Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-01-2014
Datum publicatie
07-01-2014
Zaaknummer
20-004322-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplichting door een samenweefsel van verdichtsels.

Verdachte heeft diverse leugens verteld, telkens met de bedoeling om het slachtoffer te bewegen tot afgifte van geld. Het hof beziet deze leugens in hun onderlinge samenhang. De leugens hadden gemeen dat hij geld nodig had voor normale levensbehoeften (om boodschappen te kunnen doen, dan wel omdat zijn vriendin ziek was) of om met de kinderen naar een pretpark of een weekendje weg te kunnen gaan, terwijl het geld in werkelijkheid bedoeld was en gebruikt werd voor het kopen van drugs. Met deze leugens heeft verdachte ingespeeld op het gevoel en de goedheid van het slachtoffer en haar bewogen tot de afgifte van de geldbedragen. Verdachte heeft zelf verklaard dat als het slachtoffer had geweten dat hij van het geld drugs zou gaan kopen, zij het geld niet had gegeven. Daarnaast heeft verdachte, als onderdeel van deze leugens, het slachtoffer voorgespiegeld dat hij het geld zou terugbetalen en haar daartoe een bankafschrift van zijn toenmalige vriendin getoond.

Dat verdachte, zoals de raadsman heeft aangevoerd, per keer dat hij voor geld bij het slachtoffer aan de deur kwam maar één reden daarvoor (steeds aan te merken als leugen) heeft verteld, zo al juist, dwingt naar het oordeel van het hof, gelet op voornoemde onderlinge samenhang van die redenen/leugens en het voorspiegelen dat het geld zou worden terugbetaald, niet tot de conclusie dat geen sprake is van een samenweefsel van verdichtsels.

De in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid staat niet in de weg aan het oordeel dat het slachtoffer door dit samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot de afgifte van de geldbedragen. Daarbij heeft het hof gelet op de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de onware mededelingen in hun onderlinge samenhang en de persoonlijkheid van het slachtoffer. Ten aanzien dit laatste merkt het hof op dat het hoogbejaarde slachtoffer - een alleenstaande vrouw van 89 jaar zonder kinderen - meer dan de gemiddelde persoon bevattelijk was voor de leugens van verdachte, in het bijzonder omdat verdachte de zoon van haar buren was die ze nog van vroeger kende. Daar doet niet aan af dat het slachtoffer zich achteraf heeft afgevraagd, hoe ze zo naïef heeft kunnen zijn.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 326
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004322-12

Uitspraak : 6 januari 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 11 december 2012 in de strafzaak met parketnummer 02-152887-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:

(feit 1) oplichting en

(feit 2) in het besloten lokaal, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen,

veroordeeld tot een werkstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand met een proeftijd van twee jaren.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep na de terechtzitting van 23 december 2013

De tenlastelegging onder 2, vermeld op de inleidende dagvaarding, houdt - kort gezegd - in dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk in een garagebox met nummer 12.

Ter terechtzitting van 23 december 2013 heeft het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging ter zake van de onder 2 ten laste gelegde lokaalvredebreuk in garagebox 12. Daartoe heeft het hof overwogen dat de verdachte in de onderhavige strafzaak wordt vervolgd ter zake van het wederrechtelijk binnendringen in die garagebox, waarmee het openbaar ministerie het oog heeft op het forceren van het slot van de garagedeur, terwijl de verdachte na een eerdere vervolging in de strafzaak met parketnummer 02-138221-11 bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 13 september 2011 reeds onherroepelijk is vrijgesproken van het vernielen, beschadigen of onbruikbaar maken van het slot van bedoelde garagedeur.

Voorts heeft het hof op die terechtzitting de beslissing van de politierechter tot toewijzing van de vordering van de officier van justitie tot wijziging van het tenlastegelegde onder 2 vernietigd, omdat bij die wijziging in strijd met artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering een nieuw feit, namelijk lokaalvredebreuk in een garagebox met nummer 17, aan de tenlastelegging is toegevoegd.

Gelet op de hiervoor vermelde, ter terechtzitting in hoger beroep genomen, beslissingen ter zake van het onder 2 ten laste gelegde, is thans nog slechts het onder 1 ten laste gelegde aan de orde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 20 dagen met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarde dat de verdachte binnen het eerste jaar van de proeftijd een schadevergoeding van EUR 1.255,-- zal betalen aan het slachtoffer [A].

