Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:200

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
04-02-2014
Zaaknummer
20-004412-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2010:BN2525, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Na terugverwijzing door: ECLI:NL:HR:2012:BY5355
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Twee verkrachtingen, vier pogingen tot verkrachting, diefstal met bedreiging met geweld en afpersing.

Uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting kan het bestaan van een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens ten tijde van de bewezen verklaarde feiten bij verdachte niet worden vastgesteld. Het hof kan daarom niet de maatregel van TBS opleggen.

Volgt oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer : 20-004412-12

Uitspraak : 4 februari 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen, na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 27 juli 2010, parketnummer 02-812580-09 in de strafzaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

thans verblijvende in PI Rijnmond - Gev. De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis van de rechtbank Breda:

  • -

    is de verdachte veroordeeld ter zake van twee maal ‘verkrachting’ (feiten 4.A en 6.), vijf maal ‘poging tot verkrachting’ (feiten 1. primair, 3. primair, 5. primair, 7. primair en 8.), ‘diefstal voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld’ (feit 2.B) en ‘afpersing’ (feit 4.B) tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar, met aftrek van voorarrest;

  • -

    is aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd;

  • -

    zijn de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4] en [benadeelde 5] (gedeeltelijk) toegewezen;

  • -

    zijn aan verdachte vijf schadevergoedingsmaatregelen ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd;

  • -

    is een gedeelte van de op de beslaglijst genoemde in beslaggenomen voorwerpen onttrokken aan het verkeer;

  • -

    zijn de overige in beslaggenomen voorwerpen teruggegeven aan verdachte.

De verdachte heeft op 9 augustus 2010 tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van dit hof van 11 oktober 2011, parketnummer 20-003035-10, is voormeld vonnis vernietigd en is, opnieuw rechtdoende:

  • -

    de verdachte van de onder 3. primair en subsidiair, alsmede van de onder 5. primair en subsidiair ten laste gelegde feiten vrijgesproken;

  • -

    de verdachte terzake van :

1.

primair: poging tot verkrachting;

2.A: poging tot verkrachting;

2.B: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen

personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te

maken;

4A: verkrachting;

4B: afpersing;

6.: verkrachting;

7.: poging tot verkrachting;

8.: poging tot verkrachting,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest.

Voorts heeft het hof bij laatstgenoemd arrest een beslissing genomen over een vijftal vorderingen van benadeelde partijen en zijn aan verdachte een viertal schadevergoedingsmaatregelen ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd. Tevens is een beslissing genomen terzake van een aantal in beslag genomen, niet terug gegeven, voorwerpen.

Omvang van het hoger beroep

Bij arrest van 18 december 2012, nummer S 11/04687, heeft de Hoge Raad het arrest van dit hof van 11 oktober 2011, parketnummer 20-003035-10, vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging. De Hoge Raad heeft de zaak teruggewezen naar dit hof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op het gedeelte van het beroepen vonnis van de rechtbank Breda, d.d. 27 juli 2010, parketnummer 02-812580-09, dat na terugwijzing door de Hoge Raad aan het oordeel van het hof is onderworpen, te weten: de strafoplegging.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  • -

    de verdachte ter zake van de onder 1. primair, 2.A, 2.B, 4.A, 4.B, 6., 7. primair en 8. primair bewezen verklaarde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    aan de verdachte zal opleggen de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Subsidiair -voor het geval het hof niet zal overgaan tot oplegging van genoemde maatregel- heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren zal worden opgelegd.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat, overeenkomstig voormelde beslissing van het hof van 11 oktober 2011:

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 996,00, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] geheel zal worden toegewezen tot een bedrag van € 5.277,25, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    de benadeelde partij [benadeelde 5] in haar vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] geheel zal worden toegewezen tot een bedrag van € 2.599,15, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 750,00, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Namens verdachte is bepleit dat aan de verdachte niet de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal worden opgelegd en dat zal worden volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van niet meer dan 9 jaren.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Op te leggen straf

Het hof ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of in de onderhavige zaak de maatregel van terbeschikkingstelling moet worden opgelegd, eventueel in combinatie met een straf.

