manoeuvre die hij toen uitvoerde, zich bewust moet zijn geweest van zijn rijgedrag en dat hij eveneens enig observatievermogen had.

Ondanks dit alles heeft verdachte gedurende het afleggen van een afstand van enkele honderden meters tot aan het kruispunt [slachtoffer], die bezig was de kruising over te steken, niet waargenomen. Verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij het meisje pas waarnam op het moment van de botsing.

Verdachte is, terwijl hij beginnend bestuurder was en terwijl het alcoholgehalte van zijn bloed vier uur na het ongeval 1,26 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn hoewel 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed was toegestaan, met een veel hogere snelheid dan toegestaan en zonder oplettendheid op overig verkeer genoemde kruising opgereden en daar in botsing gekomen met [slachtoffer] en haar fiets.

Verdachte is daarop doorgereden, heeft zijne zwaar beschadigde auto in de buurt geparkeerd en heeft deze verlaten. De politie heeft de verdachte omstreeks 7:20 uur die ochtend kunnen aanhouden, nadat verdachte uiteindelijk door zijn vader, bij wie de politie zich vervoegd had, was opgehaald.

Hoewel verdachte onaanvaardbare risico’s heeft genomen door met het hierboven omschreven samenstel van gedragingen een zeer ernstig gevaar in het leven te roepen voor andere verkeersdeelnemers en verdachte zich daarvan bewust had moeten zijn – en verdachtes gedrag in het dagelijkse spraakgebruik derhalve als roekeloos (in de zin van ‘onberaden’) zou kunnen worden aangeduid – is het hof anders dan de advocaat-generaal maar met de verdediging van oordeel dat dit geen roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm in de zin van artikel 175, tweede lid, WVW 1994 oplevert. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van de ten laste gelegde roekeloosheid.

Wel acht het hof bewezen dat verdachte, onder de hiervoor genoemde omstandigheden, in hoge mate onvoorzichtig en onachtzaam heeft gereden, waardoor hij in botsing is gekomen met [slachtoffer] en haar fiets waardoor [slachtoffer] is gedood.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b, van deze wet en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden..

Het feit is strafbaar gesteld bij artikel 175, lid 1, sub a juncto lid 3 van de Wegenverkeerswet 1994.

2.

Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het feit is strafbaar gesteld bij artikel 176, lid 3 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De raadsman is bij feit 1 uitgegaan van een bewezenverklaring van “in hoge, althans aanzienlijke, mate onvoorzichtig en/of onoplettend rijden” in plaats van “roekeloos rijden”, zoals in het eerdere arrest van het hof bewezen is verklaard. Daardoor zal de eerder door het hof opgelegde straf (aanzienlijk) moeten worden gereduceerd, aldus de raadsman. Tevens heeft de raadsman opgemerkt dat in dit geval een rijontzegging voor de duur van twee of drie jaren meer in de rede ligt dan de eerder door het hof opgelegde rijontzegging voor de duur van 8 jaren.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Door zijn in hoge mate onvoorzichtig en onachtzaam rijgedrag heeft verdachte in de vroege ochtend van 24 april 2011 een aanrijding veroorzaakt met een fietser, de destijds 17-jarige [slachtoffer], als gevolg waarvan zij is overleden.

Verdachte is na dit ongeval met zijn auto doorgereden.

Als gevolg van het handelen van verdachte is groot leed en verlies toegebracht aan de familie en naaste omgeving van het jonge slachtoffer die zich geconfronteerd zagen met de dood van een dierbare. Bovendien moet het ongeval voor de vrienden en vriendin en de ooggetuige die gezien hebben hoe [slachtoffer] op 24 april 2011 is aangereden een zeer traumatische gebeurtenis zijn geweest.

Verdachte was beginnend bestuurder en reed met een veel te hoge snelheid. Bovendien is na het ongeval vastgesteld dat het alcoholgehalte in het bloed van verdachte vier uur na het ongeval meer dan zes keer de toegestane hoeveelheid betrof, waarbij moet worden opgemerkt dat verdachte ten tijde van het ongeval in werkelijkheid aanzienlijk meer alcohol in zijn bloed moet hebben gehad,

Verdachte heeft verklaard dat hij op de avond van 23 april 2011 en de nacht van 24 april 2011, telkens na het gebruik van alcohol, tot drie keer toe heeft deelgenomen aan het verkeer, waarvan de laatste keer resulteerde in de botsing met [slachtoffer].

Uit de tegenover de politie afgelegde verklaring van verdachte, inhoudende: “Weet je wat het is? Als je alcohol op hebt, is alles even heel anders. Dan heb je schijt aan dingen.”, leidt het hof af dat verdachte zich bewust was van het effect dat alcohol op hem heeft. Het hof rekent het hem dan ook zeer zwaar aan dat hij desondanks toch de keus heeft gemaakt om na het gebruik van een zeer grote hoeveelheid alcohol deel te nemen aan het verkeer, waarna hij in botsing is geraakt met [slachtoffer].

Het hof zal, gelet op het bepaalde in artikel 175, derde lid, WVW, in strafverhogende zin rekening houden met de omstandigheden dat verdachte de maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden alsmede dat hij heeft gereden met een (veel) hoger alcoholgehalte in zijn bloed dan was toegestaan.

Bij de strafoplegging houdt het hof eveneens rekening met de omstandigheid dat verdachte zich direct na het ongeval niet heeft bekommerd om het slachtoffer, maar kennelijk enkel oog had voor zijn persoonlijke situatie. Hij is na het ongeluk doorgereden en heeft zich daarna niet vrijwillig gemeld bij de politie. Door tussenkomst van de politie en zijn vader kon verdachte uiteindelijk worden aangehouden.

Daarnaast realiseert het hof zich dat ook verdachte, die overigens niet eerder is veroordeeld, de rest van zijn leven geconfronteerd zal worden met de (gevolgen van de) aanrijding waarvoor hij verantwoordelijk is.

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van behoorlijke duur met zich brengt.

Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid dat verdachte reeds 930 dagen in voorarrest heeft doorgebracht, te weten vanaf 24 april 2011 (aanvang verzekering) tot en met 8 november 2013 (ingangsdatum schorsing voorlopige hechtenis).

Alles overziend acht het hof passend en geboden een ten uitvoer te leggen gevangenisstraf welke gelijk is aan de inmiddels feitelijk in voorarrest doorgebrachte tijd.

Rekening houdend met het bepaalde in artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht ten aanzien van de vervroegde invrijheidstelling zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van 1395 dagen. Dit betekent dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis, hetgeen het hof – zoals reeds overwogen – ook voor ogen heeft met zijn beslissing.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid acht het hof oplegging van een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen aangewezen. Ten aanzien van feit 1 komt het hof tot oplegging van een rijontzegging voor de duur van 5 jaren en ten aanzien van feit 2 een rijontzegging voor de duur van 1 jaar. Het hof acht de bijkomende straf van onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van lange duur noodzakelijk om de verdachte de onjuistheid van de bewezen verklaarde handelwijze te doen inzien.

De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 WVW ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.

Beslag

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven personenauto, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24, 33, 33a, 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1395 (duizend driehonderd vijfennegentig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een zwarte personenauto, Volkswagen Golf TDI, kenteken [kenteken].

Heft op het geschorste, tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. N.J.M. Ruyters, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. T. Kooijmans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Biljard, griffier,

en op 7 juli 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. T. Kooijmans in buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.