De raadsman heeft primair vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet verenigt met de beslissingen van de politierechter ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat:

hij op een of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 14 februari 2011 tot en met 8 maart 2011 te Breda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [A] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen (totaal een bedrag van € 1855,-), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - (telkens) valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid tegen die [A] gezegd hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) geld nodig had(den) voor boodschappen en/of ziektekosten en/of uitstapjes met de kinderen en/of dat hij het geld alleen wilde lenen en/of dat hij het geld terug zou betalen, waardoor [A] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 14 februari 2011 tot en met 8 maart 2011 te Breda telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [A] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen (totaal een bedrag van € 1855,-), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - telkens in strijd met de waarheid tegen die [A] gezegd hij, verdachte, geld nodig had voor boodschappen en/of ziektekosten en/of uitstapjes met de kinderen, waardoor [A] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen 1-3 maken onderdeel uit van het dossier van de regiopolitie Midden- en West-Brabant, registratienummer PL202E 2011079491, sluitingsdatum 4 mei 2012, bestaande uit doorgenummerde pagina’s 1-39.

1.

Een op 20 april 2011 opgemaakt proces-verbaal van aangifte, voor zover inhoudende als - zakelijk weergegeven - verklaring van aangeefster [A] d.d. 11 april 2011 (pag. 18-22):

Ik ben woonachtig aan de [straat] 242 te Breda. Ik ben alleenstaand en ik ben 89 jaar oud.

Op 14 februari 2011 hoorde ik de voordeurbel. Ik opende de voordeur en ik zag dat daar [verdachte] stond. Zijn ouders wonen op nummer 238. Ik had hem jaren niet gezien en ook geen contact met hem gehad. U vraagt aan mij hoelang ik [verdachte] al niet meer gezien had. Dit is denk ik 3 jaar.

Hij stond voor de deur en vroeg aan mij of hij binnen mocht komen. Ik heb hem binnengelaten. Hij vertelde mij dat zijn ouders op vakantie waren en dat hij de sleutel vergeten was. Ook vertelde hij mij dat hij geld nodig had om boodschappen te doen. Zijn ouders waren op vakantie en hij kon hun woning niet binnen en daarom vond ik het vervelend voor hem dat hij geen boodschappen kon doen.

Hierop ben ik naar de kast gelopen en heb ik daar een envelop uitgepakt. Ik heb in mijn kast in de woonkamer altijd een envelop liggen met contant geld. Ik ga namelijk elke week met de hulp in huis pinnen. En dat is mijn weekgeld. Heel vaak heb ik geld over en dat doe ik dan in die envelop. Deze envelop was goed gevuld en ik denk dat [verdachte] dit gezien heeft.

Ik heb hem 120.00 euro gegeven. Hij vertelde mij dat hij het geld snel aan me terug zou betalen. Ik vertrouwde het. De volgende dag kwam [verdachte] weer langs. Ik liet hem weer binnen.

Na 14 februari kwam [verdachte] bijna elke dag langs. Hij vertelde dat zijn ouders nog steeds op vakantie waren en had nog steeds geld nodig. Tevens drukte hij me op het hart dat hij het geld allemaal terug ging betalen. Omdat hij de dagen erna steeds terugkwam, heb ik in mijn

agenda wel bijgehouden hoeveel ik hem heb meegegeven.

Op de volgende dagen is hij allemaal langs geweest en heeft hij de volgende bedragen van mij uit de envelop gekregen:

16 februari 2011 70.00 euro

17 februari 2011 150.00 euro

17 februari 2011 20.00 euro

18 februari 2011 150.00 euro

18 februari 2011 20.00 euro

19 februari 2011 150.00 euro

19 februari 2011 70.00 euro

20 februari 2011 50.00 euro

24 februari 2011 150.00 euro

25 februari 2011 150.00 euro

25 februari 2011 30.00 euro

26 februari 2011 150.00 euro

27 februari 2011 150.00 euro

3 maart 2011 80.00 euro

4 maart 2011 120.00 euro

5 maart 2011 75.00 euro

6 maart 2011 80.00 euro

7 maart 2011 150.00 euro

8 maart 2011 40.00 euro

Ik heb elke keer gedacht dat hij het geld zou terug betalen. U vraagt mij hoe het komt dat ik steeds weer geld aan hem meegaf. [verdachte] kwam bijna elke dag langs. Hij belde dan aan en wilde dan vaak iets drinken en iets eten. Hij kwam dus echt langs. Hij las dan de krant en vertelde over zijn nieuwe vriendin. Ik heb haar een keer gezien; ze heet [vriendin]. Ik ben maar alleen dus ik vond het wel gezellig als hij even langs kwam.

Ik vroeg hem dan wel waar hij het geld voor nodig had. Hij vertelde mij dan dat hij om boodschappen moest. Ook heeft hij mij verteld dat hij samen met zijn vriendin in een garagebox woont en dat zijn vriendin twee kinderen heeft. Hij heeft mij een keer geld gevraagd om met die kinderen naar de Efteling te kunnen. Ik vond het zo zielig dat ze geen geld hadden om iets met die kinderen te doen dat ik hem het geld gegeven heb. Hij vertelde dan ook dat hij met zijn vriendin en hun kinderen in een hotel moest slapen. Hij had hier ook geld voor nodig. Hij kon natuurlijk niet met die kinderen in een garagebox slapen. Ik vond dit zo zielig dat ik hem toen weer geld gegeven heb. Elke keer had hij weer een ander verhaal. Hij gaf mij steeds het gevoel dat hij het terug zou betalen. Hij was zo vriendelijk altijd. Hij kwam soms wel twee keer op een dag. Elke keer pakte ik dan geld uit de envelop die in de kast lag.

Op een dinsdagavond ging weer de bel. Ik heb de deur niet geopend. Ik hoorde dat er eerst lang gebeld werd en vervolgens werd er hard gebonkt. Een dag later kwam mijn buurman langs. Dit is meneer [overbuurman] (het hof leest: [overbuurman]). Hij vroeg mij of er iets aan de hand was. Hij had namelijk [verdachte] voor de deur zien staan en hij had gezien dat hij bij mij op de deur gebonkt heeft. Ik heb hem verteld wat er gebeurd is.

Ik dacht dat [verdachte] mij alles terug zou betalen. [verdachte] heeft misbruik van mij gemaakt en mijn goedheid gebruikt voor al het geld. Mijn vertrouwen is helemaal beschadigd.

2.

Een proces-verbaal van verhoor getuige, voor zover inhoudende als - zakelijk weergegeven - verklaring van [overbuurman] d.d. 29 juli 2011 (pag. 25-27):

Ik woon aan de [straat] te Breda. Tegenover mij woont mevrouw [A] op nummer 242. Dit is een vrouw op leeftijd en zij woont alleen.

Op dinsdag 8 maart 2011 was ik thuis. Ik woon schuin tegenover de woning van mevrouw [A]. Ik kan dus vanuit mijn woning naar haar woning kijken. Ik werd gebeld door de overbuurman [buurtgenoot]. Hij woont op nummer 240. Hij vertelde mij dat hij bonkgeluiden hoorde bij zijn buurvrouw, mevrouw [A]. Hij vertelde mij dat er iemand voor de

deur stond. [buurtgenoot] had deze geluiden al vaker gehoord en had al vaker een man voor

de deur zien staan in de weken voorafgaand aan deze avond. Ik keek hierop door de ramen naar buiten. Ik zag voor de woning van mevrouw [A] een manspersoon staan. Ik zag dat deze manspersoon op de deur van mevrouw [A] bonkte. Ik vertrouwde het niet en daarom ben ik naar buiten gelopen. Mevrouw [A] is al oud en heeft geen kinderen. Ik zag dat bij de voordeur een manspersoon die ik herkende als [verdachte] het pad op liep. Ik vroeg aan [verdachte] wat hij ‘s avonds laat nog bij mevrouw [A] voor de deur deed en waarom hij op de deur bonkte. Hij gaf hier geen antwoord op en liep bij mij vandaan. Ik bleef in de straat staan en zag dat [verdachte] langs de andere zijde van het hofje weer de straat ingelopen kwam en naar het huis van zijn ouders liep. Hij liep dus bij mij vandaan, is omgelopen om zo bij het huis van zijn ouders te komen. Ik vond dit erg verdacht. Ik liep weer naar hem toe en vroeg hem nogmaals wat hij zo laat op de avond bij mevrouw [A] kwam doen. Ik zei hem dat dit volgens mij niet de bedoeling was. Hierop zag ik dat [verdachte] erg schichtig keek en snel antwoord gaf. Hij keek mij niet aan. Hij zei: “Ik moest iets afgeven”. Ik vertelde hem dat ik hem niet geloofde maar [verdachte] gaf verder geen reactie op mijn vragen.