Voor de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, is vereist dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens ten tijde van de gepleegde feiten.

Daarbij is het aan de rechter die over de feiten oordeelt om vast te stellen of bij de verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. De rechter heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid en is niet gebonden aan de door deskundigen uitgebrachte adviezen.

Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan gedragskundig onderzoek. Een dergelijke weigering staat niet zonder meer in de weg aan de constatering dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens.

Bij de beantwoording van deze vraag heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen de inhoud van:

- het de verdachte betreffend rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, d.d. 1 juli 2009, opgemaakt door N.A. Marcos-Kingsale, justitieel forensisch psychiater, inhoudende onder meer als conclusie dat bij de verdachte niet direct aanwijzingen gevonden worden voor een psychiatrische stoornis;

- het de verdachte betreffend adviesrapport van Reclassering Nederland, d.d. 22 juni 2009, opgemaakt door E.A. Smits, reclasseringswerker, inhoudende onder meer als conclusie dat geen nader onderzoek ten aanzien van de psychische gesteldheid van de verdachte lijkt geïndiceerd;

- het de verdachte betreffend rapport pro justitia van het Pieter Baan Centrum d.d. 21 januari 2010, opgemaakt door A.E. Grochowska, psychiater, en J.B. Seinen, psycholoog, inhoudende onder meer:

als conclusies van laatstgenoemde psycholoog:

  • -

    “Er zijn op basis van de observaties geen aanwijzingen voor een stoornis in de impulscontrole in het algemeen of een gestoorde agressieregulatie in het bijzonder.” (p. 28)

  • -

    “Er zijn geen aanwijzingen voor een problematische, laat staan gestoorde, impulsbeheersing of agressieregulatie.” (p. 31)

  • -

    “Noch op grond van de eigen observaties, noch op die van de groepsleiding zijn er aanwijzingen voor een ernstige psychiatrische pathologie zoals een psychotische stoornis, een stemmingsstoornis of een stoornis uit het autismespectrum. Evenmin zijn er aanwijzingen voor een gebrekkige intelligentie zoals zwakbegaafdheid of zwakzinnigheid.” (p. 32)

als conclusies van laatstgenoemde psychiater:

  • -

    “Er zijn geen aanwijzingen voor manifeste psychiatrische verschijnselen zoals cognitieve functieproblemen, wanen en hallucinaties, angst- en depressiekenmerken. De impulscontrole lijkt voldoende.” (p. 35)

  • -

    “Er zijn gedurende de observatieperiode geen aanwijzingen voor een psychiatrisch toestandsbeeld”. (p. 38)

als conclusies van beide laatstgenoemde gedragsdeskundigen:

  • -

    “Hoewel door de weigering van betrokkene zijn intelligentieniveau niet kon worden bepaald met behulp van een intelligentieonderzoek, zijn er op basis van de observaties en korte contacten geen aanwijzingen gevonden voor een gebrekkige intelligentie zoals zwakbegaafdheid of zwakzinnigheid (…) Er zijn bij betrokkene geen aanwijzingen gevonden voor een weigering wegens pathologische motieven als gevolg van psychotische of andere psychiatrische problemen”.

  • -

    “Op basis van de beschikbare informatie hebben wij geen beeld gekregen van mogelijke (periodes van) psychische problemen gedurende het leven van betrokkene.”

  • -

    “Het is niet mogelijk de vraag te beantwoorden of er bij betrokkene, in het bijzonder ten tijde van het ten laste gelegde, sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens”.

  • -

    het forensisch psychologisch dossieronderzoek d.d. 19 april 2010, opgemaakt door D.J. van Beek, klinisch psycholoog, inhoudende onder meer:

  • -

    “Bij betrokkene is primair sprake van psychoseksuele problematiek die gerelateerd is aan hyperseksualiteit, hechtings- en relatieproblematiek en verslavingsproblematiek bij een enigszins antisociale/psychopathische man, die tegen een verstandelijk beperkt niveau aan lijkt te functioneren. Naar de mening van onderzoeker zijn er voldoende gronden om aan te nemen dat sprake is van een gestoorde hechting. (…) Vanwege de houding van betrokkene ten opzichte van de behandeling en de ernst van de problematiek, is een terbeschikkingstelling geïndiceerd”.

