Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2004

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
03-07-2014
Zaaknummer
HD200.148.588_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding

voortzetting uitzendovereenkomst? Feitelijk blijven doorwerken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0601
AR 2014/470
RAR 2014/138

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.148.588/01

arrest van 1 juli 2014

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante],

advocaat: mr. B.R.J. Rothuizen te Breda,

tegen

1 Tempo-Team Projecten B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna aan te duiden als Tempo-Team,

advocaat: mr. J.M. Caro te Amstelveen,

2. Waterschap Brabantse Delta,

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna aan te duiden als Brabantse Delta,

advocaat: mr. M. van der Schoor te ‘s-Hertogenbosch,

geïntimeerden,

op het bij exploot van dagvaarding van 1 mei 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, sector kanton Breda, van 16 april 2014, gewezen tussen [appellante] als eiseres en Tempo-Team en Brabantse Delta als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 2816501 VV EXPL 14-29)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep waarin vier grieven zijn geformuleerd, met het procesdossier van de eerste aanleg en één productie;

- de memorie van antwoord van Tempo-Team met tweeëntwintig producties;

- de memorie van antwoord van Brabantse Delta.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[appellante] is sinds 23 augustus 2010 op basis van een uitzendovereenkomst met Tempo-Team ter beschikking gesteld aan Brabantse Delta. Op 23 maart 2012 is met ingang van 26 maart 2012 tussen [appellante] en Tempo-Team een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd fase B tot stand gekomen.

3.1.2.

Tussen 23 maart 2012 en 28 juni 2013 heeft [appellante] 6 arbeidsovereenkomsten met Tempo-Team voor bepaalde tijd fase B ondertekend. De laatste overeenkomst is gedateerd op 28 juni 2013 en betrof de periode van 1 juli tot en met 31 december 2013. De detachering is steeds door Tempo-Team aan [appellante] bevestigd. Op de arbeidsovereenkomst(en) is de CAO voor uitzendkrachten van toepassing.

3.1.3.

Op 29 oktober 2013 heeft tussen [personeelslid 1 van Tempo-Team] (verbonden aan Tempo-Team, hierna te noemen: [personeelslid 1 van Tempo-Team]), [personeelslid 1 van Brabantse Delta] (verbonden aan Brabantse Delta) en [appellante] een beoordelingsgesprek plaatsgevonden. Van dat gesprek is een verslag opgemaakt op briefpapier van Tempo-Team. Daarin staat: ‘(…) Eindoordeel: Zeer goed Motivering: (…) Zowel als medewerker en als collega ben je een topper. Het is dan ook bijzonder teleurstellend dat we jou na 1 januari 2014 niet voor onze organisatie kunnen behouden. We zullen je missen. (…)’.

[personeelslid 1 van Tempo-Team] schrijft op 13 december 2013 aan [personeelslid 2 van Brabantse Delta] van Brabantse Delta (hierna te noemen: [personeelslid 2 van Brabantse Delta]): ‘(…) is er inmiddels al iets bekend voor [appellante]? Ik heb het even nagekeken, zij kan tot en met 21 maart 2014 gedetacheerd worden. Daarnaast wil ik graag bij je informeren of de CAO Waterschappen qua salarisschalen nog wijzigt in 2014. Ik verneem het graag van je alvast bedankt voor de terugkoppeling’.

De e-mail is door [personeelslid 2 van Brabantse Delta] niet beantwoord.

[personeelslid 1 van Tempo-Team] schrijft op 17 december 2013 aan [appellante]: ‘Wat is jouw laatste werkdag bij het Waterschap? Werk jij komende dinsdag op 24/12? (…)’.

3.1.4.

[appellante] schrijft in haar e-mail van 20 december 2013 aan [personeelslid 3 van Brabantse Delta] van Brabantse Delta (hierna te noemen: [personeelslid 3 van Brabantse Delta]): ‘Ik ben blij met de verruiming van 6 uur zodat ik ondersteuning kan bieden aan mijn collega’s zonder mijn huidige werkzaamheden uit het oog te verliezen. (…) Ik zie het als een uitdaging om met je samen te werken (…).’.

3.1.5.