Ik ben een dag later bij mevrouw [A] aan de deur gegaan. Ik vroeg haar wat er aan de hand was omdat ik [verdachte] zo laat nog aan de deur had zien staan en dat ik me zorgen maakte om haar. Ze heeft me verteld dat [verdachte] op een dag aan de deur gekomen was. Hij had haar verteld dat zijn ouders op vakantie waren en dat hij de sleutel niet had. Hij had haar gevraagd om binnen te komen. Mevrouw [A] had hem binnen gelaten en zo is alles begonnen. [verdachte] heeft mevrouw [A] gevraagd om geld te lenen. Hierop heb ik contact opgenomen met de politie welke vervolgens is gekomen en een aangifte heeft opgenomen van mevrouw [A]. U vraagt mij of ik weet om hoeveel geld het gaat. Ik heb gezien dat [A] op briefjes bijgehouden had hoeveel ze [verdachte] gegeven heeft.

3.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte, voor zover inhoudende als - zakelijk weergegeven - verklaring van de verdachte d.d. 2 mei 2011 (pag. 28-36):

Ik ben [verdachte]. Ik krijg sinds maart 2009 een ziektewetuitkering. Ik heb rond de 25.000 euro aan schulden bij diverse schuldeisers. Ik heb schulden bij Justitie, Laurentius Woningbouw, Essent, Belgische justitie, de belastingdienst en nog een aantal

schuldeisers.

Twee jaar geleden is [naam] bij mij in komen wonen. Toen [naam] bij mij in huis kwam wonen, ben ik cocaïne gaan gebruiken. [naam] heeft ervoor gezorgd dat ik verslaafd werd aan cocaïne. Later heb ik [vriendin] leren kennen. Van [vriendin] wist ik dat ze verslaafd was aan heroïne en cocaïne.

U vraagt mij naar mevrouw [A] woonachtig aan de [straat] 242 te Breda. U vertelt mij dat zij aangifte gedaan heeft. (Het hof begrijpt dat mevrouw [A] dezelfde persoon is als mevrouw [A].)

Op een dag ging ik langs bij mijn ouders. Deze wonen aan de [straat] 238 te Breda. Ik belde bij hen aan maar er was niemand thuis. Ik had geld nodig voor de verslaving. Vervolgens dacht ik: “Waar kan ik nog eens aanbellen want ik heb echt wel geld nodig?”

Ik heb geen idee waar mijn ouders op dat moment waren. Op dat moment woonde ik met [vriendin] in een garagebox. Vervolgens heb ik bij de buurvrouw van mijn ouders aangebeld, althans een paar huizen verder. Hier woont mevrouw [A]. Mevrouw

[A] is eind in de 80. Ik heb bij haar aangebeld met de hoop op geld voor onze verslaving. Ik heb haar verteld dat ik geld nodig had voor boodschappen. Ik had geen boodschappen nodig. Ik gebruikte dat als smoesje. Ik mocht binnen komen. Ik kreeg van haar geld uit een envelop. Ik had gezien dat er in die envelop meer geld zat. Ik ben vervolgens terug naar [vriendin] gegaan en van het geld hebben we drugs gekocht. Ik vertelde die avond tegen [vriendin] dat ik gezien had dat mevrouw [A] nog meer geld had wat [vriendin] oppikte. Ze vroeg mij vervolgens om hier vaker geld te gaan halen. Ze zei: “Daar moeten we vaker naar toe, daar kunnen we wel mooi gebruik van maken”.