”Van hyperseksualiteit lijkt wel degelijk sprake te zijn. Deze stoornis zou gerangschikt kunnen worden onder impulscontrolestoornis”;

- de brief van E.M.M. Mol, psychiater, d.d. 14 maart 2011 aan de raadsheer-commissaris met betrekking tot de opdracht tot rapportage inzake verdachte;

- het rapport pro justitia (dossieronderzoek) d.d. 18 mei 2011, opgemaakt door drs. A.F.J.M. Zwegers, psycholoog;

- de reactie op het dossieronderzoek van drs. Zwegers d.d. 1 augustus 2011, opgemaakt door Van Beek voornoemd;

- de door A.E. Grochowska, psychiater en J.B. Seinen, psycholoog, ter terechtzitting van het hof van 21 januari 2014 als getuige-deskundigen afgelegde verklaringen, inhoudende -kort en zakelijk weergegeven- dat een nader gedragsdeskundig onderzoek weliswaar in de rede zou liggen, gelet op de omstandigheid dat de deskundigen destijds bij hun onderzoek zijn uitgegaan van de verdenking dat verdachte zich had schuldig gemaakt aan twee voltooide verkrachtingen en twee pogingen daartoe, terwijl thans, op grond van voormeld arrest van de Hoge Raad, de bewezenverklaring van twee voltooide verkrachtingen en vier pogingen daartoe vaststaat, maar dat vanwege de weigerachtigheid van verdachte om daaraan mee te werken, niet te verwachten is dat daaruit andere conclusies naar voren zouden kunnen komen dan uit het eerdere onderzoek.

Uit het vorenstaande blijkt dat de enige deskundige die in zijn rapport heeft geconcludeerd dat bij de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten sprake is van een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, D.J. van Beek, klinisch psycholoog, is. Laatstgenoemde heeft - anders dan gebruikelijk - zijn deskundigenonderzoek verricht aan de hand van het beschikbare dossier van verdachte en, zonder dat hij persoonlijk contact met hem heeft gehad, geconcludeerd dat bij verdachte sprake lijkt te zijn van hyperseksualiteit, welke stoornis volgens dr. Van Beek gerangschikt zou kunnen worden onder een impulscontrolestoornis.

Met drs. A.F.J.M. Zwegers en de deskundigen A.E. Grochowska en J.B. Seinen, is het hof van oordeel dat in het rapport van Van Beek veronderstellingen naar voren komen die onvoldoende worden getoetst en onderbouwd. Ten aanzien van diverse standpunten, zoals vermeld in dat rapport, wordt door Van Beek niet onderbouwd waarop die gebaseerd zijn. Het hof zal daarom Van Beek niet volgen in zijn conclusies en het rapport derhalve niet ten grondslag leggen aan zijn beslissing.

De inhoud van de overige (gedragskundige) rapporten bieden in onderlinge samenhang bezien onvoldoende zwaarwegende argumenten om de conclusie te wettigen dat bij verdachte tijdens het plegen van de bewezen verklaarde feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

Een dergelijke conclusie kan evenmin worden getrokken uit de overige feiten en omstandigheden die omtrent de persoon van de verdachte uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren zijn gekomen, waaronder met name: de zogenoemde collaterale informatie, het zeer beperkte strafblad van verdachte (slechts een keer in verband met overtreding van artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht) en de nauwelijks beschikbare informatie omtrent de medische voorgeschiedenis van verdachte.