Op 24 december 2014 heeft tussen [personeelslid 1 van Tempo-Team] en [appellante] een gesprek plaatsgevonden.

3.1.6.

[appellante] heeft zich op 2 januari 2014 bij Brabantse Delta gemeld en aldaar werkzaamheden verricht.

Op 7 januari 2014 heeft tussen [personeelslid 3 van Brabantse Delta] en [appellante] een gesprek plaatsgevonden waarin [appellante] heeft geïnformeerd naar de status van de detacheringsovereenkomst. Op 9 januari 2014 schrijft [personeelslid 3 van Brabantse Delta] aan [appellante]: ‘(…) In december 2013 hebben (…) [personeelslid 2 van Brabantse Delta] en jij (…) gesproken over de einddatum voor jouw verlengde detachering. Dit onder andere gelet op de overgang in maart 2014 naar fase C uit de uitzendcao. Je vroeg of [personeelslid 2 van Brabantse Delta] bereid was om mee te werken aan een detachering tot 1 juni 2014. [personeelslid 2 van Brabantse Delta] gaf aan dat hij bereid was om Tempo-Team hierom te verzoeken mits ik (…) daarmee akkoord ging. Je was er dus van op de hoogte dat een verlenging later dan maart een onzekere factor was. Tijdens ons overleg op vrijdag 20 december jl. heb ik aangegeven bereid te zijn om P&O te verzoeken om verlenging van je contract tot 1 april 2014. Uit de mail van [personeelslid 2 van Brabantse Delta] van 7 januari 2014 blijkt dat (…) 1 april 2014 niet mogelijk is maar dat de detachering tot uiterlijk 21 maart 2014 kan duren. (…) Je bent nu aan het werk in het kader van detachering tot 21 maart en niet tot 1 april. (…)’

3.1.7.

[personeelslid 3 van Brabantse Delta] heeft op 10 januari 2014 contact opgenomen met Tempo-Team omtrent de detachering. Tempo-Team heeft Brabantse Delta daarop bericht dat zij sinds het gesprek op 24 december 2013 geen contact meer heeft gehad met [appellante].

3.1.8.

Brabantse Delta heeft [appellante] op 10 januari 2014 verzocht het gebouw te verlaten. Zij schrijft in haar brief van diezelfde datum aan [appellante]: ‘(…) Hierbij bericht ik u dat waterschap Brabantse Delta niet gekomen is tot een overeenkomst met uitzendbureau Tempo-Team over uw inzet na 31 december 2013. Ook stel ik vast dat er geen directe rechtsverhouding bestaat tussen u en het waterschap. Dit maakt dat er geen grond bestaat voor het door u verrichten van werkzaamheden voor waterschap Brabantse Delta en de toegang tot diens gebouwen (…)’.

3.1.9.

[appellante] heeft zich door middel van een e-mail van 19 februari 2014 gericht aan Tempo-Team en aan Brabantse Delta beschikbaar gehouden om arbeid bij Brabantse Delta te verrichten. Voorts heeft zij aanspraak gemaakt op betaling van (achterstallig) loon.

3.2.

Bij inleidende dagvaarding van 17 maart 2014 heeft [appellante] Tempo-Team en Brabantse Delta in kort geding gedagvaard. Ook heeft zij Tempo-Team Uitzenden B.V. (hierna: Tempo-Team Uitzenden) gedagvaard. [appellante] heeft, kort gezegd, gevorderd dat zij wordt toegelaten tot het verrichten van haar gebruikelijke werkzaamheden bij Brabantse Delta, al dan niet via een detacheringsovereenkomst met Tempo-Team en voorts dat de hiervoor genoemde gedaagde partijen worden veroordeeld tot betaling van loon. [appellante] heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat partijen overeenstemming hebben bereikt over verlenging van de detachering per 1 april 2014, althans dat [appellante] het aanbod van partijen om de detachering tot 1 april 2014 dan wel tot 21 maart 2014 te verlengen stilzwijgend heeft aanvaard, althans dat de detachering stilzwijgend door partijen is voortgezet en dat zij een arbeidsrelatie met Brabantse Delta heeft.

