Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2020

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
20-004317-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof komt tot een bewezenverklaring van twee mishandelingen, een poging tot zware mishandeling en twee bedreigingen met een misdrijf tegen het leven gericht. Het hof overweegt dat onder omstandigheden een gebroken neus geen zware mishandeling oplevert. Tevens levert het schoppen met ongeschoeide voet gericht tegen niet kwetsbare onderdelen van het lichaam geen poging tot zware mishandeling op. Verdachte is volledig ontoerekeningsvatbaar. Het hof gelast dat verdachte voor een termijn van een jaar in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004317-13

Uitspraak : 2 juli 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 24 december 2013 in de strafzaak met parketnummer 01-845504-13 tegen:

[verdachte],

geboren te[geboorteplaats] op[geboortedatum],

thans verblijvende in [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van mishandeling (feit 1), zware mishandeling (feit 2 primair), mishandeling (feit 3 subsidiair) en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (feit 4 en 5) ontslagen van alle rechtsvervolging en is de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar gelast. Voorts heeft de rechtbank beslist over de vorderingen van de benadeelde partijen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

Door de verdediging is bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 primair, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde. Voorts heeft de verdediging bepleit dat aan verdachte geen maatregel zal worden opgelegd maar een voorwaardelijke straf.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 29 mei 2013 te Eindhoven opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangever 1] (verpleegkundig begeleider GGzE)), (met kracht) (met geschoeide voet) tegen haar been, in elk geval haar lichaam, heeft geschopt, ten gevolge waarvan die [aangever 1] ten val is gekomen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

primair
hij op of omstreeks 29 mei 2013 te Eindhoven aan een persoon genaamd[aangever 2] (medewerker begeleiding GGzE), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken neus), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met gebalde vuist) in/tegen diens gezicht, in elk geval diens lichaam, te slaan;

2.

subsidiair
hij op of omstreeks 29 mei 2013 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd[aangever 2] (medewerker begeleiding GGzE), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [aangever 2] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met gebalde vuist) in/tegen diens gezicht, in elk geval diens lichaam, heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

primair
hij op of omstreeks 29 mei 2013 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [aangever 3] (verpleegkundig begeleider GGzE), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [aangever 3] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met gebalde vuist) tegen diens hoofd, in elk geval diens lichaam, heeft geslagen, ten gevolge waarvan die [aangever 3] ten val is gekomen en/of (vervolgens) terwijl die [aangever 3] op de grond lag, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met geschoeide voet) tegen diens lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

subsidiair
hij op of omstreeks 29 mei 2013 te Eindhoven opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangever 3] (verpleegkundig begeleider GGzE)), meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met gebalde vuist) tegen diens hoofd, in elk geval diens lichaam, heeft geslagen, ten gevolge waarvan die [aangever 3] ten val is gekomen en/of (vervolgens) terwijl die [aangever 3] op de grond lag, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met geschoeide voet) tegen diens lichaam heeft geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4.
hij op of omstreeks 14 juni 2013 te Eindhoven[aangever 4] (verpleegkundig begeleider GGzE) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde die [aangever 4] dreigend de woorden toegevoegd: ‘Als ik hier uit ben dan maak ik je dood met een mes of ik schiet je dood met een pistool’ en/of ‘[persoon 1], pak jij hem, vermoord hem’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.
hij op of omstreeks 11 juni 2013 te Eindhoven [aangever 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend zijn hand(en) in de richting van de keel/nek van die [aangever 5] gebracht en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : ‘Ik maak jou dood en jouw familie ook’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat het onder 2 primair en 3 primair niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde overweegt het hof het volgende. Aangever[aangever 2] heeft door verdachtes handelen een gebroken neus opgelopen. Een gebroken neus kan onder bepaalde omstandigheden zwaar lichamelijk letsel opleveren. Nu echter blijkens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het voorhanden zijnde dossier de aard van de breuk, de eventuele noodzaak tot medisch ingrijpen en het uitzicht op volledig herstel niet met stukken is onderbouwd, is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