Alles overziende komt het hof tot het oordeel dat uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting het bestaan van een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens ten tijde van de bewezen verklaarde feiten bij verdachte niet kan worden vastgesteld. Gelet hierop is niet voldaan aan het in artikel 37a Wetboek van Strafrecht gestelde vereiste. Het kan daarom niet de door de advocaat-generaal gevorderde maatregel van terbeschikkingstelling opleggen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan twee verkrachtingen die de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers op zeer ernstige wijze hebben geschonden;

  • -

    de omstandigheid dat verdachte zich voorts schuldig heeft gemaakt aan vier pogingen tot verkrachting, diefstal voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld en afpersing, waarbij volstrekt onbekenden door hem onverhoeds werden overvallen;

  • -

    de omstandigheid dat slachtoffers als gevolg van feiten als de onderhavige nog langdurig last (kunnen) hebben van nadelige psychische gevolgen, zoals gevoelens van angst en onveiligheid;

  • -

    de omstandigheid dat verdachte zich kennelijk geen enkele rekenschap heeft gegeven van de belangen van de slachtoffers en zich slechts heeft bekommerd om de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens;

  • -

    de omstandigheid dat door dergelijke feiten de rechtsorde ernstig is geschokt en dat dergelijke feiten in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg brengen.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 juli 2013, waaruit blijkt dat hij eenmaal eerder door de strafrechter is veroordeeld, doch niet terzake van een soortgelijk feit als de thans bewezen verklaarde;

  • -

    de inhoud van het adviesrapport van de Reclassering Nederland, opgemaakt door C. Warnar en E.A. Smits d.d. 22 juni 2009;

  • -

    de inhoud van de hiervoor genoemde deskundigenrapporten;

  • -

    de inhoud van de door A.E. Grochowska, psychiater en J.B. Seinen, psycholoog, ter terechtzitting van het hof van 21 januari 2014 als getuige-deskundigen afgelegde verklaringen;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf op de eerste plaats aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als richtlijn voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid terzake van verkrachting.

Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf (in het geval van één verkrachting) een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Het hof ziet echter aanleiding om ten aanzien van de onder 4.A en 6. bewezen verklaarde feiten genoemd uitgangspunt van 24 maanden gevangenisstraf te verhogen naar 30 maanden gevangenisstraf, aangezien:

  • -

    in het onder 4.A bewezen verklaarde geval, te weten: de verkrachting van [benadeelde 1], sprake is van een bijzonder gewelddadig feit, waarbij het slachtoffer onder bedreiging van een mes zeer verregaande seksuele handelingen moest ondergaan, alsmede van bijzonder schadelijke gevolgen voor het slachtoffer, namelijk aanzienlijk geestelijk letsel, hetgeen in het bijzonder naar voren is gekomen in de door haar ingediende slachtofferverklaringen en de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring;

  • -

    het in het onder 6. bewezen verklaarde geval, te weten: de verkrachting van [benadeelde 2], gaat om een verkrachting in een bijzonder vernederende setting, aangezien sprake is van anale penetratie van het slachtoffer.

Met betrekking tot de bewezen verklaarde pogingen tot verkrachting zal het hof, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 45, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, (telkens) eerdergenoemd uitgangspunt met een derde verlagen tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.

Bij het bepalen van de duur van de straf terzake van de onder 2.B en 4.B bewezen verklaarde feiten heeft het hof acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten, die met het onderhavige geval (grosso modo) vergelijkbaar zijn. Aan de hand daarvan heeft het hof voor elk van laatstgenoemde feiten een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden tot uitgangspunt genomen.

Het hof meent dat de houding van verdachte tegenover datgene wat in dit strafproces is komen vast te staan getuigt van weinig inzicht bij verdachte in het aan zijn slachtoffers toegebrachte leed. Verdachte heeft zich vanaf het begin van zijn proces uitsluitend laten leiden door de drang zichzelf te rechtvaardigen zonder daarbij zijn eigen strafbaar handelen daadwerkelijk onder ogen te zien. De verschrikkelijke gevolgen hiervan voor anderen lijken door hem geheel te worden miskend. Die laatste aspecten betreffende de persoon van verdachte rekent het hof verdachte zwaar aan.