3.3.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter [appellante] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tegen Tempo-Team Uitzenden. De vorderingen van [appellante] jegens Tempo-Team zijn afgewezen en [appellante] is veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Tempo-Team. Brabantse Delta is veroordeeld om aan [appellante] € 696,48 bruto te betalen aan loon en € 47,88 netto, vermeerderd met wettelijke rente over deze bedragen vanaf 1 februari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening. Tussen [appellante] en Brabantse Delta zijn de proceskosten gecompenseerd.

3.4.

[appellante] is tijdig van het bestreden vonnis in hoger beroep gekomen. Zij heeft gevorderd dat het hof dat vonnis vernietigd en haar vorderingen alsnog toewijst met veroordeling van Tempo-Team en Brabantse Delta in de proceskosten.

3.5.

[appellante] heeft Tempo-Team Uitzenden niet in hoger beroep gedagvaard. Het hof kan het bestreden vonnis ten opzichte van deze partij dus niet vernietigen (of bekrachtigen).

3.6.

[appellante] heeft in hoger beroep verklaard dat zij afziet van de primaire grondslag van haar vorderingen (dat partijen overeenstemming hebben bereikt over verlenging van de detachering per 1 april 2014), zodat deze grondslag in hoger beroep geen bespreking behoeft.

3.7.

De grieven I en II zijn gericht tegen de afwijzing van de vorderingen op Tempo-Team. De grieven III en IV hebben betrekking op de vorderingen op Brabantse Delta.

3.8.

Het hof stelt voorop dat een kort geding zich niet leent voor een uitvoerig feitenonderzoek, zodat het hof zal beoordelen of het aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel komt dat de vorderingen van [appellante] toegewezen dienen te worden. Gelet op de aard van de vordering heeft [appellante] ook in hoger beroep een spoedeisend belang, hetgeen overigens door Tempo-Team en Brabantse Delta niet is bestreden.

De vorderingen op Tempo-Team

3.9.

De kantonrechter heeft in rov. 3.13 van het bestreden vonnis beoordeeld of Tempo-Team een aanbod tot verlenging van de uitzendovereenkomst heeft gedaan en is tot de (voorlopige) conclusie gekomen dat dit niet het geval is geweest. In rov. 3.14 en 3.15 van het bestreden vonnis heeft de kantonrechter, samengevat, overwogen dat zij voorshands van oordeel is dat geen sprake is geweest van een stilzwijgende voortzetting van de uitzendovereenkomst ex artikel 7:668 lid 1 BW.

3.10.

Grief I luidt als volgt: Ten onrechte overweegt de kantonrechter (overweging 3.13) dat ‘naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet is komen vast te staan dat door Tempo-Team aan [appellante] een aanbod is gedaan tot verlenging van de uitzendovereenkomst, ook niet via Brabantse Delta. Bij gebreke van een aanbod kan van aanvaarding geen sprake zijn, ook niet van stilzwijgende aanvaarding.’ In haar toelichting op deze grief betoogt [appellante] niet dat Tempo-Team een (uitdrukkelijk) aanbod heeft gedaan, maar dat de kantonrechter heeft miskend dat sprake is van een driehoeksrelatie en dat iedere handeling van de ene partij doorwerkt in de verhouding met de andere partij. Volgens [appellante] kan de uitlener (Tempo-Team) zich niet verschuilen achter de inlener (Brabantse Delta) en vice versa.

3.11.

Het hof verwerpt deze grief. Het hof stelt voorop dat alle grondslagen van de vorderingen van [appellante] op Tempo-Team zijn terug te voeren op stellingen die er kort gezegd op neerkomen dat mededelingen en uitlatingen van Brabantse Delta aan [appellante], moeten worden toegerekend aan Tempo-Team, of moeten worden beschouwd als uitlatingen die gedaan zijn (mede) namens Tempo-Team. Anders dan [appellante] meent, leidt de onderhavige rechtsverhouding van artikel 7:690 BW tussen [appellante], Tempo-Team en Brabantse Delta, niet zonder meer tot de slotsom dat mededelingen van de ene partij, kunnen worden toegerekend aan de andere partij of dat deze moeten worden geacht te zijn gedaan (mede) namens die andere partij. De verwijzing daartoe naar artikel 7:658 lid 4 BW, gaat niet op nu deze bepaling een uitzondering op een hoofdregel betreft.