Ik ben vervolgens veelvuldig langs geweest bij van mevrouw [A]. Ik verzon elke keer een ander verhaal om aan geld te komen bij haar. Het was zo erg dat [vriendin] dingen voor mij opschreef wat ik tegen haar moest vertellen. Ik verzon dat ik dan boodschappen nodig had. Ook vertelde ik haar dat [vriendin] ziek was en dat we daar geld voor nodig hadden. Ook heb ik haar verteld dat de kinderen van [vriendin] langs kwamen en dat we daar

een weekendje mee weg gingen. Ik vertelde haar toen dat we met die kinderen in een hotel moesten slapen maar dat we dit niet konden betalen. Ook heb ik haar een keer verteld dat we geld nodig hadden om met de kinderen naar een pretpark te gaan.

Mevrouw [A] vroeg mij wel eens wat ik dan met al dat geld deed. En dat verzon ik weer een ander verhaal. Al het geld ging op aan drugs. We gingen daar niet voor weg met de kinderen. We gingen niet naar een pretpark en we deden er ook geen boodschappen van.

Om mevrouw [A] nog steeds te laten geloven dat we het terug gingen betalen, nam ik een afschrift mee waarop stond dat [vriendin] wel geld had. Dit was een afschrift van de bankrekening van [vriendin]. Op dit document stond dat [vriendin] heel veel geld op haar rekening had staan. Met dit document hoopten we dat we nog meer geld zouden krijgen van mevrouw [A]. We wilden het vertrouwen wekken dat het goed was. Ik heb in die periode niets terug betaald aan mevrouw [A].

Ik ben ongeveer drie weken aan een stuk bij mevrouw [A] langs geweest voor geld. Ik kreeg dit geld ook steeds, mede door onze verhalen die we verzonnen hadden. Ik ben ook een aantal malen met [vriendin] bij mevrouw [A] geweest. Toen [vriendin] met mij mee ging, hebben we de verhalen weer voorgehouden en kregen we weer geld. Elke keer als ik geld kwam halen bij mevrouw [A] had ze het geld contant in huis.

De laatste keer dat ik aan de deur was bij mevrouw [A] kwam er een buurtbewoner naar mij toegelopen. Deze vroeg mij wat ik bij mevrouw [A] kwam doen. Ik heb hem verteld dat ik haar medicijnen kwam afgeven. In ieder geval een smoes.

4.

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 11 december 2012, weergegeven op pagina 2 van het proces-verbaal van die terechtzitting, voor zover inhoudende:

Als mevrouw [A] had geweten dat ik van het geld drugs zou gaan kopen, had ze het niet gegeven.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De raadsman heeft op gronden als in de pleitnota verwoord vrijspraak van de ten laste gelegde oplichting bepleit. Daartoe is - samengevat - het volgende aangevoerd:

( a) Het ging om afzonderlijke geldleningen. Het handelen van de verdachte was niet wederrechtelijk en er was ook geen oogmerk gericht op wederrechtelijkheid.

( b) Mevrouw [A] wist dat de verdachte een verslaafde was en had - als ieder ander weldenkend mens - moeten beseffen dat het geld niet aan boodschappen zou worden besteed.

( c) Er is geen sprake van een samenweefsel van verdichtsels.

( d) Het ten laste gelegde totaalbedrag kan niet bewezen worden.

Het hof stelt het volgende voorop.

Voor het antwoord op de vraag of uit door een verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels is bewogen tot afgifte van een goed, als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de onwaarachtige mededelingen waren gericht aanleiding had behoren te geven die onwaarachtigheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en de persoonlijkheid van het slachtoffer (HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8600, NJ 2012/279, rov. 3.2).

Ad (a)

Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij het geld heeft geleend en voornemens was het geld terug te betalen.

Daarbij neemt het hof in de eerste plaats in aanmerking hetgeen tussen de verdachte en zijn vriendin [vriendin] is besproken. Nadat de verdachte haar had verteld dat het slachtoffer nog meer geld had liggen, heeft [vriendin] gezegd: “Daar moeten we vaker naar toe, daar kunnen we wel mooi gebruik van maken”.

Dit duidt naar het oordeel van het hof niet op het afsluiten van een geldlening met het voornemen die lening te voldoen.

