Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2028

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-07-2014
Datum publicatie
04-07-2014
Zaaknummer
F200.132.759_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 3 juli 2014

Zaaknummer: HV 200.132.759/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/237316 / FA RK 11-5548

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.W. Weehuizen,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: aanvankelijk mr. F.J. Notermans, thans: geen.

5 De beschikking van 5 december 2013

Bij die beschikking heeft het hof, onder aanhouding van iedere verdere beslissing aangaande het verzoek van de moeder, de raad verzocht een onderzoek in te stellen en te rapporteren en te adviseren omtrent de vraag of, en zo ja, in hoeverre de ontwikkelingen na het vorige raadsrapport van april 2011 van invloed zijn op de geldende zorgregeling tussen de vader en de kinderen, of in deze ontwikkelingen een grond is gelegen voor opschorting van die zorgregeling en zo nee, hoe de geldende zorgregeling weer daadwerkelijk opgepakt kan worden.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

- het rapport van de raad d.d. 24 maart 2014;

- de brief van de advocaat van de moeder d.d. 1 april 2014;

6.2.

De advocaat van de moeder heeft het hof bij voormelde brief te kennen gegeven geen nadere mondelinge behandeling te wensen en het hof verzocht de zaak op de stukken af te doen.

De vader heeft, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet gereageerd op het rapport van de raad.

6.3.

Het hof heeft vervolgens de uitspraak bepaald op heden.

7 De verdere beoordeling

7.1.

Uit het rapport van de raad van 24 maart 2014 blijkt het volgende. Bij [zoon] is onlangs PDD-NOS en ADHD gediagnosticeerd. Hij gebruikt sinds kort medicatie voor ADHD. Er zijn enige zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [zoon], maar aan die ontwikkeling wordt hard gewerkt en [zoon] groeit daarin.

[dochter] is een vrolijk kind en ontwikkelt zich leeftijdsadequaat. Op school kan ze redelijk mee met de lesstof.

De kinderen laten zich vrij neutraal uit over de vader. Zij hebben geen leuke herinneringen aan hem waardoor zij niet gemotiveerd zijn om naar hem toe te gaan. De raad is van mening dat de kinderen in principe over voldoende draagkracht beschikken om het contact met de vader aan te gaan.

De vader en de moeder diskwalificeren elkaar. Hun onderlinge communicatie verloopt slecht. Op dit moment zijn de moeder en de stiefvader tegen contact van de kinderen met de vader, met name omdat zij de kinderen willen behoeden voor nieuwe teleurstellingen

De kinderen zijn op een leeftijd waarop het nog noodzakelijk is dat de moeder hen ondersteunt in en stimuleert tot contact met de vader. Zij hebben emotionele toestemming nodig om contact te mogen hebben met de vader, maar zij krijgen deze toestemming niet meer.

De vader toont weinig initiatief om contact met [zoon] en [dochter] mogelijk te maken. Hoewel hij het gezag heeft over de kinderen, informeert hij niet bij de school of bij hulpverlenende instanties.

De vader lijkt weinig aan te kunnen sluiten bij de ontwikkelbehoeften van de kinderen. Hij maakt de omgangscontacten niet echt aantrekkelijk voor de kinderen, waardoor de kinderen niet graag naar hem toegaan.

De raad vindt een opschorting van de zorgregeling in het belang van [zoon] en [dochter]. De kinderen hebben sinds ruim een jaar geen contact meer met de vader. Inmiddels zijn de vader en de kinderen vervreemd van elkaar. De raad is van mening dat de geldende zorgregeling niet kan worden opgepakt, omdat er naar het inzicht van de raad bij alle betrokkenen te weinig draagkracht en motivatie is om die regeling uit te voeren. De zorgregeling kan naar de mening van de raad op dit moment niet onbelast plaatsvinden.

Het lijkt de raad raadzaam dat de vader zich laat adviseren hoe hij de zorgregeling positief kan invullen, zodat de kinderen het leuk vinden om naar hem toe te gaan. Als de vader in de komende periode in woord en daad voldoende duidelijk maakt dat hij geïnteresseerd is in de ontwikkeling van de kinderen, zal de moeder bij het hervatten van de zorgregeling de kinderen moeten stimuleren en ondersteunen. De raad denkt dat hierbij te zijner tijd hulpverlening voor de moeder (en de stiefvader) nodig kan zijn.

7.2.

Het hof overweegt als volgt.

7.2.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter kan het recht op contact met een kind tijdelijk aan een ouder ontzeggen, indien sprake is van een of meer van de in artikel 1:377a lid 3 genoemde ontzeggingsgronden.

7.2.2.

Het hof stelt vast dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, nu er ten tijde van het opmaken van het rapport van de raad al ruim een jaar geen contact meer had plaatsgevonden tussen de vader en de kinderen.

Vaststaat dat de communicatie tussen de ouders ernstig is verstoord. In aanmerking genomen het onvermogen van de ouders om met elkaar te communiceren, het niet voorhanden zijn van mogelijkheden om daarin binnen afzienbare tijd verandering aan te brengen alsmede het gegeven, zoals dit blijkt uit het rapport van de raad, dat er bij alle betrokkenen te weinig draagkracht en motivatie is om een zorgregeling uit te voeren, waardoor deze op dit moment niet onbelast kan plaatsvinden, acht het hof het met de raad in het belang van [zoon] en [dochter] noodzakelijk het recht op contact met de kinderen tijdelijk aan de vader te ontzeggen. Het hof is van oordeel dat in de huidige situatie het contact tussen de vader en de kinderen aanmerkelijke spanningen voor de kinderen mee zal brengen. Het hof is in de gegeven omstandigheden daarom van oordeel dat zwaarwegende belangen van [zoon] en [dochter] zich thans verzetten tegen contact met de vader. Daarbij heeft ook de vader tegenover de raad kenbaar gemaakt in te zien dat een zorgregeling momenteel niet uitvoerbaar is.

Anders dan de moeder heeft verzocht, zal het hof de uitoefening door de vader van het recht op contact slechts ontzeggen voor de duur van één jaar, nu aangenomen moet worden dat de vader zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar tot de rechter kan wenden teneinde te verzoeken de uitoefening van het recht op contact te doen herleven (vgl. HR 27 februari 1990, LJN BG5045). Het hof gaat er daarbij vanuit dat de vader en de moeder van deze periode van één jaar gebruik zullen maken om hun onderlinge communicatie te verbeteren en de onderliggende conflicten tussen hen op te lossen teneinde op die manier zo spoedig mogelijk de weg vrij te maken voor herstel van het contact tussen de vader en de kinderen.

7.3.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beschikking waarvan beroep dient te worden vernietigd.

8 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2013,

en opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 juli 2011 als volgt:

ontzegt de vader met ingang van heden het recht op de uitoefening van een zorg- en contactregeling met [zoon], geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats], en [dochter], geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats], te weten tot 3 juli 2015;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, M.C. van Dijkhuizen en W.Th.M. Raab en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2014.