Met betrekking tot het onder 3 primair ten laste gelegde overweegt het hof dat blijkens verschillende getuigenverklaringen de verdachte aangever [aangever 3] met zijn vuist tegen de achterkant van zijn hoofd heeft geslagen. Nadat [aangever 3] ten val was gekomen heeft verdachte hem met ongeschoeide voet meermalen geschopt. Niet is gebleken dat verdachte [aangever 3] gericht geslagen of geschopt heeft tegen kwetsbare onderdelen van het hoofd en het lichaam waardoor er, ook bij trappen met ongeschoeide voet, een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel zou kunnen ontstaan. Het hof is derhalve van oordeel dat niet bewezen is dat verdachte getracht heeft [aangever 3] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 29 mei 2013 te Eindhoven opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [aangever 1] (verpleegkundig begeleider GGzE), met kracht tegen haar been heeft geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

subsidiair
hij op 29 mei 2013 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd[aangever 2] (medewerker begeleiding GGzE), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [aangever 2] met kracht tegen diens gezicht heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

subsidiair
hij op 29 mei 2013 te Eindhoven opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [aangever 3] (verpleegkundig begeleider GGzE), met kracht met gebalde vuist tegen diens hoofd heeft geslagen, ten gevolge waarvan die [aangever 3] ten val is gekomen en vervolgens terwijl die [aangever 3] op de grond lag meermalen met kracht tegen diens lichaam heeft geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

4.
hij op 14 juni 2013 te Eindhoven[aangever 4] (verpleegkundig begeleider GGzE) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde die [aangever 4] dreigend de woorden toegevoegd: ‘Als ik hier uit ben dan maak ik je dood met een mes of ik schiet je dood met een pistool’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.
hij op 11 juni 2013 te Eindhoven [aangever 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend zijn hand in de richting van de keel van die [aangever 5] gebracht en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd : ‘Ik maak jou dood en jouw familie ook’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De verdediging heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 4 en 5 ten laste gelegde. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat hetgeen verdachte heeft geuit een emotionele uitbarsting is geweest en in die context niet een bedreiging van aangevers inhoudt.

Het hof overweegt als volgt.

Aangever[aangever 4] heeft verklaard dat verdachte op 14 juni 2013 in de separeercel van de GGzE te Eindhoven verbleef. Na het innemen van zijn medicatie heeft verdachte tegen hem geroepen: ‘Als ik hier uit ben, dan maak ik je dood met een mes of ik schiet je dood met een pistool. [aangever 4] voelde zich hierdoor bedreigd. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij hoorde dat verdachte haar collega bedreigde. Verdachte was erg duidelijk in zijn bedreiging.

Psychiater [aangever 5] heeft verklaard dat verdachte op 11 juni 2013 dreigend in zijn

richting heeft gezegd dat hij hem en zijn familie zou doden. Verdachte stak hierbij zijn

handen door het luik van de deur in de richting van de keel van [aangever 5] en zei tegen

hem: ‘Ik maak jou dood en jouw familie ook’. [aangever 5] voelde zich hierdoor

bedreigd. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij verdachte hoorde zeggen: ‘Ik ga jou en jouw familie vermoorden’.

Het hof is van oordeel dat het handelen van verdachte van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij aangevers in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij werden bedreigd en dat zij bij uitvoering van die bedreiging het leven zouden laten. Niet is vereist dat verdachte het voornemen had om de bedreiging te realiseren. Dat de uitingen in de context van een emotionele uitbarsting moeten worden gezien maakt dit niet anders.

Het verweer van de verdediging slaagt niet.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 3 subsidiair bewezen verklaarde levert telkens op:

Mishandeling.

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot zware mishandeling.

Het onder 4 en 5 bewezen verklaarde levert telkens op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft bepleit dat verdachte niet lijdende is aan een schizoaffectieve stoornis. Door de verschillende soorten medicatie die in de GGzE te Eindhoven aan verdachte zou zijn toegediend is hij afgegleden. Hij kan in het normale leven goed functioneren. Verdachte kan als volledig toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op 29 november 2013 hebben de psychiater [psychiater] en de psycholoog [psycholoog], beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht, een rapport omtrent verdachte uitgebracht. Voor wat betreft de strafbaarheid van verdachte blijkt uit dit rapport onder meer het volgende (pagina’s 73 en 77 t/m 79):