3.12.

Het hof ziet in de stellingen van partijen en in de overgelegde stukken geen, althans onvoldoende aanknopingspunten, om ervan uit te gaan dat Tempo-Team ervan op de hoogte was, of redelijkerwijs op de hoogte had moeten of kunnen zijn, dat Brabantse Delta mededelingen deed aan [appellante] die door [appellante] opgevat konden worden als aanwijzingen dat de overeenkomst na 31 december 2013 zou worden voortgezet. Hetgeen [appellante] daartoe heeft aangevoerd faalt om de volgende redenen.

3.12.1.

[appellante] heeft verwezen naar een e-mail van Tempo-Team aan Brabantse Delta van 13 december 2013. De tekst van deze e-mail is hiervoor in rov. 3.1.3. weergegeven. Naar het voorlopig oordeel van het hof kan uit deze e-mail niet meer of anders worden afgeleid dan dat het op 13 december 2013 voor Tempo-Team nog niet duidelijk was of Brabantse Delta de overeenkomst met Tempo-Team om [appellante] in te lenen, wenste voort te zetten en dat, als Brabantse Delta dat wenste, dit dan betekende dat Tempo-Team daaraan de voorwaarde wilde verbinden dat dit tot en met 21 maart 2014 zou zijn. Anders gezegd, deze e-mail geeft weer dat Tempo-Team en Brabantse Delta de mogelijkheid nog openlieten dat zij de overeenkomst na 31 december 2013 zouden voortzetten, maar dat daarover (nog) geen wilsovereenstemming bestond.

3.12.2.

Voorts heeft [appellante] in haar toelichting op deze grief aangevoerd dat de kantonrechter er ten onrechte van uit is gegaan dat op 24 december 2013 tussen haar en Tempo-Team een exitgesprek heeft plaatsgevonden. In rov. 3.13 van het bestreden vonnis is overwogen dat [appellante] dat ter zitting heeft erkend. [appellante] betwist dat in hoger beroep en zij voegt daaraan toe dat zij vanaf aanvang helder is geweest in haar intenties, namelijk dat zij streefde naar een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Volgens [appellante] is tijdens de bespreking op 24 december 2013 geen afscheid van elkaar genomen. Het hof acht de stelling van [appellante] in hoger beroep dat dit geen exitgesprek was, onaannemelijk. [appellante] heeft immers niet toegelicht wat dan wel het onderwerp of de aanleiding was om een gesprek met [personeelslid 1 van Tempo-Team] te voeren en het rijmt niet met de e-mail van [personeelslid 1 van Tempo-Team] op 17 december 2013 aan [appellante] met de vraag: ‘Wat is jouw laatste werkdag bij het Waterschap? Werk jij komende dinsdag op 24/12? (…)’. Het hof is voorshands van oordeel dat, ook als tijdens het gesprek tussen [personeelslid 1 van Tempo-Team] en [appellante] op 24 december 2013, geen afscheid is genomen, dat niet tot een toewijzing van de vorderingen kan leiden. Immers, [appellante] heeft niet gesteld, en daar is ook geen enkele aanwijzing voor, dat tijdens dat gesprek mededelingen zijn gedaan waaruit zij heeft kunnen of mogen afleiden dat de overeenkomst ook na 31 december 2013 zou worden voortgezet.

3.12.3.

Voorts klaagt [appellante] in haar toelichting op de grief over de feitenvaststelling in het bestreden vonnis. Volgens [appellante] heeft de kantonrechter onder de feiten opgenomen dat Tempo-Team ‘daarop’ (terugslaande op 24 december 2013) een eindafrekening heeft opgemaakt. Volgens [appellante] is dat pas veel later gebeurd. Het hof heeft dat derhalve niet onder de feiten opgenomen. De kantonrechter heeft het tijdstip van het opmaken van de eindafrekening overigens niet in de beoordeling betrokken en ook naar het oordeel van het hof is dat niet van belang voor de beoordeling van het geschil.

3.12.4.