De advocaat-generaal heeft verzocht om, als het hof niet zou toekomen aan de maatregel terbeschikkingstelling, een gevangenisstraf op te leggen van 16 jaar. Bij deze eis heeft de advocaat-generaal nadrukkelijk de weigerachtige houding van verdachte betrokken. Het hof volgt deze strafeis niet omdat verdachte het recht heeft om elke medewerking aan een onderzoek van zijn persoon te weigeren.

Alles overwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaar passend en geboden

Beslag

De hierna te noemen hoeveelheid hennep is een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II en zal daarom worden onttrokken aan het verkeer.

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking waartoe of met behulp waarvan het bewezen verklaarde is begaan c.q. die bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf zijn aangetroffen, aan verdachte toebehoren en kunnen dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke misdrijven, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Van hetgeen verder in beslag genomen en nog niet teruggegeven is, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast, zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt.

Maatregelen ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

1.

Het slachtoffer [benadeelde 4]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [benadeelde 4] als gevolg van het onder 2. bewezen verklaarde feit materiële schade heeft geleden, die het hof stelt op een bedrag van € 496,00.

Uit het onderzoek is voorts gebleken dat het slachtoffer immateriële schade heeft geleden, die het hof naar billijkheid begroot op een bedrag van € 500,00. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een totaalbedrag van € 996,00 te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

2.

Het slachtoffer [benadeelde 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [benadeelde 1] als gevolg van het onder 4. bewezen verklaarde feit materiële schade heeft geleden, die het hof stelt op een bedrag van € 2.777,25.

Uit het onderzoek is voorts gebleken dat het slachtoffer immateriële schade heeft geleden, die het hof naar billijkheid begroot op een bedrag van € 2.500,00. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een totaalbedrag van € 5.277,25 te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

3.

Het slachtoffer [benadeelde 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [benadeelde 2] als gevolg van het onder 6. bewezen verklaarde feit materiële schade heeft geleden, die het hof stelt op een bedrag van € 99,15.

Uit het onderzoek is voorts gebleken dat het slachtoffer immateriële schade heeft geleden, die het hof naar billijkheid begroot op een bedrag van € 2.500,00. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een totaalbedrag van € 2.599,15 te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

4.

Het slachtoffer [benadeelde 3]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [benadeelde 3] als gevolg van het onder 8. bewezen verklaarde feit immateriële schade heeft geleden, die het hof naar billijkheid begroot op een bedrag van € 750,00. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een totaalbedrag van € 750,00 te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36b, 36d, 36f, 45, 57, 242, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, en op artikel 13a van de Opiumwet, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover na terugwijzing door de Hoge Raad aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de op de aan het arrest gehechte beslaglijst genoemde in beslaggenomen voorwerpen, met de nummers: 118865, 86275, 86277, 87200, 87205, 87243, 87506, 87508, 87517 en 87521.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de op de aan het arrest gehechte beslaglijst genoemde in beslaggenomen voorwerpen, met de nummers: 118823, 118840, 118847, 118854, 118857, 86265, 86266, 86268, 86271, 86274, 86278, 86279, 86282, 86284, 87160, 87165, 87182, 87187, 87236, 87252, 87258, 87265, 87273, 87282, 87290, 87293, 87493 en 87499.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4], een bedrag te betalen van € 996,00 (negenhonderdzesennegentig euro) bestaande uit € 496,00 (vierhonderdzesennegentig euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 19 (negentien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], een bedrag te betalen van € 5.277,25 (vijfduizend tweehonderdzevenenzeventig euro en vijfentwintig cent) bestaande uit € 2.777,25 (tweeduizend zevenhonderdzevenenzeventig euro en vijfentwintig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 61 (eenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], een bedrag te betalen van € 2.599,15 (tweeduizend vijfhonderdnegenennegentig euro en vijftien cent) bestaande uit € 99,15 (negenennegentig euro en vijftien cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3], een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Aldus gewezen door

mr. J.J. van der Kaaden, voorzitter,

mr. M.L.P. van Cruchten en mr. M.I.A. Schlaghecke-Bouman, raadsheren,

in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,

en op 4 februari 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Schlaghecke-Bouman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.