‘De diagnose schizoaffectieve stoornis van het bipolaire type wordt gesteld. Dit is een ernstige psychische aandoening die zowel de kenmerken van schizofrenie behelst, als die van een bipolaire stoornis. Iemand met deze ziekte heeft dus niet alleen last van wanen, hallucinaties en verward denken, maar ook van manische episoden en/of een klinische depressie. De symptomen doen zich voor in eenzelfde periode. Tijdens het huidige onderzoek springen de psychotische symptomen meteen in het oog: er is sprake van uitgebreide wanen (oncorrigeerbare overtuigingen), formele denkstoornissen, chaotisch gedrag en hallucinatoire belevingen. Sinds 2008 zijn meerdere langdurige psychotische episoden beschreven, die enkel met een onderhoudsbehandeling van een antipsychoticum onder controle bleven. Deze episoden kenmerken zich door paranoïde en grootheidswanen, hallucinaties en perioden met onsamenhangende spraak en chaotisch gedrag. Concluderend is er sprake van een psychotische stoornis die voldoet aan de beschrijving van schizofrenie. Daarnaast worden er tegelijktijdig in wisselende mate de kenmerken passend bij een manie geobserveerd, zoals ontremming, spreekdrang, een verhoogde stemming, grootheidsideeën, motorische onrust en verhoogde afleidbaarheid. In de context van een (manisch-) psychotische decompensatie lijken vooral de hevige psychotische angst en achterdocht te leiden tot oordeels- en kritiekstoornissen en daaruit voortvloeiende reactieve agressie. (…)

Concluderend kan worden gesteld dat betrokkene lijdende is aan een tweetal ziekelijke stoornissen van zijn geestvermogens, namelijk een schizoaffectieve stoornis en PDD-NOS. (…)

Vanuit de beschikbare informatie wordt voldoende duidelijk dat betrokkene ten tijde van alle ten laste gelegde feiten vanuit de schizoaffectieve stoornis zeer ontremd en psychotisch was. Betrokkene was in de maanden voorafgaande aan, alsook ten tijde van alle ten laste gelegde feiten, gedwongen opgenomen in een kliniek, werd beschreven als psychotisch en ontremd en was al weken lang tegen zijn zin gesepareerd. Ook werd de dosis van zijn antipsychoticum verhoogd en een stemmingsstabilisator gestart. Na afloop van de ten laste gelegde feiten is het toestandsbeeld nog onverminderd aanwezig, zo blijkt uit informatie van het PPC en uit de observaties tijdens het onderhavige onderzoek.

Gezien de korte tijdspanne en vergelijkbare dynamiek kunnen de onder 1 tot en met 3 op 29 mei 2013 ten laste gelegde feiten gedragskundig als een geheel worden beschouwd. Betrokkene verkeerde tijdens deze feiten onder de stellige overtuiging dat hij één van de belangrijkste personen in zijn leven, zijn moeder, moest beschermen. Dit tegen een groep van zeer kwaadwillende en slechte personen, die bovendien met bovenmenselijke krachten toegerust waren (‘Power Rangers’). Zijn realiteitstoetsing dienaangaande was, en is, volledig verstoord. (…) Betrokkenes psychotische overtuigingen staan, in zijn redenaties en overwegingen, dusdanig op de voorgrond dat ondergetekenden van mening zijn dat hij niet in staat is geweest ten tijde van de ten laste gelegde feiten zijn wil in vrijheid te bepalen.

Gezien de vergelijkbare dynamiek kunnen de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten op 11 en 14 juni 2013 gedragskundig eveneens als één geheel worden beschouwd. Afgaande op de dossierinformatie en hetgeen betrokkene vertelt, speelden hier eveneens psychotische achterdochtige overwegingen een eminente rol. Van deze feiten kon met betrokkene geen formele delictanalyse gemaakt worden, aangezien hij niet over een heldere herinnering hieraan beschikt. Uit alle andere informatie komt echter naar voren dat een vergelijkbare achterdochtige dynamiek als bij het onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde hierin leidende was.

De symptomen voortvloeiende uit de schizoaffectieve stoornis hebben zijn gedrag derhalve bij alle ten laste gelegde feiten, indien bewezen, dusdanig beïnvloed dat deze feiten, indien bewezen, naar het oordeel van ondergetekenden hieruit volledig te verklaren vallen. Op basis van het bovenstaande adviseren wij Uw College om betrokkene voor de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, als volledig ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.’