Volgens [appellante] is de kantonrechter er ten onrechte vanuit gegaan dat de uitzendovereenkomsten (op één na) steeds voor het einde van de voorgaande uitzendovereenkomsten zijn gesloten en dat Tempo-Team daartoe ook steeds tijdig het initiatief nam. Volgens [appellante] is dat niet relevant. Het hof deelt voorshands de mening van [appellante] dat dit niet relevant is, maar dat kan niet tot het door [appellante] gewenste rechtsgevolg leiden. Hooguit had het feit dat Tempo-Team (bijna) altijd vóór het einde van de voorgaande uitzendovereenkomst een nieuwe overeenkomst sloot, voor [appellante] aanleiding dienen te zijn om bij Tempo-Team te verifiëren of de overeenkomst ook na 31 december 2013 zou worden voortgezet. Dat heeft [appellante] niet gedaan.

3.12.5.

[appellante] heeft voorts gesteld dat het niet Tempo-Team maar altijd Brabantse Delta is geweest die een aanbod deed om te verlengen. [appellante] heeft dat afgeleid uit de e-mail van 13 december 2013 van Tempo-Team aan Brabantse Delta en uit een e-mail van 27 mei 2013 aan Brabantse Delta. Het hof verwerpt ook deze stelling van [appellante]. Immers, zoals hiervoor (3.12.1.) reeds is overwogen, was het niet zo dat Tempo-Team ieder willekeurig aanbod van Brabantse Delta wenste te aanvaarden. Tempo-Team heeft aangevoerd dat zij uitsluitend wilde verlengen tot en met 21 maart 2014 (in verband met fase C) hetgeen naar het voorlopig oordeel van het hof blijkt uit de e-mail van 13 december 2013.

3.12.6.

Tot slot heeft [appellante] verwezen naar een e-mail van [personeelslid 3 van Brabantse Delta] aan haar van 9 januari 2014. De inhoud van deze e-mail is in rov. 3.1.6 weergegeven. Volgens [appellante] heeft de kantonrechter deze e-mail zonder enige onderbouwing (bedoeld zal zijn motivering) terzijde geschoven. Het hof leidt uit het bestreden vonnis af dat de kantonrechter deze e-mail voor de beoordeling van de vorderingen op Tempo-Team niet relevant heeft geacht, welk oordeel het hof deelt. Immers, anders dan [appellante] meent, kan met de beste wil niet uit deze e-mail worden afgeleid dat tussen Tempo-Team en Brabantse Delta wilsovereenstemming is ontstaan over een verlenging van de overeenkomst na 31 december 2013 of zelfs maar dat Tempo-Team op de hoogte was van de uitlatingen van Brabantse Delta tegen [appellante] en/of van het feit dat [appellante] feitelijk werkzaamheden in januari 2014 is gaan verrichten bij Brabantse Delta. Of sprake is van een aanbod van Brabantse Delta aan [appellante] dat door [appellante] is aanvaard, zal in het hierna volgende aan de orde komen. Nergens uit blijkt dat Tempo-Team daarvan op de hoogte was, terwijl niet valt in te zien waarom de uitlatingen van Brabantse Delta Tempo-Team zouden kunnen binden. Naar het voorlopig oordeel van het hof kan in ieder geval nergens uit worden afgeleid dat Tempo-Team daartoe de schijn heeft gewekt of dat dit in dit geval voor risico komt van Tempo-Team.

3.13.

Volgens [appellante] is de uitzendovereenkomst voortgezet op grond van artikel 7:668 lid 1 BW. De kantonrechter heeft die stelling verworpen en daartoe overwogen dat Tempo-Team en [appellante] op 24 december 2013 uitdrukkelijk en uitsluitend hebben gesproken over het einde van de uitzendovereenkomst. [appellante] komt met grief II op tegen dat oordeel en zij betoogt in haar toelichting op deze grief dat de kantonrechter te veel verantwoordelijkheid legt bij [appellante] als werknemer, hetgeen in strijd is met de ratio van artikel 7:668 lid 1 BW. Daartoe verwijst [appellante] naar een arrest van de Hoge Raad van 19 oktober 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BA6755).

