Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2003

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
03-07-2014
Zaaknummer
HD200.144.829_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Beroep op rechtsverwerking en art. 3:55 BW bij misbruik van omstandigheden, kort geding, voorlopig oordeel

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 55, geldigheid: 2014-07-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.144.829/01

arrest van 1 juli 2014

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. B.J. van de Wijnckel te Terneuzen,

tegen

1 Redwood Holdings N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. Brugse Vaart Holding N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerden,

niet verschenen in hoger beroep,

op het bij exploot van dagvaarding van 13 maart 2014 ingeleide hoger beroep van het in kort geding gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 februari 2014, gewezen tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerden - Redwood en Brugse Vaart - als gedaagde respectievelijk gevoegde partij aan de zijde van Redwood.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnr. C 02/275642/KG ZA 14-22)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de verstekverlening van Redwood en Brugse Vaart op 8 april 2014;

- de memorie van grieven.

Geïntimeerden zijn niet verschenen. [appellant] heeft arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende door de kantonrechter vastgestelde feiten, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen:

  1. Redwood (destijds genaamd Golf & Landscape Development N.V.) is op 26 januari 2005 opgericht door de heer [broer] (hierna: [broer]) en mevrouw [zus] (hierna [zus]), broer en zus. Zij hielden tot 19 december 2013 ieder 50% van de aandelen in Redwood. [broer] was tot 19 december 2013 statutair directeur van Redwood;

  2. Brugse Vaart is het familiebedrijf van de familie [familie]. Zij exploiteert een golfclub met bijbehorend clubhuis. Tot 10 februari 2012, de datum waarop [broer] als bestuurder van Brugse Vaart is ontslagen, waren [broer] en [zus] tezamen bestuurders van Brugse Vaart;

  3. Redwood, destijds rechtsgeldig vertegenwoordigd door [broer], heeft bij koopovereenkomst van 2 oktober 2013 de aan haar in eigendom toebehorende percelen bouwland, plaatselijk bekend [straat] Oostburg, kadastraal bekend Oostburg, sectie [sectieletter], nummer [sectienummer 1] groot: 5 ha 35 a 30ca, en Oostburg, sectie [sectieletter], nummer [sectienummer 2] gedeeltelijk groot circa 6 ha 64 a 70 ca (hierna: de percelen) verkocht aan [appellant] tegen een koopsom van € 59.000,-- per hectare. De notariële levering van de percelen, welke ingevolge artikel 3 van de koopovereenkomst op 1 november 2013 zou moeten plaatsvinden, heeft nog niet plaatsgevonden;

  4. artikel 18 van de koopovereenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:

    “Voorkeursrecht en terugkooprecht
    De heer [broer], of diens rechtsopvolger, heeft ten allen tijde het voorkeursrecht en het terugkooprecht van koop op het verkochte of een gedeelte van het verkochte. De terugkoopprijs is 1,6 x de agrarische waarde ten tijde van de terugkoop. (…)
    Het voorkeursrecht is niet van toepassing indien koper verkoopt aan zijn zoon de heer [appellant] geboren 26-11-1984 (…)”;

  5. de percelen zijn gelegen aan de [straat] te [plaats], recht tegenover de locatie waar de golfclub en het clubhuis van Brugse Vaart zijn gelegen;

  6. het perceel kadastraal bekend Oostburg, sectie [sectieletter], nummer [sectienummer 2] is op 31 oktober 2013 op verzoek van Redwood kadastraal gesplitst, waaruit de nieuwe percelen [sectienummer 3], [sectienummer 4] en [sectienummer 5] zijn ontstaan;

  7. Bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 december 2013 heeft de voorzieningenrechter de vordering van [zus] om [broer] op straffe van een dwangsom te verbieden om voorafgaand en lopende de door haar aanhangig gemaakte (spoed)procedure bij de Ondernemingskamer mee te werken aan notariële levering van de percelen door Redwood aan [appellant], afgewezen;