Blijkens voorgaande rapportage was reeds in het verleden - voordat verdachte werd opgenomen in het GGzE te Eindhoven - sprake van psychotische episoden met vergelijkbare symptomen, waarvoor onderhoudsbehandeling met een antipsychoticum nodig was. Ook nadat verdachte was overgeplaatst naar het PBC bleef zijn toestandsbeeld onverminderd aanwezig. Het verweer van de verdediging slaagt derhalve niet.

Het hof neemt de conclusie en de gronden waarop deze berust uit voormeld rapport over. Het hof is van oordeel dat verdachte gelet op zijn ontoerekeningsvatbaarheid niet strafbaar is voor hetgeen bewezen is verklaard. Verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Op te leggen maatregel

De verdediging heeft bepleit om aan verdachte gelet op de omstandigheden van het geval een voorwaardelijke straf op te leggen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf of maatregel is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Het hof heeft tevens acht geslagen op hetgeen is overwogen omtrent de strafbaarheid van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling (tweemaal), poging tot zware mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (tweemaal). Dit zijn ernstig feiten waardoor bij de slachtoffers een gevoel van onveiligheid is ontstaan.

Het hof houdt rekening met de inhoud van het voornoemde rapport van het Pieter Baan Centrum, d.d. 29 november 2013, voor zover inhoudende (pagina’s 80 t/m 83):

‘De symptomen voortkomende vanuit de schizoaffectieve stoornis vormen de kern van het recidivegevaar. Zoals hierboven beschreven is er voor wat betreft de ten laste gelegde feiten sprake van een pathologisch geduide reactieve agressie. (…) Zou betrokkene op korte termijn in vrijheid worden gesteld, dan is de kans groot dat hij weer in een nieuwe situatie geraakt die gelijkenis vertoont met de predelict-situatie, namelijk een situatie waarin betrokkene op basis van uit psychotische achterdocht voorvloeiende oordeels- en kritiekstoornissen opnieuw, foutief, concludeert dat men het slecht met hem voorheeft. Betrokkene zal derhalve in een dergelijke situatie wederom de inschatting kunnen maken dat de ander ‘uitgeschakeld’ dient te worden teneinde zichzelf, of zijn dierbaren, voor kwaad (of erger) te behoeden. Het is daarom in de ogen van ondergetekenden goed voorstelbaar dat hij in een dergelijke situatie een hoge kans heeft op recidivering in aan het ten laste gelegde gelijkwaardige feiten middels reactief impulsief agressief gedrag. Deze klinische indruk werd bevestigd door het risicotaxatie instrument HCR-2032. Hierop scoort betrokkene op de historische items (niet beïnvloedbare risicofactoren) matig-hoog en op de klinische (actuele veranderbare risicofactoren) en risicohanteringsitems (toekomstige veranderbare risicofactoren) hoog. Concluderend is er sprake van een hoog recidiverisico ten tijde van een (manisch-) psychotische episode.

De eveneens aanwezige PDD-NOS heeft, voor wat betreft de beïnvloeding van betrokkenes gedragskeuzes en -gedragingen ten tijde van de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, geen rol van betekenis gespeeld. De chronische beperkingen voorvloeiende vanuit deze stoornis werden als het ware overschaduwd door de ernst van de symptomen behorende bij de schizoaffectieve stoornis. Hetzelfde geldt voor het zwakbegaafde niveau van functioneren/ van betrokkene. Alhoewel het gevaar niet vanuit deze beperkingen voortvloeit, maken deze hem wel gevoeliger voor het opnieuw ontwikkelen van een psychose. Ook bemoeilijken ze betrokkenes leerbaarheid en het vermogen zich aan te passen aan anderen en nieuwe situaties. Vooral bij overbelasting en overvraging is er een verhoogd risico op het opnieuw ontwikkelen van psychotische klachten.