3.14.

Ook deze grief faalt. Immers, [appellante] heeft onvoldoende betwist dat op de uitzendovereenkomst van toepassing is de Personeelsgids voor gedetacheerden waarin een stilzwijgende verlenging uitdrukkelijk is uitgesloten (randnummer 13 pleitnota Tempo-Team). [appellante] heeft bij inleidende dagvaarding gesteld de personeelsgids niet te hebben ontvangen, maar het hof acht dat voorshands onaannemelijk gelet op de vele overeenkomsten met een incorporatiebeding. Echter, ook wanneer de Personeelsgids geen onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst, dan heeft te gelden dat het wettelijk uitgangspunt is voor een overeenkomst als de onderhavige, een einde van rechtswege wanneer de tijd is verstreken, zodat een voorafgaande opzegging (of kennisgeving) niet nodig is. Zoals hiervoor reeds is overwogen is het hof voorlopig van oordeel dat Tempo-Team niet op de hoogte is geweest van de mededelingen van Brabantse Delta aan [appellante]. Het hof heeft geen enkele aanwijzing om ervan uit te gaan dat Tempo-Team ervan op de hoogte is geweest dat [appellante] na 31 december 2013 werkzaamheden voor Brabantse Delta is blijven verrichten. Het hof is voorshands van oordeel dat er ook niet vanuit gegaan kan worden dat Tempo-Team daarvan redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn. Cruciaal is dat het gaat om uitzendwerkzaamheden, hetgeen een onderscheidend verschil is ten opzichte van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad. De werkzaamheden worden bij Brabantse Delta verricht en Tempo-Team is bijgevolg niet, althans niet direct, op de hoogte van hetgeen daar gebeurt. Ook de stelling dat het voor risico komt van Tempo-Team dat Brabantse Delta niet aan Tempo-Team heeft laten weten dat [appellante] de werkzaamheden voortzette, wordt verworpen. De periode waarin [appellante] de werkzaamheden heeft voortgezet (3 - 10 januari 2014), betreft immers een gebruikelijke vakantieperiode. Onbetwist is gebleven dat Tempo-Team pas op 10 januari 2014 ervan op de hoogte raakte dat [appellante] haar werkzaamheden had voortgezet.

Niet valt in te zien waarom Tempo-Team uitdrukkelijk bij Brabantse Delta diende te informeren naar de verlengingsmogelijkheden, zoals [appellante] kennelijk meent. Het enkele feit dat [appellante] reeds lange tijd werkzaamheden had verricht voor Tempo-Team ten behoeve van Brabantse Delta, leidt niet tot die verplichting. Tempo-Team heeft geen enkele onduidelijkheid in het leven geroepen. De onduidelijkheid die Brabantse Delta heeft doen ontstaan, had voor [appellante] aanleiding kunnen zijn om bij Tempo-Team te informeren, hetgeen zij heeft nagelaten. De a contrario redenering van [appellante] dat dit leidt tot een vordering op Tempo-Team kan het hof voorshands niet volgen.

3.15.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd voor zover gewezen tussen [appellante] en Tempo-Team.

De vorderingen op Brabantse Delta

3.16.

Grief III is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat niet is komen vast te staan dat tussen Brabantse Delta en [appellante] een arbeidsovereenkomst is ontstaan. De kantonrechter heeft daartoe onder meer overwogen dat uit vaste jurisprudentie volgt dat van een geruisloze overgang van de volledige werkgeversverantwoordelijkheid van de uitlener naar de inlener geen sprake kan zijn en dat voor een overgang van werkgeverschap sprake moet zijn van een of meer handelingen door de beweerdelijk nieuwe werkgever, zoals het betalen van loon. Het hof begrijpt de toelichting van [appellante] op deze grief aldus, dat zij meent dat dit oordeel van de kantonrechter berust op een verkeerde lezing van het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD8186). Wat daar ook van zij, het hof is voorshands met de kantonrechter van oordeel dat de door [appellante] genoemde omstandigheden (waarvoor [appellante] heeft verwezen naar de inleidende dagvaarding) niet leiden tot het oordeel dat tussen haar en Brabantse Delta een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen of dat sprake is van een ambtelijke aanstelling. Daartoe dient het volgende.