Voorts neemt het hof in aanmerking dat de verdachte, die sinds maart 2009 een ziektewetuitkering ontving en ongeveer EUR 25.000,-- aan schulden had bij diverse schuldeisers, heeft verklaard: “Om mevrouw [A] nog steeds te laten geloven dat we het terug gingen betalen, nam ik een afschrift mee waarop stond dat [vriendin] wel geld had. Dit was een afschrift van de bankrekening van [vriendin]. Op dit document stond dat [vriendin] heel veel geld op haar rekening had staan. Met dit document hoopten we dat we nog meer geld zouden krijgen van mevrouw [A]. We wilden het vertrouwen wekken dat het goed was.”

Het hof leidt uit een en ander af dat de verdachte met het tonen van het bankafschrift kredietwaardigheid en de wil om terug te betalen heeft voorgewend, terwijl van een wil tot terugbetalen nooit sprake is geweest.

De kwade trouw van de verdachte blijkt voorts uit zijn reactie toen hij door buurtgenoot

[overbuurman] werd aangesproken. Indien er daadwerkelijk sprake was van een lening met intentie tot terugbetaling, valt niet in te zien waarom de verdachte tegen [overbuurman] heeft gelogen over de reden van zijn bezoek aan het slachtoffer (het afgeven van medicijnen).

Bovendien is niet gebleken dat door de verdachte, dan wel door zijn ouders namens hem, een begin is gemaakt met terugbetaling van enig geldbedrag voordat het handelen van de verdachte bekend werd door het optreden van [overbuurman].

Ad (b)

De stelling van de raadsman dat het slachtoffer wist dat de verdachte verslaafd was, mist naar het oordeel van het hof feitelijke grondslag.

De verdachte heeft immers op 2 mei 2011 verklaard: “Twee jaar geleden is [naam] bij mij in komen wonen. Toen [naam] bij mij in huis kwam wonen, ben ik cocaïne gaan gebruiken. [naam] heeft ervoor gezorgd dat ik verslaafd werd aan cocaïne.”

Aangeefster heeft het volgende verklaard over de verdachte die op 14 februari 2011 bij haar aan de deur kwam: “Ik had hem jaren niet gezien en ook geen contact met hem gehad. U vraagt aan mij hoelang ik [verdachte] al niet meer gezien had. Dit is denk ik 3 jaar.”

Het hof leidt hieruit af dat het slachtoffer niet op de hoogte was van de verslaving van de verdachte.

Ad (c)

Naar het oordeel van het hof laat het handelen van de verdachte zich kwalificeren als een samenweefsel van verdichtsels in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte heeft diverse leugens verteld, telkens met de bedoeling om het slachtoffer te bewegen tot afgifte van geld. Het hof beziet deze leugens in hun onderlinge samenhang.

De door de verdachte gedebiteerde leugens hadden gemeen dat hij geld nodig had voor normale levensbehoeften (om boodschappen te kunnen doen, dan wel omdat zijn vriendin ziek was) of om met de kinderen naar een pretpark of een weekendje weg te kunnen gaan, terwijl het geld in werkelijkheid bedoeld was en gebruikt werd voor het kopen van drugs. Met deze leugens heeft de verdachte ingespeeld op het gevoel en de goedheid van het slachtoffer en haar bewogen tot de afgifte van de geldbedragen. De verdachte heeft zelf verklaard dat als het slachtoffer had geweten dat hij van het geld drugs zou gaan kopen, zij het geld niet had gegeven. Daarnaast heeft de verdachte, als onderdeel van deze leugens, het slachtoffer voorgespiegeld dat hij het geld zou terugbetalen en haar daartoe zelf een keer een bankafschrift van zijn toenmalige vriendin getoond.

Dat de verdachte, zoals de raadsman heeft aangevoerd, per keer dat hij voor geld bij het slachtoffer aan de deur kwam maar één reden daarvoor (steeds aan te merken als leugen) heeft verteld, zo al juist, dwingt naar het oordeel van het hof, gelet op voornoemde onderlinge samenhang van die redenen/leugens en het voorspiegelen dat het geld zou worden terugbetaald, niet tot de conclusie dat geen sprake is van een samenweefsel van verdichtsels.