Naar aanleiding van bovenstaande conclusie van ontoerekeningsvatbaarheid ten aanzien van alle vijf de ten laste gelegde feiten in samenhang met een hoog recidiverisico menen ondergetekenden dat een gedwongen juridisch behandelingskader noodzakelijk is teneinde dit recidiverisico te verkleinen. Wij adviseren betrokkene onder artikel 37 Wetboek van Strafrecht gedurende één jaar in een psychiatrisch ziekenhuis te plaatsen. (…)

Betrokkene zou derhalve baat hebben bij een opname in een gestructureerde behandelsetting met expertise op het gebied van moeilijk behandelbare psychotische stoornissen. Gedacht kan worden aan een plaatsing in een forensisch psychiatrische kliniek (FPK), zoals die van Inforsa te Amsterdam. In verband met de samenhang met het ten laste gelegde (indien bewezen), de thans nog aanwezige psychotische achterdocht van betrokkene richting GGzE en de proximiteit van (een mogelijk in de behandeling ondermijnende) moeder, is in eerste instantie een plaatsing in de FPK in de eigen regio naar onze mening relatief gecontraïndiceerd, dit in verband met een verhoging van het risico op aan het ten laste gelegde gelijkwaardige delicten. In een later stadium zou plaatsing in de eigen regio in het kader van resocialisatie wel gewenst zijn. Mocht een plaatsing van een jaar onvoldoende zijn dan kan te zijner tijd een verdere behandeling onder de Wet BOPZ overwogen worden. Eerdere psychotische episoden verbleekten echter steeds na enkele maanden en ook nu lijkt er al enige respons op de behandeling te zijn. (…)

Tijdens de behandeling dient er in de eerste plaats aandacht te zijn voor het instellen op passende antipsychotische medicatie, alsmede een stemmingsstabilisator. Het is de verwachting dat het recidiverisico door behandeling van de psychotische symptomen sterk zal afnemen, buiten zijn psychoses om wordt betrokkene nimmer omschreven als agressief. (…) Langdurige ambulante begeleiding vanuit de GGZ is daarbij onmisbaar. Een ander belangrijk punt van aandacht hierbij is psycho-educatie. Het kan veel bijdragen als ook zijn familie, en met name moeder, hier nadrukkelijk bij betrokken wordt. Dit vooral om ook bij hen het belang van blijvend medicatiegebruik te onder strepen. Hierdoor zal de familie waarschijnlijk beter in staat zijn betrokkene hierbij op een positieve manier te ondersteunen.’

Het hof neemt deze conclusies en de gronden waarop zij berust over. Het hof acht, anders dan de verdediging, het niet verantwoord om te bepalen dat in plaats van een maatregel een voorwaardelijke straf wordt opgelegd. Uit het rapport van het PBC in relatie tot hetgeen in de onderhavige zaak bewezen is verklaard, blijkt dat de verdachte gevaarlijk is voor zichzelf, voor anderen of voor de algemene veiligheid van personen. Er is een hoog recidiverisico ten tijde van een (manisch-) psychotische episode. Het hof is van oordeel dat verdachte op grond van het vorenstaande in een psychiatrisch ziekenhuis dient te worden geplaatst voor een termijn van een jaar.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij [aangever 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 300,-. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [aangever 1] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 300,-. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

De verdediging heeft bepleit dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen dan wel dient te worden gematigd nu zij medeschuldig is te achten aan het bewezen verklaarde. Het hof is van oordeel dat de verdediging het verweer op geen enkele wijze heeft onderbouwd zodat dit verweer niet kan slagen.

Vordering van de benadeelde partij[aangever 2]

De benadeelde partij[aangever 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.277,16. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij[aangever 2] als gevolg van verdachtes onder 2 subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.277,16. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

De verdediging heeft thans nog bepleit dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen dan wel te worden gematigd nu zij medeschuldig is te achten aan het bewezen verklaarde. Het hof is van oordeel dat de verdediging het verweer op geen enkele wijze heeft onderbouwd zodat dit verweer niet kan slagen.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 3]

De benadeelde partij [aangever 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 300,-. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [aangever 3] als gevolg van verdachtes onder 3 subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 300,-. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

De verdediging heeft thans nog bepleit dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen dan wel te worden gematigd nu zij medeschuldig is te achten aan het bewezen verklaarde. Het hof is van oordeel dat de verdediging het verweer op geen enkele wijze heeft onderbouwd zodat dit verweer niet kan slagen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 37, 45, 285, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Gelast de plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van 1 (één) jaar.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij[aangever 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij[aangever 2] ter zake van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.277,16 (duizend tweehonderdzevenenzeventig euro en zestien cent) bestaande uit € 277,16 (tweehonderdzevenenzeventig euro en zestien cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 3] ter zake van het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door:

mr. F.P.E. Wiemans, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. E.N. van der Spoel, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. drs. M.M. Spooren, griffier,

en op 2 juli 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.