3.17.

Bij de beantwoording van de vraag of de rechtsverhouding tussen partijen als een arbeidsovereenkomst dient te worden aangemerkt, moet worden getoetst of de inhoud van die rechtsverhouding voldoet aan de criteria die gelden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst als vervat in art. 7:610, eerste lid, BW: er moet sprake zijn van arbeid, tegen loon, gedurende zekere tijd, op basis van een gezagsverhouding. Tevens moet daarbij acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. In dit geval blijkt nergens uit dat de wil van Brabantse Delta erop was gericht om zelf, dus zonder de inleenovereenkomst met Tempo-Team, [appellante] op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst te nemen. Uit alle onder 3.1 genoemde e-mails van Brabantse Delta blijkt dat de voortzetting van de werkzaamheden zou kunnen plaatsvinden op basis van detachering. Voorts is van belang dat [appellante] zelf haar werkzaamheden is gaan verrichten op 3 januari 2014, zonder dat zij daartoe opdracht of een verzoek van Brabantse Delta had gekregen. Toen Brabantse Delta daarvan op de hoogte kwam op 7 januari 2014 heeft zij, kennelijk in de veronderstelling dat zij met Tempo-Team tot overeenstemming kon komen over een detachering tot 21 maart 2014, [appellante] de werkzaamheden laten voortzetten en daaraan enkele dagen later, op 10 januari 2014 een einde gemaakt. De stelling van [appellante] dat loon is betaald door Brabantse Delta, heeft in dit verband geen betekenis, omdat daartoe is overgegaan ter uitvoering van het bestreden vonnis, zoals [appellante] zelf heeft gesteld. Evenmin is van betekenis dat Brabantse Delta gezag heeft uitgeoefend, bijvoorbeeld door het beoordelen van het functioneren van [appellante], omdat dit gezag is uitgeoefend vóór 31 december 2013, terwijl de beoordeling hier ziet op de periode 3 tot 10 januari 2014. Naar het voorlopig oordeel van het hof valt uit de stellingen van [appellante] niet af te leiden dat Brabantse Delta in die periode op dusdanige wijze gezag heeft uitgeoefend, dat daaruit moet worden afgeleid dat tussen hen een arbeidsovereenkomst is ontstaan. Tot slot overweegt het hof dat uit het enkele feit dat Brabantse Delta de mogelijkheid heeft om een arbeidsovereenkomst te sluiten volgens de Sectorale Arbeidsvoorwaardenregeling Waterschapspersoneel, niet betekent dat zij dit ook feitelijk heeft gedaan.

3.18.

Met grief IV klaagt [appellante] dat de kantonrechter niet is ingegaan op haar stelling dat er, minst genomen, een arbeidsrelatie is ontstaan tussen haar en Brabantse Delta. Zij verwijst daarvoor naar aantekening 6 in ‘Tekst & Commentaar Arbeidsrecht’ op artikel 7:690 BW. Ondanks haar verwijzing naar randnummer 20 van de inleidende dagvaarding, is het het hof volstrekt onduidelijk wat [appellante] met deze stelling bedoelt. De grief faalt mitsdien.

3.19.

Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen op Brabantse Delta evenmin voor toewijzing in aanmerking komen. De kantonrechter heeft een (klein) deel van de vorderingen op Brabantse Delta toegewezen. Brabantse Delta heeft geen incidenteel appel ingesteld van het bestreden vonnis, zodat dit deel van het vonnis niet aan het oordeel van het hof is onderworpen.

3.20.

Reeds nu het beperkte kortgeding-kader zich niet voor bewijslevering leent, wordt het door [appellante] gedane bewijsaanbod gepasseerd.

3.21.

[appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het hof acht de termijn waarop de wettelijke rente over de proceskosten zijn gevorderd te kort en zal deze op veertien dagen stellen.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Tempo-Team tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 704,- aan verschotten en op € 894,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening,

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Brabantse Delta worden begroot op € 704,- aan verschotten en op € 894,- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening,

verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, M.J.H.A. Venner-Lijten en M. van Ham en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 juli 2014.