Mede gelet op hetgeen hiervoor ad (b) is overwogen, staat de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid niet in de weg aan het oordeel dat het slachtoffer door dit samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot de afgifte van de geldbedragen.

Daarbij heeft het hof gelet op de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de onware mededelingen in hun onderlinge samenhang en de persoonlijkheid van het slachtoffer. Ten aanzien dit laatste merkt het hof op dat het hoogbejaarde slachtoffer - een alleenstaande vrouw van 89 jaar zonder kinderen - naar het oordeel van het hof meer dan de gemiddelde persoon bevattelijk was voor de leugens van de verdachte, in het bijzonder omdat de verdachte de zoon van haar buren was die ze nog van vroeger kende. Daar doet niet aan af dat het slachtoffer zich achteraf heeft afgevraagd, hoe ze zo naïef heeft kunnen zijn (p. 20).

Ad (d)

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de overbuurman [overbuurman] heeft verklaard dat hij de door het slachtoffer genoteerde bedragen heeft opgeteld en uitkwam boven de EUR 2.000,-- hetgeen niet klopt met het door het slachtoffer aan de politie verstrekte overzicht.

Het hof overweegt dat het in de aangifte opgenomen overzicht over de periode van 16 februari 2011 tot en met 8 maart 2011 uitkomt op een totaalbedrag van EUR 1.855,--.

Het verschil tussen dit bedrag en het door [overbuurman] genoemde bedrag (boven de EUR 2.000,--) wordt kennelijk veroorzaakt doordat genoemd overzicht niet ook het geld vermeldt dat het slachtoffer vóór 16 februari 2011 aan de verdachte heeft gegeven.

Maar wat daar ook van zij, het hof ziet, nu daar ook niets substantieels toe is aangevoerd, geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer over de hoogte van de geldbedragen die zij aan de verdachte heeft gegeven.

Opmerking verdient dat de tenlastelegging een totaalbedrag van EUR 1.855,-- vermeldt. De bewezenverklaring wordt daarom tot dat bedrag beperkt.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 326, eerste lid, juncto artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en wordt gekwalificeerd als:

oplichting, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van drie weken schuldig gemaakt aan stelselmatige oplichting van een hoogbejaarde alleenstaande vrouw. Hij heeft het slachtoffer geraffineerd voorgelogen om de aankoop van drugs voor zijn verslaving en die van zijn vriendin te bekostigen. De verdachte heeft zodoende misbruik gemaakt van het vertrouwen van een kwetsbaar slachtoffer. Door ingrijpen van een buurtbewoner is er een einde gekomen aan de oplichtingspraktijken van de verdachte.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde acht het hof in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen.

In verdachtes inmiddels in positieve zin gewijzigde persoonlijke omstandigheden en het gegeven dat hij een beperkt strafblad heeft, ziet het hof echter aanleiding om af te zien van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof acht een taakstraf voor de duur van 200 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden passend en geboden.

Met deze deels voorwaardelijke strafoplegging wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Hoewel het hof - anders dan de politierechter - niet komt tot een veroordeling mede ter zake van het onder 2 ten laste gelegde, komt het hof gelet op de ernst van het bewezen verklaarde tot oplegging van een zwaardere straf dan door de politierechter is opgelegd.

Schadevergoedingsmaatregel

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep een brief van het slachtoffer overgelegd, inhoudende dat de verdachte - na gedeeltelijke terugbetaling - nog een bedrag van EUR 1.255,-- is verschuldigd. De raadsman heeft medegedeeld dat de verdachte bereid is om dat bedrag van EUR 1.255,-- aan het slachtoffer te voldoen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat door verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade aan het slachtoffer is toegebracht, waarvan genoemd bedrag nog resteert, en dat de verdachte voor die schade naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

Om het slachtoffer niet afhankelijk te laten zijn van de gestelde bereidwilligheid van de verdachte om het nog verschuldigde bedrag te voldoen, zal het hof aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot een bedrag van EUR 1.255,--.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders onder 1 is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [A], een bedrag te betalen van € 1.255,00 (duizend tweehonderdvijfenvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Aldus gewezen door

mr. N.J.M. Ruyters, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. H. Harmsen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 6 januari 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Claassens en mr. Harmsen zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.