  8. Op 19 december 2013 heeft [broer] zijn aandelen in Redwood overgedragen aan [zus] en is hij afgetreden als bestuurder van Redwood. Sedertdien is mevrouw [moeder van broer en zus], de moeder van [broer] en [zus], directeur van Redwood;

  9. Op 29 januari 2014 hebben Brugse Vaart en Redwood een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant; In hoger beroep merkt [appellant] op dat, voor zover hem bekend, dit verzoekschrift is ingetrokken of de behandeling daarvan is aangehouden;

  10. Op 3 februari 2014 heeft Redwood een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging of ontbinding van de koopovereenkomst aan [appellant] uitgebracht (deze verklaring bevindt zich niet bij de stukken).

3.2.1.

In de onderhavige procedure in eerste aanleg vordert [appellant], na eiswijziging, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. Redwood te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis de twee percelen bouwland te Oostburg aan de [straat], kadastraal bekend Oostburg, sectie [sectieletter], nummers [sectienummer 1] en [sectienummer 6], te leveren aan [appellant];

2. te bepalen dat Redwood een aan [appellant] te betalen dwangsom verbeurt van

€ 25.000,-- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Redwood in gebreke blijft met de nakoming van het onder 1. gevorderde, met een maximum van € 250.000,--;

3. te bepalen dat het in deze zaak te wijzen vonnis, wanneer € 250.000,-- aan dwangsommen is verbeurd en Redwood in gebreke blijft met de voldoening aan het onder 1. gevorderde in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring en handtekening van Redwood, benodigd voor het opstellen en verlijden van de tot levering van de onder 1. genoemde percelen bestemde akte, met machtiging op [appellant] om namens Redwood de akte van levering te doen opmaken en al datgene te verrichten dat voor de levering noodzakelijk is, met het recht van substitutie, althans zodanige voorzieningen te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, met veroordeling van Redwood in de kosten van dit geding, met bepaling dat Redwood vanaf veertien dagen na de dag waarop het vonnis is uitgesproken de wettelijke rente over de proceskosten is verschuldigd.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellant], kort samengevat, ten grondslag gelegd dat zij nakoming wenst van de verplichtingen uit hoofde van de met Redwood gesloten koopovereenkomst.

3.2.3.

Redwood heeft, daarin gesteund door Brugse Vaart, gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.1.

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen, met veroordeling van Redwood en Brugse Vaart in de kosten van beide instanties, met wettelijke rente.

3.5.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft. [appellant] voert aan dat de termijn voor de levering reeds is verstreken en dat hij als eigenaar investeringen wenst te doen ten behoeve van de exploitatie van de percelen.

3.6.

De grieven 1 en 2 lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.6.1.

Grief 1 luidt:

Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter in het vonnis d.d. 14 februari 2014 geen beslissing genomen op het beroep van [appellant] op rechtsverwerking door Redwood.

Blijkens de toelichting voert [appellant] aan dat Redwood zich in het hiervoor onder 3.1.g genoemde geding uitdrukkelijk heeft beroepen op het feit dat een rechtsgeldige koopovereenkomst tussen [appellant] en Redwood was gesloten en dat Redwood de verkochte percelen aan [appellant] diende te leveren. Aldus heeft Redwood bij [appellant] als mede-gedaagde in die zaak het gerechtvaardigde vertrouwen opgewekt dat zij zich niet meer zou beroepen op de vernietigbaarheid van de koopovereenkomst.

3.6.2.

Grief 2 luidt:

Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter in het vonnis d.d. 14 februari 2014 geen beslissing genomen op het beroep van [appellant] op art. 3:55 Burgerlijk Wetboek.

[appellant] licht die grief als volgt toe:

[appellant] heeft in eerste aanleg bij de mondelinge behandeling het standpunt ingenomen dat Redwood niet meer bevoegd is om zich te beroepen op enige vernietigingsgrond, want Redwood heeft in het kort geding dat heeft geleid tot het vonnis van 12 december 2013 (hiervoor onder 3.1.g kort weergegeven) de tussen [appellant] en Redwood gesloten overeenkomst bevestigd. Redwood heeft immers in dat kort geding bij conclusie van antwoord het standpunt ingenomen dat sprake was van een rechtsgeldige overeenkomst tussen Redwood en [appellant], welke koopovereenkomst door Redwood nagekomen dient te worden door levering. Nu Redwood daarmee de koopovereenkomst heeft bevestigd, is Redwood op grond van art. 3:55 BW niet meer bevoegd om zich te beroepen op een vernietigingsgrond.

3.6.3

Het hof overweegt het volgende:

3.6.3.1. De voorzieningenrechter heeft ten aanzien van het beroep op misbruik van omstandigheden het volgende overwogen:

6.4

De thans te beantwoorden vraag is of voorshands voldoende aannemelijk is dat [appellant] door het met Redwood sluiten van een dergelijke niet gebruikelijke koopovereenkomst misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden. Die stelling vindt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter steun in de navolgende feiten en omstandigheden.

Blijkens de inhoud van de dagvaarding en hetgeen ter zitting is verklaard was [appellant] er van op de hoogte dat Redwood op het moment van het sluiten van de koopovereenkomst in financiële nood verkeerde en een executoriale verkoop dreigde. Op zich behoefde deze wetenschap [appellant] er niet van te weerhouden de koopovereenkomst te sluiten. Dit is echter anders nu, zoals hierboven onder rechtsoverweging 6.2 reeds overwogen, [appellant] ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst wist dat de desbetreffende percelen bestemd waren voor de uitbreiding van het golfdomein van Brugse Vaart, dat door de verkoop van de percelen die uitbreiding niet meer mogelijk zou zijn en het gevolg daarvan zou zijn dat Redwood schadeplichtig zou zijn jegens Brugse Vaart. Voorts is voldoende aannemelijk dat [appellant] er op het moment van het sluiten van de overeenkomst van op de hoogte was dat [broer] in onmin leefde met de rest van zijn familie en dat de oorzaak daarvan (mede) gelegen was in diens alcohol- en drugsmisbruik. De regio West-Zeeuws-Vlaanderen betreft een relatief klein gebied waarbinnen de familie [familie] naamsbekendheid heeft. Het personeel van Brugse Vaart werd regelmatig met voormeld misbruik van [broer] geconfronteerd, er werd over gepraat en uit één van de overgelegde perspublicaties blijkt dat in de plaatselijke krant aandacht werd besteed aan de vete binnen de familie [familie]. [appellant] had er dan ook rekening mee behoren te houden dat [broer] bij het sluiten van de voor hem kenbaar voor Redwood nadelige overeenkomst gedreven werd door de slechte verstandhouding die hij met de overige leden van de familie heeft. Gelet op het voorgaande kan vooralsnog niet worden gezegd dat het beroep op misbruik van omstandigheden in een bodemprocedure kansloos is.

3.6.3.2. Het hof stelt vast dat tijdens de kortgedingprocedure die leidde tot het vonnis van 12 december 2013 [broer] nog directeur was van Redwood en dat de thans gestelde omstandigheden die zich volgens Redwoods huidige opvatting kwalificeren als misbruik van omstandigheden, toen nog volop aanwezig waren. Voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking of op art. 3:55 lid 1 BW als door [appellant] voorgestaan is, naar het oordeel van het hof, vereist dat de invloed van de omstandigheden waardoor Redwood werd bewogen de litigieuze koopovereenkomst aan te gaan was opgehouden te werken op het moment dat Redwood de gedragingen verrichtte die [appellant] ten grondslag legt aan haar beroep op rechtsverweking of art. 3:55 BW. Daarvan is dus geen sprake.

Daarbij komt dat dit kort geding - [zus] was eiseres; Redwood en [appellant] waren (mede)gedaagden - ertoe strekte het notariële transport ter effectuering van de koopovereenkomst nu juist te verhinderen. Uit de door Redwood in die procedure jegens [zus] ingenomen standpunten kan [appellant] dan niet afleiden dat Redwood (met een andere bestuurder) jegens [appellant] een bevestigingsverklaring aflegde, noch kan daaruit worden afgeleid dat Redwood jegens haar mede-gedaagde rechten verwerkte. Inzet van het geding was immers niet om de rechtsverhouding tussen Redwood en [appellant] vast te stellen.

Beide grieven falen derhalve.

Daarbij kan in het midden blijven of het door Redwood in de procedure met [zus] ingenomen standpunt is te beschouwen als een bevestigingsverklaring als bedoeld in 3:55 lid 1 BW aan [appellant].

3.7.

Grief 3 luidt:

Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter in het vonnis d.d. 14 februari 2014 onder overweging 6.4 als volgt overwogen:

“Gelet op het voorgaande kan vooralsnog niet worden gezegd dat het beroep op misbruik van omstandigheden in een bodemprocedure kansloos is”.

Deze grief richt zich blijkens de toelichting allereerst tegen de door de voorzieningenrechter gehanteerde maatstaf. De voorzieningenrechter had, aldus [appellant] niet kunnen volstaan met de constatering dat het beroep op misbruik van omstandigheden in een eventuele bodemprocedure niet kansloos is, maar had, zo begrijpt het hof de stelling van [appellant], moeten nagaan of de kans op honorering van dat verweer groter is dan de kans op verwerping daarvan.

3.7.1.

Het hof overweegt het volgende:

De grief faalt reeds omdat het hof voorshands van oordeel is dat de kans op honorering van het verweer groter is dan de kans op verwerping daarvan.

Het hof deelt de opvatting van [appellant], inhoudend dat geenszins te verwachten is dat de koopovereenkomst in een bodemprocedure vernietigd wordt, op de door de voorzieningenrechter genoemde gronden niet. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat artikel 3:44 lid 4 BW genoemde omstandigheden, die in abstracto niet al te zwaarwegend zijn, door Redwood zijn aangevoerd en het hof voorshands aannemelijk en toereikend voorkomen. De door [appellant] aangevoerde betwistingen van (wetenschap van) die omstandigheden acht het hof voorshands ontoereikend onderbouwd en ongeloofwaardig.

3.8.

Grief 4 luidt als volgt:

Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter in het vonnis d.d. 14 februari 2014 onder overweging 6.5. als volgt overwogen:

“Ook een belangenafweging staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de weg aan toewijzing van de vorderingen van [appellant]”.

[appellant] voert ter toelichting aan dat hij belang heeft bij levering van de percelen. Het is voor hem onzeker hoe lang hij nog “voorlopig” gebruik mag maken van de betreffende percelen. Hij heeft aanzienlijke investeringen gepleegd in de percelen en er moeten nog meer investeringen gepleegd worden om een economisch verantwoorde of rendabele exploitatie mogelijk te maken. Redwood hoeft, gelet op haar voorkeurs- en terugkooprecht niet te vrezen dat zij de percelen niet terug geleverd zal krijgen, aldus [appellant].

3.8.1.

Het hof overweegt dat de gevolgen voor [appellant] bij het uitblijven van de voorziening, gelet op het door hem gestelde belang, aanzienlijk geringer zijn dan de gevolgen voor Redwood bij het verlenen van de voorziening. Vaststaat dat [appellant] de gronden reeds bewerkt als landbouwgrond en dat hij na levering deze exploitatie voortzet. Dat [appellant] eventueel schade leidt als gevolg van het niet verrichten van investeringen is niet of nauwelijks onderbouwd; zo valt zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, niet goed in te zien waarom hij thans die gronden wel exploiteert terwijl een dergelijke exploitatie niet economisch verantwoord zou zijn.

3.9.

Op grond van het hiervoor overwogene, komt het hof tot de slotsom dat de grieven falen en dat het vonnis van de voorzieningenrechter, waarbij de voorzieningen zijn afgewezen, dient te worden bekrachtigd.

3.10.

[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van Redwood in hoger beroep, tot op heden vastgesteld op nihil.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van Redwood en Brugse Vaart gevallen, tot op heden vastgesteld op nihil.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 juli 2014.